Wie gaat er straks les geven in Israël

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

4. Wie gaat er straks les geven in Israël?

Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis,
3 oktober 2004

Lezen: Joh. 3:1-21; 28-30 We proberen in deze avonden het evangelie van Johannes in profetisch licht te plaatsen. Dat is een hele moeilijke zin voor mensen die dat niet gewend zijn. U hebt misschien al vele keren iets horen voorlezen, vertellen of uitleggen over Johannes 3 of 4 of 2, over dit evangelie. Over de gebeurtenissen. Over de volgorde van die gebeurtenissen. Wat ik probeer in deze serie, is om deze zelfde gebeurtenissen, die op zich waar zijn, zondermeer waar zijn, gebeurt zijn, om die gebeurtenissen te plaatsen in het licht van de toekomst. Want ik geloof dat dit niet alleen maar meegedeeld is omdat het gebeurd is, een soort verslag van. Maar omdat hier veel verdere, veel diepere en verder liggende betekenissen zijn. Nou, dat is soms best een beetje moeilijk. Maar het is ook goed voor mensen die al doorgewinterd zijn in de schriften om eens een klein beetje, nou ja, roggebrood met spek te krijgen of bruine bonen stamppot, of zoiets hè, weet je wel, een beetje stevige kost. Ik hoop niet dat uw maag van streek raakt. De vorige week heeft broeder Bas v.d. Bos gesproken over Joh. 3 en dat gekoppeld aan Ez. 36, over wedergeboorte. Niet nog een keer geboren worden, maar op een nieuwe wijze geboren worden. Nog een keer helpt niks. Dat moet Nicodemus leren. Stel dat dat zou kunnen, stel dat je weer in de baarmoeder zou kunnen terugkomen, en je kwam er weer uit, nou, misschien was je neus een klein beetje anders, wat krommer misschien, maar dan houdt het ook precies op. Ik bedoel te zeggen: “Dat verandert niets.” Wezenlijk is dat hetzelfde. Maar op een nieuwe manier, op een wijze van God uit geboren worden, geeft een wederom geboren iemand, een nieuwe geboorte. En die nieuwe geboorte is uit God. En die nieuwe geboorte is voor hem, voor haar die de Here Jezus Christus heeft leren kennen als z´n Heiland en als z´n Verlosser. Dus heel eenvoudig geloven in de Here Jezus. Dit is zo gemakkelijk, dat het kennelijk makkelijk over het hoofd gezien wordt. En daar is zoveel gedoe over, dat niemand soms meer snapt wat ze eigenlijk aan het zeggen zijn. Ik hoop echt dat jullie hier allemaal zitten als mensen die op een nieuwe manier, op een nieuwe wijze geboren zijn, leven uit God hebben. En dat is alleen als u gelooft dat de Here Jezus voor jouw schuld voor jouw zonden aan het kruis van Golgotha gestorven is. Dat Hij de straf naar God toe vereffend heeft. En dat je nu Hem mag kennen als je Heiland. Als je dat gelooft, heb je eeuwig leven. Wie de Zoon heeft, heeft het leven. Wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet. Wie de Zoon heeft, heeft het leven. Wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet. Het staat of valt dus met het kennen van de Here Jezus als je Heiland en als je Verlosser. En daarover is duidelijkheid hoop ik. Vorige week gegeven en nu nog een keer.We proberen nu de gebeurtenissen van Joh. 3 naar de toekomst te plaatsen. Toen heeft de Here Jezus, daar, in Jeruzalem, een gesprek gehad met Nicodemus. De Here Jezus kwam. En het merkwaardige is dat Nicodemus Hem een eer geeft, een titel geeft die niemand anders Hem gegeven heeft. Daarom staat dit bijzondere voorval ook alleen maar in het evangelie naar Johannes. Nergens anders vindt u het. Hier vindt u het. Nicodemus noemt Hem de leraar van God gekomen. Wij weten dat Gij van God gekomen zijt als leraar, vs 2. Nu, waarom zegt Nicodemus dit. Nou, ik ben er voor mezelf van overtuigd geraakt dat hij dat zegt omdat hij het boek Joël kent. Misschien wilt u het opzoeken. In het OT het boek Joël, hoofdst. 2. Niet alle vertalingen zijn precies gelijk, maar ik denk toch dat de kern wel gelijk is. Joël 2, het tweede hoofdstuk van het boek Joël uit het OT. Daniël, Hosea, Joël. Ezechiël, Daniël, Hosea. Ach, u moet ergens uitkomen, u doet een greep en u bent er. Of u hebt een bijbel met grepen, die noemen ze een luie-christen-bijbel. Dan kun je de bijbelboeken zo makkelijk vinden, LCB. Je hebt LCD-schermen en je hebt ook LCB-bijbels. Joël 2 vs 23: En Gij kinderen van Sion, juicht en verheugt u in de Here uwe God. Want Hij (met een hoofdletter) geeft u de Leraar der gerechtigheid (de Leraar der gerechtigheid). Ja, regenstromen laat hij voor u neerdalen. Vroege regen en late regen zoals voorheen. De Here zegt, in Joël, en daar gaat het over de toekomst, over het herstel, over wat er nog allemaal gaat komen. Hij geeft u de leraar der gerechtigheid. Hij geeft echt iets bijzonders. En het Nicodemus die nota bene heel expliciet zegt: “U bent die leraar van God gekomen.” Niemand heeft de Here Jezus die titel ooit toegeschreven. Hij wel Nicodemus. Dat is uniek. Nicodemus is het ook die samen met Jozef van Arimathea, later, de Here Jezus heeft neergelegd in het graf in de rotsen uitgehouwen. Nicodemus heeft het ook voor Hem opgenomen, en het ook voor de discipelen opgenomen toen zij belaagd werden. Nicodemus is tot inzicht gekomen, heel concreet. En Nicodemus heeft gezegd: “Het wordt tijd dat wij naar U luisteren.” En hij, Nicodemus, wordt door de Here Jezus, u, Nicodemus, u bent de leraar van Israël [genoemd]. Nou dat was ook geen slechte titel. Er waren vele farizeeërs, er waren vele leraren. Nicodemus noemt de Here Jezus de Leraar van God, maar de Here Jezus noemt Nicodemus de leraar van Israël. Je zou zeggen een gesprek op hoog niveau, op leerstellig niveau. Nou, het valt mee. Maar Nicodemus begrijpt de Here Jezus niet. Als het over wedergeboorte gaat snapt hij het niet. En dan krijgt Nicodemus te horen: Bent u de leraar van Israël en weet u dat niet. Nou, die tekst is ook wel eens misbruikt. Eén van onze bekende bijbelleraren was ergens, en toen waren de kinderen van plan om hem, ja, eventjes te laten testen. En: Het evangelie van Johannes, kent u dat broeder A, weet je. Ik zal maar geen naam noemen. Jawel, jawel, jawel. Eh, Joh. 3. Jawel, Joh. 3:16 hè: Alzo……. nou. En Joh. 3:10, kunt u dat ook opzeggen. Nou, hij in zijn geheugen aan het zoeken, Joh. 3:10, nou dat wist hij dus op dat moment niet. Nou, de kinderen wel natuurlijk, want die zeiden: “Bent u de leraar in Israël en weet u deze dingen niet.” Dus hij was gezakt voor zijn examen. Nou als je nou ooit een quiz wilt en je wilt iets bedenken, da heb je in elk geval [een] mogelijkheid.Lieve mensen ik wil proberen om te zeggen wat ik eigenlijk kwijt wil met jullie. We zongen net, dat de Here Jezus spoedig komt en dat wij naar Hem zullen gaan. Als het bazuingeschal des Here klinkt en Jezus komst is daar. We gaan naar Hem. En we gaan ook. We worden hier weggenomen. Onze bijeenvergadering tot Hem, zoals 2 Tess. 2:1 dat zegt, ons gaan naar Hem is aanstaande. Dat zou heel spoedig kunnen gebeuren. En je kunt nu al genieten van je pre-pensioen, zonder demonstratie op 2 oktober in Amsterdam. Je kunt nu al denken van: Dat is mijn toekomst. En je hebt nu de voorsmaak van wat er gaat komen. Je kunt nu zeggen: “Here Jezus, ik verlang er naar.” Het is hier ook vaak moeilijk, het is zwaar, het is lang niet altijd gemakkelijk. Maar we gaan naar Hem, we zijn op weg naar Hem. En dat zal niet lang meer duren. Ik wil daar graag wat meer over zeggen in de loop van de avonden. Het is aanstaande, het is vlakbij. De Here Jezus komt. Maranatha betekent ook de Here Jezus komt of de Here Jezus moge komen, Hij kome, dus een wens, een verzoek. Maar Hij komt, de Here Jezus komt. De Here Jezus komt en wij gaan naar Hem. We blijven niet hier als u gelooft in de Here Jezus, dan hoort u niet hier. U bent wel hier maar u hoort daar waar Hij is. En Hij bereidt plaats, Hij komt terug, Hij haalt u, Hij brengt u daar waar Hijzelf is. Opdat ook gij zijn moogt waar Ik ben. De Here Jezus brengt je thuis. Dat is de hoop voor de Kerk, dat is het uitzicht van de Gemeente. Niet hier op aarde, niet in een verbeterde versie, echt niet. Alleen daar waar Hijzelf is. Nu, stel dat dat vandaag zou gaan gebeuren, is het dan ineens over en uit. Is dan alles uit en sluiten. Neen, dat is niet zo. Dan gebeurt er nog van alles. De bijbel zegt dat er nog een enorme tijd van moeite komt, van grote nood komt. Die noemen we de grote verdrukking. Met panische angsten ook, met enorme tumulten in het Midden-Oosten. Met radeloze angst over de hele wereld. Met terrorisme en aanslagen. Maar ook met aardbevingen, met oorlog en gerucht van oorlog. Allemaal duidingen uit de schrift, te maken hebbend met die tijd die er zal zijn in de grote verdrukking. Wanneer begint dat nou. Sommigen zeggen: “Dat begint nu al, daar zitten we nu al midden in.” Is soms best iets voor te zeggen. Ik denk zelf dat dat nog even op zich zal laten wachten. Maar goed, als wij weg zijn, als de Gemeente is opgenomen, als het moment er is geweest van ons gaan naar Hem, dan zal die grote verdrukking er zijn. Zeker nog die piek van de grote verdrukking die 3½ jaar van extra grote nood. Dat dat 3½ jaar duurt komt niet zomaar uit de lucht vallen, dat zijn ook schriften, teksten uit de bijbel die dit expliciet zeggen: 1260 dagen bijv. of 42 maanden bijv. Teksten die precies over 3½ jaar spreken. En dan, als die nood, als die druktijd er geweest is en als de satan echt rond gaat als een brullende leeuw, als een vreselijk venijnig iemand die alleen maar zoekt om te verslinden, als die tijd voorbij is, wat dan. Ja, dan gebeurt er geweldig veel. En daarover heeft de Here Jezus het in Joh. 3. Wij zeggen: “Dat was toen, toen Hij hier op aarde was.” Amen, u hebt gelijk. het is echt gebeurd. En de Here Jezus heeft echt een gesprek gehad met Nicodemus. En het is echt daar, toen, zo geweest. Maar op hetzelfde moment heeft deze prachtige geschiedenis uit Joh. 3, die we zo goed kennen een profetisch vergezicht naar straks. Ik zal het u schetsen. Misschien valt er dan wel een munt.In Israëls tijd, vroeger, is het heel moeilijk geweest. Er is een tijd geweest dat Israël weigerde dat eten van de Here God nog te appreciëren, op prijs te stellen. Ze hebben gezegd: “onze ziel walgt van deze zeer lichte spijze.” Toen hadden ze het over het manna. Elke morgen lag daar het manna, en ze konden dat bij elkaar rapen, ze konden daar koeken van bakken, ze konden daar gebak van maken. Het was zoet als honingkoek, het was fantastisch. maar op een bepaald moment, na 40 jaar, waren ze er zo op uitgekeken dat ze zeiden: “Nee, dit is het niet meer.” Na 40 jaar hebben zij gezegd: “Wij willen dit niet meer.” Wat gebeurde er toen, slangen. Er kwamen giftige slangen opzetten. En die giftige slangen die hebben iedereen gebeten. En die slangenbeten die waren dodelijk. En toen het volk ging kermen, tot God ging roepen: O, wat overkomt ons nu. Toen heeft de Here God een oplossing gegeven. Een slang, door Mozes gemaakt, van koper, op een stok of op een staak gestoken, omhoog gehouden. En iedereen die naar die stok keek, naar die koperen slang keek, die kon van die slangenbeet genezen. Nu heb ik wel eens verteld dat een vriend van ons een keer een expositie heeft gemaakt van die koperen slang en zo, en ook aangaf wat er zoal kan gebeuren. Je kunt je voorstellen dat indertijd van die slangen er mensen waren die zeiden: “Weet je wat je doen moet. Je moet een andere stok pakken, een flink stuk hout, en je moet die slangen de kop inslaan.” Nou, daar waren mensen, één tafereeltje, driftig bezig om die slangen te doden. Hielp dat, nee. Anderen zeiden: “Je moet de wond verbinden. Er moet zalf over.” Hielp dat, nee. Weer anderen zeiden: “je moet er met God over praten. Je moet God ter verantwoording roepen. Je moet demonstreren, desnoods in Amsterdam.” Bij wijze van hè. Helpt dat, nee ook niet. Weer anderen zeiden: “Je moet er voor wegrennen.” Helpt dat, ook niet. Al die opties leverde niets op. Er is maar één, één oplossing, en dat was kijken naar die koperen slang. Er is nu een tijd dat men niet meer van de Here Jezus horen wil. Sorry hoor, ik breng het even terug naar vandaag. Er is een tijd gekomen dat men zegt: “We willen dat niet meer. Dat, och, dat is zo gemakkelijk. Hoh, altijd dat gepraat over Jezus. Dacht je dat wij iemand anders voor onze problemen willen laten opdraaien. We willen het zelf doen.” Redeneren, of weglopen voor, of het slaan van, of het verbinden van de wond, u mag invullen wat u wilt. Er is een tijd dat mensen de lichte spijze zoals we het noemen, dat eenvoudige evangelie niet meer willen. Dit wordt nog verergerd in de toekomst. En die slangenbeten, die zijn zo venijnig, en zo gemeen, en zo dodelijk. En er is maar één oplossing, en die oplossing willen ze niet. Dat zie je vandaag al een beetje. Nou, u niet, want u hebt geloofd in de Here Jezus. Daar ga ik echt van uit. Maar in de wereld zie je dat al. Een oplossing van de dialoog, dat is tenminste nog iets. Dan kun je zelf ook meebabbelen. Een oplossing van: Ja, conferentie in New York of voor mij in New Delhi, of weet ik veel waar, dat is tenminste iets. Een verdrag over het milieu, Kyoto, of wat het ook is. Ja, dat is tenminste iets. Maar het kruis van de Here Jezus, die koperen slang, nee. Broeder en zuster, ik wil je gewoon helder zeggen: “dat proces van we willen niet meer dit lichte, dat versterkt zich, dat gaat steeds verder. En dat komt zover dat niemand meer dat wat God aanbiedt als voedsel aanneemt. Niemand neemt dat meer aan. God heeft een oplossing voor die slangenbeten, en niemand wil de oplossing.”Nicodemus moest het leren. Die kende dat verhaal uit de oude doos, zouden we bijna zeggen, uit de oude tijd. Toen was een koperen slang de oplossing. En de Here Jezus zegt: “En nu ben Ik het. Nu ben Ik het.” Hier in Joh. 3. Zal ik het anders zeggen: “Als de slangenbeten zo venijnig en zo dodelijk, zo verstrekkend aanwezig zijn, komt de Here Jezus. En ze zullen zien op Hem die doorstoken werd.” Voelt u dat je deze geschiedenis zo maar in de toekomst kunt leggen. En dat de ernst van: Iedereen is aangetast, iedereen is gebeten, dat de ernst daarvan misschien wel helder wordt. Niemand kan ontkomen. Er is niemand. En dat zal blijken uit dit Johannes-evangelie. Ik heb niemand die me helpen kan. Er is niemand die me redden kan. Er is niemand die me beter kan maken. Er is niemand. Iedere keer zul je ontdekken dat er niemand is. Er is Iemand. En die Iemand die hier voorgesteld wordt is Degene die nu met Nicodemus spreekt. En je moet daarom wederom geboren worden. Er moet iets gebeuren. Je moet anders gaan reageren. Niet meer een uitweg zoeken in menselijke middelen, maar je moet alleen geloven in Hem. Geloven in Hem. Ja, maar dat is zo makkelijk. Heb je het weer. Waarom wordt dat nu weggeschoven. Waarom geldt dat nu niet meer. Waarom kan dat niet meer. Het is altijd hetzelfde. Hieruit blijkt opnieuw, dat wat hier gebeurde, destijds met Nicodemus, daar bij Jeruzalem in de buurt, dat dat in de toekomst nog een keer gaat gebeuren, maar dan in de volle zin van het woord. En dan komt, omdat de nood zo gigantisch hoog is, omdat ze niet weten wat ze doen moeten, zoals vroeger het volk bij Mozes kwam: Wat moeten we doen. En Mozes zegt: “Ik weet het ook niet.” En de Here zegt: “Ik weet het wel.” Toen mocht Mozes een slang verhogen. Een koperen slang op een staak. Toen, vroeger. En nu komt Jeruzalem, nu komt de schriftgeleerde, misschien mag ik het zeggen, nu komen de schriftgeleerden en zeggen: “Wat moeten we doen. U bent de Leraar van God gekomen. U hebt het antwoord. De Enige die het antwoord heeft, dat bent U. U bent van God gekomen, want niemand kan zulke tekenen doen die Gij doet.” Dat beleed Nicodemus, en hij was toen de enige misschien in de hele corps van schriftgeleerden. Maar straks komen ze. En ze zullen de Leraar der gerechtigheid, door God gezonden, erkennen. En ze zullen buigen en ze zullen erkennen: Hij is het. Met al hun kennis hebben ze geen oplossing. Bent u de leraar van Israël en weet u dat niet. Nou, de bijbel is heel concreet over de leraren van Israël. En of u nu het boek Hosea kijkt, of Joël kijkt, of misschien wel Ez. 22 pakt, war de priesters het af laten weten, waar de profeten het af laten weten, waar de oversten het af laten weten. of Ezechiël, laat ik maar zeggen, iets verder op, 34, waar alle leidinggevenden in Israël het volledig hebben laten afweten. En Maleachi: Uit de mond van priesters zocht men kennis maar het was er niet meer. Ze waren alleen maar voor zichzelf bezig. Dat was de tijd. Dat waren de slangenbeten. En het is dodelijk gebleken. Er is niets overgebleven. Alles is weg, alles is vergaan. Niets is overgebleven. Hoe moet dat dan. Nog een keer. Nee, niet nog een keer. Anders, heel anders. Opnieuw, op een nieuwe wijze. Van God uit geboren worden. En die nieuwe geboorte van God uit is natuurlijk voor jou en voor mij vandaag gewoon helder misschien. Misschien zeg je wel: “Ja, ik mag echt zeggen dat ik opnieuw geboren ben.” Amen, amen, dat moet je ook durven zeggen. Dat kun je ook zeggen, want als je gelooft in de Here Jezus is dat ook zo.

Maar dat gaat nog een keer gebeuren. Want het hele merkwaardige is, dat als Nicodemus hoort: Bent u de leraar van Israël en weet u dat niet, dat de Here Jezus veronderstelt dat hij het had kunnen weten. En Nicodemus, hij kende het boek Ezechiël, waar ook de vorige week over gesproken is. Waar nadrukkelijk staat dat er een stenen hart wordt verwijdert en dat er een vlezen hart terugkomt. Dat er iets nieuws gebeurt, dat er werkelijk iets nieuws gebeurt. Een nieuwe geboorte, een hele andere geboorte. En dan gaat het in het boek Ezechiël niet over de tijd van Nicodemus, destijds. Dat gaat dan ook nog over de toekomst die nog komt, over wat er met Israël nog gaat gebeuren. Dus dit hele proces van de nieuwe geboorte, het gesprek van Nicodemus met de Here Jezus, heeft een profetisch vergezicht naar straks, heel duidelijk, heel concreet. De Leraar der gerechtigheid. Nu, “uit de mond van de priester mag je kennis verwachten”, zegt de bijbel in Maleachi. Hij weet ervan. Hij is dicht bij de Here geweest. Daarom zegt dit hoofdstuk: “Hij zegt wat Hij gehoord heeft, Hij getuigt van wat Hij gezien heeft.” Hij is dichtbij geweest. En Hij, de Leraar der gerechtigheid zal op dat moment onderwijs gaan geven. En dan zal de aarde vol worden van de kennis des Heren, zoals wateren de bodem van de zee bedekken, Habakuk 2 of 3, maar in elk geval Habakuk. Dat komt. Ziet u Hem daar staan, ziet u de Here Jezus al komen. En wat zegt Hij dan: “Zoals Mozes een koperen slang daar neergezet heeft, zo staat hier de Zoon des mensen. Opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.” Op het moment dat iedereen aangetast is, iedereen vergiftigd is door die dodelijke bijt van de slang, door de duivel en zijn activiteit, iedereen het leven moet laten, op dat moment staat Hij daar. Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven. Ja, dat is een proclamatie waar je koud van wordt. Is dat alleen voor straks, alleen voor de Israëlieten. Nee, dat is ook voor jou, voor vandaag. Alleen ja, wij zeggen: “Ja, ja, zou het voor ons zijn, zou het ook voor die zijn.” We gaan discussiëren, ook wel weer debatteren met de Here. Nou, het lijkt de Tweede Kamer wel. En maar praten, en maar praten. Er komt ook geen millimeter verandering in, maar als je maar praat. Hou nu eens op met praten. Geloof, geloof dat het enige, enige van God gegeven middel is: De Here Jezus, en het kruis van Golgotha. Er is geen andere route. Er is niemand anders. Ik heb niemand Here. Er is niemand, alleen de Here Jezus.

Als je zo dit prachtige stukje uit Joh. 3 eens neerzet in de toekomst, ja dan loop je bijna te watertanden en zeg je: “Nou, daar willen we wel bij zijn. Dit willen we meemaken. Dit willen we…..” Nou, je had misschien ook wel graag bij dit gesprek van Nicodemus en de Here Jezus willen [zijn]. Nou, dit was toevallig nog nacht. Toen het nog nacht was, weet je wel, midden in de nacht kwam Nicodemus. Hij durfde niet overdag en nou ja, we hebben alle argumenten al gehoord, alle preken zijn al geweest. Ik kan daar geen nieuwe dingen van zeggen. Maar het wonderlijke is natuurlijk niet dat Nicodemus ‘s nachts komt, dat snapt iedereen. Hij schaamde zich een beetje. Maar het wonderlijke is dat de Here Jezus er ´s nachts is voor hem. Dat vind ik eigenlijk nog mooier. Ja, wij zeggen eh: “Nee hoor, 8 uur werken en dan 40, ja dat is veel te veel. En tot 66 jaar, veel te lang.” Nou ja, vul maar in. Hij was er ´s nachts. Hij was er voor Nicodemus. Hij laat Zich vinden. Maar als de nieuwe dag aanbreekt, als de nacht van de wereld gevoeld wordt als nooit eerder, als het duister a.h.w. beklemmend om alle mensen heen ligt als een deken, dan komt de Here Jezus, en Hij geeft les. Ik weet niet of u van studeren houdt. Sommigen wel, sommigen natuurlijk niet, maar als je echt iemand hebt die je nieuwe dingen kan vertellen, die je onderwijs kan geven, dat is een verademing. Dat is echt super. Als je met een hele rij vragen zit, en je kunt antwoorden vinden. Ik heb iemand zo gehad in mijn leven, hij is allang overleden. 2 uur, half 3 ´s nachts, soms 3 uur: Het wordt tijd dat we naar bed gaan. Ja, ik moest er weer uit de volgende morgen om 6 uur of zo. Hij kon een uurtje langer pitten. Maar dat is zo´n verademing. Ik denk nog zo vaak terug aan momenten dat je aan de voeten van Gamaliël, zo noemde ik het dan een beetje, weet je wel, aan zo´n uitlegger, zo´n broeder in Christus die wist waar het stond en wat het betekende. Dat je aan de voeten van zo iemand kon zitten. Here Jezus, we zullen ontdekken, aan de oever van het meer. En Hij spreekt. Mensa Christi, de tafel van Christus. Hij spreekt. Hij spreekt, en Hij geeft te eten. Ja, dan ben je bij Joh. 21 aangekomen, waar de Here Jezus al brood en vis heeft op de oever. Hij vraagt: “Hebt U ook iets te eten. Heb je ook iets gevangen.” Nee, we hebben niets gevangen, de hele nacht niet. Hij had het al. Daar, daar verschijnt de Here Jezus, en daarover gaat het steeds. Het gaat steeds over Hem, steeds over Hem, die toen op aarde was. Die toen letterlijk een ontmoeting met Nicodemus heeft gehad. Geen twijfel mogelijk. Maar die, overdrachtelijk, straks een ontmoeting zal hebben met Israël, en met de leiding uit Israël. Die vragen zullen stellen. En Hij zal het antwoord geven: Alleen geloof, alleen geloof. Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven. Alzo lief heeft God de wereld gehad. En daar hoor je de Here Jezus zeggen: “God heeft de wereld zo intens liefgehad. Jullie, die door de slangen gebeten zijn, jullie, die vergiftigd zijn, jullie die dodelijke beten hebben opgelopen, jullie zijn door God geliefd geweest.” Het enige wat je moet doen is: Opdat een ieder die gelooft. Toen, kijken naar de slang, koperen slang. Nu, geloven in de Here Jezus. Straks, zien op Hem die doorstoken werd. Straks. Ziet u hoe compleet de schrift is, hoe prachtig de schrift is, en hoe daar een schitterende lijn in terug te vinden is.

De discussie gaat verder. Ze praten over de Here Jezus. En Johannes, de heraut van de Koning zegt: “Ik heb over Hem gepraat. Ik heb Hem geduid. Ik heb het niet over mezelf gehad.” Dat is de rest van het derde hoofdstuk. Zoals er straks iemand zal zijn. Daarom is de vraag gekomen in hoofdst. 1: Bent u dan de Elia, bent u dan de profeet. Dat vroegen ze aan Johannes de doper. Hij zegt: “Nee, ik ben gewoon een stem van iemand die roept in de woestijn. Ik heb alleen maar een stem. Ik doe alleen maar roepen. Ik wijs alleen maar naar Hem.” Maar de bijbel zegt toch in het boek Maleachi, dat er een profeet, een heraut zal zijn, een Elia die komen zou, die voor de Koning zou uitgaan. Nu, die komt. Of dat de twee getuigen zijn van Openb. 11. Zou kunnen, zou heel goed kunnen, want in die grote tijd van grote nood, van grote verdrukking, worden twee getuigen zo maar vermoord, omgebracht in Jeruzalem. Het staat nota bene precies in uw bijbel. En dan zeggen we: “Ja, dat zal Mozes en Elia kunnen zijn.” Nu, ze doen in elk geval wonderen zoals Mozes ze deed. Ze doen tekenen zoals Elia ze deed. In elk geval kun je dat zeggen: “Ze wijzen op Hem.” En Johannes de doper zegt: “Ja, ik ben het niet, maar Hij die na mij komt, Hij is het, in ik wijs op Hem. En als je Hem echt wilt leren kennen, nou, ik zal je wat zeggen. Hij die de bruid heeft, dat is de Bruidegom.” Dat is raar. Komt zomaar uit de lucht vallen: Hij die de bruid heeft, dat is de Bruidegom. Nou, dan kun je Hem nog niet herkennen. Als je de bruid niet ziet, zie je Hem dus ook niet. Dan weet je niet dat Hij de Bruidegom is. Zal ik het anders zeggen. En misschien klinkt u dit heel raar in de oren, maar als de Here Jezus komt als de leraar der gerechtigheid, als Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg, als ze Hem zullen gaan vragen van: Wie bent U, en: Hoe zit dit, en: Wat moeten we, dan komt Hij kennelijk niet alleen. Alle heiligen met U. Ze komen samen met Hem. De bruid komt met Christus. De bruiloft van het Lam is in de hemel geweest, plaatsgevonden, Openb. 19, en Hij komt met ons, met u en mij naar beneden. En dan zegt de heraut van de Koning: “Die de bruid heeft, dat is de Bruidegom. Zie je wel, zie je die bruid dan niet. Zie je dat nieuwe Jeruzalem dan niet boven Hem hangen. Zie je dan niet die geweldige glorie van de hemel boven Hem. Zie je niet wat er dan gaat gebeuren.” Nou, dat is de bijbel. Dat is moeilijk hoor. Maar eigenlijk is het niet zo moeilijk. Op dat moment is de glorie van de hemel, het nieuwe Jeruzalem, een kubus, hoogte breedte, lengte gelijk, boven de Here Jezus. En dan zegt de heraut van de Koning: “Kijk dan toch, ogen omhoog. Die de bruid heeft, dat is de Bruidegom. Daar heb je Hem. Je kunt Hem daar gewoon aan herkennen. De bruid is bij Hem.” Zo staat het hier. Wat een moment zal dat zijn voor de Here Jezus. Dat schriftgeleerden vragen: “Mogen we U iets vragen.” En de Here Jezus verwijt: Dat had je kunnen weten. Dit had je kunnen weten. je hebt de schriften, je had het kunnen weten. Maar dat betekent nog niet dat de Here zegt: “En nu ga Ik het niet nog een keer vertellen.” Hij vertelt het nog een keer. Hij vertelt het opnieuw. Hij vertelt opnieuw van die meest wonderlijke geschiedenis. En Johannes de doper, een type van de heraut die er dan is, van de profeet die voor Hem uitgaat, van de Elia die komen zal, hij zegt: “Kijk, daar moet je op letten. Daar moet je op letten. Ik moet kleiner, en Hij moet meer. Hij moet wassen, ik moet minder worden.” Als je zo de Here Jezus ziet, dan krijg je het verlangen om in je kleine huisje te kruipen en zeggen: “Here Jezus, wie ben ik.” Dat is echt waar. Als het je overweldigt hoe groot, hoe immens Gods liefde is, Gods genade is, Gods weg is, Gods route is, Gods planning is, dan wordt je vanzelf klein. Dan ga je echt heel, heel gering van jezelf denken. En dan verschrompel je een beetje. Hij moet wassen en ik moet minder worden. De mensen van vandaag zeggen: “Jij bent wat.” En Hij verkleint. Dat weet u hè. De mens wordt omhoog gekrikt, wordt geweldig gepromoot. En Hij wordt langzaam maar zeker gereduceerd tot: Och, profeet van Zijn tijd. Een soort Gandhi van vroeger, weet je wel, in India. of een soort Martin Luther King in Amerika. Zoiets is het geweest, zoiets. Hij wordt verkleind, en de mens: Me, the big number one hè. opgepoetst, opgeklopt tot en met. Dat is de teneur van vandaag. Maar als je Hem ziet, dan zeg je: “Here Jezus.” Weet je, er komt een moment dat alle knie buigt voor Hem. Dat elke tong belijdt dat Hij Here is. Daar komt een moment dat iemand zegt: “U bent de Leraar van God gekomen, want niemand kan dit bedenken dan U. U bent de Enige die dit kan. U bent de Enige.” Gunt u het de Here Jezus. Hier was het nog ‘s nachts. Niemand zag het. Het was misschien heel privé tussen Nicodemus en de Here Jezus. Dan is het overdag. Dan is de derde dag, waar we het de vorige keer over hadden, aangebroken, en is het hele bijzondere gebeurd. De Here Jezus komt terug, en jij en ik komen met Hem.

Nou, nu gaat u weer aan de slag en ik kom in Jeruzalem en ik kom daar en ik ga naar het beloofde land en ik land op de Olijfberg en ik heb geen gids meer nodig en geen reisorganisatie. En ik hoef ook niet meer te betalen voor de volgende Israël-reis. het is allemaal geregeld. U hebt volkomen gelijk. Ik zou het maar niet meer doen. U bent verkeerd bezig. Weet je, want je bent aan jezelf gaan denken. Weer met jezelf bezig. Niet met Hem, maar met je jezelf, want: jij dat reisje, en jij er goedkoop uit. Echte Hollandse kost. Wij lekker goedkoop. daar zitten we altijd mee. Sorry hoor. Ik sprak vorige week over de mevrouw uit het Hooglied-boek, Hoogl. 1, die zegt: “Ik ben zwart, donker, maar liefelijk, maar bekoorlijk.” En vroeger was donker zijn, was helemaal niet goed hoor, want dat betekent dat je gewoon in de harde slavenarbeid stond, gewoon buiten aan het werk was. Mensen die een beetje geld hadden die bleven binnen. Die stonden helemaal niet in de wijngaarden of op de velden. Die waren niet bruin, die waren blank. Dus bruin toen, zwart toen, dat was gewoon negatief. En toen heb ik verteld van twee vliegen, in België vertellen ze dit. De een was bruin en de ander was blank. Die blanke die vraagt aan de bruine: Waar zat jij. Nou ja, zon, vakantie, mooi weer. je ziet het eraan hè. En de bruine vraagt aan de blanke: Waar zat jij dan. In de portemonnee van een Hollander. Dan zie je geen zon. Nee, ik wil graag weten dat u begrijpt dat iedere keer dat ik-denken, mijn portemonnee, mijn, mijn, mijn, voorop staat. En dat nooit Hij, Hij voorop staat. Dat is een groot probleem voor ons. We zitten zo aan onszelf vastgeklonken, en we komen zo moeilijk los van onszelf, dat we altijd vergeten Wie de Here Jezus is. Er komt een moment dat het om Hem gaat. Hem, die de bruid heeft. Dat is de Bruidegom. het gaat om Hem. Hij moet wassen, ik moet minder worden. Het moet echt om Hem gaan. Niet meer om ons. Zou je nu vanavond durven zeggen: “Here Jezus, dank U dat U destijds met Nicodemus ging spreken.” Eén. Zou je ook durven zeggen: “Dank U Here Jezus, dat U met mij wilde gaan spreken. Dat U tegen mij wilde zeggen: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwige leven hebbe.” Zou je dat durven zeggen. Dank U Here Jezus dat u dat voor mij deed. Dank U, dank U, dat ik een kind van God ben. Dank U dat ik U mag kennen als de Zoon, en dus het leven mag hebben. Dat ik wederom geboren ben. Nou, dat is al een mond vol hè. “Als je dat nou eens durft te zeggen”, zeiden ze vroeger. Als je dat nu eens zou kunnen krijgen. Nu, dat kun je krijgen, vanavond. Maar zou je ook durven zeggen dat de wedergeboorte ook nog een heel volk treft, Israël. Dat diezelfde wedergeboorte geweldige gevolgen heeft voor alle volkeren. En dat er Iemand zal zijn die kennis heeft. En dat die kennis zodanig groot zal zijn zoals wateren de bodem der zee bedekken. Dat betekent: alom aanwezig zal zijn. En dat die kennis niet meer zoiets zal zijn voor de één. We zullen niet meer zeggen: “Ik ken de Here”, want iedereen zal de Here kennen. Van de kleine tot de grote. Ze zullen Hem kennen, straks. En wat is dan de oplossing voor al die slangenbeten. Hij die doorstoken werd. Dat is de oplossing. Christus, de Heiland. En je kunt Hem herkennen aan de bruid. Want de bruid is bij Hem.

Het zijn simpele dingen uit een simpel hoofdstuk. Misschien heel mooi allang in je eigen hart terecht gekomen, maar die te maken hebben ook met de toekomst straks. De profetische lijn vanuit het evangelie van Johannes. De Leraar der gerechtigheid, door God gegeven, geeft les, geeft onderwijs aan de leraar van Israël. De Here zegene u, amen.