Daniël 11 : 1 – 35

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

12. Strijd buiten onze waarneming.

Daniël Bijbellezing door Dato Steenhuis,

7 maart 2004
      Lezing

Lezen: Daniël 11 vers 1 – 35
We komen bij een heel moeilijk stuk tekst. Ik probeerde de laatste keer iets te zeggen over wat zich buiten ons gezichtsveld afspeelt. Dingen die wij niet kunnen zien maar die er wel zijn. Daar ging het over aan het eind van hoofdst. 10. Daniël heeft gebeden en moest 21 dagen wachten. Krijgt nu bezoek van Gabriël, die hem vertelt: Uw gebed is welk verhoord, maar er was wat anders. Er speelden zaken buiten jouw gezichtsveld die de reactie op jou gebed in de weg stonden. En wat zich buiten Daniëls gezichtsveld afspeelde, was een strijd tussen machten in de hemelse gewesten, waarbij zelfs koningen die op aarde nog niet eens regeerden, daar al gezien werden. Dat is best ingewikkeld, maar zo staat het er wel. Dat wil dus zeggen dat er in de hemelse gewesten al een vorst van Griekenland bezig is, terwijl hier op aarde de macht van Griekenland nog niet te zien was. Dat is, en ik hoop dat ik dat duidelijk gemaakt heb, de vorige keer, best schokkend. Dus behalve de dingen die wij zien, die we waarnemen, de strijd die er is, de machtsblokken die zich hebben ontwikkeld, is er ook, buiten ons gezichtsveld, strijd gaande. Nu hoeft dat niet nieuw te zijn, want je hebt in het NT, in Ef. hoofdst. 6, de tekst: Onze strijd is niet tegen vlees en bloed, maar tegen machten, krachten, overheden en machten in de hemelse gewesten. Als mensen vandaag wat doen, bijvoorbeeld: Iemand bejegent jou hard, onheus, onterecht. Dan kun je je tegen zo iemand keren. Maar op dat moment zou je je moeten realiseren: Ja, hij doet dat wel, maar hij wordt gestuurd. Hij wordt in feite gestuurd door iets van een demonische macht. Machten en krachten, overheden in de hemelse gewesten, die mensen aanzetten tot haat, aanzetten tot verwildering en verwijdering, aanzetten tot schisma, tot scheiding. Dus, mijn buurman, als hij mij onheus bejegent, gaat vrijuit. Ja, nee, dat kun je ook niet zeggen. Maar het is niet aan jou om het oordeel daar over uit te spreken. Laat dat nu maar eens los. Probeer nu maar eens te stellen dat de Here het ziet. En dat is ook het gebed van Daniël geweest: O Here, hoe kan dat nu. Hoe kan er zoveel om ons heen gebeuren. Hij zag het niet, en krijgt nu informatie. Vorsten, machten, bezig om hier op aarde zich te ontwikkelen, hebben ook hemelvorsten, demonische machten. En die demonisch machten vechten ook, strijden. En daar komt de moeilijkheid natuurlijk. Want wie snapt dit. Wie kan dit nu precies duiden. Wie kan nu precies zeggen wat er aan de hand is. Nou, niemand. Maar het is goed om je te realiseren dat er behalve dat wat je ziet en waarneemt of waarvan je leest of waarvan je het journaal volgt, dat er behalve dat, meer aan de hand is.
Nu, Daniël heeft dit gehoord van Gabriël, en Gabriël gaat in feite verder. Hij gaat hem instrueren. Hij gaat hem vertellen dat er een aantal koningen zullen opstaan die machtig zijn, die heel rijk zullen zijn, een paar. En één van die koningen van Perzië, van Iran, één van die koningen, zo begint hoofdst. 11, die zal zich zeer, zeer verrijken. En die zal een aanval gaan doen in de richting van Griekenland. Griekenland was nog niet gezien als een macht, als een machtsblok. Maar hij vergaloppeerd zich. Want in Griekenland zal een koning opstaan. Dit is allemaal vòòr die koning zichtbaar werd vastgelegd. Er zal een koning opstaan in Griekenland, een machtig iemand, en die zal de koning van Iran, van de Mediërs en de Perzen, van Iran, verslaan. En die koning van Griekenland die zal buitengewoon handig zijn en snel zijn en daadkrachtig zijn. We hadden hem al eerder in het boek Daniël, in hoofdst. 2 en in hoofdst. 7. In hoofdst. 2 gaat het om wat daar koper genoemd wordt. In Dan. 7 gaat het om een snelle panter. Beide keren ging het over diezelfde macht. Dus niet alleen hier, maar ook al eerder, werden die koningen benoemd, die machten geduid. Die snelle panter, dat koperen stuk uit Dan. 2, Goud, zilver, koper, ijzer. Dat koperen stuk uit Dan. 2 is Griekenland. En, misschien precies gezegd, het Grieks-Macedonische rijk, dus Macedonië-Griekenland. Alexander de Grote is de eerste koning van dat Grieks-Macedonische rijk. Dus zeg maar even Griekenland, stukje Balkan, dat hele broeinest van vandaag. Alexander de Grote is een snelle veroveraar geweest. Heb ik toen ook gezegd. 33 jaar was hij toen hij stierf. Veel te jong zou je zeggen. Toppunt van zijn macht, 33 jaar. Maar hij had geen nazaat. Dus wat gebeurde toen hij stierf. Dat rijk werd in vier moten gehakt, staat hier, vs 4: Nauwelijks is hij opgestaan of zijn koninkrijk zal verbroken worden en verdeeld worden naar de vier windstreken des hemels. Staat gewoon in de tekst. Noordelijk, zuidelijk, oostelijk, westelijk, zijn vier generaals hebben elk een stuk gepakt. En die vier generaals van Alexander de Grote hebben zich natuurlijk gelijk man en bonus gevoeld. Die hebben gedacht: Nu zijn wij aan de beurt. Dus die gingen elkaar te lijf. Hoe dat met het oostelijke en het westelijke stuk zit laat ik helemaal even los, want dat wordt dan te ingewikkeld. Waar het hier in hoofdst. 11 om gaat is om het noordelijke en het zuidelijke stuk. Dus dat rijk van Alexander de Grote, vanuit Griekenland, vanuit Macedonië, het broeinest van Europa, aangestuurd, omvatte dus ook dat rijk van Babel, van Irak en van Iran. Dus dat was een flink stuk daar in het Midden-Oosten, met een enorme omvang. En die Alexander de Grote was dus baas over die hele handel. Hij sterft, geen kinderen. Generaals gaan aan de haal, elk met een stuk. En de koning van het noorden, is het noordelijke stuk van dat rijk, maar noordelijk van Jeruzalem. En het zuidelijke, de koning van het zuiden is het zuidelijke stuk, Egypte. Dus je kunt stellen dat, vanuit het noorden Syrië, soms misschien wel aangeduid met Assyrië, maar dat is Syrië met name, het noordelijke stuk, noordelijk van Jeruzalem. En het zuidelijke stuk, Egypte. Die koning van het noorden en die koning van het zuiden zijn veruit de belangrijksten geworden van die vier die elk een stuk kregen. En die koning van het noorden en die koning van het zuiden die hebben elkaar het leven heel erg zuur gemaakt. Die zijn steeds met elkaar in strijd geweest. En die strijd die heeft zich afgespeeld zowel in het noorden als ook in het zuiden. Maar u kunt zich voorstellen, als je Jeruzalem hier situeert, en je ziet daarboven, noorden, dus Syrië liggen, de koning van het noorden, en je ziet daaronder Egypte liggen. Dus als die koning van het zuiden de euvele moed heeft om die koning van het noorden te lijf te gaan, ja, dan moet hij dus eventjes door Jeruzalem heen, bij wijze van. En als die koning van het noorden denkt: Ja maar ho, ik kom je halverwege tegemoet. Dan was het merkwaardige dat die elkaar altijd in het land Israël hebben bevochten. daarom staat in het boek Zacharia bijvoorbeeld, dat ze bewaard zullen blijven voor de heen en weer trekkende legers. Nu snapt u die tekst. het ene legertje ging van het zuiden naar het noorden. En het andere legertje ging van het noorden naar het zuiden. En ze hebben elkaar altijd ongeveer in het land van onze Here gevonden. Een voortdurende strijd. En soms heeft de koning van het zuiden gewonnen en soms heeft de koning van het noorden gewonnen. Soms hebben ze handigheidjes bedacht door met vrouwen een beetje familie te worden, weet je wel, zo ongeveer. Als je nu met een beetje en zus of een halfzus, dat soort dingen. Nou, dat werkte ook van geen meter. Ze hebben afspraken gemaakt, ze hebben verbonden gesloten, soms een heilig verbond gesloten, om of Jeruzalem te sparen of elkaar te sparen. Nou, niemand heeft zich daar ene klap van aangetrokken. Ze hebben gewoon die hele zaak afgehandeld alsof het niet bestond. Ze hebben gewoon in leugenachtigheid, zo stond het hier, het verbond, de afspraak, geschonden.
Nou, nu ben ik niet geroepen om u geschiedenisles te geven. Het is wel mijn hobby een beetje, maar daar kan ik ook niks aan doen. De meeste mensen houden helemaal niet van geschiedenis. Maar u kunt, als u dat wilt, in de bibliotheek een boek ophalen, of lectuur opduiken over deze tijd. En dan gaat u precies zien, dat dit verhaal in Dan. 11, exact klopt. Critici hebben gezegd: “Dit is niet van Daniël, dit is een geschiedschrijver die achteraf de zaak heeft vastgelegd.” Zo precies is het. Dus dat zeggen mensen. Die zeggen: “Ja, dit kan helemaal niet van Daniël zijn. Dat bestaat toch niet. Dit is gewoon een geschiedschrijver geweest die achteraf iets heeft geregistreerd. Bijvoorbeeld Josephus Flavius, één van die hele bekende geschiedschrijvers. Die zou het kunnen weten. Die heeft het dan niet zelf meegemaakt, maar die heeft wel van horen zeggen, dit allemaal meegekregen.” Nu, het merkwaardige is dat in Dan. 11 een uitdrukking voorkomt over de gruwel die verwoesting brengt. We lazen dat samen. En het is uitgerekend die uitdrukking, die door de Here Jezus in Matt. 24, toegeschreven wordt aan Daniël, de profeet. Dus niet aan de geschiedschrijver Flavius Josephus, of aan geschiedschrijver huppellepup, maar aan Daniël, de profeet. En als de Here Jezus, ik vind dat dat de enige is Die het kan weten, Die ook nog in de hemelse gewesten kan rondkijken, ik zeg het een beetje te plat, maar ik bedoel het wel zo, als de Here Jezus dit zo toeschrijft aan Daniël, dan heb ik geen moeite om te stellen dat dat niet om geschiedschrijverij achteraf gaat, maar dat het om profetie vooraf gaat. Profetie, Daniël en zijn profetie.
Nu is het echt niet zo goed mogelijk om technisch het hele verhaal uit de doeken te doen, van dat was die en die vrouw heette zus en die man deed toen daar en daar en jaartal A hoort daarbij, of B. Dat kan wel, maar dat is echt, nog een keer, heel precies uitgekomen. Daarom, de critici zeggen: “Het moet geschiedschrijverij achteraf zijn geweest”, omdat het zo precies uitkomt.
De koning van het zuiden, Egypte en de koning van het noorden, hebben continu Israël in de tang genomen. Met name Jeruzalem als uitvalsbasis willen hebben. Uiteindelijk is die koning van het noorden machtiger en machtiger geworden. En die koning van het noorden wordt in Dan. 11 heel precies omschreven. En de rest van dit hoofdstuk gaat in feite om de koning van het noorden. daar komen we uit. Dus de rest valt allemaal weg. Oost en west, maar ook zuid gaat weg en er blijft in feite alleen maar de koning van het noorden over. En als u nu eens de moeite zou nemen om te lezen wat er in het boek Ezechiël staat over de koningen van het noorden. Over Gog en Magog, ver in het noorden en in het noorden, dan snapt u misschien dat ook nu weer blijkt dat de profetie van Daniël, hoofdst. 11, niet op zich staat. Kun je niet los maken van de rest. Moet ook niet natuurlijk, maar het kan ook niet. De koning van het noorden is een dreiging van enorme invloed. En nu zegt de bijbel dat een deel van Dan. 11 nog moet komen. Dat behandel ik de volgende keer. Duidelijk toekomst. En dat een deel van Dan. 11 geweest is. Dat behandel ik vandaag.
Daniël heeft niet meer meegemaakt, voor zover wij weten, dat de tempel werd herbouwd. Heeft zeker niet meegemaakt dat in de tempel een koning van het noorden een plek had. Jullie hebben misschien in ongewijde geschiedenis, of in verhalende zin, verhalen en namen gehoord over Antiochus Epifanus, één van de wreedste koningen van het noorden, één van de machtigste koningen van het noorden. Die heeft huisgehouden in Jeruzalem op een verschrikkelijke manier. Heeft echt Jeruzalem bevuild met afgoden. Heeft de tempel verontreinigd. Heeft daar een beeld van Jupiter laten neerzetten. heeft alles wat niet rein was ingevoerd. Heeft de Joden gedwongen om onreine dingen te eten en daarmee te doen. Offeranden te brengen met onreine elementen. Nou, alles wat tegen het woord van God indruist is toen gebeurd. In die tijd, toen die Antiochus Epifanus op het toppunt van zijn macht was, de koning van het noorden, duidelijk antichristelijke trekken, vorst van de duisternis, maar vooral antichristelijke trekken, een type van de antichrist, toen de vorst van het noorden zo te keer ging in Jeruzalem, is er een opstand ontstaan. Die opstand die is bekend onder de opstand van de Makkabeeën. En daar zijn bijbelboeken van. Nou, bijbelboeken, niet in onze bijbel. Maar misschien bent u Rooms-katholiek van origine en hebt u wel bijbelboeken bij u over die Makkabeeën. dat zou kunnen. Want in de Rooms-katholieke bijbeluitgaven, daar staan ook de apocriefe boeken. Die apocriefen gaan onder anderen over die tijd en over die mensen en over die strijd. En als u daar nog meer van wilt weten, ook Flavius Josephus die noemde ik al, een geschiedschrijver, heeft daarover geschreven, over de oorlogen. Het is die tijd dat er een opstand ontstond van die Makkabeeën en die hebben, ja toch, kans gezien om Jeruzalem weer te zuiveren. Om Jeruzalem weer een tempel te bezorgen zonder vuiligheid, zonder afgoderij. En, ja, het was zover, dat ze geen olie meer hadden voor dat licht. Dat er geen lampjes meer waren. Daar komt de negenarmige kandelaar vandaan, van die tijd, de chanoeka. Dat feest wordt nog steeds gevierd, vernieuwingsfeest, chanoeka. Dus niet de zevenarmige kandelaar, maar de negenarmige kandelaar. Dat komt daar vandaan. En daar is een prachtig verhaal bij. Daar was een wonder, want dat klein beetje, dat had nooit zeven dagen kunnen branden, Maar enfin, de Here heeft dat ja, vermenigvuldigd. En dat is blijven branden. En dat noemen we, nog steeds, het feest van de tempelvernieuwing. En, in het NT vindt u in Joh. 10 een uitdrukking: En het vernieuwingsfeest kwam, het was winter. Dat is dit feest, 163 v.Chr. Dat is dus de tijd van de Makkabeeën, de tijd dat ook leiders uit de Makkabeeën geweldige daden deden, en uiteindelijk die koning van het noorden, met hulp van anderen overigens, hebben weg gekregen. Die hebben op hetzelfde moment ook weer gedacht: Nu zijn wij de baas en nu regelen wij het zelf allemaal. Nu willen wij een eigen hogepriester. Nu willen wij aan de macht blijven. Weet je wel, je ziet altijd hetzelfde. Als de kerk een beetje goed loopt dan zegt de voorganger: “En nu ben ik de baas van het hele spul.” Hij was eerst de dienaar, en dan is hij daarna de chef. Ik bedoel, zo gaat het altijd. Sorry hoor, ik ga een beetje te kort door de bocht misschien, maar dat gebeurde hier ook. Dat is hier precies hetzelfde. En nu gaat het mij hier vanavond niet om u geschiedenis vertellen, maar het gaat mij om een bepaalde boodschap. Die boodschap is duidelijk gestoeld op dat wat hier is gebeurt, en dat heeft ook voor vandaag een enorme inpact, voor zover ik het kan bekijken.
Dan, u weet het wel, één van de stammen, Dan had aanvankelijk een erfdeel gekregen in de dagen van Jozua. En zij waren daarmee niet tevreden. Ik weet niet of u het boek Richteren ooit gelezen hebt, helemaal, heel spannend. Maar De Telegraaf vindt u waarschijnlijk nog spannender. Maar in het boek Richteren staat dat de Danieten ontevreden waren met hun eigen erfdeel. In het boek Richteren staat, dat een bepaalde man, een zekere meneer Micha, ook ontevreden was. Die denk: Ach, dat gedoe met die tabernakel, ik begin voor mezelf. Ik ga een eigen gemeente stichten. Mijn verhaal, mijn vertaling, maar zo was het wel. En n zijn een eigen godshuis, en in zijn eigen tempeltje, bij hem in de tuin of zo, een soort prieeltje, daar heeft hij een A-beeldje, een B-beeldje, een C-beeldje. Hij had ook wat gestolen van zijn moeder. En die had een soort vervloeking uitgesproken. En toen hij uiteindelijk zei dat hij het gedaan had om aan een beeldje te komen, zei zij: “Ach, gezegend zij mijn zoon.” Nou, zo ongeveer ging dat. U voelt hoe krom het was. Dus Micha was ontevreden met dat wat de Here God had gezegd. Hij begon voor zichzelf. Micha staat op een bepaald moment bij een kruispunt daar bij in de buurt. Dus laat ik maar zeggen, op een rotonde die er toen nog niet was, maar zoiets. En wie komt er aan lopen: Een meneer. “Wat doet u hier”, zegt Micha. “Nou”, zegt die man, “ik ben een Leviet.” Kleinzoon van Mozes, z’n geslachtsregister staat er bij. En Micha denkt: Tjoh, nu heb ik een echte. Iemand met papieren. Een stamboekpriester, snap je, sorry hoor, dat mag je zo niet zeggen natuurlijk, maar iemand met familiepapieren. Nota bene van Mozes. Wat doet Micha. Die zegt: “Moet je eens luisteren, ik heb mijn eigen zoon al wel een beetje tot priester gewijd, maar ja, ja, dat was bij gebrek aan beter. Maar nu ik een echte heb, nu, nou ja, dan moet mijn zoon maar een klein beetje andere klussen doen. Kun jij niet bij mij komen. En kun je niet bij mij in huis priesterdienst vervullen. Want ja, dan zal de Here mij vast gaan zegenen.” Micha was ontevreden met wat God had gezegd. Die Leviet was ook ontevreden met wat God had gezegd. Hij was op zoek naar wat beters. En zo gebeurt dat die Micha een priester in dienst neemt. De beloning staat er bij, per jaar, jaarsalaris. En in die tijd komen er wat van die mensen uit Dan, van de stam van Dan. Die waren ook al ontevreden. ja, de Here God heeft ons dat wel gegeven, maar, enfin. Het is allemaal te breed en te smal, dus die willen ook wat anders. En ze komen bij dat godshuisje van Micha en bij die priester en ze denken: Jonge, jonge, jonge, dan kunnen we gelijk de Here even vragen of onze route wel voorspoedig is. Nou, die man zegt natuurlijk: “Ga in vrede, want uw weg is heel, heel voorspoedig.” Als je maar goed betaalt dan krijg je altijd een goed advies. De Danieten gaan weg. En die gaan onderzoek doen of ze ergens anders terecht kunnen. Een paar weken later, de Danieten hebben dus onderzoek gedaan, komen weer terug bij hun stam. Die zeggen tegen hun stamgenoten: “Weet je wat we moeten doen. We moeten dus zo en zo, daar en daar heen gaan. Naar het noorden. Daar, daar ligt onze toekomst. En dat doen ze. En ze komen opnieuw bij dat godshuisje van die zekere meneer Micha, en pakken die hele handel in. Micha spattert natuurlijk geweldig tegen. En die priester die zegt ook nog: “Ja, maar ik ben door Micha gehuurd.” En wat zeggen die Danieten dan: “Moet je eens luisteren. Wat is nu voor jou, nou, wat is nou voor jou leuker. Priester zijn van één man of priester zijn van een hele stam.” Nou, die man die denkt: Ik heb in één keer een hele grote gemeente, toch. Makkelijker gaat het niet. En bovendien levert dat meer op. Dus die kiest voor de hele stam. Echt waar hoor, ik verzin geen woord. Ja, mijn uitleg is verzonnen. Niet verzonnen, is parafraserend, maar is wel wat er staat. Dus wat gebeurt. Dat hele tempeltje van Micha, met afgodsbeelden, inclusief de kleinzoon van Mozes, inclusief priester, wordt meegenomen. Hup, ingepakt, strikje erom, meegenomen, met de Danieten naar het noorden. En daar is voor het eerst afgoderij bedreven. Allemaal ontevreden mensen, ontevreden met wat God had gezegd. Is het ook dat God gezegd heeft….. Maar het is niet zo hoor. Je hoort aan mijn toon wat ik kwijt wil. Die Danieten die hebben zich gevestigd in het noorden. Nu nog, als je in Israël komt, dan wordt je daar in het noorden geconfronteerd met de stam van Dan. De bronnen van de Jordaan bij Dan Banjas en Dan, nu nog. En Dan is nota bene de enige stam die in de 144.000, weet u wel, twaalf, twaalf, twaalf, twaalf, niet voorkomt. Koning van het noorden, afgoderij. Die stam is als eerste ten prooi gevallen aan de wegvoering. Dat houdt ook geen stand. Dit gaat kapot, dit gaat stuk. Het is alsof de antichrist uit het noorden komt. Is vaak gesuggereerd dat de antichrist mogelijkerwijs uit de stam van Dan zou komen, om die reden. Maar de koning van het noorden en die antichrist, worden hier in Dan. 11 vereenzelvigd. Worden in elkaar geschoven. Wat doet die antichrist. De vader en de zoon loochenen, zegt het NT. Wat staat hier in Dan. 11. Ik wil uw aandacht vestigen op de laatste verzen van wat we lazen. Die koning van het noorden. Nog een keer, ik wil, niet deze verzen als onbelangrijk bestempelen, want dat is geschiedenis die precies is uitgekomen. Dus gewoon die en dat en zus en zo. Maar nu gaat het mij om het volgende: Die koning die, vs 31 zegt, die worden op de been gebracht, strijdmachten. En zij zullen het heiligdom der vesting ontheiligen, het dagelijks offer doen ophouden en een gruwel, dat is altijd een afgods-iets, een afgodisch iets, gruwel die verwoesting brengt, een afgod, een afgod of een afgodisch stelsel, oprichten die verwoesting brengt. En degene die zich misgaan tegen het verbond, dus mensen die ook alles wat ze afgesproken hadden aan hun laars lapten, ik heb het nu vertaald, dus iedereen die ook alles wat ooit afgesproken was, wat verbond was, wat afspraak was, aan hun laars lapten, die dat gewoon gingen negeren, die zal hij door vleierijen tot afval bewegen. M.a.w., die gaan nog verder. Als je één keer een stap zet, dan ga je een tweede zetten. En dan komt: Maar het volk dat hun God kent, zal sterk zijn in daden. Dat waren die Makkabeeën. Die zijn toen in opstand gekomen. En verstandigen onder het volk zullen velen tot inzicht brengen. Ik wil er dit mee zeggen. Ver na Daniëls tijd, is eer weer een tempeltje in, sorry, is er weer een tempel in Jeruzalem, Ezra, Nehemia. Dat was ver na Daniëls tijd. En ze hebben die tempel gehad, en daar is, ja, de Here dank gebracht, daar zijn offers gekomen. Totdat die koning uit het noorden kwam en de hele zaak ging vertroebelen. En van die tempel en van dat terrein en dat hele gebeuren in Jeruzalem een soort afgodische plaats maakte. Daar een afgodsbeeld neerzette. Het heiligdom, de vesting verontreinigde. Tijden en wet ging veranderen. Kom ik nog op, later, volgende keer waarschijnlijk. Maar ook het dagelijks offer deed ophouden. Alles wat aan God herinnerde werd weggenomen. En in plaats daarvan kwam die koning daar zelf. Ik ben het. Dat proces heeft zich toen daar voorgedaan. Daartegen zijn mannen in opstand gekomen die hier, het volk dat zijn God kent zal sterk zijn en daden doen, dat volk dat zijn God kende en daden deed, dat zijn die Makkabeeën geweest. Toen was er een strijd gaande van: Hier was een tempel voor de Here opnieuw in Jeruzalem, en de duivel kan het niet uitstaan dat er een plaats is waar God gediend wordt. Waar het offer des Heren gebracht wordt. Waar het dagelijks offer is. Waar elke dag God eer gebracht wordt. En hij denkt: Dit moet ik veranderen. Mensen die toen sterk waren, daden deden, die, nog een keer, die groep van Makkabeeën, die zijn er hopelijk vandaag ook. Ik bedoel dit: Toen is dit tot een gigantische bevuiling gekomen. Daniël heeft het voorzegd. Het was echt profetie, want het moest nog komen. Toch staat hier bij: Dit is maar een begin, want dit gaat nog véél verder. In de toekomst komt hier nog een enorme staart achter. We krijgen dat, zo de Here wil, de volgende keer. Nu, toen is het gebeurd. En die Makkabeeën, die hebben hulp gekregen, maar die zijn ook weer enigermate gestruikeld. Want er moest ook nog een soort loutering, schifting komen onder hen.
Wat wil ik nu graag kwijt. Mijn broeder en zuster, stel nu eens dat jouw hart en jouw leven een plaats is van lofprijzing voor de Here. Wat doet de duivel dan. Die denkt: Daar moet ik wat aan doen. Ik moet proberen om dat dagelijkse offer, dat brengen van eer aan de Here, dat lofprijzen naar de Here toe, dat moet ik wegnemen. Dan zijn er allerlei methodes. Maar de meest makkelijke is: Druk, druk, o, druk, druk. En u weet, het lukt aardig. We hebben nog net tijd om “Here zegen deze spijze amen” te zeggen. Niet te lang dominee, de preek. Ik zal me er aan houden. Maar hoe gaat het dan. Het is steeds hetzelfde. En ik wil zo graag vertellen, mijn broeder en zuster, dat dit, wat hier staat, een soort voorbode is van wat er straks gaat komen. Dan krijgt het pas z’n volle invulling. Nou, dan wordt alles wat zich nog op God richt weggevaagd. Dat wordt beïnvloed, dat wordt bestookt, dat gaat kapot. Maar dat is toen gebeurd, en dat gebeurt vandaag ook. Toen waren er een paar Makkabeeën die de moed hadden om tegen de draad in te gaan en daden te doen. De tempel te zuiveren, opnieuw de Here de plaats te geven. En dat was niet makkelijk. Want zelfs onder waren er mensen die struikelden en die door vleierijen misschien meegevoerd werden, want zelfs daar is er nog van alles gebeurd van loutering. Ik vind het wat moeilijk om het te zeggen, omdat het te maken heeft met vandaag. Toen waren juist mensen die daden deden, die sterk waren en die het volk gingen onderrichten, ook nog onderworpen aan louteren. Je zou zeggen: “Here God, alstublieft, spaar die lui. laat die lui door gaan.” Wat zegt de Here Jezus in Joh. 15. “Ieder die vrucht draagt, elke rank aan Mij die vrucht draagt, die snoei Hij, opdat er meer vrucht komt.” Welke ranken snoeit Hij. De ranken die vrucht dragen. En als een gelovige problemen heeft met zijn lichaam of met zijn omstandigheden, betekent dat, dat dat van de duivel komt. Nou, dat kan wel een gevolg zijn van de zonden, dat geloof ik stellig. Als het om problemen gaat van je lichaam dan is het een gevolg van de zonden. Maar bedoelt de Here van gelovigen: Nou, maar daar gaat het geloof wel goed. Een beetje gelovige heeft geen probleem. Een beetje gelovige gaat, laat ik maar zeggen, in zijn zaak, gaat alles voor de wind. Een beetje gelovige heeft geen…. Een “health en wealth preaching”, een Amerikaanse toestand van: Nou ja, als je je tienden geeft en een beetje naar de samenkomst gaat, dan kun je je bankrekening wel gaan bekijken elke dag een beetje plus. Dat komt over. Dat wil de mens van vandaag. En de bijbel zegt: “Nee, juist die sterk waren, die daden deden, die werden aan loutering onderworpen.” Opdat er nog meer vrucht zou komen. Maar dat willen we niet. Ja, Paulus, ja, ja, hij had een doorn in het vlees. En dan zeggen we: “Ja, dat zijn de omstandigheden.” Nou, ik weet het niet. Dat zijn waarschijnlijk lichamelijke dingen geweest, voor zover ik het kan bekijken. Maar Paulus zegt: “Alstublieft Here, neem het van mij weg.” “Ik heb drie keer gebeden”, zegt hij later. En God zegt: “Mijn genade is jou genoeg.” Opdat er meer vrucht zal zijn. Mensen die iets meemaken, die krijgen geen correctie van God, maar een duidelijke, duidelijke toekomstgerichte behandeling. Da’s moeilijk, want dat willen we niet, dat is tegendraads. Dat ligt ons niet. Wij willen, als we iets voor de Here doen, al is het maar voor een paar procent, dan willen we een compliment. Zo worden we opgevoed. We hebben onze kinderen nooit gecomplimenteerd met iets. Dat moet nu vandaag wel. Nou ja, ik deed het wel een beetje misschien vroeger, maar ook niet genoeg. Maar mijn vader heeft mij nooit een compliment gemaakt geloof ik. Maar dat hoorde niet bij de cultuur van toen. En nu zitten de psychiaters en de psychologen, die zeggen: “Ja, dat had moeten gebeuren, want die mensen die hebben een soort minderwaardigheidscomplex. Die hebben ook nooit complimenten gekregen.” Nou, je ziet het in Amerika: Oh, oh, you did a very good job. Nou, weet ik veel wat ze gedaan hebben. Een bekertje in de afwasmachine gezet of zo. De stomste dingen worden dus als een very good job aangeduid. Nou, ik snap het wel, allemaal complimentjes. En we moeten er bij staan als er een bal geschopt wordt. We moeten er bij staan als op school iets gebeurt. Dat is onze cultuur: Het is mij goed, het is mij dierbaar. Maar wij willen er niet aan dat de Here zegt: “Ik beoordeel het. En als Ik iets toelaat in je leven, hoe moeilijk dit ook is voor je, dan is dat niet om je te straffen. Dat is ook niet om een correctie toe te passen in je leven, om je een onvoldoende te geven. Omdat Ik wik dat je meer vrucht draagt.” Indien de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze alleen. Maar indien zij sterft, draagt ze veel vrucht. Het kruis van de Here Jezus: Veel vrucht. De route die de Here Jezus moest gaan: Veel vrucht. Ik denk dat het een bijbels principe is. Toen waren er mannen, vrouwen, een groep mensen die zeiden: “Wij willen opnieuw die tempel wijden voor de Here. Wij willen het vuile weg doen en wij willen het echte weer terug. Wij willen die tempel vernieuwen. Wij willen dat geweldige proces op gang brengen dat het echte weer voor de Here is, dat er een dagelijks offer is. Dat er opnieuw lof een eer gebracht wordt aan de Here.” En als in jouw leven vandaag lof en eer gebracht wordt, dan gaat de duivel te keer en probeert dit te verstoren. En het lukt hem aardig. En ik hoop dat jij sterk bent en daden doet. Betekent dan dat het je daarna super voor de wind gaat. Dat de aandelenkoersen dan nooit meer zakken. Nou ja, weet ik veel, slecht voorbeeld waarschijnlijk, want….. Dat het gewoon helemaal goed gaat, dat er nooit meer iets negatiefs gebeurd. Nee, dat betekent het helemaal niet. Maar is je hart nog gericht op de Here. Gaat het in jouw leven om jouw welzijn of om Zijn welzijn. Om mijn welbevinden of om Zijn welbevinden. Waar ligt het accent vandaag. Toen waren er mensen die zeiden: “De Here, U moet terug. U moet opnieuw de eer krijgen. U moet de glorie krijgen. U in dit huis, U.” En die gruwel van verwoesting, dat afgodisch denken, dat verkeerde denken, dat ik-denken, dat demonisch gedoe, dat wat verkeerd is, wat occult is, wat belast is, wat beladen is, dat moet weg. Alles wat onzuiver is dat moet weg. Al het onzuiver dat moet weg en het zuivere moet terug. Ziet u het contrast misschien met dit, dat is een tussenzin, in Joh. 10. Op het vernieuwingsfeest loopt de Here Jezus in de tempel. Het was winter, op dit feest, herinnerend aan dit. En wat doen ze met Hem. Ze gooien Hem eruit. Toen ik dat las voor het eerst, toen dacht ik: Verdraaid, hoe is het nu mogelijk. Op het moment dat je denkt aan: Het vuile moet weg, het verkeerde moet eruit en het goede moet terug, dan gooien ze de Goede eruit, en het vuile blijft. Joh. 10, het staat er. Ze hebben Hem de tempel uit gegooid. Ze nemen stenen op om Hem te stenigen.
Maar goed, toen was dat zo. Maar nu wil ik je gewoon vragen of je de Here de eerste plaats wilt geven in je leven. Of je het dagelijks offer wilt brengen. Wat bedoel ik daarmee. Bidden elke dag, nee. De Here prijzen elke dag. De Here eren elke dag. De Here groot maken elke dag. Elke dag Hem alle eer geven. Hem zeggen: “U bent het, Here Jezus, U bent de enige.” Natuurlijk is dat een doorn in het oog voor de duivel. Die wil absoluut niet dat je dat doet. Die wil zelf op de troon, via jou zelf. En die zegt: “Maar het is niet alleen de Here Jezus. Jij bent er toch ook.” Het accent wordt vandaag de dag volledig gelegd van de Here naar ik, naar wij, soms de gelovige. Of naar onze leer, of ons gelijk. U mag een aantal dingen invullen. Niet meer de Here Jezus Zelf, maar ik. Toen waren er mensen die sterk waren en daden deden. Toen waren er mensen die misschien wel voor Hem gingen, zoals ze nog nooit gegaan waren. En volgens de verhalen in het apocriefe deel van uw bijbel is dat ook zo. Schitterende daden hebben zij verricht. En waar zijn ze vandaag. Ik hoop hier. Vanavond, hier in deze zaal. En er vanavond mensen zijn die zeggen: “Here Jezus, U bent voor ons alles. U bent de Enige. En we willen gaan voor U. We willen voor 100% gaan voor U. Wij willen ons leven uitstrekken voor U. Wij willen onze tijd in U investeren.” En er zijn al rekensommetjes genoeg geweest. Jan Diepenveen heeft dat een keer hier gedaan, dat 10% van je tijd is 2.4 uur per dag, 10% van je tijd voor de Here. Nou ja, je denkt: Nou. Daar ga je, weet je wel. Er blijft eigenlijk maar een heel klein stukje over. maar die rekensommetjes hebben we al een keer gehad. Maar wie is nu in staat om sterk te zijn en daden te doen. Zou de Here dit vertellen om de geschiedenis van Israël mee te delen, alleen maar geschiedenisboek. Onzin. De Here vertelt je dit, omdat er in de toekomst nog iets geweldigs, maar dan in negatieve zin, gebeurt. Hetzelfde. De finale strijd tussen duisternis en licht. Toen is het gebeurd, zeg maar 170, 180, maar ook tot 160 v.Chr., dat loopt een beetje terug. En dat gebeurt vandaag nog. ik hoop dat je het ziet. Ik hoop dat je zegt: “Here Jezus, we hebben deze geschiedenis nodig om vandaag wakker geschud te worden. Om vandaag te leren dat we voor U mogen gaan. Dat het echt om U gaat. En we willen U het heiligdom aanbieden. We willen U de vesting geven. Hier mag U wonen. We willen U het dagelijks offer geven. We wille U prijzen. We willen U bedanken. We willen U groot maken. Here Jezus, we willen U alles geven.” Toen waren er een paar mensen die zeiden: “We moeten de Here opnieuw die plaats geven.” Want de koning van het noorden had het helemaal bont gemaakt. had van alles binnen geschoven. En dat gebeurt vandaag nog. Het antichristelijke denken, de geest van de antichrist, nog preciezer, vele antichristen zijn uitgegaan, en die komen binnen en die brengen van alles binnen. En wat doe je er mee. Ik hoop dat je begrijpt wat Dan. 11, het eerste stuk zegt. ik hoop niet dat het vermoeiend voor je geweest is dat het een geschiedenisverhaal is. Maar ik zou zo graag willen dat de boodschap die hier achter zit overkomt en dat je vanaf nu zegt: “Here Jezus, ik wil niet een eigen tempeltje bouwen. Dat deed Micha in zijn dagen wel. Maar ik wil wel in de tempel van de Heilige Geest, dus niet mijn tempel, maar Zijn tempel, U prijzen. Ik wil U een offer brengen.” Een offer, een zoete geur. De vrucht van de lippen die Zijn naam belijden. Je hoeft niet met een dier te komen. Je hoeft zelfs niet met andere dingen te komen. De vrucht van de lippen. Dat wat je zegt. Niet alleen je overpeinzingen. Want je denkt: Nou, dat kan ik in de auto ook hè, overpeinzen. Maar, de Here prijzen. Stel nu dat we allemaal morgenochtend beginnen met de Here lof te brengen, voor we onze gebedslijsten voor Hem neerleggen. Lof, aanbidding, grootmaking. Hij troont op de lofzangen van Israël, lof, lof. De duivel zegt: “Ach, het is zo moeilijk, het is zo zwaar. Zie je dat dan niet, hoh.” De stemming drukt. En voordat je er weer bovenop bent en dat eindelijk weer een keer zegt: “halleluja”, dan is de dag om. Zullen we morgenochtend beginnen met: Halleluja. Halleluja. Dominee Buskes vertelt een verhaal van iemand die uit de kringen van het Leger des Heils kwam en in de Hervormde kerk in Amsterdam terecht kwam. Die man die riep om de haverklap halleluja., En dat was niet helemaal de taal van de Hervormde kerk toen. Kerst brak aan, en ze zeiden tegen elkaar: “We moeten toch proberen om die man een beetje rustig te krijgen, want hij roept om de haverklap halleluja. Dat kan toch niet hè.” Dus zei zeiden tegen hem: “Moet je eens luisteren. Het is winter en zo, het is koud, we zullen je namens de diaconie wat extra spullen geven. Wat dekens en zo. Maar je moet toch een beetje rustig zijn met halleluja en zo.” En hij stemde toe. De preek van kerst kwam en het was zo mooi. En hij riep: “Dekens of geen dekens, halleluja.” Het is echt gebeurd, dominee Buskes heeft het in één van zijn boekjes verteld. Iedereen is bezig om iedereen een beetje het zwijgen op te leggen. Maar zou jij dan morgenochtend halleluja willen zeggen. Ook als het, nou ja, even niet mee zit of zo. Moet je dat dan gemaakt doen. Nee, niet gemaakt. Here, maar U bent boven alles. Er kan van alles gebeuren in mijn leven en om mij heen. Machten, krachten, van alles. Maar daarboven bent U. En ik wil U daarvoor prijzen, halleluja, amen.