Daniël 4

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

4. Hoogmoed zit in ons bloed.

Daniël Bijbellezing door Dato Steenhuis,

5 oktober 2003
      Lezing

Lezen: Daniël 4

Wij hebben een spreekwoord in onze eigen taal, en dat spreekwoord is: Hoogmoed komt voor de val. Waarschijnlijk is dat spreekwoord ontstaan n.a.v. Dan. 4. Dat typeert in elk geval precies de boodschap van ons hoofdstuk. Nebukadnezar, koning van Irak, koning van Babel, de machtigste man die in die tijd op aarde leefde, geweldige invloed. Een grote boom, zo wordt hij hier vergeleken. Takken tot aan de hemel. Vogelen nestelen, dieren schuilen, mensen krijgen voedsel. Tot aan het einde van de aarde was zijn glorie, was zijn reikwijdte, zijn takken te zien. Dat is het beeld. En deze Nebukadnezar droomt dat die boom een keer omgehakt gaat worden. En hij heeft zijn raadsheren gevraagd om hem te vertellen wat dit betekent. Wisten het niet, voor de zoveelste keer haken ze af. Wijsheid in de wereld schiet tekort. En dan wordt Daniël van stal gehaald, ik zeg het maar met mijn eigen woorden, en dan moet Daniël het verhaal gaan uitleggen. Dat doet hij ook. Hij zegt: “Nebukadnezar, ik wilde wel dat de uitlegging van deze droom iemand anders zou gelden. Dat het niet u gold, maar dat het zelfs voor uw vijand zou zijn. Want ja, dit is niet zo leuk. Dit is niet zo makkelijk.” Zo komt het naar ons toe, Dan. 4.
Het is in het laatste bijbelboek heel duidelijk de komst van de Here Jezus. Maar het is ook in dit bijbelboek, het boek Daniël, heel duidelijk de komst van de Here Jezus. Het zijn van die prachtige profetische boeken waar je gewoon eindeloos naar kunt staren. Waar je kunt ontdekken wat de plannen van de Here God zijn met Zijn volk Israël. Maar ook met de mensen in deze wereld. Het boek Daniël, dat zei ik al een paar keer geloof ik, wordt in twee delen geknipt. Dat is een deel met verhalen. Dit is een deel van het verhaal, de geschiedenis. En er is een deel, wat moeilijker, dat begint in hoofdst. 7. Dus t/m hoofdst. 6 geschiedenissen, waar dit er één van is, gebeurtenissen. En in hoofdst. 7 gaat dat een wat andere vorm krijgen. Maar je hebt dat eerste stuk van het boek Daniël nodig om het tweede stuk te kunnen begrijpen. Deze geschiedenissen, deze gebeurtenissen, die zijn beslist nodig om de rest van het boek te leren kennen. En ik denk ook dat wij, vandaag, deze geschiedenissen heel, heel erg hard nodig hebben. Ik probeer het. Bedoeld voor gelovigen, hebt u een schitterend stuk in uw handen. Christenen hebben van de Here God een bijbel gekregen. Christenen zijn mensen die de Here Jezus Christus kennen als hun Heiland en als hun Verlosser. Christenen zijn mensen die wetend dat hun schuld weg is, dat God ze in Christus aanziet. En dat al het oude weg is, dat het nieuwe gekomen is, en dat je door het geloof in de Here Jezus een nieuwe schepping bent. Dat je leven uit God hebt en dat je een schitterende toekomst voor je hebt. Christenen hebben van de Here God een heel boek gekregen. Een bundel geschiedenissen, verhalen, profetieën, toezeggingen. En wij mogen vandaag kijken naar deze geschiedenissen. En het is zo mooi om van de Here God een geschenk te krijgen, een geschenk zelfs over de toekomst. Maar, datzelfde geschenk vertelt ook aan christenen hoe zij zich vandaag mogen gedragen. Hoe je, misschien in je eigen leven, dingen ontdekt die ook bij Nebukadnezar al voorhanden waren.
Die koning Nebukadnezar was een geweldig iemand, was een groot mens. Krachtig, machtig, enorme invloed. En die dacht alleen aan zichzelf. We hadden al ontdekt in hoofdst. 3 dat hij voor zichzelf een gouden beeld liet oprichten. Nou dat zegt al iets. Iedereen moest buigen voor hem, iedereen moest een knieval maken voor hem. Iedereen moest door de knieën voor hem. En nu, in hoofdst. 4, krijg je een andersoortige geschiedenis, maar het is wel in het verlengde van datzelfde hoogmoedige gedrag.
Ik weet niet, de vorige keer heb ik denk ik geciteerd uit Job 33, ik vermoed, omdat ik dat meestal doe. Ik heb het nu net even weer opgezocht. Job 33 zegt: “Want God spreekt op één wijze”, Job 33:14, “of op twee, maar men let daar niet op. In een droom, in een nachtgezicht, wanneer diepe slaap op de mensen valt en sluimering op de legerstede, dan opent Hij het oor van de mensen en drukt het zegel op de vermaningen tot hen gericht”, en nu komt de tekst die ik eigenlijk bedoel, “om de mens van zijn doen af te brengen, om hoogmoed van de man te weren, om zijn ziel van de groeve te redden.” God doet dat. De hele wereld vandaag, stikt van ik. Ik las jaren terug het boekje “Me, the big number one.” Nou, in goed Nederlands: Ik ben het. En het gaat allemaal om mij. Beetje Lamech-taal: Kom mij niet aan. Waag het niet. Doe alsjeblieft niks, want ik sla die dood en ik ga die voor een klein wondje, ik, ik. Ik weet niet of u dat allemaal kent uit de bijbel. Jozua in de oude dag heeft het oude volk Israël in het beloofde land gebracht. En Jozua heeft hen dat zegenrijke gebied gegeven. Niet zolang daarna ging het helemaal niet goed. In het land kwamen vijanden. En één van de eerste vijanden die in het Richteren-boek naar je toe komt is Moab. En Moab staat in de bijbel voor iets waar je eigenlijk naar moet gaan kijken. Want Moab, zegt Jer. 47, is hoogmoed, hooghartigheid, overmoed, ik. Ik ga niet over het Richteren-boek praten. Daar komt een hele conferentie van, op het Brandpunt, het komende weekend. Maar ik ga je wel zeggen: De eerste koning die daar geschetst wordt in het Richteren-boek als vijand, dat is een pff, zo eentje, weet je wel. Hij was zeer zwaarlijvig. Nou ja, ik kan er ook wat van misschien, maar toch. En hij zit in een koele bovenkamer die hij alleen voor zichzelf heeft. Ik weet dat je nu al denkt: Eglon. Ja, over hem gaat het daar. En, daar zit hij, breeduit weet je wel, beeldvullend. Hij was er, echt, hij zat er. En je kon niet om hem heen. Dat wilde hij ook niet, want iedereen moest voor hem buigen. En iedereen moest schatting [betalen]. Waar zat hij dan. In Jericho. Had hij daar mogen zitten, nee, natuurlijk niet. Maar ja, die trekken zich niks van de wetten van de Here God aan. Daar zitten ze dan. Ik ga niet over Jericho praten, want dat maakt het nog veel en veel duidelijker, als je dat er in betrekt. Me the big number one. Hoogmoed, Moab staat voor hoogmoed. En vandaag stikken wij bijna in die hoogmoed. Kom niet aan mij. Je kunt duizend keer het boekje aanbevelen: De zegen van kritiek. Misschien heb je het wel eens gelezen, heel goed boekje. Maar als je zelf kritiek krijgt, nou, dan wil ik je wel eens gaan bekijken. Op een afstand hè. Dus iemand anders geeft kritiek op jou, en ik zit er een beetje te kijken van: Hoe reageert die daar nu op. Nou, helemaal niet zo leuk hoor. Heel polite natuurlijk, want je blijft zeggen van: “Ja, prijs de Here”, maar moet je dat gezicht er bij zien. Snap je. En door het feit dat je nu een beetje gniffelt, denk ik dat je het snapt. En dus is het probleem bij jou voorhanden. Je hebt het ooit een keer gehad. En iedereen heeft daarmee te maken. Je kunt wel zeggen dat je dat boekje gelezen hebt, maar dat zegt nog geen, ja geen, ik wou een raar woord zeggen. Het zegt nog niets over de verwerking daarvan. Ik kreeg een ander boekje, toen het in mijn leven helemaal niet zo leuk ging, het was moeilijk, ik kreeg kritiek: Gekruisigd door christenen. U kent het boekje misschien wel, heel mooi boekje. En de eerste bladzijden die gingen heel goed. En heet was maar een zootje ongeregeld, die anderen hè, weet je wel. Dat was me daar een spul. Maar halverwege dat boekje draaide dat hele spul zich om hè. En ineens zie je wie je zelf bent, hoogmoed, ik-denken. De therapeuten zeggen: “Je moet voor jezelf opkomen. Je moet je niet onder laten sneeuwen. Je moet jezelf, nee natuurlijk niet, je moet je niet in een hoekje laten duwen. Welnee, schreeuwen. Je bent er toch, je bent uniek.” En ze vijzelen het ik van de mens omhoog. En iedereen is koning in zijn eigen gebied. Een neefje van ons: Ik wil niet dat jouw haan hier koning kraait. Want hier kraaide hij namelijk hè, dat kon je horen hè. Aan zijn stem kon je het horen. Hij kraaide al. Lieve broeders en zusters, dit is een enorm probleem. En als u mij vraagt waar de enorme problematiek van scheiding en scheuring in de gemeente vandaan komt dan zeg ik: “Hier.” Daar zit de bottle neck. Dit is niet zomaar een hoofdstuk in de bijbel. Ik zal je nog wat anders zeggen: “Dan. 4 geeft een tekening van de eindtijd, heel duidelijk.” Waar de mens op de troon zit en waar hij zegt: “Het is allemaal van mij, dit is allemaal van mij. En waag het niet om een vinger naar mij uit te steken.” Dan. 4 geeft in een verhaalvorm, in een geschiedenis, in een gebeurtenis, informatie hoe de mens in de eindtijd is. Nou, ik kan het niet scherper tekenen dan het hier getekend is. Dit is het woord van God. En je hebt die bijbel niet gekregen om te weten dat Nebukadnezar ooit een keer een brief geschreven heeft naar al zijn onderdanen. “Nou, so what”, zeg je dan, “hè hè, dat doet mij toch niks.” Maar je hebt dit gekregen, niet om te weten hoe het toen ging. Of de jaartallen wel klopten of zo. Je hebt dit gekregen om zelf de les te leren die Nebukadnezar moest leren. En hij was toen de machtigste, de grootste. Ze bogen allemaal voor hem. “En het was waar”, zegt Daniël, “dat de vogelen des hemels, door hem, het goed hadden. En dat de dieren door hem het goed hadden. En dat de mensen door hem te eten hadden.” Dat was gewoon waar. En hij krijgt in een droom een boodschap van Nebukadnezar [moet dit niet God zijn?]. Het kan zijn dat die hele boom, jij dus, jouw rijk, en jouw schaduw, en jouw input, en jouw uitstraling, dat die hele boom afgezaagd wordt. Dat er niets overblijft. Ja, we laten wel een stukje staan, wortelstomp, omgeven met een band van koper en ijzer. Maar het kan zijn dat je een keer het loodje gaat leggen. En er was een wachter, een engel die hem dit meedeelde. Nou, hij snapt het niet en zijn waarzeggers snappen het niet. En als je vandaag wilt weten dat het ik van de mens eraan gaat. Dat God daar eigenlijk niets mee kan. En de therapeuten gaat vragen van: Wat vindt u daarvan, geachte therapeut. Dan zegt hij “Ja, dat weet ik ook niet hoor. Nee, je moet voor jezelf opkomen. Jij bent bijzonder. En jij moet in je…..” Nou, daar gaat hij weer. Dus die haken af. Die hebben geen idee over de oplossing van dit probleem. Hebben ze niet. Nebukadnezar, hij heeft tevergeefs gezocht bij zijn therapeuten, Daniël komt. Ik citeerde zopas al een klein stukje uit Richt. 3, want daar stond dat van die koning Eglon. Daniël wist in elk geval wat er ooit een keer in de geschiedenis van Israël gebeurd was. Daniël wist dit, Daniël kende Jeremia. Daniël kende de geschriften van Jeremia, blijkt uit dit boek. Daniël wist waar Eglon voor stond, waar Moab voor staat. Of hij dit meegenomen heeft in zijn beoordeling? Ik denk dat God hem hele bijzondere wijsheid gegeven heeft, hele bijzondere inzichten gegeven heeft, om nu dingen te zeggen die hij nog nooit eerder had gezegd. Koning, ik wilde wel dat dit voor een ander bedoeld was, maar het is voor jou bedoeld. Nou, koning, ik ga je adviseren. Ik ga je nu vragen om je leven te veranderen. Om niet aan jezelf te denken maar aan de anderen. Zie je, accentverlegging hè. Dus niet aan jezelf te denken maar aan de nooddruftigen, aan de ellendigen. Doe iets, opdat er misschien verlenging zal zijn. Nou dat gaat nog een poosje goed, zoals het met jou en met mij misschien ook een poosje goed gaat nadat we een goeie preek gehad hebben, en we denken: Ja, nou, we moeten eigenlijk ons leven veranderen, we doen ons best, en we redden het wel tot zondagavond acht uur, want dan komt het journaal en dan is het weer over. Zo ongeveer gaat dat. Nou ja, jullie kijken nooit naar het journaal, o.k., laat dat dan maar zo. Maar zo vlug ebt dat weer weg, zo snel gaat dat over. Koning Nebukadnezar heeft een hele tijd misschien een beetje gerekend met deze dingen en dan stapt hij als een trotse haan op het dak van zijn paleis, Babel, Irak. En daar loopt hij dan eventjes te pronken: Is dit niet het Babel dat ik gebouwd heb. Tot lof van mezelf, tot eer. Alsof hij het zelf gebouwd zou hebben. Nou, ik heb twee linker handen als het om techniek gaat, maar hij had ze waarschijnlijk ook, maar hij heeft er ook echt geen spijker ingeslagen. Daar geloof ik niets van. Hij heeft het helemaal niet gebouwd, hij heeft het gewoon laten doen. Hij had genoeg slaven, misschien wel Israëlieten die het moesten doen. Maar hij loopt als een trotse haan op het dak van zijn paleis en zegt: “Is dit niet het Babel dat ik gebouwd heb, tot roem van mij, tot, who, who,me, weer hetzelfde verhaal. Je hoort het hè, ja, nou ja. Je kunt zeggen ik heb stemmen gehoord, maar dan is het ook weer niet zo goed, dan moet je ook weer naar een therapeut. Maar je hoort het. U wordt aangezegd o koning, een wachter, een engel. Hij raakt volslagen in verbijstering. En vandaag, hij is z’n verstand kwijt. Je zou zeggen hij is krankzinnig gewoon. Op hetzelfde moment, in één keer. Toen hadden ze geen psychiatrisch ziekenhuis. Ja, met een groen tapijt. Ik bedoel, daar waar de dieren liepen wordt je dan gedropt. Zoals melaatsen niet in een ziekenhuis met muren heling kregen, of verzorging kregen, maar gewoon gedropt werden ergens in het veld, weet je wel. Die zwierven dan rond in groepjes. Nou, zo ook deze psychiatrische patiënten. Die werden gewoon gedropt. Ja, ze wisten zich daar geen raad mee. Dus hij kwam bij de dieren van het veld en hij at gras. En de kapper kwam daar niet, want die had daar geen spreekuur. En de pedicure kwam daar ook niet. Dus zijn haar werd lang als dat van arenden en zijn nagels die werden als van vogeltjes. Snapt u het, jawel hè. De Here schetst heel, heel scherp, dat mensen die niet met God rekenen, eigenlijk een beetje krankzinnig zijn. Nou, dat is een hele zware. Je durft het bijna niet op de werkvloer te vertellen. Of in de familiekring, tijdens een verjaardag. Weet je hoe God je ziet. Als je niet ophoudt met dat ik-denken van je, nou dan kom je nog een keer in het psychiatrisch ziekenhuis terecht. Dan heb je het nog voorzichtig gezegd. Maar als je het echt zou zeggen zoals Dan. 4 het zegt… En dan is het moment daar dat, en dat had Daniël gezegd, dat hij zeven tijden, zeven jaren in de taal van het boek Daniël, zeven jaar zijn over hem voorbij gegaan. En na zeven jaar keert zijn verstand terug en, nou enfin, hij is weer beter. En hij komt terug, hij komt weer op de troon. Het eerste wat hij doet is een brief schrijven. Ik heb heel wat brieven gelezen van mensen die voor de Here werken of die iets groots voor de Here hebben gedaan. Maar ik heb weinig brieven gelezen waarin stond dat ze hopeloos faalden. Heb je wel eens een echte brief geschreven over falen van jezelf, waarin je echt helemaal de mist in ging. Ik was in België de afgelopen dagen en een mevrouw kwam naar me toe voor de toespraak van gisteravond en zei: “Ik heb door jou toen en toen de Here Jezus leren kennen.” Ik wist dat niet, ik kende die mevrouw ook niet. Nou ja, je glimt een beetje. Ik denk: Nou, de volgende brief die ik schrijf, even een….., toch. En dan kun je zeggen: “De Here heeft gewerkt”, maar het kietelt je wel. Ik weet niet hoe jij bent. heb je ooit een brief geschreven over: Ik was zo ongelofelijk eigenwijs, zo ontzettend hoogmoedig, en het leek nergens op. En ik was alleen maar bezig met mezelf, alleen maar met ik en met mij en met mijn rijk en met mijn koninkrijkje en met mijn invloed. En ja, dat vertel je. Natuurlijk ga je dat niet zeggen, dat het jouw koninkrijkje is. Nou, de Here heeft grote dingen gedaan. Maar ondertussen zit je jezelf op te fokken en vind je jezelf een hele Piet. Nou ja, vrouwelijke Pietin of zo, maar iets. Ik hoop dat je me begrijpt mijn broeder en zuster. Ik ga niet zeggen dat jij dat bent. Ik ga zeggen dat ik dat ben. Ik heb zo vaak het verhaal van Luther geciteerd, die tegen Melanchton, zijn vriend, zegt: “Jij bent de tweede die mij een compliment geeft. De duivel deed het ook al.” Je bent niet ongevoelig voor complimenten. je bent ongelofelijk gevoelig voor complimenten. En als je geen complimentjes krijgt. Stel je hebt je rimpeltje allemaal laten wegwerken, allemaal, ze zijn allemaal weg, allemaal. Het heeft je een flinke duit gekost en niemand zegt: “Wat heb je een leuk gezicht.” Dat is toch niks. Dan vraag je toch: “Zie ik er niet strak uit.” Mijn directeur vroeger, hij was bruin. Niemand ging naar Italië, in die tijd, hij wel. Hij had in de zon gezeten, drie weken lang. Wij hadden gewoon regen gehad in Nederland. Ja, zo was dat. En hij komt terug, hij was mooi bruin en niemand zei dat hij bruin was. Nou, je ziet hem al glimmen hè. Drie keer heeft hij een rondje gemaakt, zo, ben ik ook bruin geworden. Ja, ja meneer, u bent bruin geworden. Je herkent dat toch. je kunt zeggen: “Ja, maar ik ben heel anders.” Nou, je zegt het wat subtieler misschien, heel voorzichtig. Maar als je nou geen complimentje krijgt na je preek, of geen reactie, zeg je: “Mooi stukje hè, Dan. 4.” Kan toch, klinkt heel vroom. Is er niemand die applaudisseert. Lieve mensen, we zitten midden in ons probleem. En je bent Nebukadnezar niet, dat weet ik wel. Maar misschien ben jij wel degene die zingt in de gemeente: Is dat niet de zang die ik naar buiten laat…. Of de muziek, of: Ben ik niet die preekt hier in de gemeente, ben ik dan niet als de leraar, mag ik dan niet het woord van God uitleggen. En mag ik niet de bestuurder zijn. Mag ik niet het zondagschoolwerk doen. Mag ik niet het pastoraat…. Enfin, u vult maar in. Het maakt niet uit. Ik hoop dat je wat doet. En je kunt ook iets, want de Here wil je gebruiken. Maar je moet wel je realiseren dat de duivel juist dat wat je kunt en wat je hebt, wat je ook in de gemeente brengt, of in de groep brengt, dat hij juist dat brengt: Zo je bent….., ja, flinke jongen hoor, flinke jongen. En onze therapeuten zeggen: “Als we onze kinderen geen complimentjes geven dan gaat het niet goed met ze hoor.” Dus complimentjes hè. We moeten elkaar…. Gaat elkaar voor in betoning van eer, staat toch in de bijbel, je moet….. Nou, is ook zo. Er zijn groepen waar ze geen complimenten geven omdat ze bang zijn dat ze hoogmoedig worden. Maar ze zijn in diezelfde groep hartstikke hoogmoedig, omdat ze zo denken, dat zij de enige juiste nog zijn. Zie je dat het niet zo makkelijk is, en dat het misschien wel heel dicht bij is, maar dat het soms wel moeilijk is. Ik wil alleen maar aangeven wat de mens aan het doen is. En het spettert eraf vandaag. Onze sterren gaan naar Mallorca, wie dat dan zijn. Alle bekende Nederlanders dragen een stropdas, wie het dan mag zijn. Het gaat maar door. En ze zijn allemaal bezig voor hun eigen eer. en soms loopt het er echt af. Ik bedoel van het scherm af, van het televisiescherm af. Als de mensen dan ineens ook hun duit in de zak moeten doen, over iets. Nu vandaag kunnen ze dan weer over die verloofde van prins Friso gaan doordrammen. Nou, je moet ze eens horen. Als je in hun eigen leven zou kijken zou het nog veel beroerder zijn geweest maar goed, pffff. Het is allemaal verrot. Sorry hoor, het is allemaal hetzelfde. Dat is de wereld vandaag. Dat is hoe de mens in elkaar zit. Het ik van de mens. Nu, Nebukadnezar komt tot de conclusie dat hij nu maar eens een brief moet gaan schrijven over het falen van hemzelf, maar ook met het belijden dat er Eén is, Die die, die in hoogmoed zijn, vermag te vernederen. Dat is de God, de God des hemels, de God die alle macht heeft.
En waarom moet ik dit nu zo nadrukkelijk zeggen. Nou, niet om u een verhaaltje te vertellen. Ook niet om mooie woordjes te zeggen. Maar om een hele belangrijke zaak. Zei de Here Jezus: “Is dit niet de schepping voor mij.” Heeft Hij dat gezegd. Nee. Die het God gelijk zijn niet als roofgoed heeft geacht, heeft Zichzelf vernederd, heeft Zichzelf ontledigd. Is de mensen gelijk geworden. Gehoorzaam tot de dood, tot de dood van het kruis. U hoort Hem zeggen: “Leert van Mij dat ik nederig ben.” Het kruis. heeft Hij gezegd, toen Hij daar aan het kruis hing: “Nou, ik zal je wel krijgen straks. Straks zijn de rollen omgekeerd, Pilatus, ik krijg je wel straks.” Nou, de rollen zijn straks ook omgekeerd. Maar heeft Hij daarmee gedreigd. Heeft Hij daarmee zichzelf in het zonnetje gezet. heeft Hij gedreigd naar de farizeeërs toe. Heeft Hij gezegd: “Hoe haal je het in je hoofd om Mij, de Schepper van alles zo te behandelen.” Heeft Hij dat gedaan. Niets, Hij kwam bij ons, heel gewoon. Het is zo fantastisch, om tegenover het ik van de mensen en het ik van de eindtijd en het mens zijn van nu, en het wordt steeds maar opgekrikt, nog duidelijker nog…. En ik moet mij welbevinden en ik moet een zegen krijgen en ik moet het goed hebben. En het moet mij goed gaan. En mijn auto en mijn fiets en mijn huisraad en ik, ik. En we weten eigenlijk geen raad met het prachtige van de Here Jezus. En het is zo schril het contrast tussen de Here Jezus en deze geschiedenis, dat je soms denkt van: Zou het nog wel over komen. De Here Jezus zegt tegen mij: “Wees jij nu maar eens arm van geest Dato. Verlaag je maar eens naar het niveau van een ander. Ik heb dat vaker als voorbeeld aangehaald, Matt. 15, zogenaamde bergrede, waar de Here Jezus Zelf les geeft en zegt: “Het is de discipel genoeg om te worden zoals de meester.” je moet om Hem gaan lijken. En arm van geest is niet verstandelijk gehandicapt of zo. Arm van geest is hier verlagen tot het niveau van de ander, zodat de ander inderdaad gaat begrijpen. Heeft de Here Jezus ooit één gehad op Zijn niveau. Was er één hier op aarde met wie Hij een stevig gesprek kon voeren. Een keer lekker kon doordrammen, doordenken. Nee, die was er helemaal niet, bestond niet. En als jij met je kleinkinderen, ik praat even uit mijn optiek, gaat praten, dan, ja ligt een beetje aan de leeftijd, maar ja, je kunt ook niet alles zeggen hè. Ze snappen niet alles. Dus je houdt je in. Of je pakt dingen die wel te snappen zijn. En als ze heel klein zijn dan is ons taalgebruik nog anders. Dan zijn het bijna geen zinnen, dan zijn het maar woordjes. Kleine, kleine woordjes. Kleuterpraat noemen we dat. De Here Jezus moet Zich gevoeld hebben als iemand met kleuters om zich heen. Niet één snapte Hem, niet één kon Hem volgen niet één was van Zijn hoogte. Niemand, er was niemand. En Hij verlaagde Zich. Hij probeerde bij jouw hart te komen. Hij probeerde jou te overtuigen dat het met jou helemaal niet goed zit, dat je gezondigd hebt. En dat Hij, de hoogste Heer, de hoogste Koning, de Vredevorst, de allerhoogste, de Schepper, dat Hij voor jou wilde sterven. Ik zal het probleem voor jou gaan oplossen. De Here Jezus: Leert van Mij dat Ik nederig ben en zachtmoedig. Niks pronkerigs, niets van: Ik ben het en Ik zal en Ik doe hete, helemaal niets. Het omgekeerde, dat is de Here Jezus. Dat is mijn Heiland. En we weten dit wel, en we worden door de tijdgeest meegesleurd naar de hoogmoedswaanzin van vandaag. Het gaat allemaal om ons. Het heeft allemaal met ons te maken. En dit hoofdstuk laat je zien dat God je op een bepaald moment van je voetstuk plukt en zegt: “Ga jij nu maar eens een poosje in quarantaine.” Hier staat: God bedoelt niet: Ik zal je voor altijd verdoemen, Ik zal je voor altijd wegschuiven, Ik heb niets meer met je te maken. Juist dit hoofdstuk laat zien: Nee, er blijft een wortelstomp staan. En ik zeg je er weer op. Op het moment dat jij erkent dat Hij de Allerhoogste is, dan mag je weer verder. Ik weet niet hoe lang die periode in jouw leven duurt. Zeven jaar, zal ik het anders willen proberen, zeven dagen. Zijn er geen momenten in je leven geweest dat je het gevoel had: Here, ik ben zo ongelofelijk eigenwijs en zo arrogant, hoogmoedig, en zo bezig met mijzelf. Here, het is wel eens goed dat U mij even apart zet. Het is gebeurd in mijn eigen leven. En dan kun je duizend keer zeggen: “Ja, dat zal bij die vrome Heinen misschien wel het eerst voorkomen.” Dat is niet zo. Ik geloof stellig dat het bij iedereen hetzelfde is. Of je nu spelen kunt, met de muziek iets kunt, met je stem iets kunt of met de computer iets kunt of met het besturen iets kunt of met beheren van iets kunt of met kinderen iets, met jeugd iets, met pastoraat iets, met wat dan ook. Wat dan ook. Maar de Here zet je wel eens even apart, totdat je erkent: Here sorry. Ik zal je nog een voorbeeld geven en die lijkt een beetje op de Here Jezus. Paulus was opgeleid in Jeruzalem. Hij had een behoorlijke studie achter de knopen, en hij was heel, heel goed kennelijk. En hij zegt: “Wat winst voor mij was, heb ik om Christus wil, dus wat voor mijn eigen eer goed zou zijn geweest, wat winst voor mij was, dat heb ik om Christus wil schade en drek geacht. Ik acht het als vuilnis.” Heeft hij daarna nooit meer gebruik gemaakt van die kennis die hij daar een keer heeft opgedaan. Natuurlijk wel, want als hij in Athene is, en hij spreekt over wijsheid, dan zegt hij iets over de kennis die hij daar heeft opgedaan. Hij heeft het wel gebruikt, maar niet meer voor zijn eigen eer. Wat winst voor mij was, wat aan mij eer zou kunnen geven, dat niet meer. Dat is weg. En nu, ja, nu wil ik de Here Jezus dienen. Om de uitnemendheid van de kennis van Jezus Christus, mijn Here, acht ik het nog steeds waardeloos. Is moeilijk, jouw sterke kanten, je bekwaamheden, misschien je opleiding. Is dat dan niet nodig. Ja, is wel nodig, maar je moet leren dat het effect van wat God in je heeft gelegd, voor Hemzelf mag zijn. Dat resultaat moet voor Hem zijn, voor de Here zijn. De eindtijd wordt gekenmerkt door het vergeten van de Here Jezus. Door de economie van de bijbel radicaal los te laten en het ik van de mens omhoog te krikken. En daar zitten we midden in. En als ik morgen weer gezwollen taal hoor van de politiek of van wie dan ook, van wereldpolitici, dan ja, dan zijn ze voor zichzelf begonnen. Het is steeds hetzelfde. Maar nu eens eerlijk. Nu kunnen we naar, ja, de politiek gaan kijken en we kunnen naar de wereld gaan kijken en naar de spanningen gaan kijken, maar laten we nu maar eens beginnen bij onszelf. En als je in je eigen hart nu eens kijkt. Is daar geen hoogmoed, ben jij nederig. Een vriendin van ons zei dat ze de nederigste was op het zendingsveld. En ze was trots om het ons mee te delen. Zo dubbel is het. Ze kwam er zelf achter hè, dat ze dit ook nog gezegd had zo. Kun je je een slag voor je kop geven en zeggen: “Ja, hoe haal ik het in m’n hoofd om zo eigenwijs te doen.” Maar goed, ze schreef dus ook een brief naar ons en zei dat dit in haar leven gebeurd was. Kun jij nu naar je omgeving een brief gaan schrijven en zeggen: “Moet je eens luisteren, ik ben ook gewoon heel erg op mezelf gericht.” En als jij mensen krijgt op bezoek, moeten die mensen jou dan eer gaan geven of heb jij belangstelling voor die mensen. Test maar, vraag maar morgenvroeg aan mensen. Als mensen jou vragen: Hoe is het met je, ik heb het vaker gezegd, en je draait het direct om: Hoe is het met jou. Je hebt niks gezegd hè, geen antwoord gegeven. O ja, ja, dokter, pilletje, daar gaat het verhaal. Of vakantie, of auto of nou, vul maar wat in hè. Ik bedoel, er is altijd een verhaal. Dat betekent, die mensen hebben helemaal geen belangstelling voor jou, hebben alleen maar belangstelling voor zichzelf. heb je ooit in een verjaardagavond een verhaal willen vertellen, en je was halverwege, en toen nam Jan het over. Niet Jan Diepenveen, die is heel anders. Nee, nou, we kennen elkaar als vrienden, dus ik mag dat zeggen. Maar dan neemt Jan het over in het gesprek en weg is jouw verhaal. Je komt niet eens meer aan de bak. Ze zijn allemaal bezig. En als het een beetje moeilijk wordt, dan schreeuwen ze nog wat harder, dan komen er een paar decibelletjes bij. Want je wilt er overheen toch, je wilt dan nog maar overstemmen. Herken je dit niet, jawel. Nu, probeer nu eens in je eigen hart te ontdekken: Here mijn hart is hoogmoedig. En probeer nu eens te zeggen: “Na mijn bekering ben ik nog, nog steeds hoogmoedig Here Jezus.” En dat hoogmoedige, dat hoger willen zijn dan je zelf bent, is natuurlijk satanisch. “Als je daarvan eet”, zei de duivel, “dan zul je als God zijn.” Oh, ja, maar dat is wat, dat willen we. Natuurlijk, daar willen we naar toe. Zie je wel, daar ligt het al. En dat had de duivel al eerder geprobeerd. Toen er nog niet eens mensen waren, was hij al zo hoogmoedig, dat hij God van de troon wilde stoten en dat hijzelf God wilde zijn, toen al. Dit hele principe is kapotmakend, is krankzinnigmakend. En daarom heb je dit verhaal in een eindtijdboek nu voor je. Het is heel praktisch, maar het is heel duidelijk bedoeld als een boodschap voor de eindtijd, waar de mens zich verheft. Johannes de Doper zei: “Hij moet wassen, ik moet”, nou, je kent het natuurlijk, “minder worden.” Daar heb je het, ten voeten uit. Beter kan ik het niet zeggen.
Wat is nu het moment ook voor Israël in de toekomst. “Wij zijn Abrahams zaad. Wat verbeeld u zich wel.” zeiden ze toen de Here Jezus hier op aarde was. We zijn niet geboren uit hoererij. Dat is het taalgebruik van toen geweest. Zo hebben ze met de Here Jezus gepraat. En ze hebben uiteindelijk gezegd: “Nou, Hij doet het door Beëlzebul.” Zo van ja. Wat zeiden de Farizeeën. En dan komt de Romeinse bezetter en die gaat onze plaats en onze stoel onder onze voeten wegnemen. Dat was hun probleem, daar zaten ze mee. Ze hadden hun eigen hachje behoorlijk hoog. En ze lieten de rest gewoon, dan maar opofferen, slachtofferen. Dan kun je beter die Ene kwijt zijn dan zelf van je stoel vallen. Ik zeg het een beetje menselijk, maar dat is wel precies wat er gebeurde, toen, toen de Here Jezus hier op aarde was. En wat gaat er gebeuren in de toekomst. Dat ze uiteindelijk zullen zeggen: “Het was mijn schuld.” Ik zal je één simpel voorbeeld geven. Ik vond het een heel typerend voorbeeld. Gen. 37 vertelt je over het verhaal van Jozef. Lees het maar eens na. Dit is voor maandag, huiswerk voor maandag. Huiswerk voor vanavond was die brief schrijven over je eigen hoogmoed. Maar huiswerk voor maandag is het verhaal van Jozef lezen, Gen. 37. En dan is Jozef verkocht en hij is in Egypte terecht gekomen als een slaaf. Door de broers verworpen. Dan gaat Gen. 38 ineens verder met een heel ander verhaal over Juda, die ergens zwerft, niet meer bij de broers is, en zijn vrouw sterft. Hij gaat klungelen met zijn schoondochter Tamar. Gaat helemaal niet goed. En dan zeggen ze tegen Juda: “Je schoondochter is in verwachting.” Van Juda zelf, maar goed, hij was dat alweer kwijt natuurlijk, want je eigen fouten die ben je onmiddelijk weer kwijt. En: Ombrengen poem, was pure hoogmoed. Van wie is deze staf. Dat is daar het verhaal hè. En op het moment dat Juda erkent dat het van hem is, zegt hij: “Ik was fout.” Zal ik het verhaal vertellen: Jozef is een type van de Here Jezus. Jozef is verworpen door de broers. Israël heeft gezegd: “Wij willen niet dat Hij Koning over ons is.” Israël gaat zwerven, dat is hoofdst. 38 in Genesis. Ze hebben wereldse vrienden, maar hebben het wel moeilijk, maar het is wel in de druk. En ze zijn nog steeds hoogmoedig. Tot het moment dat ze zeggen: “Het was onze schuld, het was onze fout.” En dan ineens is daar herstel. Dan gaat het verhaal van Jozef weer verder met uit het dal en dan….. Ja ik hoop niet dat u dat te moeilijk vind, maar pieker daar maar eens over. Misschien droom je er wel over vannacht. ik meen dat heel serieus. Het zou geweldig zijn als je dit gaat meemaken, als je dit gaat ervaren. Dat de Here werkt. Maar waar het nu om gaat is: Israël zal een keer een moment kennen van: Het was onze schuld. Dan is de hoogmoed ineens helemaal onderbroken. Dan is het hoogmoedige weg. En dan zegt de Here: ‘Hier ben Ik. Dit zijn Mijn wonden voor jullie geslagen. Dit heb ik voor jullie willen doen.” Nou, dat principe, hier in Dan. 4 vind je eigenlijk een soort parafrase, zeg maar schilderij, je noemt het maar iets, maar in elk geval een duiding om te ontdekken wie je zelf bent, maar ook om te ontdekken Wie Hij is, onze Here Jezus, die om de vreugde die voor Hem lag het kruis heeft gedragen en de schande niet heeft veracht. De Here Jezus, onze Heiland, onze Verlosser. Amen.