Daniël 9

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

9. Belijdenis en uitkomst.

Daniël Bijbellezing door Dato Steenhuis,

11 januari 2004
      Lezing

Lezen: Jer. 29:1; 29:10-14; Dan. 9:1-7; 9:20-23

We zijn met u nu bezig met een hele serie over het boek Daniël. Dus iedere keer een stukje verder. Voor mensen die hier elke zondag komen, geen nieuwe dingen. Die hebben het eerste stuk al gehad en die denken: Nou ja, ik heb het al, dus ik ga gewoon verder. Ook in het bedenken van deze dingen. Anderen zijn hier voor het eerst heb ik net begrepen, ik keek een beetje rond, en hebben dus dat voortraject niet. Maar kunnen wel CD’s bestellen of bandjes bestellen. CD’s bij de fam. Verschoor, helemaal achterin. Doe het, desnoods voor de buren en voor de kennissen en voor de omgeving. Maar voor jezelf ook, om een stukje lijn te ontdekken in deze studies. Natuurlijk kun je elke toespraak wel op zichzelf beluisteren, maar de lijn is er natuurlijk ook hè. Het verband tussen het begin van dit boek en de rest. Daniël, een profeet uit het OT. De Here Jezus noemt hem “de profeet”. Als de Here Jezus hem “de profeet” noemt, dan, denk ik, moeten wij op het puntje van onze stoel gaan zitten, om te luisteren wat die profeet dan zeggen wil. En dat is niet weinig. Dat is heel veel. De profeet Daniël is eigenlijk noodzakelijk om de profetie in zijn geheel te begrijpen. Wij noemen Daniël ook wel eens “de sleutel tot het verstaan van de profetie”. Zeker Dan. 9. Een soort sleutel binnen een sleutel. Het geheel is al een sleutel, het gehele boek. Maar zeker hoofdst. 9 is zo’n sleutelstuk. Je hebt van die dingen nodig om de rest te begrijpen. Nu, ik krijg niet alles in één avond uitgelegd. Daarom gaan we over Dan. 9 nog een keer spreken, maar dan de volgende keer over het laatste stuk. Namelijk over die z.g. weken of jaarweken van Daniël. Dus het moeilijke stuk de volgende keer. Ik ben benieuwd of er dan minder zijn. Waarschijnlijk, want voor moeilijke dingen, daar gaan we niet voor. Ik hoop toch dat u verlangen hebt om Gods gedachten over de toekomst van Israël, maar ook om Gods gedachte over de toekomst van onze Here Jezus te leren zien. Want daar gaat het om. Er zijn mensen die zeggen: “Ja, je hebt het altijd over Israël.” Nou, dat is niet waar, Israël komt altijd ter sprake. Maar ik heb het altijd over de Here Jezus. Want als ik denk aan profetie, dan denk ik dat wat er met de Here Jezus gaat gebeuren. Gods plannen met de Here Jezus. Gods openbaringen omtrent Die Ene Die voor Hem zo belangrijk is, Die alles is. De hele, hele bijbel staat bol van profetische vergezichten, en die hebben allemaal te maken met de Here Jezus. De profeten. Het getuigenis van Jezus is de geest, is de adem van de profetie. Heel vaak geciteerd, Openb. 19:10. De Here Jezus zegt aan de Emmaüsgangers: “Kijk, al de profeten, te beginnen bij Mozes, en al de profeten”, legde hij uit, “wat van de Christus geschreven stond.” Dat bij het denken aan de Here Jezus ook het volk Israël een prominente rol gaat vervullen hier op aarde, dat staat vast, dat is zeker. En dus kun je het verwijt soms horen: Ja, je praat altijd over Israël. Nou, niet primair Israël, maar bij de verhoging van de Here Jezus, bij het regeren van de Here Jezus, is een volk op aarde bedoeld. En dat volk op aarde is Israël. Moeten wij dan als Israël worden. Nou, ik probeerde dat ook heel vaak uit de doeken te doen en te vertellen, dat u die gelooft, een hele aparte toekomst tegemoet gaat. U bent echt uniek. Degenen die vandaag geloven dat de Here Jezus voor schuld en zonde, voor zijn, haar schuld, zonde, gestorven is, die hebben een geweldig stukje perspectief. Die mogen weten dat de Here Jezus terug komt.
Ik had vanmorgen het genoegen ergens in ons land te spreken in een Evangelische Gemeente, en ik heb het gehad over de vier rechtszittingen die in de bijbel vermeld staan. De eerste rechtszitting is in Zach. 3, waar een man met vuile kleren bekleed voor de troon van God staat. De tweede rechtszitting is 2 Kor. 5, wij moeten allen openbaar worden voor de rechterstoel van Christus. De derde rechtszitting is in Matt. 25, waar de schapen gescheiden worden als de Here op Zijn troon zit. En de vierde rechtszitting is Openb. 20, als de grote witte troon er is en alles voor Hem staat.
Die eerste rechtszitting is voor mij heel erg belangrijk, en voor jou ook. Dat is het moment waarop je heel duidelijk hebt: De Here Jezus heeft voor mij betaald. En dat moet je geloven, dat moet je aannemen. Ik kan het er wel instampen, dat zou ik wel graag willen ook, maar dat is een beetje, ja, dat is dan een beetje drammerig en zo. Maar ik hoop zo dat je dat voor jezelf gelooft. Dat je dat je toegeëigend hebt. Dat je echt, echt weet: Mijn schuld is weg, mijn zonden zijn vergeven, en als ik voor God sta, oog in oog met Zijn heiligheid, oog in oog met Zijn majesteit, oog in oog met onze God is een verterend vuur, als ik daar sta, het wordt even spannend hè, dan is er Iemand die zegt: “Dato, Ik heb jou als een brandhout uit het vuur gerukt. Ik heb het voor jou in orde gemaakt. Ik heb voor jou betaald, Ik heb het allemaal gedaan.” Dat mag iedereen die hier zit zeggen, als je gelooft in de Here Jezus. Het is in orde. Ik ben niet meer bang. Zo is er geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn. Is God dan niet meer heilig. Jawel, die heiligheid is gebleven, maar ik ben veranderd. Want ik heb nu van de Here Jezus de toezegging dat Hij voor mij alles bij God in orde heeft gemaakt. En dat is geloof. Dat moet je in het geloof naar je toe halen. Daar moet je een keer dank je wel voor zeggen. En ik hoop dat jullie dat gedaan hebben.
Die tweede rechtszitting, ik zal het verhaal even afmaken, is als wij voor Hem komen. Als we met z’n allen naar Hem gaan. laten we aannemen dat dat nu tijdens deze dienst gebeurt. Niet denken aan je autosleutels, dat die hier achterblijven en dat de buren daarmee gaan rommelen of zo. Hebben ze ook wat. Maar denk nu eens aan het moment dat de Here Jezus zegt: “Kom”. In een ondeelbaar ogenblik een bevelend roepen, en de Here Jezus gaat ons bij zich roepen. De geliefden van ons, mijn vader, mijn moeder, maar jullie hebben ook namen, die blijven niet achter. Die zijn gestorven, die zijn nu begraven, die zijn in het paradijs als ze geloofden. maar die worden eerst opgewekt, dus die gaan ook mee. En wij, die niet gestorven zijn, nog niet begraven zijn, die nog hier, laat ik maar zeggen, in Veenendaal in dit gebouw zitten, wij worden in een ondeelbaar ogenblik veranderd. Pats, in a twinkling of an eye, is de Engelse term, een ogenblik tijd, en we gaan, samen met hen die al gingen, samen met hen die al ontsliepen, samen met hen die nu in het paradijs van God zijn, samen met hen die nu genieten, samen met hen die nu onuitsprekelijke woorden horen, samen met hen die nu vertroost worden in de schoot van Abraham, we gaan samen met hen de Here tegemoet in de lucht. En we komen daar in de hemel. Met z’n allen, hoop ik. Dat geldt alleen voor hen die geloven. En we gaan ontdekken dat de Here Jezus op dat moment loon uitbetaalt. Ik heb mij vroeger afgevraagd waarom er zo nadrukkelijk in de bijbel stond dat een werkgever in Israël dezelfde dag nog loon moest betalen. Mijn vader deed dat niet. Ik heb hem trouw gediend, voor zover ik weet. Hij had een drukkerijtje, en ik heb meegewerkt, weken achter elkaar. School soms verzuimd, mocht nog een beetje ook. En ik heb nooit loon gehad. Ik was daar een beetje verdrietig over. Ik kan ook een ander woord noemen. En ik heb op de grijze wand, een beetje gestuckte wand van de drukkerij, daar heb ik met krijt het bedrag geschreven wat ik nog tegoed had, in grote letters. Ik heb het niet gekregen, nooit. Hij had het niet. Toen heb ik me boos gemaakt. Later niet meer. Maar of ik hem ooit gezegd heb: “Het is je vergeven”, dat geloof ik eigenlijk niet. Dus als ik in de hemel hem tegenkom en ik heb tijd, dan zal ik hem zeggen: “Pa, het is je echt vergeven, want je had het niet.” Misschien heb jij ook wel eens het idee gehad: Ik wou dat ze eens een keer gingen betalen, die lui. Er is Een die boter bij de vis brengt, en dat is de Here Jezus, als jij in de hemel komt betaalt Hij gelijk uit. Als de Here Zijn voorschrift geeft voor aardse werkgevers, dat zij elke avond onmiddellijk moeten gaan uitbetalen, dan zal de grote Werkgever het zeker gaan doen. Je krijgt loon voor de rechterstoel van Christus. je krijgt een kroon, je krijgt een krans of je krijgt loon naar wat je gedaan hebt voor de Here Jezus.
De derde rechtszitting is als de Here Jezus terug komt hier op aarde en Hij in Jeruzalem is en de volkeren, Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, voor zich zet. En dan is de vraag: Wat hebben jullie gedaan met Mijn oude volk Israël. Nou, Nederland zal een heel verhaal hebben, want politici hebben altijd een heel verhaal. Die kunnen meet woorden verbloemen wat ze eigenlijk zouden willen zeggen maar toch niet zeggen. Sorry hoor. De hamvraag is: Wat hebben jullie met dat volk gedaan. En als ze het goed gedaan hebben dan zijn ze als een schaap aan de rechterhand van Hem die op de troon zit. En als ze het niet goed gedaan hebben staan ze al een bok aan de linker kant. De schapen worden gescheiden van de bokken. Dat is niet de individuele mens, maar dat is het volk. Een club, een cluster. Volkeren worden vaneen gescheiden. Zoals een herder de schapen van de bokken scheidt, zo gaat het gebeuren. en de vraag is steeds: Wat hebben jullie met Israël gedaan. Nou, ik denk dat er heel wat Europese landen met het schaamrood op de kaken gezien worden. Ik ben daar niet in het verkneuteren of zo, en ook niet te zeggen van zie je wel, zie je wel, ik heb het je altijd gezegd, ik heb het ge…., stop maar. Maar toch.
En de vierde rechtszitting is als ieder individu die niet gelooft, voor de grote witte troon staat. Dat is wel individueel. Dat is heel persoonlijk. Vier.
Ik wilde dit even kwijt, ik wilde dit met jullie delen, omdat het boek Daniël uiteindelijk daar naar toe werkt. en nu, vanavond, is het stukje aan de beurt dat de Here zich opnieuw gaat bemoeien met zijn volk. Het volk Israël is in de dagen van Salomo echt in een bloeitijd geweest. Een soort gouden eeuw, maar dan voor dat volk, toen. het was alles super. Toen ging het niet goed. Na Salomo is het helemaal mis gegaan. het rijk is in twee blokken uiteen gespetterd. De tien stammen, de twee stammen. De tien stammen zijn inmiddels allang, in deze tijd hè, in deze tijd, de tijd waarover we nu praten, allang in Noord-Irak ongeveer. en de twee stammen zijn nog heel lang in Jeruzalem gebleven. En je zou veronderstellen dat het dan beter gaat, omdat ze toch zagen wat er met die tien stammen is gebeurd. Nee, hebben ze ook niet gezien. Ze hebben dus uiteindelijk ook de Here verlaten, en de Here heeft ze in ballingschap laten gaan. In Irak nota bene. Daar zijn ze terecht gekomen. Daar zitten Daniël en zijn vrienden. Daar zit het volk onder leiding van Ezechiël in vluchtelingenkamp. Daar zitten al die vorsten. En Jeremia is als laatste profeet in Jeruzalem blijven hangen en heeft daar nog een poging gedaan om die mensen die er nog waren te bereiken. Hij heeft echt aan de deur geklopt, als een roepende. Hij heeft alles geprobeerd. Hij was op een bepaald moment helemaal moe van dat profeteren. Hij zegt: “ik wil dit wel inhouden, ik wil dit niet meer, want zodra je wat zegt eten ze je op. Je wordt voor de leeuwen gegooid. Het is helemaal niet leuk om zo een profeet te zijn in die stad.” Hij heeft het toch gedaan. En uiteindelijk zijn ze weggevoerd, de eerste groepen. En voor zover ik mijn bijbel ken, zijn de eerste twee wegvoeringen in een tijd gebeurd dat Jeremia daar nog was in Jeruzalem. Die is als laatste weggegaan. Dat heeft ook heel wat gedachten terug gegeven over waar de ark van het verbond zou zijn, maar dat gaat me nu veel te ver. Daar misschien later een keer over. Maar nu, Jeremia die daar nog is schrijft dan een brief aan de ballingen, aan Daniël, aan Ezechiël, die in Irak zijn. En deze brief van Jeremia is het onderwerp van hoofdst. 9. En ik heb met jullie die brief gelezen, in Jer. 29. Daarom ben ik daar begonnen. En het prachtige van die brief is, niet alleen dat het een brief is en dat die brief verzonden werd, en dat die brief ook kennelijk aangekomen is. Dat is allemaal helder uit de tekst. Maar dat die brief passages bevat, stukjes bevat van: Ik weet welke gedachten Ik over u koester, gedachten. Die tekst die kennen we, maar die tekst staat in dit verband. Is natuurlijk prachtig als je iemand, ja, hoort zeggen dat de Here gedachten van vrede over je heeft en geen gedachten van onheil. Maar in Jer. 29 staat nadrukkelijk dat de Here dat zegt van Zijn ode volk. Van dat volk daar in Jeruzalem. Dat volk, falend in elk opzicht vrijwel. Dat volk heeft het helemaal verknoeid. De tempel is uitgehold, van binnen. En later verwoest, van buiten. Maar van binnen als het ware helemaal uitgehold. er was niets meer over. Dat volk, waarvan de Here moet zeggen: “Ik kan het niet meer aanzien, Ik kan het getier van jullie liederen niet meer horen.” Nou dat gaat ver hè. het is allemaal kommer en kwel, het is helemaal foute boel. En dat volk zit in Babel en dat volk krijgt een brief, door Jeremia geschreven: Ik weet welke gedachten Ik over u koester. Gedachten van vrede en niet gedachten van onheil. Nou, waarschijnlijk zijn er ook toen geweest die zeggen: “Nou, dat had de Here wel eens eerder mogen schrijven. En dat had Hij wel eens even mogen laten zien toen wij er nog waren. Dan waren wij niet hier gekomen, dan hadden we daar nog gezeten. Dan hadden we ons eigen vijgenboompje nog gehad en ons eigen druivenstruikje”, zoiets. Zo zijn de Nederlanders, toch, altijd mopperen. Nou, ja, nee, ik kan niet in God geloven. Ja, als ik God was, dan was het in Bangladesh anders gegaan en dan was het ook in Iran nu met de aardbeving anders gegaan. Dan was het ook in Europa heel anders. Dan was Nederland ineens crimineelvrij geworden. Ha ha, toch, als jij God was, dan was het allemaal allang geregeld.” Wij hebben van die grote monden en we hebben ongelofelijke arrogantie en we gaan zomaar dingen zeggen die we nooit en nooit waar kunnen maken. Jeremia, een brief. Natuurlijk, nu zeg ik het nog een keer, zijn er toen mensen geweest die daar geen fluit aan hadden, die gewoon zeggen: “Ja, daar kan ik niks mee. Daar heb ik niks mee. Daar heb ik geen gevoel bij.” Termen van vandaag. en daar zijn er ook die gedacht hebben: Deze brief die doe ik in mijn klapper, in mijn ordner, en die bewaar ik. Sorry voor mijn term. Daniël heeft hem gekregen, en hij heeft hem wel gelezen, en heeft hem ook bewaard. En Daniël heeft precies gelet op de datering en is gaan denken: En nu zijn de zeventig jaren voorbij. Nu leg ik mijn vinger op die brief. Als het een profeet van de Here is dan durf ik te zeggen: “Here, U hebt gesproken, hier staat het zwart op wit. Ik leg mijn hand erop, ik geloof, ik vertrouw.” Maar hij begreep ook dat er een stuk inkeer bij hoort. Want dat stond ook in die brief. Toen al had Jeremia geschreven: Als je dan gaat bidden, als je dan met je hele hart tot inkeer komt, tot verootmoediging komt, tot belijdenis komt, dan, dan ga ik horen, dan ga ik invulling geven, dan gaat het gebeuren. Daniël heeft het heel goed begrepen. En Daniël is gaan bidden. En hij heeft zijn zonden voor God beleden. Het zondige van zijn volk, van Gods volk, van de mensen dus om hem heen, hij hoorde ook bij dat volk. Hij heeft voor God erkend dat de Here God rechtvaardig is en dat het volk aan alle kanten faalde. Dat heeft hij beleden. Dat heeft hij echt erkend voor God, en uitvoerig en heel emotioneel. Het is geen droge opsomming. Je krijgt er tranen bij in je ogen dat een oude broeder daar ergens in Babel neerknielt en voor God belijdt wat er allemaal mis gegaan is. In de volstrekte zin was hij heel jong toen hij weggevoerd werd. Dus je kon hem persoonlijk eigenlijk niks verwijten. Ik begrijp, hij was waarschijnlijk vijftien, zestien, zeventien jaar. Dus je kunt niet zeggen dat Daniël zelf het verknoeid zou hebben, vroeger, toen al. En toch erkent hij, dat ook hij gezondigd heeft. Dat het niet buiten hem om ging. Hij maakte zich als het ware één met dat probleem, met dat kwaad, en heeft zo voor God een belijdenis uitgesproken. Dat is de inhoud van Dan. 9. Dat snappen we nu wel. Die brief en Dan. 9, die horen dus bij elkaar. Die brief uit Jer. 29 en de brief die hier geciteerd wordt is natuurlijk dezelfde brief. Er staat in uw bijbel waarschijnlijk een verkeerde voetnoot bij, van Jer. 25, maar daar moet je maar 29 van maken als je er al een voetnootje nog bij hebt, want dat klopt geloof ik niet. Maar in elk geval, die brief is door Daniël gelezen en opgesloten. En nu komt onmiddellijk, ja eigenlijk onze verantwoordelijkheid om het hoekje. Wij hebben een hele bundel brieven, en ik heb ze hier in een ordner. Ik heb een leren ordner gekocht, bij Jongbloed in Leeuwarden. En in deze ordner, sorry hoor, dat ik het zo zeg, in deze verzameling, zitten heel veel brieven. Zit die brief van Jeremia ook natuurlijk. Die heb ik net een beetje voorgelezen. Die heb ik er ook uit gehaald. Maar er zitten nog meer brieven in. Er zit een hele rij brieven in deze bijbel, in dit woord van God. En God laat weten wat er gaat gebeuren. God doet geen ding of Hij openbaart het aan Zijn knechten de profeten, mocht Abraham al horen. En dat is nog zo. God openbaart het, God laat heet weten. En Hij heeft het laten weten. We hebben kans gezien in de loop van de eeuwen om [van] al die brieven van God te zeggen: “Ach, ja, daar kan ik niks mee. Daar heb ik niks aan. Wat hebben wij daar nu aan, hier. Kun je daar brood voor kopen.” En we hebben die bundel brieven van God langzaam maar zeker afgeschaft. Door de papierversnipperaar gestopt. Nou ja, u hebt uw bijbel letterlijk niet in dat gekke apparaat gestopt, dat snap ik best. Dat zal ook wel letterlijk niet gebeurd zijn. Maar ondertussen is de vraag natuurlijk: Wat geloof je nog van wat God ooit geschreven heeft. Hij heeft het je gezegd. Hij heeft tegen jou gezegd dat de Here Jezus terug komt, heel spoedig. En dat Hij ons gaat brengen, daar waar Hij Zelf is. Ik zal u bewaren voor de ure der verzoeking die over het hele aardrijk komen zal. En we zeggen: “Ja, da kan helemaal niet joh. ben je mal.” Daar gaat het. “Ja”, kunt u zeggen, “dat zijn die maranatha-christenen, daar heb je ze weer. Die komen altijd met de komst van de Here Jezus aan,” nou ja, “aandragen.” Ik had een ander woord willen gebruiken maar. Iedere keer heb je ze weer. Daar heb je ze iedere keer. Iedere keer komen ze weer terug met dit verhaal. Maar ik kom ook terug met dit verhaal. Er is ook geen ander verhaal. De Here Jezus zegt: “Ik kom.” En Paulus mag de mond van de Here God zijn, door te zeggen: “En Ik komt spoedig.” Johannes mag het onderstrepen: Hij komt spoedig. De Here Jezus komt. Maar we hebben het een beetje weggeschoven. Want hier en nu, de teloorgang van de economie is eigenlijk ja, een hot item. En we moeten toch ook weten hoe het wereldkampioenschap, Europees kampioenschap schaatsen is afgelopen, sorry hoor, vandaag en gisteren en eergisteren. Wij worden ingepakt en we schuiven de brieven van God weg. Maar in diezelfde bundel brieven staat ook dat de Here God een heel bijzonder plan heeft met Israël. En dat Hij dat hele bijzondere plan met Israël gaat oppakken en dat Hij daar een keer koning gaat worden. Dat Hij daar in Jeruzalem zal zijn. Weer in Jeruzalem. Jazeker, want Jeruzalem is dan niet meer van de Joden. Dat kun je niet meer zeggen. Dat is inmiddels van de Palestijnen, of van de Jordaniërs. In elk geval internationaal bezit geworden. En daar, nee, daar past Hij natuurlijk niet meer. O ja, weer een brief eruit gescheurd. En zo hebben we langzaam maar zeker een hele dunne ordner, een heel dun bijbeltje, een heel dun bundeltje brieven gekregen. We zij al een hele rij kwijt. En we letten er ook niet op. We zijn echt niet van die mensen: Zou dat vandaag zijn. Ik weet niet of Daniël in zijn tijd een soort alarm op zijn computer heeft gehad die hem ‘s morgens wakker [riep]. En nu is het die dag. Dan moet je dat ding natuurlijk activeren hè. Moet je zo’n alarmtoestand er ook werkelijk in hebben. En dan moet je ook gelegenheid geven om te werken. Ik bedoel gewoon concreet: Hij heeft het heel precies geweten, en hij heeft zijn vinger erbij gehad. En wij hebben die dingen ook wel, maar ja. Wij zijn niet zo precies. En we weten het toch: “Dag en uur is ons niet bekend toch”, zegt de hele vrome onder u. En de hele slimme zegt: “Nou, misschien is week en maand wel bekend. Zou kunnen toch. Als dag en uur niet beken is dan zou het nog wel eens een week of een maand kunnen zijn.” Dus u moet ophouden met uw slimmigheidjes. het zou kunnen zijn dat dat wat hier staat voor de deur staat. Dat dat spoedig gaat gebeuren. Daarom bekijken wij dit boek Daniël, daarom behandelen wij dit bijbelboek. Omdat het ons iets zegt. En we vinden hier een knecht van God in de moeilijke omstandigheid van toen. Dat was helemaal niet makkelijk. Daar was geen tempel, daar was geen ruimte in Jeruzalem, daar was van alles niks. En God zei: “En toch gaat het daar gebeuren.” Nou, hij geloofde dat. En je kunt vandaag zeggen: “Nou, ik zie er niks van, ik merk er niks van. Het is één en al onrust. Daar in het Midden-Oosten is het allemaal spanning en spanning.” En ik zeg, met de hand op mijn bijbel: “En toch gaat het daar gebeuren.” Nou, dat is al een flinke. Dan. 9 is al een hele duidelijke van: Geloof je nog wat God gezegd heeft. En vertrouw je dat wat God gezegd heeft. Leg je je vinger er bij en zeg je: “Here God U hebt het Zelf gezegd. En nu is het zover. Ik vertrouw U Here.” Wij willen mensen die in nood zijn wel eens vertellen van: De Here is je Herder. Werd vanavond ook nog geciteerd. Een zuster die de ziekte bij haar man zag, zegt, belijdt: De Here is mijn Herder. “Nou, dat is waar”, dat zeggen we dan. En als ze het niet zelf zegt dan zeggen wij misschien van: “Nou, de Here zal je leiden.” Waar halen we dat vandaan? Nou, uit die bijbel. Geloof je dat zelf? Daar heb je hetzelfde. Waarom zeg je dat dan. Waarom zouden we elkaar dan nog bemoedigen, als we stukken van de bijbel helemaal niet geloven. En één van de allerbelangrijkste dingen voor christenen vandaag is, dat ze het woord van God opnieuw geloven. Dat ze dat woord pakken, en zeggen: “Dit is Gods woord, Gods brief, Gods toezegging, Gods aanduiding. Ik hou me daar aan.” Daniël deed het in elk geval. En hij erkende dat de terechtheid bij de Here God te vinden was. Ook als zij in Babel zitten. Ook als zij in, laat ik maar zeggen, in nood zijn, en verwarring zijn, en niet in Jeruzalem mogen zijn. Hij erkent volledig het recht van God. En hij erkent ook dat zij het, wat mensen betreft, echt verknoeid hebben. Dat is een hele belangrijke. En we zullen nooit de blijdschap van de komst van de Here Jezus ervaren, als we niet het woord van God nemen. Het is een beetje drammerig van mij, ik weet het wel, vergeef me maar. Maar ik wil het zo graag, zo helder mogelijk hebben. Dat je het woord van God, de bijbel, werkelijk serieus neemt. En dat je je niet laat wegsturen met een kluit in het riet of met een weet ik veel in het bos. Omdat men zegt: “Kan toch niet”, omdat men zegt. Nou, als je in die tijd gezegd had: “Jeruzalem zal weer herbouwd worden”, hadden ze ook gezegd: “Kan toch niet.” Alles lag in puin. Alles, letterlijk, alles. Was niets meer over. En toch, de Here doet het. We hebben de toezegging van de Here. Als de Here Jezus nu zegt: “Ik ben bij je alle dagen tot aan de voleinding van deze eeuw.” Als de Here Jezus nu zegt: “Ik kom je halen, en Ik kom spoedig, opdat ook jullie zijn mogen waar Ik ben.” Als de Here Jezus zegt: “Ik zal je daar laten zitten waar ik zit, in de troon. Ik zal bij je zijn, met je zijn.” En wij zullen daar zijn waar de Here Jezus is, in het huis van de Vader. Geloven we dat nog. Nou, ik hoop het, ja. Neem ik een slokje water. U zegt amen. Het gaat niet om een respons, het gaat om dat we durven zeggen: “Ja Here.” Dit is de eerste les uit Dan. 9, en dat is een hele belangrijke. Want als we dit niet pakken, nu, zullen we de rest van die zeventig jaarweken ook niet pakken. Ik kom daar de volgende keer dus op terug. Maar als je dit niet pakt, pak je dat helemaal niet. Want dan pas wordt het een beetje moeilijker, een beetje ingewikkelder. Dit is nog tamelijk oppervlakkig vind ik hoor. Dit is nog niet zo diepgaand. Dat is diepgaand, wat dan komt. En daarom moeten we deze eerste barrière echt nemen. Ik wilde dat zo graag.
En dan komt, als Daniël zo bidt, en zijn schuld belijdt, in ijlende vlucht Gabriël. Gabriël had hij ook al gezien in hoofdst. 8, en die komt dus nu weer terug. Nu, Gabriël kennen we hè. Hebben we een beetje mee, toch. We hebben net kerst gehad. Zacharias, Gabriël, Nazareth, Gabriël, toch. We hebben iets met die man. Met die man, ik weet niet. Een engel, een aartsengel. Iemand die bij de boden van God hoort. En Ps. 103 zegt van Gabriël “Het zijn mensen die mijn woord volvoeren.” Heb je het weer. “Die doen wat Ik zeg. En die een boodschap van Mij overbrengen. En dit absoluut doen, zonder meet gehoorzamen.” Geen restricties, geen dwarsliggerij, en ook geen sluiproutes. Hoofdwegen, dat is Gabriël. En die komt nu bij Daniël. Zo vinden we aan het eind van hoofdst. 9:20 en 21 en 22 die man, de man Gabriël, die ik tevoren gezien had in het gezicht, in ijlende vlucht, tot vlak bij mij, op de tijd van het avondoffer. Nou wordt het even ingewikkeld. Op de tijd van het avondoffer. Dit is maar zo´n uitdrukkinkje hier, in Dan. 9, maar ik wil daar toch iets over zeggen.
In de eerste plaats Ps. 141. Dat is voor mij een liefelijke tekst, maar misschien voor u ook. Zoek maar eens op als je een bijbel hebt, Ps. 141:2. Ps. 141, midden in de bijbel, altijd makkelijk te vinden. Ps. 141, ik lees ook het begin. O Here, ik roep u aan. Haast U tot mij. Neem mijn stem ter ore als ik tot U roep. En dan komt de tekst die ik bedoel. Laat mijn gebed als reukoffer voor Uw aangezicht staan. Het opheffen van mij handen als het avondoffer. Op de tijd van het avondoffer komt Gabriël. Ik kan u zeven plaatsen noemen uit het woord van God waar een heel bijzonder iets gebeurde ten tijde van het avondoffer. Daar is ook nog een plaats waarin Gabriël betrokken was. Die vindt u in het NT, als hij bij Zacharias komt in de tempel, op de tijd van het avondoffer. Diezelfde Gabriël komt op de tijd van het avondoffer. Ik ken nog wel een paar voorbeelden uit de bijbel over het avondoffer. Als Ezra schuldbelijdenis doet, dan doet hij dat, Ezra 9:4 en 5, op de tijd van het avondoffer. Ik zal je nog een heel saillante tekst geven. Elia op de Karmel, was daar. De Baälspriesters waren de hele dag in de weer geweest. En het had niets opgeleverd. En Elia bad op het moment van het avondoffer. Staat er echt bij. De Here antwoordt met vuur. Ik heb u gezegd dat Gabriël kwam in de tijd van Luk. 1. Ik kan u ook zeggen dat in Hand. 3, het eerste wonder na de uitstorting van de Heilige Geest, een wonder was op het uur van het avondoffer, als daar een man in de tempel tot genezing komt. Dat was een Jood. Ik kan u ook zeggen dat in Hand. 10, op het uur van het avondoffer, er een gezicht komt: Cornelius, zendt mannen naar Joppe en ontbiedt Simon. En hij komt. Het uur van het avondoffer. Maar ik wil u nog een zeggen en die heb ik nu even overgeslagen. Ik weet niet of je het bewust meekreeg, maar ik ga het toch wel zeggen, en dat is toen de Here Jezus aan het kruis hing, en zei: “Het is volbracht.” Dat was het uur van het avondoffer. Dat heeft in de bijbel een hele bijzondere betekenis. Volgens het boek Exodus, was er een morgen- en een avondoffer. Ex. 29, vindt u dat, als u het na wilt kijken. Maar u bestelt toch een bandje of een CD-tje bij de Verschoren, en, nou luister dan nog eens. Maar op het moment van het morgenoffer werd er een brandoffer gebracht, en op het uur van het avondoffer. Maar het uur van het avondoffer, is in de bijbel altijd gekoppeld aan het uur van het gebed. Het uur van het gebed, zo wordt het ook genoemd in Hand. 3. Zo is het ook gepraktiseerd in Hand. 10 bij Cornelius. Zo is het ook gepraktiseerd bij Elia, bij Ezra, bij Daniël. Het uur van het avondoffer, het uur van het gebed. Laat mijn handen zijn, het opheffen van mijn handen als een avondoffer. Weet je, het is fantastisch als je hier in dit oude boek Daniël, nu ineens een Gabriël ziet komen bij Daniël, en zegt: “Daniël, ik wil je onderrichten. Ik wil je nu gaan vertellen, ik ga je nu onderwijs geven. Ik wil nu echt gaan zeggen wat ik dan zeggen moet.” Er komt een heel compact stuk over verregaande profetieën, de rest van dit hoofdstuk, volgende keer. Ik bedoel niet als een feuilleton, als het spannend is stoppen of zo. Maar het is nodig om daar de tijd voor te nemen. De tijd te nemen om die weken, die jaarweken, om die uit elkaar te trekken. Maar hier is het Daniël die van God uit een boodschap krijgt: Ik heb gedachten van vrede.
Weet u, de Here Jezus is om negen uur ‘s ochtends aan jet kruis gekomen. Dat was het uur van het morgenoffer. En de hele tijd tussen morgenoffer en avondoffer is de Here Jezus aan het kruis geweest. Dat is heel merkwaardig. Je zou zeggen, het is alsof je de mensen eerst laat kijken in het boek Exodus, en dan in Leviticus en nou, als we Hem kruisigen, dan moet Hij dan maar om negen uur gekruisigd worden. En als Hij dan gestorven is, ja, dan moet wel om drie uur ‘s middags zijn, of zo. het is wel gebeurd. hebben die mensen dat gedaan. Hebben die mensen daaraan gedacht. Nee, nooit één keer. De Here heeft, in Zijn regie, het loopt Hem niet uit de hand, in Zijn regisseur zijn van alle dingen, dit op het morgenoffer laten gebeuren, en op het avondoffer. Op het morgenoffer kwam de Here Jezus aan het kruis. Aan het avondoffer zei Hij: “Het is volbracht.” En daarom kan er genezing zijn. Daarom kunnen er gedachten van vrede zijn. Daarom kan er heil zijn voor het volk. Daarom, omdat de Here Jezus bad: Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Hoe kan de Vader hen vergeven. Omdat de Here Jezus zei: “Reken het Mij maar toe.Ik betaal, Ik vereffen.” Waarom zou jij vrede met God hebben. Alleen omdat de Here Jezus alles in orde heeft gemaakt, voor jou. Omdat je gelukkig bent, door Hem, alleen maar door Hem. De enige mogelijkheid om vrede met God te hebben is het geloof in de Here Jezus, is het avondoffer. Alleen omdat het het avondoffer is geweest. Omdat het woord “Het is volbracht” heeft geklonken is er vrede, is er blijdschap, is er zegen. Alleen maar door Hem. En als er zegen is voor Israël, als er herstel is voor jou, dan is dat op grond van het avondoffer. En als er herstel is voor Israël, dan is dat op grond van het avondoffer. Daar is geen andere grond voor herstel. Gods herstel is gekoppeld aan Gods werk, aan het kruis van Golgotha. En daarom is de profetie van Daniël zo belangrijk. Daarom is het zo essentieel dat je leert zien hoe schitterend alles in elkaar zit, hoe harmonieus alles is. Want het is het werk van Gods Geest geweest. Schitterende dingen kun je hier ontdekken.
Daniël lette op de boeken. lette op woorden, op de brieven van Jeremia, deed ernaar, handelde ernaar, bad, beleed, erkende, ging in gebed. En op het uur van het avondoffer, het uur van het gebed, komt Gabriël met een schitterend antwoord, nu nog even voor de volgende keer, maar met een schitterend antwoord voor het oude volk Israël. Maar ook voor jou en voor mij. Want al die toezeggingen komen ook in onze levens terug. En ik hoop van harte dat je nu al blij bent met dat wat de Here Jezus heeft willen doen, door voor jou “het is volbracht” uit te spreken. Door voor jou de schuld en de straf te dragen, zodat je een kind van God bent. Zodat God kan zeggen: “Ik weet welke gedachten Ik over u koester. Gedachten van vrede en niet van onheil. Ik wil je zo graag blij maken. Ik wil je zo graag zegenen. Ik wil je zo graag bemoedigen.” En de Here wil je bemoedigen. En God gaat Zijn volk Israël ook bemoedigen, op grond van datzelfde werk van de Here Jezus. En eigenlijk hebben we het in het OT zomaar een plaatje, een schilderij van wat God gaat doen. Maar ook hoe God dat kan doen.
De Here zegene jullie, met het denken aan de Here Jezus. Met het danken van de Here Jezus. Met het bedanken van Hem. Omdat Hij het zo schitterend in orde heeft gemaakt. Amen.