Daniël 3

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

3. Wie kan vandaag de druk weerstaan?

Daniël Bijbellezing door Dato Steenhuis,

28 september 2003
      Lezing

Lezen: Daniël 3

Ik vond het moeilijk om over Dan. 3 te spreken. En de moeilijkheid zit hem een beetje in het feit dat u allemaal precies weet hoe het afloopt. Je wist het echt. Als ik echt zou vragen van: Wie weet de afloop van dit verhaal niet, ik denk dat er heel weinigen zullen zijn die zeggen: “Nog nooit van gehoord.” Dat is een beetje moeilijk. En toch hebben wij dat eerste stuk van het boek Daniël, het verhaalstuk, de geschiedenissen nodig, om het tweede stuk te kunnen begrijpen. Het is niet zo dat we alleen maar een paar verhaaltjes hebben die ook in de kinderbijbel staan en die ook op zondagschool verteld worden. Nou ja, dan heb je het boek Daniël gehad. Dat gaat dus de hoofdstukken 1 t/m 6 omvatten. Maar die verhalen, die geschiedenissen, o.a. deze geschiedenis, die heb je nodig om b.v. Dan. 11 te begrijpen. Dan is de vuuroven daar ineens. Ja, niet zo letterlijk, kun je zeggen, maar toch. Dan ineens is daar de spanning van: Als je niet buigt voor wat men God noemt dan heb je een probleem. Jij en ik hebben ook het boek Openbaring in onze bijbel. En in het boek Openbaring staat, in hoofdst. 13, dat er een beeld voor het beest wordt opgericht, in Jeruzalem, op de heilige plaats, en dat iedereen een knieval moet maken voor het beeld van het beest. En als je het niet doet, dan heb je een probleem. Dan kun je niet meer kopen of verkopen. Het is gewoon over en uit. je voelt dat Dan. 3 een illustratie is, een Oudtestamentische illustratie is van wat in het NT heel concreet wordt aangeduid als een knieval maken voor een afgodisch stelsel. En zo zit je midden in het onderwerp. En zo blijkt ook dat Dan. 3 te maken heeft met de eindtijd, en dat Dan. 3 te maken heeft met wat God gaat doen. En, ja met wat wij wel eens noemen de maranatha-gedachte, de maranatha-boodschap. En dat is ook zo, voor 100%. Dat is ook de reden, dat is de echte enige reden die we hadden om te zeggen: “Laten we het boek Daniël de revue laten passeren. Laten we in stukjes over het boek Daniël gaan nadenken.”

Ze zijn met z’n allen in Irak. Daniël en zijn vrienden hebben een heropvoeding gehad. Ze zijn aan het hof. En door een bijzondere omstandigheid zijn ze zelfs bestuurders geworden van het gewest Babel. Ze hadden dus flink wat in de melk te brokkelen in Irak. Daniël komt in deze geschiedenis niet voor. Waarom is niet helemaal helder. Maakt niet zoveel uit, de andere drie wel, die het bestuur hadden, het feitelijke bestuur hadden over de provincie van Babel. En deze drie vrienden hebben heel goed geweten wat zich daar in het gewest Babel, in de vlakte van Dura ging ontvouwen. Ze waren precies op de hoogte van de bouwvergunning die koning Nebukadnezar had aangevraagd om daar een beeld te mogen bouwen. Nou, waarschijnlijk niet, want daar rekende hij niet mee. Daar was geen welstandscommissie, geen bouwvergunning nodig, wat hij wilde dat deed hij gewoon, punt. Maar ze wisten het wel. Want een gouden beeld van zulk een statuur maken, met zo’n omvang, dat is niet een kleinigheid. Dat is niet aan het oog onttrokken geweest. Dat is gewoon volstrekt helder dat zoiets daar ging komen. En de mannen wisten ook wat Nebukadnezar van plan was. Hij wilde de hele goegemeente, alle rechters, dus de hele wereld werd uitgenodigd, alle leidinggevenden, van welke aard dan ook, ze kwamen allemaal. En ze hebben daar deze inwijding mee mogen, moeten maken, moeten maken. Voor sommigen waarschijnlijk een uitje en voor anderen een must, maar in elk geval, ze zijn geweest. En dat zijn die feesten geweest die je b.v. in het boek Esther omschreven vindt. En sommige feesten hebben een half jaar geduurd. Ik snap ook wel dat de mensen, laat ik maar zeggen, van grote afstand niet zomaar even een dagje op en neer Babel gingen doen. Dat ging niet. De transportatie was wat moeilijker dan vandaag. Maar ze hebben toch soms ook ellenlange feesten meegemaakt. Dan. 5 geeft daar ook een indicatie van, met het schrift aan de wand. Daar komen we nog een keer over te spreken, zo de Here wil. Daar vind je ook zoiets, dat ze een feest hebben en dat heeft ook tijden geduurd. Maar dan komt dat moment waarom ze daar zijn: De inwijding van dat beeld. Het zal je niet als vreemde muziek in de oren klinken als ik zeg dat goden van vroeger heel vaak annex waren met koningen. En dat ook farao heel vaak wordt voorgesteld, de koning van Egypte, als een soort god, zonnegod b.v. En dat is hier ook zo. En ook in het NT kom je dat nog een keer tegen als Herodes zich laat vereren als een god. In het boek Handelingen wordt dat nog gezegd, dan wordt hij door de wormen gegeten en dan sterft hij. Maar weer datzelfde. Dat is niets vreemds, in de ongewijde geschiedenis komt dat heel, heel vaak voor, dat koningen zich lieten vereren alsof ze goden waren. Koning Nebukadnezar heeft, uit Dan. 2, begrepen dat hij dat gouden hoofd was. Hij was dat gouden hoofd. Dan kwam er een zilveren stuk, van minder allooi. En dan een koperen stuk. En dan een ijzeren stuk. Dat waren de vier materiaalsoorten die daar genoemd worden. En hij heeft gedacht: Nou, als ik dan toch dat gouden hoofd ben, dan maar een heel beeld voor mijzelf. Me, the numero one. Nou, dat kom je nog een keer tegen in hoofdst. 4, als hij zegt: “Is dit niet het Babel dat ik gebouwd heb. Pronk en eigenwijzigheid, ik bedoel niet Jan Pronk, maar pronken met, pronken met, meet jezelf. Jezelf omhoog krikken. Op één of andere manier jezelf promoten en zeggen dat je het allemaal gedaan hebt, alsof je zelf één spijker in Babel geslagen zou hebben. Hij heeft er helemaal niks aan gedaan. Deze teneur, het ik-leven en de aanbidding van wat de mens presteert, van wat de mens kan is hier helemaal uitgebeeld. En we hebben dit nodig broeders en zusters. Ik spreek je aan als gelovigen. Bas probeerde zo pas al te zeggen dat het zo geweldig is dat je de Here Jezus mag als je Heiland en als je Verlosser. Je moet Hem kennen als je Heiland en als je Verlosser. en als je dat niet hebt, heb je niks. Dan kun je hooguit interesse hebben in geschiedenis en in toekomstige dingen misschien, maar je hebt niks. Alleen mensen die de Here Jezus kennen hebben leven uit God en die hebben ook toekomst, die hebben perspectief. Ik zal dat straks nog een keer zeggen waarschijnlijk. Misschien wel heel scherp. De Here Jezus, Hem kennen is het geweldigste uit je leven. En in Dan. 3 gaat het uiteindelijk om Hem. Hij is de Christus van de schriften. Hij is in hoofdst. 2 die steen die zonder handen losgemaakt komt. Hij is het die oordeelt, Hij is het ook die weegt. hij is het die beoordeelt, Hij is het ook die gaat spreken, ook in deze bijzondere geschiedenis. De Here Jezus, het gaat over Hem.

En nu verplaatsen we ons een beetje naar Irak en we kijken even wat zich daar aan het ontrollen is. Een gigantisch festijn, enorme aantallen, met cultuur in allerlei vorm erbij. Muziek, je kunt zo gek niet bedenken of de muziekinstrumenten waren aanwezig. Het was één festijn. En dan moet het moment komen waarop iedereen knielt. Niet voor het beeld, maar voor de god die achter dat beeld schuilt, en dat is niemand minder dan Nebukadnezar zelf. Daar staan ze dan. Je weet precies wat er gaat gebeuren. Je weet dat dit gaat komen. Je kent misschien wel het juiste tijdstip. Misschien was er wel een draaiboek, ik veronderstel, en dat er ook nog een tijd genoemd is van: Dan en dan, dan gaat het gebeuren. Nou daar sta je dan. Allemaal in gelid, allemaal in de slagorden. En dan, ja dan knalt alles voorover. En drie zeggen: “Wij doen het niet.” Ik vind dit één van de merkwaardigste voorbeelden uit de schrift die spreken van burgerlijke ongehoorzaamheid. Dat is een hele mond vol. Wij kennen dus de democratie, wij kennen de parlementaire democratie. En als je het nu niet eens bent met wat het parlement voorstelt of besloten heeft, dan kun je nog buitenparlementaire acties doen hè. Dat kan hè, dat is vandaag mogelijk. je mag een optocht houden door Veenendaal, met vlaggen zwaaien en zeggen: “Bas van de Bos is koning, Bas van de koning.” Hij is het niet hoor, maar bij wijze van hè, we zouden iets kunnen bedenken. Ja, je gaat toch zo weg, dus het help niks. Hij gaat 5 weken weg man, of 6. Nee, maar dat mag. dat mag in Nederland, je mag buitenparlementaire actie gaan doen. Dat mag, daar is ruimte voor. Maar dat betekent nog niet dat je burgerlijke ongehoorzaamheid betracht, want hier is nog ruimte voor, voor zo’n actie, voor wat dan ook. Maar hier komt het moment dat je zegt: “Nee, we gaan tegen alle wetten in, tegen alle voorschriften in gaan we iets anders doen.” Dat is burgerlijke ongehoorzaamheid. Zo wordt het genoemd. En dat kan niet, dat mag niet, dat mag nergens. Als het toch gebeurt, ja, dan dreigt er boete, gevangenschap, of wat dan ook. Er dreigt iets in elk geval. Deze mannen die hebben tot het uiterste gelopen. Die zijn, wetend van het gebeuren daar in die vlakte van Dura, wetend van het oprichten van een beeld, wetend ook van wat zich daar zou gaan voordoen, ze zijn gekomen. Ze hadden natuurlijk ook kunnen zeggen, dat had jij gezegd, als goede christen: “Daar moet je gewoon niet naar toe gaan man, dan moet je gewoon thuis blijven. Je moet je niet op glad ijs gaan begeven.” Dat kon niet eens, maar zo zouden wij misschien gedacht hebben. Ze zijn meegegaan zover ze konden. En dan komt het moment dat zij moeten knielen voor een afgod, voor een beeld van die koning. Maar achter dat hele gebeuren zit de idee dat die koning god is. En hij laat zich als god vereren. En de drie vrienden zeggen: “Daar stopt het.” Het is heel merkwaardig. De consequentie is, en dat was voordien al gezegd, er stond dus een behoorlijke sanctie op, als je niet meegaat met de hele goegemeente, loop je risico. Dan ga je die vuuroven in die al klaargestookt was. En er is geen god die je daar uit kan halen. Ze doen het. Buitenparlementair mag nog. Burgerlijke ongehoorzaamheid mag niet. En ze hebben toch gezegd: “Wij doen het niet.” Waarom niet. Nu zijn deze drie vrienden opgegroeid in Jeruzalem. Ze waren heel jong toen ze daar uit gingen. We hebben in Dan. 1 al gezien hoe ze pal stonden, zomaar tegengas gaven als het ging om voedsel, als het ging om drank. En nu opnieuw. Daar is zoveel ingestopt, in deze jonge lieden, dat je vandaag misschien zegt: “Daar wordt je jaloers op.” Dat zulke jonge mannen, met, laat ik maar zeggen, zo weinig scholing, in geestelijke zin, in Jeruzalem. Want dat was allang voorbij, dat ze zo pal konden staan en zo nee durfden zeggen tegen alles wat zich daar in Irak ontvouwde. Hoe kan het. Daar is één ding gezegd: “De Here God alleen zult gij dienen en liefhebben en voor Hem alleen ga je je buigen.” Hij is de enige God voor Wie je je buigt. Hem alleen. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. En dit heeft zo’n impact gehad op deze mensen, dat ze nu nee zeiden. Ik zou wel willen dat wij langzaam maar zeker doordrongen raakten van de idee dat de Here Jezus de enige is. In onze tijd wordt ik weet niet hoeveel aanbod gedaan over: Ja, dat kan ook wel. En misschien is dat ook wel goed. En misschien is die route ook wel begaanbaar. En er zijn toch meer wegen die naar Rome leiden. Nou, dat laatste dat klopt. Volgens mijn routeplanner kon je er op verschillende manieren komen. Maar ik bedoel, de zeggingskracht is: Je kunt toch niet zo exclusief zijn. Je moet toch iets, ja iets plooibaar zijn hè, je moet iets ruimer zijn. En je moet bovendien tolerant zijn voor anderen. Nou, daar gaan we. Het wordt zo vaag als een hele week mist. De vorige studie was het waarschijnlijk nog 3 dagen mist, maar het wordt steeds vager, het wordt steeds moeilijker. Lieve broeders en zusters die de Here Jezus kent, laat het alsjeblieft tot je doordringen: Er is maar één God, en er is één Middelaar tussen God en mensen, de Mens Christus Jezus. En we buigen alleen voor Hem, alleen voor Hem. U alleen Here, U bent de enige. En als de Here Jezus niet meer je hart vult, je leven is, je gedachten a.h.w. doortrekt en je toekomst is, je hele perspectief is, ja, dan ga je vanzelf een keer een knieval maken voor wat anders. Maar als Hij de enige is, dan ga je pal staan. En waar het op aan komt is niet een lijstje van dit mag niet en dat mag niet en dat mag niet. Die lijstjes hebben we allemaal al gehad. Eindeloze variaties op die lijstjes. Want die werden per generatie weer aangepast. Toen er geen fietsen waren, hebben ze het nooit over fietsen van vrouwen gehad. Maar toen er fietsen kwamen moest er ineens….., nou ja, sorry hoor, zoiets ontvalt me. Maar dat zijn echt gebeurtenissen, dat is echt gebeurd. En toen er geen bruine nylonkousen waren was dat geen probleem, kwam dat ook niet voor in de vocabulaires. Maar toen die bruine nylonkousen kwamen was dat ineens iets…. Nou ja, toen er geen televisie was, was er ook geen probleem. Maar nu, zie je wel, in elke generatie wordt er iets aangepast. Er komt altijd een soort nieuwe vorm van. Nu, laten we ophouden met al die lijsten. laten we nu eens echt zeggen: “Here Jezus, U bent de Enige. U bent het en we willen voor U gaan. En U bent zo alles vullend, dat we voor niemand anders een knieval willen maken.” Dat is best moeilijk hoor, dat is geloofstaal. Maar die geloofstaal die gaat op zondag wel aardig uit onze kelen en uit onze monden. Maar op maandag en op dinsdag wordt het een beetje problematischer. Dat is de praktijk. Deze vrienden zeiden: “Koning, wij buigen niet. Wat u ook bedenkt, wat u ook zegt, hoe u ook dreigt, wij buigen niet. We doen het niet.” Nou ja, je kunt je een koning in die situatie best voorstellen hè. Iedereen boog, iedereen boog. En als er dan één is die zegt, of twee, of drie “We doen het niet”, ja, nou ja, dan moeten die maar weg. En dat gebeurde. De oven werd nog heter gestookt en de mannen die hen in die oven gooiden die zijn er zelf bij verbrand. En dan loop je, in die oven. Nou, wat die koning daar gezien heeft is onvoorstelbaar. Hij zegt: “Zijn dat niet drie mannen”, alsof hij dat niet zeker wist. Maar ja, al zijn raadsheren zeggen: “Ja, ja, waren drie hoor koning.” Stelletje knipmessen, jaknikkers, Schoonebeek, weet je wel, allemaal jaknikkers. Er is nog veel olie in Irak, maar dat komt hier vandaan al. Al die mensen zaten daar: Ja hoor, het waren er drie. Ik zie toch vier. Nou, alsof die anderen dat niet zagen. Jazeker er waren ook vier. Wat is die vierde dan. En hij, Nebukadnezar zegt: “Kom naar buiten.” Nou, ik heb misschien wel vaker aan jullie verteld, en zo heb ik het ook echt beleefd voor mezelf. Als die koning geroepen had, in mijn situatie, stel, ik had daar gelopen hè. Ik was in de vuuroven gegooid en de koning had geroepen: “Kom naar buiten.” Dan denk je: Ja, je ken me wat hè hè, ik loop hier met een engel te praten. Dat komt niet elke dag voor. Ik hou een poosje vol. Ik kom er niet meer uit. Ik wil ook graag dit er mee zeggen: Burgerlijke ongehoorzaamheid, op het moment dat hij zegt: “Knielen”, zeggen ze: “Nee.” Maar op het moment “Kom er uit”, zeggen ze: “Ja dat kunnen we”, kun je weer gehoorzaam zijn. Dat is maar een heel klein stukje burgerlijke ongehoorzaamheid. Ik vind het een typisch beeld van hoe je misschien in de eindtijd zou moeten staan. Hoe Israël in de eindtijd zal staan. Want al die beelden die komen nog. ik wil zo graag vertellen dat die vier mannen daar, in die vuuroven geworpen, gewandeld hebben en dat er aan hen geen schroeilucht te ruiken viel. Niets, het was schitterend. En ze komen eruit en koning Nebukadnezar maakt een knieval en zegt: “Pff, jullie God is de enige God. Er is geen God die zo verlossen kan. Die God, die God.”

Dit is het verhaal, dat is de geschiedenis. Ik probeerde al te zeggen dat dit op zich niet nieuw is. Voor deze tijd had Elia al een keer op de Karmel gestaan. U weet wel, dat gebergte een beetje noordelijk in Israël, bij Haifa in de buurt. En daar waren Baälspriesters, en daar was een enorme invloed gekomen middels Izebel, de vrouw van koning Achab. En die had een hele horde van die priesters binnen gehaald, had ze ook nog gesalarieerd. En uiteindelijk is daar een soort happening, een soort gebeurtenis op de Karmel, en daar staan ze. En die priesters hebben een altaar en Elia heeft een altaar. En Elia voelt zich de enige. Hier waren er nog drie, maar hij voelt zich alleen. Ik alleen ben over gebleven. Dat was niet zo, er waren nog 7000 die hun knieën voor Baäl niet gebogen hadden. Maar goed, Elia dacht dat hij alleen was in elk geval. En dan krijg je dat enorme contrast tussen die hele horde priesters die uiteindelijk roepen, schreeuwen, zich insnijdingen maken. Ja al die rituelen die kunt u misschien wel een beetje terug vinden in de geschiedenis. En daar is die ene man die daar alleen staat, die het altaar des Heren, zo staat het er letterlijk, ik heb het vanmiddag nog even voor mezelf gelezen om geen fout te maken, het altaar des Heren herbouwt uit 12 stenen. Naar de 12 stammen van Israël. Het waren alleen maat 10 stammen toen, maar weer die uitdrukking van het gehele volk, het complete volk, en daar een offer. Here antwoord mij. En de Here antwoord met vuur uit de hemel. Het vuur, zo verslindend, dat het water opgelekt wordt. Het water is weg. Droogte, het hout staat in brand en het offer verteert. Ik bedoel, het is ook niet een heel klein vlammetje geweest, net op uitdoven, maar het is een gigantisch vuur geweest. Misschien bent u ooit geweest in Tiberias, bij Galily experience. Dat is een soort evangelisatiepost van christenen uit Amerika. En die hebben daar een soort tentoonstelling. En die hebben daar met, ik dacht, 64 dia’s, ik ben de naam kwijt, op een rij. En dat gaat heel vloeiend in elkaar over alsof het een soort film is. Maar die presentatie die is dan bedoeld voor de toerist, Dato en anderen, maar die is ook voor de Joden. En in die, ik denk, 35 min. durende presentatie over Galilea en over de Karmel en zo, zit 7 min. over de Here Jezus. en al die Joodse bezoekers, die horen 7 min. lang, ja ja, ja, heel mooi, daar is over nagedacht, dat kun je echt zeggen. Maar goed, even los van dat prachtige plannetje wat ze ook uitvoeren, waar ook mensen op af komen, waar ook mensen tot bekering komen. Joodse mensen komen daar tot bekering door deze presentatie. Maar in dat stuk zit een stukje over Elia en over de Karmel. Nou, als je dat geluid hoor, dat hoor je nu nog: De Here die is God, de Here die is God. Een schitterend, een schitterend gejubel over wie de Here is. Maar weer die confrontatie tussen goden, afgoden waar je een knieval voor maakt. 7000 die hun knieën voor Baäl niet gebogen hadden, al die anderen wel, miljoenen wel, 7000 niet. En Elia is daar eigenlijk de vertegenwoordiger van. En op het uur van het avondoffer komt daar vuur uit de hemel. Zoiets grijpt mij aan. De Here Jezus was op het moment van het morgenoffer naar het kruis gegaan. En op het moment van het avondoffer zegt de Here Jezus aan het kruis: “Het is volbracht.” Op het uur van het avondoffer. Want moet je maar eens opletten in de bijbel, bij Elia, maar ook in Nehemia, en ook in het boek Daniël, we komen dat nog tegen, hoofdst. 9,10. Op het uur van het avondoffer. De Here Jezus zegt: “Het is volbracht.” En op dat uur van het avondoffer komt er vuur uit de hemel [en] verteert het offer. De Here die is God, de Here die is God.

Dat was hiervoor. De geschiedenis van Elia was voor deze tijd. in Israël, binnen het volk van God was al een enorme strijd gaande over: Is de Here nu de enige of hebben we nog een paar. Nee, we hebben maar één. Nu komt het niet op het volk van God aan, hier is de wereld, zal ik maar zeggen, de politiek en alles wat daar mee te maken heeft. En nu komt die vraag weer. Is de Here de enige of zijn er nog een paar. Nee, hier blijkt nadrukkelijk: Er is maar één, één God. En die ene God krijgt in het NT een naam. Heb ik niet bedacht, zegt de bijbel. JHWH, onze Here Jezus Christus. Hij is JHWH zelf, de Here zelf, Hij is de enige. En je voelt dat hier, in het OT, de hele toenmalige wereld bij elkaar is, alle rechters, alle raadsheren, alle groten, alle bestuurders, ze zijn er allemaal. En ze moeten allemaal buigen en ze buigen ook allemaal, behalve die drie. Die drie Joodse mannen die zeggen: “Dat doen we niet, de Here, die is God. De Here die is God.” Het geluid van de Karmel, weet je wel, van Elia, is verstomd, het zijn er nu maar drie meer. En deze drie die zeggen dat op een geweldige manier, en uiten zich. En ze zeggen ook tegen de koning: “We weten niet of we uit het vuur komen. We weten niet of we omkomen. Maar hoe dan ook, het zij u bekend koning, wij buigen niet voor u, wij buigen alleen maar voor de God die wij kennen als onze Here.” En zo gebeurt het.

Elia is een voorbeeld van wat er in de kerk, in de kerkelijke wereld is gaan komen. Het lijkt een bijeenverzameling van goden, langzaam maar zeker. En de mens steekt steeds vaker de kop op. Johannes de doper zei nog: “Hij moet wassen, ik moet minder worden”, maar het is tegenwoordig precies andersom. Hij moet een beetje naar beneden en wij moeten omhoog. De mens en wat hij kan, wat de mens allemaal aan het ontwikkelen is, aan het ontdekken is, aan het presenteren is, de mens in al zijn grootheid wordt geëtaleerd. En het is vandaag bijna stom als je zegt de Here Jezus is de enige. En als je dat roept morgen, op je eigen werkplek, dan zou je wel eens een klein probleempje kunnen krijgen. Zo, ben je nog zo achterlijk, nog zo van vroeger. Ja, vroeger wisten ze alles. Vroeger hadden ze allemaal antwoorden. Tegenwoordig zijn er helemaal geen antwoorden meer, hebben we alleen nog vragen. Is de Here de enige nog voor je? Zou je morgenochtend de vuurproef willen ondergaan. Zou je willen zeggen: “Nou, dan maar in het vuur. Dan maar de koffie lauw of gehaktballetje afgepikt.” Ik citeer uit mijn eigen ervaring. Als je gaat bidden voor je eten, als jonge christen. En je zit naast een zooi en het was in militaire dienst en je gehaktballetje was weg en je had dan zo’n trek in zo’n balletje, maar het was wel weg. Hij was wel weg. Je deed eventjes je ogen dicht en dan ben je de pineut hè. Is dat een stukje van het vuur? Ja, dat is ook een stukje van vuur. Het zijn eerlijke dingen die vandaag nog gebeuren. Als onze jongeren op school zijn en ze zeggen: “De Here Jezus is de enige”, komen ze ook een stukje in het vuur terecht. Een klein stukje vuuroven, ga je? Zullen wij, als wat ouderen misschien, hen voorbeeld geven. Zullen we echt gaan zeggen: “De Here is de enige en we gaan ons echt alleen maar naar Hem uitstrekken. De Here Jezus is de enige en we gaan voor Hem. We laten Hem echt niet los en we laten Hem niet vallen.”

Dit heeft te maken, zoals ik zei met de toekomst. Er komt een tijd, Openb. 13, Openb. 17, dat er een soort godsdienst ontstaat, algemeen geldend. Iedereen mag meedoen, moet meedoen, en je moet dan ook een knieval maken. Als je het niet doet heb je een groot probleem, wordt je veroordeeld, wordt je geoordeeld. Het enige verschil is, dat jij niet omkomt. Ik wil je mijn preek van vanmorgen vertellen. Ik heb gesproken over de brandende braamstruik uit Exod. 3. Die brandende braamstruik is een heel wonderlijk gebeuren in de geschiedenis van Mozes, de roeping van Mozes, zou je kunnen zeggen. Mozes was 80 jaar en toen werd hij bij de Here geroepen. Dat was op de berg Gods, op de berg Horeb. Er zijn 3 bergen die de berg des Heren genoemd worden, de berg Moria, waar Abraham zijn offer bracht, de berg Sion, van waaruit de Here Jezus gaat regeren, en de berg Horeb, waar Mozes geroepen wordt en waar wetgeving plaats heeft en waar tabernakelinstelling plaats heeft. Basis: Op de berg des Heren zal erin voorzien worden, Moria. Zegen en zegen en zegen en regering van de Here Jezus op de berg Sion. Van Sion zal de wet uitgaan, Sion, het heilige van God, Sion van de Heilige Israëls. Daartussen zit Horeb. Mozes wordt bij de Here God gebracht. Op een of andere wonderlijke manier komt hij daar en dan ziet hij dat een braamstruik in brand staat. Nou, dat was waarschijnlijk veel vaker gebeurd. Dat schijnt dat in de woestijn zomaar braamstruiken kunnen branden, dat kan zomaar. Dat had Mozes ook wel vaker gezien. En daar was hij ook niet zo verbaasd over. Je kunt zeggen: “Nou, hij heeft hier nu een peukje uitgedrukt of zo.” Dat zou je kunnen zeggen. Of wie heeft hier met een vuurtje gespeeld. Nou, laat het maar los, want dat kwam wel vaker voor. Mozes was ook niet verbaasd dat dat ding in brand stond, de verbazing kwam toen hij ontdekte dat dat niet ging verbranden. En hij gaat dichterbij: laat ik dat wondere schouwspel, laat ik dat wondere schouwspel eens gaan bezien. Komt hij aan. En ineens hoort hij uit dat brandende braamstruikje de stem van de Here: “Mozes, Mozes.” “Hier ben ik”, zegt Mozes, hij schrikt, hoe kan dat nou. “Kom niet te dicht bij, doe je schoenen maar van je voeten.” Wat ik graag zeggen wil is dit: Ik heb mijzelf ontdekt afgelopen week. Donderdagmiddag in mijn eigen studeerkamertje, in die brandende braamstruik. Door de vloek van de schepping, de zondeval, zijn er doornen gekomen hè, braamstruiken. Eén van de parabels, één van de gelijkenissen uit het OT, er zijn heel weinig gelijkenissen, is in Richteren, waar in de na-Gideon dagen een koning zegt: “Laat de braamstruik dan schaduw bieden.” En die zegt ook nog: “Ik doe het graag.” Nou, ik weet niet of je ooit schaduw gezocht heb bij een braamstruik, je doet het maar één keer. Je doet het nooit weer, dat wil helemaal niet. En die zegt nota bene, [tegen] die koning: “Kom maar hè, ja, kom maar onder mijn schaduw. Doornen en distelen, doornen, doornen. Ik zag mezelf. De Here woont in mij. De Heilige Geest is in mij gaan wonen nadat ik tot geloof kwam. De Here Jezus is in mij gaan wonen. Ik woon bij Hem. Christus in U. Maar diezelfde Christus, diezelfde Heilige Geest, waarvan de Here Jezus ook nog zegt: “De Vader en Ik zullen woning bij jou maken en maaltijd met jou houden.” Hoor je het goed. Diezelfde die in mij woont is God, verterend vuur. God is een verterend vuur, zegt de bijbel. Ik zag mezelf als die braamstruik. En de Here woont in mij, en ik verteer niet, ik kom niet om. Na mijn bekering heb ik heel vaak dingen gezegd die ik niet had moeten zeggen. Ik heb dingen gedaan die ik niet had moeten doen. Ik heb heel wat stekeltjes opgezet, doornen. En er zijn ook anderen die zich aan mijn stekeltjes verwond hebben, bezeerd hebben. Misschien heb ik wel anderen beschadigd door mijn stekeltjes. We kennen nog de uitdrukking: Je stekels opzetten. Ik kan niet zeggen dat ik na mijn bekering niet meer gezondigd heb, allerminst. Ik kan alleen maar zeggen: “God die in mij woont en die een verterend vuur is, heeft mij niet verteerd. Hoe kan dat nou. Hoe kan dat nou. Zou je dat wonderlijke, dat wondere schouwspel eens willen bekijken. Want dat is precies wat er nu gebeurt hè. Dat wondere schouwspel eens wat gaan bekijken. Eens gaan kijken wat zich daar voordoet. Of misschien wel wat zich niet voordoet. Kun jij je voorstellen dat God in je is en dat je niet omkomt. Wat is het einde voor mensen die niet geloven: vuur. De dag wordt in vuur geopenbaard, 2 Pet. 3 bijvoorbeeld. Waar het vuur niet uitgeblust wordt, andere tekst. Vuur, vuur van God. Als mensen je iets aandoen en ze smijten je in het vuur, ja zelfs al zou dat gebeuren, op de brandstapel. En het is gebeurd, letterlijk, toen zongen ze. Toen zijn ze God prijzend naar Hem gegaan. Zoals Stefanus met een geweldig uitzicht naar boven zag en de Here Jezus zag staan. Dat is ook het vuur, dat is ook een vuuroven, omdat hij niet mee wilde doen met de farizeeën en de schriftgeleerden. Al die dingen hebben geen effect. Wat mensen je aandoen, het is geen beschadiging. Kan ik nu zomaar in een vuurtje gaan lopen. Kan ik zeggen als er ergens brand uitbreekt hier in de buurt van : “Nou, ik ben een christen, ik loop er zo naar binnen. Hè hè, doet me niks.” Is dat zo, natuurlijk niet. Dat is precies hetzelfde als de Here Jezus wandelt op het water. Ik weet het wel dat kinderen dan zo, laat ik maar zeggen, helemaal begeistert raken, dat ze zeggen: “Nou, dat probeer ik ook op het slootje.” Weet je wel, dat ga ik ook een keer proberen. Dat kan niet. We moeten dus proberen voorzichtig te zijn met deze dingen. Maar ik wil je wel vertellen dat dat vuur je niet kan schaden, want God woont in je, de Here woont in je.

Israël komt dan in geweldige nood terecht. En ze zullen moeten buigen. En ze doen het niet. Ook zij doen het niet. En dat heeft een grote verdrukking tot gevolg, het vuur. Ze worden in die vuuroven geworpen, maar God leidt ze daar doorheen. Er zal een engel bij hen zijn. Of een leger van engelen zal bij hen zijn. En ze zullen er doorheen komen. En de wereld, de politiek, de leiding van de hele wereld zal erkennen: Ja, maar ho, we dachten alleen Israël te raken, maar er zijn meer. Ja, er zijn meer. Er is ook nog ander element. God zelf bemoeit Zich daarmee. en ze komen daar uit. En de hele wereld buigt. Elke knie buigt. Er is geen God die zo verlossen kan. Elke knie buigt, elke tong belijdt dat Hij de Here is. Dat komt, dat geldt ook voor Israël. Straks in vervulling, zonder mankeren, dwars door het vuur.

Dat is die boodschap. Jij en ik hebben dat nu. Wij weten dat de Here, als Hij ons zou moeten straffen, vanwege onze eigen schuld, vanwege onze eigen zonden, dan zouden we inderdaad een prooi van het vuur zijn. Maar de Here wil in Zijn genade dat je niet in het vuur omkomt. Daarom is de Here Jezus in een brandend vuur van het offer, vuur van het offer, daarom heeft op de dag van Elia’s roepen, vuur uit de hemel het offer verteerd, dat offer, dat vuur Van God, heeft Hem getroffen. Hem geraakt, Hem in de dood gebracht. En omdat jij gelooft kom jij niet in het oordeel. En het vuur wat mensen ons kunnen aandoen, dat raakt ons niet. Ik wil geen martelaren kweken. Ik wil geen beloftes in het vooruitzicht stellen van: Als je dit doet en als je zus doet en als je zo gaat. Maar ik wil je wel vertellen dat de Here Jezus alles is voor me. En ik wil ook zo graag dat jij durft te zeggen: “Here Jezus, ik wil voor U gaan.” In deze hele moeilijke tijd zal ik ook overeind moeten blijven. Er zijn zoveel aanbiedingen, zoveel verlokkingen, om toch een knieval te maken, toch mee te gaan met, toch in die hele goegemeente meegezeuld te worden, om een knieval te maken voor alles wat afgodisch is, terwijl wij terug moeten naar die Ene. Het vuur raakt ons niet. En God zegt tegen jou en mij, even terug bij Mozes, en de brandende braamstruik: “Zou jij je schoenen wel van je voeten willen doen. Zou je willen beseffen dat dit iets bijzonders is van God zelf. Zou jij je willen realiseren dat er niet zomaar iets is. Dat Ik niet zomaar je buurman ben. Dat Ik de heilige God ben, en dat jij je op dit moment op heilige grond gaat begeven, als je gaat zeggen: “Ik kom niet om in het vuur.” Dat is echt heilige grond.” En daar laat de Here weten in Ex. 3 Wie Hij is, maar laat ook weten dat Hij Mozes wil gaan gebruiken. Mozes heeft dan even geen tijd en heeft dan even geen zin en hij denkt dat hij heet niet kan. Dat zijn allemaal uitvluchten, maar goede de Here zegt: “Ik kan je wel gebruiken en ik wil je gebruiken en jij mag gaan.” Jij moet gaan. Geen andere, jij moet gaan.” Dat is het vervolg. Zouden we nu met Dan. 3 in onze handen durven zeggen: “Here Jezus, U bent het. U bent de Enige en ik wil voor U gaan.” Misschien is de vuuroven dichter bij dan wij vermoeden. Misschien is het wel de verjaardag waar je vanavond naar toe moet, waar je allang je mond gehouden hebt. En dan ga je met de hele goegemeente mee. Misschien heb je allang een knieval gemaakt voor de geldende orde in jouw familie. Moet ik je opjutten, moet ik je tot rebellie aanzetten. Nee, dat wil ik niet, nooit, dat kan ik niet, dat mag ik niet. Maar ik mag je wel vragen: Is het een knieval, is het een meegaan met. In de familiekring is het soms razend moeilijk. Weet je dat. Het is soms heel lastig. En je collega’s, ik herinner me nog als de dag van gisteren dat ik een collega had. Ik was nauwelijks begonnen als verkopertje. Voelde mezelf een hele Piet. Ja, je krijgt een auto van de baas en weet ik veel allemaal. En ja, dat was, toen was dat, ja was dat uniek hè, dat was gewoon geweldig. Niemand had toch een auto, en ik had een nieuwe. Een Ford Cortina. O, EV-32-45, ik weet het nummer nog ook. En mijn collega die ik heel graag mocht, die erg getapt was bij de collega’s, die belde op: We willen even zondagmiddag bij jou een kop koffie gaan drinken Dato. En ik zou naar de dienst gaan, om 5 uur. Bij ons hadden we nog 2 keer dienst, 5 uur ‘s middags. Nou, daar zat ik hè. Nou, ik heb het echt ervaren als een vuurdoop, als een vuuroven. Ik heb toch gezegd: “Jan”, zo heette hij, “ik ga naar de kerk.” En het is zo’n bevrijding, ook al heeft hij mij, jaren niet misschien, niet gemogen. Ik bedoel, ik laat helemaal even los hè. Het was zo’n bevrijding, dat je zegt: ‘Here, nu zit ik in de vuuroven, maar ik loop met U. Ik ben niet alleen. Hier ben ik met u in terecht gekomen.” En als jij smaad om Christus wil, niet als je aan het luilakken bent, niet als je dingen
laat verslobberen, dat is je eigen schuld, maar al je echt om de Here Jezus dingen nalaat, dan zal de Here zeggen: “Ik ben bij je. In het vuur ben ik bij je. En die vlammen die verteren je niet, want Ik ben er.” Het is zo fantastisch om zo’n Here te hebben, die zegt: “Ik ben zelf in het vuur voor je geweest. Ik heb de kastanjes”, sorry hoor, “uit het vuur gehaald. Ik heb het gedaan voor je. Ik heb het opgelost voor je. En nu mag jij vrij zijn om voor Mij te kiezen.” De Here zegene ons allemaal met Dan. 3. Het is echt een vuuroven en het valt niet mee, om als de hele goegemeente buigt om overeind te blijven, om te blijven staan. En de Here helpt je. Hij laat je niet vallen. De Here zegent je, amen.