Discipelschap avond 4

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

4 Discipelschap – Training Bijbellezing over Mattheüs 6 vers 1 – 18

door Dato Steenhuis,

25 oktober 1999
      Lezing

We gaan een stukje lezen uit Matteüs 6:1-18.

1 Ziet toe, dat gij uw gerechtigheid niet doet voor de mensen, om door hen opgemerkt te worden; want dan hebt gij geen loon bij uw Vader, die in de hemelen is. 2 Wanneer gij dan aalmoezen geeft, laat het niet voor u uitbazuinen, zoals de huichelaars doen in de synagogen en op de straten, om door de mensen geroemd te worden. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. 3 Maar laat, als gij aalmoezen geeft, uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet, 4 opdat uw aalmoes in het verborgene zij, en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.
Het bidden
5 En wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de huichelaars, want zij staan gaarne in de synagogen en op de hoeken der pleinen te bidden, om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. 6 Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. 7 En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. 8 Wordt hun dan niet gelijk, want [God] uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. 9 Bidt gij dan aldus:
Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; 10 uw Koninkrijk kome;
uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. 11 Geef ons heden ons dagelijks brood; 12 en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; 13 en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. [Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.
14 Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; 15 maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven.
Het vasten
16 En wanneer gij vast, toont dan niet, zoals de huichelaars, een somber gelaat; want zij maken hun aangezicht ontoonbaar, om zich aan de mensen te vertonen, wanneer zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. 17 Maar gij, zalf uw hoofd, als gij vast, en was uw gelaat, 18 om u niet bij uw vasten aan de mensen te vertonen, maar aan uw Vader, die in het verborgene is; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.
Tot zover.
Matteüs 6. Een voortgang in onze studie over discipelschap. Voor alle helderheid: dit is dus bedoeld voor gelovigen, voor mensen die de Here Jezus Christus kennen als hun Heiland, als hun verlosser, die weten dat de schuld weg is en die nu voor de Here Jezus willen leven. Het gaat bij discipelschap niet om tot geloof te komen, om een gelovige te worden of in de hemel te komen. We hebben dat iedere keer benadrukt, maar het gaat bij discipelschap om voor de Here Jezus te leven, omdat je een gelovige bent, omdat je weet in de hemel te komen, omdat je weet dat je zonden vergeven zijn en omdat de Here Jezus graag wil, dat wij Hem hier op aarde etaleren, dat we laten zien wie Hij is. Het is de discipel genoeg om te worden als de Meester. Dat zeiden we elke avond. Dat zeggen we ook vanavond. We mogen de Here Jezus laten zien. En daar zijn natuurlijk al allerlei dingen gezegd, maar dat is opgenomen. Voor iemand die dit niet mee maakte kan ik alleen maar wijzen naar een cassetteband of naar een cd.
Nu gaat het vanavond over aalmoes, iets geven dus, iets vragen en iets niet nodig hebben, zo zou je het heel kort samen kunnen vatten. Iets geven, iets vragen en iets niet nodig hebben. En alle 3 die dingen hebben te maken met discipelschap. Het eerste blokje is niet het moeilijkste, het tweede waarschijnlijk het moeilijkste en het derde is een beetje onbegrijpelijk. Ik weet niet of dat zo moeilijk is, maar we hebben daar eigenlijk niet zo veel plek voor in onze huidige situaties.
Het geven van aalmoezen. Ik denk dat een ieder bij aalmoezen een associatie heeft met Handelingen 3. Misschien wil je dat even opslaan voor jezelf. Hand. 3:1-13. 1 Petrus nu en Johannes gingen op naar de tempel tegen het uur des gebeds, dat is het negende. 2 En een man, die verlamd was van de schoot zijner moeder aan, zodat hij gedragen moest worden, zetten zij dagelijks bij de poort van de tempel, genaamd de Schone, om een aalmoes te vragen van de tempelgangers. 3 Toen deze zag, dat Petrus en Johannes de tempel zouden binnengaan, verzocht hij om een aalmoes. 4 En Petrus zag hem scherp aan, met Johannes, en zeide: Zie naar ons. 5 En hij hield zijn blik op hen gevestigd in de verwachting iets van hen te ontvangen. 6 Maar Petrus zeide: Zilver en goud bezit ik niet, maar wat ik heb geef ik u; in de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër: Wandel! 7 En hij greep hem bij de rechterhand en richtte hem op, en terstond werden zijn voeten en enkels stevig, 8 en hij sprong op en stond en liep heen en weer en hij ging met hen de tempel binnen, lopende en springende en God lovende. 9 En al het volk zag hem lopen en God loven; 10 en men herkende hem als degene, die om een aalmoes gezeten had aan de Schone Poort van de tempel; en zij werden met verbazing en ontzetting vervuld, over wat met hem gebeurd was. 11 En toen hij Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk rondom hen te hoop in de zogenaamde zuilengang van Salomo, vol verbazing. 12 En Petrus zag het en antwoordde het volk: Mannen van Israël, wat verwondert gij u hierover, of wat staart gij ons aan, alsof wij door eigen kracht of godsvrucht deze hadden doen lopen? 13 De God van Abraham en Isaak en Jakob, de God onzer vaderen, heeft zijn knecht Jezus verheerlijkt.
Hier vindt je dus heel concreet wat in Mat. 6 wordt verondersteld, iemand die een aalmoes nodig heeft. En natuurlijk kun je denken aan financiële dingen. Je kunt een klein potje hebben in je eigen huis en je kunt iemand aan de deur krijgen, die gewoon dat geld nodig heeft. Je kunt de overtuiging krijgen: ik moet een doosje met boodschappen brengen bij iemand in de plaats waar je woont, omdat iemand dat nodig heeft. En dan moet je niet gaan zeggen in de gemeente hoe goed je geweest bent, dan moet je dat niet vertellen om er zelf beter van te worden. Dat gevoel krijg je dus soms wel eens. Ik ben al vaak in Amerika geweest en dan zie je dat al die christelijke universiteiten of Hoge Scholen of hoe ze ook heten mogen, allemaal bijna schenkingen zijn, van rijke families en van anderen en elke ruimte waar je slaapt, dat zijn dan van die ruimtes waar normaal gesproken de studenten slapen, maar die worden in vakantietijden verhuurd aan conferenties en zo, waar je dan mag komen, nou altijd het bordje: gegeven door die en die of door die en die familie. Je komt in een zaal en Mary Anderson, weet je wel, weer een heel verhaal, een borstbeeld. Ze hebben het allemaal gegeven aan de Here, maar ondertussen krijgen ze gigantisch de eer. Ik geloof ook, dat de mensen die het geld ontvangen, voor moeten gaan in betoning van eer. Maar de andere kant is, dat diegene die het geeft, eigenlijk zou moeten zeggen: ik wil het niet weten dat ik het geef. Het is namelijk niet van mij, het is van de Heer Zelf. Daarom vind ik het voorbeeld in Handelingen 3 zo mooi, omdat het daar gaat niet om iets financieels, om iets van materie, maar om een geestelijke aalmoes. Petrus zegt: zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat zal ik je geven. En dan zegt Petrus: je moet niet ons aanstaren, beste mensen, wij hebben het niet gedaan, de Here Jezus heeft dit gedaan. Dus weer dat geven, niet om er zelf beter van te worden. Nu zeggen we, oh ja, dat snap ik. Daarom een collectezak, heel anoniem. Geen collecteborden met je eigen naam erop of collecteborden zonder je naam, maar laat dat nou maar even los, maar gewoon heel anoniem. Ik wil anoniem blijven. Nu, dat kan al bijna niet meer vandaag. Daar moet je al extra voor betalen, als je anoniem wilt blijven, maar de gedacht erachter is, dat je de dingen die je hebt en die je mee kunt delen aan anderen, niet voor jezelf doet. Niet discipel zijn, om er zelf op de ene van der manier uit te springen. Dat gevaar is behoorlijk groot. Ik weet niet of je ooit het gevoel hebt gehad, dat mensen van jou iets gingen verwachten, zoals bij Petrus en Johannes toen in Handelingen 3, maar als dat zo is, loop je risico, dat je jezelf ook gekieteld voelt. Je eigen eer speelt ook een behoorlijk partijtje mee in het blaasorkest van mensen en je wilt toch ook graag een stukje eer mee ontvangen. Natuurlijk zeg je: de Heer alle eer, maar ondertussen is het eigen ik daarin wel behoorlijk aangesproken. Ik wil wel voorbelden geven uit mijn eigen leven en die zijn er genoeg. Dat je zei, dat je het voor de Here deed, maar in feite was je met jezelf bezig. Een voorbeeld geef ik toch, omdat ik behoorlijk onderuit zakte op dat moment. Het was vrij in het begin van mijn bediening toen ik nog met de Tabernakel rond trok, een model. Ik heb het model nog wel, maar ik gebruik het niet zoveel, omdat het zoveel werk is om het op te bouwen. Maar toen had je geen keus, dus je deed dat. Ik kwam in Velp in een bejaardencentrum, om daar aan die oudjes het verhaal van de Here Jezus te vertellen. Bij binnenkomst, er was nog een vriend en broeder bij me, dachten we: wat een stelletje …. na ja. 3 letters, het begint met een k en eindigt ook met een k, zeer geaffecteerd en heel erg beleefd, maar ze lieten zich niet zien. Uiteindelijk kwamen er elf dames opdagen, die de hele middag hebben mee gemaakt. Dat was voor een heel geweldig groot huis natuurlijk maar een heel klein plukje. Die dames waren zeer beleefd in het zich verexcuseren en ook zeggen dat anderen niet konden, het was allemaal heel “polite”, het was heel netjes. In de pauze werd een trolley met koffie en thee binnengeschoven, door de keuken of zo, maar die dames waren natuurlijk te deftig om koffie en thee te schenken. Dat moest ik doen. Dat heb ik ook wel gedaan, maar ik dacht wat een ….na ja. Ik zal het verhaal niet herhalen, maar daar kwam het ongeveer op neer en aan het eind was het ongeveer net zo. Nou we kregen dan ƒ 50,– in een envelop mee en we gaven iedereen een boekje “Huis van Goud”, gratis. Nou als je dan 11 of 12 van die boekjes weggeeft, dan blijft er van die 5 tientjes natuurlijk ook helemaal niets over voor reiskosten en weet ik veel, maar daar moesten we dus dankbaar zijn. “Vindt u het nu niet de moeite waard, vindt u het nu niet erg, dat u slechts voor 11 mensen hier geweest bent ?”, vraagt een van die dames. En wij, ik, zei: nou de Here Jezus wilde voor een vrouw door Samaria gaan, heel vroom antwoord (Joh.4), dus wij hebben nog 11. Oh ja, ja ja. Je zag haar knikken en denken, dat is een vrome Hein, die is nog beter dan de Here Jezus, zo ongeveer. Nou dat kittelde ook wel een beetje. Ik had de zaak weer in een karretje gepakt, al die kratten en zo, behoorlijk bezweet en toen wilde ik net in de auto stappen, toen kwam een mevrouwtje van boven lopen, een van die dames, een van die elf, en die zwaaide met ƒ 25,–, met een briefje van ƒ 25,–. Wil ik u graag geven. Ik zeg mevrouw dat hoeft niet, we zijn door het huis betaald. ƒ 50,– en minus minus en toen gebeurde het wat ik eigenlijk wil zeggen. Toen zei ze: ik heb maanden gebeden, of ik iets van de Here Jezus mocht zien en vanmiddag is mijn gebed verhoord. Ik wil u toch graag ƒ 25,– geven. Toen zakte ik door de grond. Ik had wel een hele vrome mond over: ik doe het voor de Heer en de Heer ging voor één vrouw door Samaria, maar dat meende ik helemaal niet. Dat was helemaal niet zo. Dat zeg je wel en je wilt wel alle aandacht… Ja het is voor de Heer, hoor, prijs de Heer, vingertje omhoog. Maar innerlijk loop je te mopperen. Jij krijgt niet de eer, jij krijgt niet de aandacht, niet dat wat je je eigenlijk hebt toegedacht. Dat is een voorbeeld waardoor de Here je duidelijk maakt wat het geven van aalmoezen is. We kunnen daar prachtig over praten en we kunnen anonieme giften geven, maar om wie gaat het nu, als jij iets geeft? En is het geven van aalmoezen alleen maar financieel of zou dat ook nog met je tijd te maken kunnen hebben, zou het met je capaciteiten te maken kunnen hebben, zou het dat kunnen zijn wat Petrus zegt in Hand. 3: zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik je. En dat betekent, dat Petrus dat wat hij had inderdaad ging geven en dat is: ik heb de Here Jezus lief, ik wil Hem graag met je delen. Daarbij gaat het niet om Petrus of om de kerk van Petrus of om de kleur van Petrus of om de bediening van Petrus. Het moet dus gaan om de Here Jezus. Wij leven nu in de tijd waar alles zo gezegd om de Heer gaat. Als je een muziekgroep hebt ergens, ze treden op en ze krijgen applaus, dan staan ze allemaal zo (handen omhoog) dat is heel goed bedoeld, ik doe het ook altijd. Maar ik denk altijd aan Velp. Ik zei ook prijs de Heer, maar innerlijk dacht ik, nou ze mogen wel wat meer betalen. Dat tweeslachtige in je denken, dat wil ik gewoon duiden. Het geven van een aalmoes is veel meer, dan een duit in de collectezak. En ik hoop, dat je nu durft te zeggen aan de Heer, gewoon voor jezelf, zittend hier op de stoel: Heer, dat wat ik heb wil ik delen met een ander en dat doe ik omdat U dat wat U had met mij wilde delen. De Here Jezus wilde de erfenis niet voor Zich alleen, Hij wilde die delen met jou. En als je gelooft in de Here Jezus, dan ben je rijk, dan ben je ongelofelijk bevoorrecht, maar je moet het ook willen delen. Discipelschap is, dat een aalmoes gegeven wordt en dat je rechter hand niet weet wat je linker doet. Nou dat kan natuurlijk nooit in de volstrekte zin, want je weet heel goed wat er gebeurd, maar we begrijpen ook de uitdrukking wel. Het mag niet gaan om onze eer, om het imago van ons zelf, maar het moet dus echt gaan om de Here Jezus.
Het tweede blokje, dat heeft te maken met het bidden. Dat is wat moeilijker. Bovendien loop ik risico, dat ik misschien niet tegen een scheen schop, want dat probeer ik echt te vermijden en dat wil ik in elk geval niet zo graag, maar daar zijn zoveel associaties met bidden en met het “Onze Vader”, dat je heel voorzichtig wordt. Mijn vader en moeder hebben voor zover ik weet aan tafel nooit anders gebeden dan het “Onze Vader”. Dat werd met een, ik weet niet hoe ik het zeggen moet, als het een 45 toeren plaat was, dan werd die op 78 snelheid gedraaid of zo, weet je wel, zo vlug bijna ging dat. En in de kerk was dat ook zo, alleen daar gebeurde het behoorlijk op snelheid, ik bedoel niet te vlug, gewoon. Maar altijd het “Onze Vader”. Nou het “Onze Vader” was voor ons, voor mij tenminste, iets heiligs. Ja dat waren de woorden van de Here zelf. Als je dan toch bidden wilde, dan kon je beter woorden gebruiken, die de Here Jezus zelf had gebruikt, want dan vergaloppeerde je je niet. Beetje risicoloos bidden. Je durft jezelf niet kwetsbaar op te stellen, want stel je voor, dat je je vergist of zo. En dat gevoel is niet alleen gebleven, dat is alleen maar versterkt in de loop van de tijd. Begrafenissen, samenkomsten, samen het “Onze Vader” bidden, de woorden van de Heer, het gebed van de Heer en daar hebben we het nu over. Het risico is, dat je op een profane manier met dat soort gevoelens omgaat. Dat wil ik niet, want bidden is heel teer en dat heeft te maken met jou relatie met God. Ook al zou je de woorden achterste voren naar de Here God brengen, dat komt toch wel over. Daar zijn hele schitterende, simpele kindervoorbeelden van, die ik nu maar niet ga noemen, maar de Here hoort het en de Here kent je, Hij weet wat in je omgaat. We hoeven elkaar in die zin ook niet te vertellen hoe we moeten bidden. Bidden is de adem van het geloofsleven. Zoals je lichaam niet zonder zuurstof kan, zo ongeveer is bidden in je geloofsleven. Het gaat er niet zonder. En in dit blokje, Mat 6 discipelschap, komt ineens dat gebed. Het komt 2 keer voor in het NT, dat weet je, het staat ook in Lucas 11, maar daar staat het heel anders, daar worden ook stukjes weggelaten. Niet hetzelfde, niet dezelfde woorden, de aanleiding is ook anders. “Here leer ons bidden”. Johannes de Doper had zijn discipelen bidden geleerd en de discipelen van de Here Jezus willen ook graag, dat Hij hen onderwijst hoe ze moeten bidden. Nou daar krijg je Lucas 11, het “Onze Vader”. Het is toch anders dan in Mat 6. Het verschil tussen die twee ga ik niet uitleggen, maar ik ga wel zeggen, dat er verschil is en dat brengt me tot de eerste uitspraak, dat, voor zover ik dat zie, het “Onze Vader” nooit gegeven is als een formuliergebed. Dan had dit twee keer op precies dezelfde wijze in de Bijbel gestaan en dat is niet het geval. Vervolgens zal iedereen die met mijn gelezen heeft vanavond zich misschien hebben afgevraagd, kijk nog een keer in Mat 6, dat bij vers 13 wat wij wel eens noemen tekst kritische haakjes staan. Het slot van het “Onze Vader”: want uwer is het koninkrijk….. Amen en dan komt weer datzelfde haakje, dat betekent, dat het in vele gevallen niet staat, dat in vele handschriften deze zin volledig ontbreekt. Dus het slot is op zijn minst twijfelachtig. Of dat er wel bij gestaan heeft, of dat dat bijgezegd is. Dat is dus al het tweede argument, dat je op moet passen, met dit tot formuleergebed te verheffen. Alsof dit ongeveer de woorden zijn, die een gelovige zou moeten bidden. Maar het grootste probleem schuilt hem in de inhoud. Ik kom in evangelische hoek ook heel veel en daar wordt gezegd, dat kun je toch niet bidden het “Onze Vader”. Als je nu bid, vergeef ons onze schulden en de Bijbel staat er vol van, dat onze schulden en onze zonden ons vergeven zijn, moet je dan elke keer weer zeggen…? Is het dan ongeveer zo, als een kind, dat vraagt om een autootje en je hebt hem een autootje gegeven en de volgende dag weer vraagt, mag ik dan a.u.b. een autootje, maar je hebt …, ja maar ik wil het toch nog een keer vragen. Dan zeg je naar vijf keer a.u.b. hou op met dat zeuren over dat autootje, dat heb je toch, nou speel er dan mee. Nou zo ongeveer. Zo wordt deze tekst in evangelische hoek uitgelegd en dat snap ik. En u bid, vergeef ons onze schulden. Maar u bidt er ook nog achteraan, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. En dan denkt u, nou ik weet niet of ik wel in de hemel kom. Als mijn schulden vergeven zijn, in de mate waarin ik anderen vergeef, kom ik er dan wel.
We zitten midden in het probleem. Dat voel je. En ik wil zo graag, dat dit blokje over het bidden overkomt. Het vasten komt dan nog, dat hoort erbij, maar eerst het bidden. Ik ben begonnen deze serie met te stellen, dat we het hebben over discipelschap en dat discipelschap te maken heeft met het koninkrijk. Ik weet niet of iedereen zich dit voldoende herinnert. Ik heb toen gezegd, de gemeente wordt op een paar manieren voorgesteld in de Bijbel. Als een lichaam, daarbij gaat het om een levensrelatie. Je hebt leven uit God door het geloof in de Here Jezus en je komt in de hemel, omdat je gelooft in de Here Jezus. Niet omdat je goed discipel bent, dan kwam je er nooit.
Maar je bent een kind van God door geloof. “Uit genade zijt gij behouden, niet uit uzelf, het is een gave van God, een geschenk van God.” En door het geloof hebben wij het recht om een kind van God te worden genoemd. Door het geloof. De gemeente werd ook gezien als een huis, waarin gediend werd. Gaven horen bij het lichaam, ambten horen bij het huis. De gemeente als een kudde, de gemeente als een bruid, wij hebben dat toen allemaal uit de doeken gedaan. U koopt bij de familie van Schoor de bandjes en u komt erachter, en de gemeente wordt gezien als een koninkrijk, het vijfde element. En bij koninkrijk gaat het er niet om in de hemel te komen, daarbij gaat het om een getuige te zijn van de Here Jezus hier op aarde. Discipelschap en koninkrijk horen bij elkaar. Discipelschap en beloning horen ook bij elkaar. Daarom hoort u de Here Jezus ook zeggen, uw loon zal groot zijn in de hemel en als je hier op aarde als eer krijgt, omdat je een duit in de zak deed, dan heb je je loon al. Maar mensen, die echt deden wat Mat. 6 zegt over aalmoezen geven, die krijgen hun loon nog. Discipelschap en loon horen bij elkaar. De Here beloont je en de Here ziet je als een leger, als een hele rij soldaten in het front en strijdend voor de Here Jezus. Bezig hier op aarde en in dat kader staat ook het “Onze Vader”. Niet in relatie tot de gelovige, verboden met Hem die het Hoofd is. Dan zeg je: Here, ik heb leven uit God, ik ben verbonden met Hem die in de hemel is. En zo zeker als Hij daar is, zo zeker kom ik daar ook. Hij, het Hoofd, is daar reeds en ik kom er ook. Leven uit God, huis van God, kudde, bruid en bruidegom. Maar nu: ik ben een discipel. En wat doet een discipel? Die werkt hier, getuigt hier, spreekt hier, geeft zich zelf weg, geeft aalmoezen, cijfert zich helemaal weg, houdt natuurlijk de wet, zoals we de vorige keer zagen. Niet om in de hemel te komen, maar om bruikbaar te blijven in Gods koninkrijk. Nu wordt heel vaak die term “bruikbaar in Gods koninkrijk” gebruikt en dan denken we aan, ja ik moet een beetje bruikbaar blijven, anders kom ik er niet. U komt nooit in de hemel, omdat u bruikbaar bleef. U komt in de hemel, omdat u gelooft in de Here Jezus. Hou vast en hou vol. En toch, de Here Jezus zegt: bidden, nou daarbij gaat het ook niet om de vroomheid er te laten afdruipen. Het gaat er dus niet om dat je ergens op een plein staat en eigenlijk aan iedereen laat zien, hoe vroom jij bent. Het gaat dus niet om een gave van gebed, dat bestaat trouwens niet, niemand heeft een gave van gebed. Ik heb ze gekend, die zeiden, dat ze een gave van gebed hadden, dat is voor de anderen een opgave, want die moeten er ongelofelijk lang naar luisteren. En al die verhalen, die via de hemel naar elkaar toe werden geslingerd, die werken toch niet op ten duur. En al die bijbeluitleg, die via de hemel gaat, dat je de Here God verteld hoe de gemeente in elkaar zit, hoe de gelovigen eigenlijk zouden moeten wandelen, dat werkt ook niet. Maar dat komt heel vaak voor. Het is dus nooit zo, dat je via de hemel een soort verklaring aan anderen door geeft. Jammer genoeg is dat vaak zo. Nee, dan heb je je loon al. Dan heeft iedereen al geklapt van, ja maar die kan bidden. Dat is precies hetzelfde, als mensen nu naar je toekomen: broeder, zou u voor mij willen bidden. Ik zeg, doen die dat dan niet, ja maar, als u nu bid, zo van u zit zo dicht bij de troon van God, dat komt veel beter over. Nou nee, dus. Niet zo bidden. Als je bid, gaat het er niet om, dat jij ergens staat en dat je ergens gaat bidden. Ik kom uit een bepaalde kring, bepaald gezelschap, waar het bidden en publiek niet zo gebruikelijk was. Er waren maar een paar die dat durfden. Die zaten natuurlijk ook in de kerkenraad. Die baden op bruiloften, op partijen, ja die hadden iets, je die deden echt hun stukje. Sorry, hoor. Nee, dat kan heel raar klinken, maar dat was echt zo en dat werd ook heel serieus opgevat. Die waren dat, dat hadden ze ook en dat pikte man ook van dit soort mensen. Zijzelf zullen misschien niet het gevoel gehad hebben, wat wij er nu van hebben, ik wil er heel voorzichtig mee zijn. Maar bidden is iets van debinnenkamer, is iets van met Hem alleen zijn. Niet van het podium en merkwaardig is, dat je dat al in het OT terugvindt. Lees voor jezelf morgenochtend 2 Koningen 4, het verhaal van de Sunamitische, die mevrouw, die geen zoon heeft, een zoon krijgt van Elisa, die daar op bezoek is, die daar een kamer heeft en hoe Elisa daarmee omgaat en ook hoe zij ermee omgaat en hoe ze daar iedere keer de deur dicht doet. Maar in hetzelfde 2 Koningen 4 staat het verhaal van de weduwe, die nog 2 jongens heeft, haar man is overleden en die beide jongens worden tot slavenarbeid gedwongen. Wat hebt u in uw huis? Allen nog een klein beetje olie. Nou vraag dan lege vaten van je buren en je burinnen en doe de deur dicht. Geen wonder op het podium, geen getuigenis op het plein, gewoon heel duidelijk binnen kamers. Doe de deur dicht. Ook hier. Bidden heeft te maken met je eigen zielenleven, met jou persoonlijk contact met God, met jou omgang met God. Ja, dat is dan een directe misschien, dat mag best: hoe gaat het in je eigen leven met het gebed? Ik bedoel, aan tafel gaat het goed, denk ik. Over het algemeen: Here zegen deze spijze, amen. Dat gaat heel goed. De kinderen zijn wat lastig, daar komt niet zoveel echt uit, je wilt het ook kort houden. Bidden in de kerk, ja dat doet de voorganger, de dominee, predikant of wie dan ook. Maar voor jezelf. Sommigen zitten hier, die hebben al lang een gebedsleven en die hebben een gebedslijst, maar die worden ook niet verhoord van wegen de hoeveelheid van hun woorden. Ook niet. Het is ook niet waar, dat je steeds maar weer moet herhalen. Daniël, ik las dat vanmorgen voor mezelf, hoorde Gabriël zeggen: aan het begin van uw smeekbede is uw woord gehoord. En nu ben ik gekomen. Het heeft even geduurd. Maar dat zat er niet in jou herhalingen van zetten, dat zat hem in dat eerste woord. Toen kwam het al over. De Here God hoort en je hoeft het bij Hem geen 10 keer te zeggen. Ik was laatst in een samenkomst, daar hebben we een lied geloof ik 10 keer gezongen. Na ja, als je het niet gewend bent is het irritant, 2 keer, 3 keer gaat nog, 4 keer krijg je het gevoel van nou nu is het wel genoeg, 5 keer ik wou dat iemand ’s een keer d’r insprong en zei laten we een ander lied zingen, de stemming moet komen. Zou het zo gaan met bidden? Om de veelheid van woorden? Nee dus. Maar de Here wil, dat wij in ons gebed dit wat Hij hier zelf zegt, aangeeft, gebruiken. Als je dan bid, dan vertel je God ook niet iets nieuws, want Hij weet het al lang, ook dat is waar. Dus in die zin hoef je helemaal niets te zeggen, want Hij weet het al. Hij weet als voordat jij begint, wat jij wilt gaan zeggen, wat je nodig hebt. Je vertelt ook niet iets nieuws, je stuurt echt geen brief in de zin van Here God a.u.b. leest u het een keer. Hij heeft het als gezien. Maar toch, als je dan bid, zeg dan: “Onze Vader, die in de hemelen zijt.” Dat is nieuw, hoor, voor toen. In Israël is God nooit als Vader openbaar geworden. Een enkele keer komt het woord vader voor in die zin, dat God Vader is in het Oude Testament, maar dan is het altijd als oorsprong van, de verwekker van. Maar nooit in de zin van een persoonlijke relatie hebben met Vader. Maar als je bidt, zeg dan Vader. Onze Vader. En u bent in de hemel. Niet de vaders hier op aarde, maar een Vader in de hemelen. Ik weet dat dat beeld vertroebeld is door het gedrag van vaders hier op aarde en dat er ongelofelijke beschadigingen zijn op dat punt, maar toch bedoeld God heel helder te hebben, dat wij God als Vader mogen aanspreken. De Here Jezus zegt het zo in Johannes 16: “Ik zeg niet, dat Ik de Vader voor u vragen zal, want de Vader zelf heeft u lief.” Voor mij was dat een ommekeer eigenlijk, ik bad toen ik tot bekering kwam alleen maar tot de Here Jezus, dat hoorde ik ook een beetje in dat gezelschap waar ik toen was, daar werd altijd tot de Here Jezus gesproken. En kinderen doen het merkwaardiger wijze ook, bijna altijd. Goede Herder, Herder, Heer Jezus, niets mis mee. De Here Jezus is God. Maar de Here Jezus zegt, je mag tot de Vader gaan. Ik ga niet de Vader voor jou vragen, jij mag rechtstreeks tot de Vader gaan. De Vader zelf heeft jou lief. Maar de uitdrukking Vader, dat betekent, dat je in een persoonlijke relatie gekomen bent met God, die je Vader is. Nu wil ik niet over alle woordjes iets zeggen. “Uw Naam worde geheiligd”, dat betekend, dat Uw Glorie, Uw Wezen zichtbaar moge worden. Dat u het sterke verlangen hebt, en in u bidden uit u dat, dat Gods glorie, Gods grootheid, Gods wezen, de naam is annex met wie iemand is, – je zult Hem de naam Jezus geven, Redder van de wereld -, dat Gods glorie, Gods wezen zichtbaar mag worden en ook eer zal krijgen, geheiligd mag worden. Als u daar een paar teksten van wild (Numeri 20, Ezechiël 36, dacht ik – ik wil in de pauze best even zoeken waar ze precies staan) waar dat woord geheiligd ook gebruikt wordt. Mijn naam is niet geheiligd, zegt de Here, want er wordt smadelijk over de Here God gesproken. Maar ons gebed mag zijn, ons verlangen mag zijn in relatie met die Vader, dat Zijn wezen, dat wat Hij ten diepste is, dat dat ook naar buiten komt. Dan wordt gezegd, “Uw koninkrijk kome”. We hebben het over het koninkrijk, Uw koninkrijk moge komen, het mag zo worden en dat is mijn diep, mijn diep verlangen, dat hier op aarde zichtbaar wordt, dat de Here Jezus de Koning der koningen is, de Here der heren is en alles mag, wat mij betreft, wijken voor dat geweldige, dat Hij Heer is, dat Hij Koning is, dat Hij regeert en dat de aarde vol is van de kennis des Heren. Dat is je gebed. Dat het daarom gaat. Niet om jou welvaart, niet om jou carrière, om jou probleem opgelost te zien. Het moet echt gaan om de Naam van de Vader, dat Zijn wezen alle ruimte krijgt en zichtbaar wordt en dat Zijn bedoeling, namelijk om hier op aarde zegen te brengen vanuit Zijn eigen volheid, dat dat gaat komen. “Uw koninkrijk kome”. En dat is niet hetzelfde als een beetje omsmeden van zwaarden naar ploegscharen, maar het is zo dat dan alles, alles buigt voor die Ene. Direct daaraan gekoppeld: “Uw wil geschiede” en dat is het allermoeilijkste. Je kunt praten wat je wild, maar als je nu heel eerlijk bent en diep in je hart kijkt, dan komen er misschien dingen naar boven, die je, ja die je gewoon moeilijk vindt. Durf je te zeggen: Here Uw wil geschiede? De Here Jezus zei, ook in Getsemane, maar ook anders: Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede. Ik ga ervoor Here, dat dat gebeurd, wat U wild. Het is Mijn spijze, dat Ik de wil doe, van Hem die Mij heeft gezonden. Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede. Zou jij, zouden wij samen vanavond durven zeggen: Uw wil geschiede? Ja, en dan komt er een komma en dan schrijven wij het woordje maar of mits, maar is het meest gebruikelijk en dan gaan we …… zetten, dat durven we nog niet helemaal invullen, maar diep in ons leeft al iets: ja, maar….Daar heb je het weer: ja, maar. Ik houd nu wat bijbelstudies over het boek Job. Ik had er vanochtend een en morgenochtend heb ik er weer een en woensdagochtend, op de Camping “De Betteld”. Ik ben heel schoorvoetend begonnen met dat schitterende boek Job, maar je praat bijna tegen een muur. Kom, kom, kom, je kunt Job toch niet meer van stal halen, dat is toch passé. Dat is toch een gepasseerd station. Als Sabeeërs de kudden hebben geroofd en als Chaldeeën de kamelen hebben mee gejat, durf jij dan te zeggen: de Here heeft genomen? Durf jij dan te zeggen: Uw wil geschiede? Ja, maar de Here heeft dit helemaal niet gewild, asjeblieft, daar gaat ie. Nu komen we midden in de discussie en dat is ons geleerd de laatste jaren, dat: God is een heel andere God, hoor. Die wil dat helemaal niet. Die wilde helemaal niet dat die Sabeeërs daar gingen stelen, Die wilde helemaal de Chaldeeën daar niet hebben om de kamelen mee te jatten. Zo’n God hebben we toch niet? God is goed. Ja, God is goed en we zingen dat in koor. Maar om nu te zeggen, dat alle dingen meewerken ten goede voor hen, die God lief hebben. Ja, dat heeft Paulus gezegd. Ja, die was ook wat overdone. Voel je hoe snel je bij de kern van je eigen ziel komt met die ene uitdrukking: “Uw wil geschiede”? Het is zo verschrikkelijk moeilijk voor jou en voor mij, om te durven zeggen: Here ga Uw gang. We zingen het wel: breek mij, neem mij en ik geef mijn leven aan U en ik wijd mij aan U en doorgrond mij en ken mijn en Here ga Uw gang. Maar de Here is net begonnen en we zeggen oh, maar dat bedoel ik niet, dit is me even te veel van. Het is echt moeilijk, broeders, zusters, om te durven zeggen: Uw wil geschiede. Discipelschap betekent, dat je gaat zeggen: Here, als u zegt dat ik naar links moet, dan ga ik. Ja, dat willen we nog wel, naar links nog wel, naar rechts nog wel, vooruit nog wel een beetje, achteruit, maar om nou met Luther te zeggen: Delf vrouw en kinderen het graf, ik dacht er even aan toen Kees aan het begin de tekst uit Lucas 14 voorlas, het zogenaamde Lutherlied: Neem geld en goed ons af, wij gaan ten hemel in en erven koninkrijken. Het is zo moeilijk en wij vinden dit ook een beetje overtrokken.
Wij willen 31 oktober, aanstaande zondag, best nog even zingen van Luther en even denken aan Luther en we willen ook nog wel even zingen: Een vaste Burcht is onze God, Toevlucht voor de Zijnen, dat gaat erin als koek, want dat is zo, maar om dat couplet te zingen van: Delf vrouw en kinderen het graf, ja dat bedoelen we toch niet. Maar toen was het letterlijk wel zo, dat ze gesepareerd werden, gescheiden werden van hun gezinnen en dat gezinnen omkwamen, dat ze omgebracht werden, soms voor hun ogen, om hen ertoe te brengen, de Here Jezus dan toch maar op te geven. Ja, en dan zeggen wij nu tegen elkaar, maar wij leven nu niet in zo’n tijd, want als wij in zo’n tijd zouden leven, zou de Here ons kracht geven en zou de Here ons ook bemoedigen, waar hoor, het is echt waar. Maar het gaat me nu om het principe. “Uw wil geschiede”. U bent de Baas, U hebt het voor het zeggen, wij willen rücksichtslos volgen wat U gaat zeggen en dat is moeilijk. Want wij hebben scrupules en wij worden aangevallen, daar wordt op ons ingepraat, daar wordt op een gigantische manier een aanval gedaan op ons denken, wij worden onder en soort scan gelegd en iedereen gaat dwars door ons heen kijken en probeert erachter te komen, wat onze motieven zijn en probeert ons op andere gedachten te brengen. “Uw wil geschiede, gelijk in de hemel als ook op aarde”. Dat betekent, dat er in de hemel toch gehoorzaamheid is. Psalm 103 zegt, dat er engelen zijn, dienende geesten zijn, dat er krachten zijn, krachtige helden zijn, gehoorzaam zijn aan het Woord van God, doende wat God heeft gezegd, ze gehoorzamen. Het zijn eigenlijk vlammende discipelen. Op een gigantische manier doen zij, wat God heeft gezegd. Engelen. Ja, in de hemel, “gelijk in de hemelen”, ja in de hemel is het zo, daar vliegen ze voor U, Here. U hoeft maar een kik te geven en zij zijn al in beweging. Maar op aarde, ja daar zijn de engelen niet, daar zijn wij. En wij zitten in onze luie stoel en we zijn er bijna niet uit te branden. En we zeggen niet, we houden onze monden dicht. Ja, maar als ik dat doe, dan krijgt de buurman scrupules, dan begint hij weer over die heg, die misschien niet helemaal op je eigen erf, maar misschien ook nog een stukje op zijn erf staat. Sorry, hoor, we beginnen altijd met foute dingen, weet je wel, en daar worden we altijd op af gerekend. Ik wil zo graag duidelijk maken, dat wij discipelen zijn, volgelingen zijn en dat nu het moment is aangekomen en dat gaat nog een beetje door, dat dat niet alleen maar theorie is van, oh ja, dat is een soort innerlijke gezindheid, een innerlijke gesteldheid, maar dat dat nu een beetje dichter bijkomt, dat dat nu handen en voeten gaat krijgen, dat dat gewoon poppetjes worden, het wordt gewoon ingekleurd. “Uw wil geschiede”. Dat is moeilijk, het is niet makkelijk. Zeg nu niet, dat het makkelijk is. Het is wel wat de Here van je vraagt.
“Geef ons heden ons dagelijks brood”. Ik vind, dat een discipel best mag vragen naar zijn dagelijks brood. Dat bidden wij nog steeds, terwijl al onze kasten bom en bom vol zitten en onze diepvrieskasten uitpuilen en als dat niet zo is hebben we nog een paar dubbeltjes om naar de Super te gaan om wat te kopen. Maar het is veel moeilijker om dit echt in zijn context te zien. Hier staat dus iemand die zegt: “Uw wil geschiede”, maar Heer ik heb een probleem, ik heb een vrouw en ik heb kinderen. Ik wil niet over mezelf praten. Ik had een hele goede baan en de Here zei, je moet de baan loslaten. Ik wil het best een keer helemaal vertellen, maar nu klinkt het een beetje te misschien. Het is een hele oefening geweest, maar ik zei Heer, ik wil een ding vragen, dat Hennie het duidelijk heeft, dat het Uw wil is. En ik kan wel roepen, de Here gaat voorzien en de Here zal voor broodjes en gehaktballen zorgen, maar als ze dat zelf niet ziet. “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Dat bedoelt de Here hiermee. Als je voor Mij kiest, als je echt voor Mij gaat, dan mag je dit zeggen. Dan mag je zeggen, Here een ding wil ik overhouden, een slag om de arm en dat is mijn dagelijks brood. Dan krijgt het ’n heel andere kleur, hoor. Dan is het niet meer zo, oh ja, natuurlijk, we danken voor het eten, maar de tafel staat al vol. “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Nou een schal met brood, iets van beleg of aardappelen met groente, het staat er allemaal. “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Ja, wij bidden dat heel trouw, wij bidden dat zelf op een begraafplaats. Ik ben niet sarcastisch, maar ik wil gewoon aangeven, hoe dit formuleergebed een kleur gekregen heeft en wij daar zeggen: “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Nu, het gaat met niet om de term zelf, maar de Here bedoeld, als wij komen op het punt van: Uw wil geschiede Here, U doet met mij wat U wilt, maar ik heb een ding en dat is dit. Ik weet niet, of je weet, dat dit het moeilijkste is voor een man. Misschien ben je nooit in die omstandigheden geweest, ik wel hoor. Paulus zegt, ik weet wat het is om honger te hebben. Wij hebben geen honger gehad, maar we hebben wel lege kasten gekend, dat er helemaal niets was. Dat er een auto stopt ergens uit het zuiden van ons land, die alleen maar boodschappen uitdragen. Het gaat ons heel goed, hoor, dus a.u.b. Ga nu niet denken, dat dit nu zo is. Maar het is zo frustrerend voor een dienstknecht van God, dat is zo vernederend bijna, dat je niet voor je eigen gezin kunt zorgen, althans, dat het er niet is, dat het op een van der manier dat niet werkt en dat je naar God gaat. Here God, geef ons heden ons dagelijks brood en de Here doet het. Dat bedoelt de Here ermee, ook in jou leven. Als jij consequent kiest voor de Here Jezus, een discipel van Hem wilt zijn, dan gaat Hij ervoor zorgen. Dat bedoelt Hij. Dan krijgt zo’n tekst, ook dit regeltje, een geweldige lading. Die lading, die wil ik je niet onthouden.
“En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.” Nu, dat zal best moeilijk zijn. Maar het grote probleem in het christelijke getuigenis van vandaag is dit: Hier staat niet, dat onze schulden niet vergeven zijn. Ik zei zopas, als je gelooft in de Here Jezus, dan zijn je zonden vergeven. Dan is je schuld uitgedelgd. Je bent een kind van God. God ziet je in Christus aan. Je bent een nieuwe schepping. Vanaf het moment, dat je tot geloof komt, ben je een nieuwe schepping. Absoluut en onvoorwaardelijk. Daar zit geen enkele voorwaarde aan van: en nu moet je goed je best doen en als je dit doet, dan zal Ik eens kijken wat ik voor je kan doen, of zo. Niets, geen enkele voorwaarde. En nu staat hier, vergeef ons onze schulden. De Here God heeft dat vergeven, maar waarom staat dat nu hier? En waarom wordt dat gekoppeld aan: gelijk ook wij vergeven? Je gaat nu je even als een soldaat aan het front zien en je bent daar in het gelid gesteld. Here bij mij zit zo vaak iets, wat niet helemaal klopt. Ik ben eigenlijk niet bruikbaar. Je weet zelf, hoe een zonde je volledig kan blokkeren. Hoe een zonde je monddood maakt. “Vergeef ons onze schulden.” Maar Heer ik wil ook die ander vergeven. Het probleem in christelijk getuigenis is, dat we de ander niet vergeven. En dat begint al, ik weet dat ik tegen schenen aan schop, ik ken je niet allemaal, maar je bent beschadigd vroeger, je bent misschien wel misbruikt, je bent flink gedeukt thuis, de vaders hebben niet altijd een even schitterend beeld laten zien van onze hemelse Vader. Kun je het vergeven? En ik weet dat, ja maar…..Ik kom bij hulpverlening instanties en dan zeg ik dit, ik probeer het heel voorzichtig in de richting van vergeving te duwen, ze geven niet thuis. Nee, Barbaartje moet hangen, pas als er een veroordeling komt, pas als de politie er aan de pas is gekomen, als de rechter een uitspraak heeft gedaan, als dat gebeurd is, ja dan kan ik vergeven. Maar dan heeft ie wel zijn vet gekregen. Ons probleem is, dat we niet kunnen vergeven. Ons probleem is in de gemeente, in alle conflicten in de gemeentes, dat we niet kunnen vergeven. Dat kunnen we niet en de hele wereld om ons heen schreeuwt, dat dat ook niet mag. Ja, dat mag wel, als hij zijn straf gehad heeft. Dat is net iets, was God niet bedoeld. Nou gaat het mij er niet om, dat jij nu even je knop om moet zetten en dat jij, bij wijze van, diegene, die je echt kwaad berokkend heeft nu gaat vergeven. Het is niet zo makkelijk om naar de chauffeur te gaan, die met te veel alcohol op achter het stuur gekropen is en je eigen zoon heeft dood gereden, om dan te zeggen, ik vergeef het je. Niet makkelijk. Het is niet zo makkelijk voor Corrie ten Boom geweest om naar de beulen te gaan, die haar zuster hebben omgebracht in het buitenland, in de kampen. Dat is een bekend voorbeeld van haar, om te zeggen ik vergeef het je. Het is niet makkelijk en soms ben je er ook niet aan toe. Maar in je hart begint dat proces. In de binnenkamer begint dat proces. Sommigen kunnen die ander eigenlijk niet vergeven, want die is er soms niet meer of is onbereikbaar geworden. Maar in je hart, heel diep van binnen, kun je het wel. In je binnenkamer, in dat persoonlijke contact met God. Als je bruikbaar wilt zijn voor de Here Jezus, als je een discipel wilt zijn voor de Here Jezus, dan moet je het echt overwegen. Vergeef mij, gelijk ook ik. En als dit niet oplost in je denken, nou ja, dan stopt het. Dan stopt het echt. Dan kom je geen millimeter verder. Als ik mijn vader, mijn moeder, mijn familie niet vergeef, met de liefde van God niet naar hen kan kijken, dan kan ik praten wat ik wil, dan is er geen groei, dan is er geen inzetbaarheid, dan is er geen vergeving. Als de Here Jezus aan het kruis bidt: Vader vergeef het hen, want zij weten niet wat ze doen, dan weet u precies wat ik ga zeggen. Vergeef het hun, Vader. En dat waren Zijn eigen beulen. Dat waren de mensen, die Hem niet wilden. En die Hem echt onderuit schoffelden. Jij en ik zullen als discipelen van de Here Jezus moeten durven zeggen: vergeef het hun. In de gemeente is een broeder, die door zijn houding en door zijn gedrag laat zien, dat hij de baas wil zijn, hanengedrag noemen we dat en hij sleept een aantal mee, dat zijn zijn passiepanden, zijn omgeving, en anderen komen daar in opstand, het wordt een bonje. Heel vaak, hoor. Ik was gisteren annex met 2 gemeenten, waar precies hetzelfde probleem zit, precies dezelfde situatie, die ik nu schets. Nou ja, dan krijg je gedoe, dan krijg je gesprekken, dan zijn de oudsten uren, dagen, maanden zoet met het invullen van en dat is niet niets. De gezinnen gaan weg, komen niet meer naar de kerk, komen niet meer in de diensten en zoeken hun heil ergens anders. Wat moet je nou zeggen? “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.” Ja, maar hij zegt nooit….Heb jij daar een boodschap aan? Zou de Here God niet met hem, met haar ook aan zijn doel komen? Kun je dat niet los laten? Als jij die andere over de streep wilt trekken, dan kun je wachten tot, na ja, nog een aantal jaren. Maar dat redt je misschien toch nooit. Het karakter van iemand kun je ook niet ombuigen en karakter spelen een hele heldere rol. Kun je het los laten? Kun je zeggen ik vergeef het? En niet zeggen ik vergeef het en ik graaf het daarna weer op. Als God in Micha zegt, dat de zonden achter Zijn rug geworpen en in de diepte van de zee liggen, dan moet je niet gaan hengelen daar. Dat is een heel oud aanzichtkaartje, vroeger al een keer verschenen, -verboden te vissen-, weet je dat boordje, dat daar staat. Hengel die troep niet weer naar boven, stop daarmee, laat het daar dan, vergeef het hun. Laat dat los. En de wroeting van zondige dingen, van anderen, die je iets hebben aangedaan, familieleden, die je hebben bezeerd, mensen in de kerk, die je hebben beschadigd, de buren, de collega’s die misschien met ellebogenwerk over je heen zijn gekomen, die de plek hebben gepakt, die jij had moeten hebben, ik weet niet………Vergeef, gelijk ook ik. Als we niet deze hobbel nemen, dan denk ik, dat we blijven hangen. Ik wil het behoorlijk onderstrepen, maar dat voel je nu wel.
“En leidt ons niet in verzoeking”. Here breng ons niet in situaties, waardoor ik het moeilijk heb in keuzes. Heeft het te maken met zondige dingen? Ja. Heeft het ook met aardse dingen te maken? Ook ja. Dat betekend, dat er in vele gevallen een mogelijkheid is, om van het pad af te geraken en ik wil daar niet zo graag hen. “Verlos ons van de boze”. Here, U weet dat ik het niet kan, U weet dat ik zwak ben, U weet dat ik misschien wel een verkeerde beslissing neem. “Leid ons niet in verzoeking en verlos ons van de boze”.
Nou, het slot mag er bij zijn, mag er niet bij zijn: “Want Uwer is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid”. Het is goed. Je mag de Here prijzen, je mag de Here groot maken, je mag Hem alle eer gaan geven, het is goed.
En dan nog een keer: als jij de mensen hun overtreding vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Dan ben je bruikbaar, dan ben je een discipel. Maar als jij het zelf niet kunt, kun je de anderen ook niet helpen. Dit is een behoorlijke, dit is een vrij felle. Ik heb over vasten nog niets gezegd, misschien kan het na de pauze, maar ik wil toch even stoppen denk ik, maar deze dingen zijn zo essentieel, dat we er eigenlijk niet omheen kunnen. Ik stel voor dat we nu samen naar de Here gaan en dat we stil worden voor God en dat we allemaal durven zeggen: Uw wil geschiede en als dat niet zo is, schreeuw je moeite maar naar de Here God uit, stiekem, dat hoef ik niet te horen, en zeg het maar. Maar ook dat van vergeven, van elkaar vergeven. Want als dat niet doorbreekt, als dat niet doordringt, dan zullen we ook in discipelschap geen stapje verder komen. Zullen we stil worden voor de Here.
Gebed:
Oh Heilige Geest, zingen we in een lied, kom tot U heerschappij, schenk een herleving en begin bij mij. Kom tot U doel met een ieder van ons. Vader U weet hoe moeilijk wij het hebben met de term, de uitdrukking: Uw wil geschiede. Voor de Here Jezus betekende dat een doornenkroon, geseling, gigantische mishandeling, veroordeling, onterechte kruisiging, meest gruwelijke. Hij deed het. Hier ben ik. Uw wil geschiede. En wij hebben als problemen, als ons iemand op de tenen gaat staan en we krijgen niet eens een blauwe teen ervan. Vader, we hebben het moeilijk om elkaar te vergeven. We hebben zo onze vriendjes, maar die ander, waar we stuk op lopen, waar we misschien iedere keer wel iets van ervaren als schuurpapier, wat helemaal niet leuk is. Vader, we willen ons voor U stellen en wilt U door Uw Heilige Geest zo krachtig doorwerken, dat de Here Jezus zichtbaar wordt. We danken U voor een stukje uit Matteüs 6. Amen.
Nu gaan we nog iets over dat vasten zeggen.
Ik wil eerst een paar teksten met u lezen nog extra, Jesaja 58, maar die kent u waarschijnlijk al lang, want die zijn vaker geciteerd, vermoed ik. Jesaja 58:6 e.v.: “6 Is dit niet het vasten dat Ik verkies: de boeien der goddeloosheid los te maken, de banden van het juk te ontbinden, verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken? 7 Is het niet, dat gij voor de hongerige uw brood breekt en arme zwervelingen in uw huis brengt, ja, als gij een naakte ziet, dat gij hem bekleedt en u niet onttrekt aan uw eigen vlees en bloed? 8 Dan zal uw licht doorbreken als de dageraad en uw wond zich spoedig sluiten; uw heil zal voor u uit gaan, de heerlijkheid des HEREN zal uw achterhoede zijn. 9 Als gij dan roept, zal de HERE antwoorden; als gij om hulp roept, zal Hij zeggen: Hier ben Ik. Wanneer gij uit uw midden het juk wegdoet, het wijzen met de vinger en het spreken van boosheid nalaat, 10 wanneer gij de hongerige schenkt wat gij zelf begeert en de verdrukten verzadigt, dan zal in de duisternis uw licht opgaan en uw donkerheid zal zijn als de middag. 11 En de HERE zal u voortdurend leiden, u in dorre streken verzadigen en uw gebeente krachtig maken; dan zult gij zijn als een besproeide hof en als een bron, waarvan het water niet teleurstelt. 12 En de uwen zullen de overoude puinhopen herbouwen, de grondvesten van vorige geslachten zult gij herstellen, en men zal u noemen: Hersteller van bressen, Herbouwer van straten.” Het begon met vers 6: “Is dit niet het vasten dat ik verkies:” -dubbele punt- en dan volgt die hele opsomming. Geen woord over niet eten, niets. Vasten krijgt in Jesaja 58 een hele andere kleur.
Nog een tekst uit 1 Kor 7:3 “3 De man kome jegens de vrouw zijn (echtelijke) verplichtingen na en evenzo de vrouw jegens haar man. 4 De vrouw heeft niet zelf over haar lichaam te beschikken, doch haar man; en eveneens heeft de man niet zelf over zijn lichaam te beschikken, doch zijn vrouw. 5 Onthoudt dat elkander niet, tenzij met onderling goedvinden (en) voor een bepaalde tijd, om u te wijden aan het gebed, maar om daarna weder samen te komen, opdat niet de satan u verzoeke wegens [uw] gemis aan zelfbeheersing. 6 Dit zeg ik om u tegemoet te komen, niet om u te bevelen. 7 Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf. Doch iedereen heeft van God zijn bijzondere gave, de een deze, de ander die.” Paulus noemt het ongetrouwd zijn in 1 Kor 7 een bijzondere genadegave en hij zegt, niet iedereen heeft diezelfde genadegave. Moet je ook heel praktisch mee durven omgaan. Maar waar het me nu om ging is, dat in 1 Kor 7 een vorm van vasten geïntroduceerd wordt, die wij op het eerste gezicht niet als vasten zouden hebben aangemerkt en toch is dat zo. Om u aan het gebed te wijden. En als we nu terugkeren naar Matteüs 6, waar we nu mee bezig zijn, dan staat daar: “16 En wanneer gij vast, toont dan niet, zoals de huichelaars, een somber gelaat; want zij maken hun aangezicht ontoonbaar, om zich aan de mensen te vertonen, wanneer zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. 17 Maar gij, zalf uw hoofd, als gij vast, en was uw gelaat, 18 om u niet bij uw vasten aan de mensen te vertonen, maar aan uw Vader, die in het verborgene is; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.” Vasten betekent niet zoveel dagen niet eten en dan breekt het licht door. Vasten betekent niet je allerlei dingen ontzeggen en dan gaat de Heer God doen. Er zijn boekjes verschenen over 40 dagen vasten en daar wordt het eigenlijk als ‘Big Brother’ nu, hoor, maar, vertaald van de eerste dag gebeurde er dit, de tweede dag, derde dag, tiende dag, twintigste dag, dertigste dag en veertigste en toen …. dan heb je een soort climax. Nou, dat is het niet. Je komt niet, laat ik maar zeggen, met alle camera’s op, te zitten. Neen, gewoon wassen, gewoon je haren opmaken, gewoon wat make-up gebruiken, je gewoon scheren, je gewoon kleden, maar innerlijk, van binnen moet er iets gebeuren. Wat gebeurt er dan van binnen? Dat je je niet laat voorstaan op wat jij nodig vindt, wat jij per se moet en waar je misschien ook wel aanspraak op kunt maken, maar dat dat echt naar het zoveelste plan gaat, dat je durft te zeggen: mijn huis, ja het is mijn huis, maar arme zwervelingen in mijn huis brengen, ja… Jesaja 58, wij lazen dat. Nou wie doet dat dan? Mijn geestelijke moeder, daar wil ik nog een keer een boek over schrijven, dat heb ik me voorgenomen, maar misschien kom ik er nooit aan toe. Zij is al bij de Heer, dus dat boek wordt in de hemel al gedicteerd, maar zij woonde in een heel klein huisje, echt zo’n piep huisje, ik weet niet of je het platte land een beetje kent waar hele grote boerderijen zijn en waar van die hele kleine huisjes bij staan, waar dan de arbeider woonde. Nou ja, je kon niet rechtop staan, zeker niet als je 1 meter 90 was, want …., maar zij woonde in zo’n klein huisje. Geen geasfalteerde weg en zo, het was allemaal heel primitief. En die boerderijen, die waren zo gigantisch groot en daar kwamen dan de schuren nog bij en hooiopslag en weet ik veel allemaal. Maar zwervelingen? Zwervers, die waren er in mijn jeugd, ik kende een hele rij. Nu zijn ze ook, alleen zij zijn niet op het platte land, ze zijn ergens in Amsterdam of Rotterdam, dat is een beetje verschil, he? Ze zijn ook in Veenendaal. Een van de eerste avonden hadden we hier een getuigenis van een mevrouw daar in dat bosje, weet je wel, iemand heeft dat gedeeld met ons, toen. Maar wie neemt ze nou in huis? Mijn geestelijke moeder deed dat wel. Die grote boerderijen, die bulkten van de ruimte, maar daar was geen plaats voor een zwerveling, ook niet in de hooimijt. Maar boven de achterdeur, zei tante Marie tegen Harm, daar kan best een soort kribje komen van 1 meter 70 bij 65 of zo, zo’n klein dingetje, dan kan ie daar toch in slapen en zo gebeurde het. Zo’n zak vol met stro, weet je wel, zo’n strobed erin, het lag misschien niet zo super, het was geen boxspring, maar het was…, je moest er wel inspringen, dat was het wel zo. Maar ze sliepen daar wel. Ik kan een heel verhaal vertellen over die tante Marie, ik kan je vertellen, dat ik door haar de Here Jezus heb leren kennen en ik kan je ook vertellen dat ik meer zegen heb ontvangen van dat stel dan van wie dan ook. Die hebben gevast. Die ging kraamhulp spelen in de tijd, dat er weinig te eten viel. Dan zei ze: daar hebben kinderen…. Moeke heeft zo’n last van de maag en het stukje spek ging in een heel klein zakje en dat nam ze mee naar die kraamvrouw, want die had helemaal niets. Zij had geen last van haar maag. Zo heeft ze alles gedeeld, dat is vasten. Dat is precies wat met vasten bedoeld wordt. En dat kan ik heel lang doortrekken, dit verhaal, maar zij heeft haar eigen geneugten, haar eigen ruimte, haar eigen, ja waar ze zelf een claim op zou kunnen leggen, wat van haar zelf was, waarvan ze had mogen genieten, los gelaten. Nou, dat is vasten. Als daar eten bij komt, o.k., maar het is net primair eten. Jesaja 58 maakt heel helder, dat het vasten ook is: het wijzen met de vinger nalaten en je niet onttrekken aan je eigen vlees en bloed. Nou voor mij was dat best een bittere pil. Mijn vader en moeder wilden niet luisteren naar mijn nieuw verworven inzichten. Ik heb geprobeerd ze te bekeren, nou dat lukte van geen meter en ze hebben dat geweten en ik heb het ook geweten op den duur. Dan ben je geneigd om te zeggen, nou zoek het dan zelf maar uit, als jullie niet naar de Here willen luisteren. Weet je wel, je bent zo fanatiek en zo fel – deur dicht. Nou gelukkig is dat net goed gegaan. De deur is open gebleven, het contactuele is gebleven en zij hebben zich uiteindelijk wel bekeerd en misschien waren ze als bekeerd, maar mijn vader heeft dat waarschijnlijk later meegemaakt, waar we dan ook nog bij mochten zijn. Ik wil alleen maar zeggen, ik onttrok me aan mijn eigen vlees en bloed. Ik moet mijn uiterste best doen, om mijn eigen familie op te zoeken, nu. Ik heb jaren geen contact gehad, formeel wel, met mijn zussen en broer en ik moet nog steeds de eerste stap doen en ik zeg tegen Hennie, we moeten ons niet onttrekken, we moeten blijven gaan, we moeten blijven komen. Kan ik altijd preken? Misschien wel nooit, maar misschien ook wel, het lukt al een beetje. Maar ik wil zo graag duidelijk maken, dat je je iets moet ontzeggen. Dan maar een keer niet naar het avonturenpark in Hellendoorn, waar ik elke week kom, dat snap je best, maar bij wijze van. Ik ben er een keer geweest en heb ik het ook wel gezien. Maar ik wil zo graag duidelijk maken, vasten is niet alleen gekoppeld aan eten, dat is niet waar. 1 Kor 7, een heel helder voorbeeld, hoor, maar ook Jesaja 58. Vasten, en dat is ook niet om nu eens even te tonen hoe vroom je bent, ja ik vast, ja dat zei die eh, ik vast zoveel dagen per jaar, zoveel dagen in de week of zoveel dit en het vasten wat ingekleurd werd door de Rooms-katholieke kerk in de Middeleeuwen, dat was dat je op vrijdag geen vlees mocht eten. De visboer kwam zelf bij ons in dat kleine dorpje in Schildwolde, moet je nagaan, voor die 3 katholieken …. Met andere worden, dat maakt toch niets uit, dat is toch niet het vasten wat God bedoeld, i.p.v. vlees dan maar vis eten voor een keer. Ik wil zo graag helder hebben, dat vasten te maken heeft met niet jou rechten, niet jou verlangens, niet jou geneugten, niet jou bevrediging, ik wil dit woord toch zeggen, op de bovenste plank leggen, maar de zaak van de Heer en dat zou best eens een keer heel anders kunnen lopen dan jij vermoedt. Het is niet makkelijk om je eigen programma in de war te laten schoppen door iemand, die zomaar op de stoep komt, die er zomaar is. Dat is toch vasten. Ik zeg niet dat ik het daar makkelijk mee heb, ik heb ook wel eens een beetje gemopperd, stiekem. Dan kun je aan de buitenkant nog wel een beetje “American smile” en gaan zeggen, oh ja, de Here, wees welkom of zo. Maar ondertussen loop je met kromme tenen en kun je het eigenlijk niet uitstaan, dat iemand zo brutaal is, tussen aanhalingstekens, dat hij je eigen programma, je eigen agenda gewoon in de war schopt. En of dat nu heeft te maken met het niet kijken naar een voetbalwedstrijd, dat zou ook kunnen, je hebt het je zo voorgenomen om afgelopen donderdag Ajax te zien tegen de club uit Haifa en dan komt er bezoek en dan lukt het niet. Dat komt kennelijk over hier, maar bij wijze van. Het zijn van die hele stomme dingen waarvan je later zegt: het is toch ook van de gekke, dat zoiets gebeurt. Nu, u vult in. Ik heb nu drie dingen gezegd, ik heb het gehad over het geven, het bidden en het niet accepteren of het niet aannemen van dingen, die je al hebt, waar je al recht op hebt.