Het Duizendjarig Vrederijk

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

7. Het Duizendjarig Vrederijk.

Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis,
7 november 2004

Lezen: Joh. 6:1-10; 12-14; 16-21; 27; 34-35: 41-44; 67-71We proberen in deze avonden de lijn van de profetie te zien. Dat betekent dat we de gebeurtenissen die destijds zijn neergeschreven, die misschien heel er bekend zijn, overbekend zijn, om die gebeurtenissen te zien in het perspectief van de toekomst, de profetische lijn, de profetische vergezichten vanuit dit evangelie. Ik wil dus niets afdoen van dat wat er ooit is gezegd over dit evangelie, over de gebeurtenissen die hier zijn opgetekend, dat is waar. Dat is gaaf, dat is bijzonder, dat is goed. Maar er is ook nog iets als een vergezicht naar de toekomst. En daarom staat boven deze avond een taal die misschien niet direct te vinden is in de tekst, namelijk het duizendjarig vrederijk. Bedoeld voor de gelovigen. bedoeld dus voor mensen die de Here Jezus Christus hebben leren kennen als Heiland, als Verlosser, en die Hem nu kennen als hun Here. En die ook weten dat de Heilige Geest nu in hen is. Dat moet je heel zeker hebben. Kennen, het kennen van de Here Jezus. Het weten dat de schuld is weggedaan, dat de zonden zijn vergeven, en dat we het leven uit God hebben, eeuwig leven.De gebeurtenissen die in Joh. 6 zijn opgeschreven vinden we in vrijwel alle evangeliën. Die z.g. wonderbare spijziging vind je in de vier evangeliën. Er zijn niet zoveel dingen die in alle vier de evangeliën voorkomen. Dit wel. Maar de insteek is wel verschillend. Als u het zou gaan vergelijken, het is een mooie studie voor maandagochtend, dan, ja, dan kom je echt een stukje verder. Sommigen doen dat op dinsdagmorgen, maar dan werkt het niet zo goed. Sorry hoor, dat ik het zo zeg. Nee maar, als u daarin gaat duiken, dan kom je bij verschillen uit. En die verschillen die zijn soms heel erg frappant. Maar toch, die wonderbare spijziging komt voor in alle vier evangeliën. En iedereen die ooit in Israël is geweest met een reisgezelschap, die weet ook van die Brotvermehrungskirche, zo heet dat daar, de kerk van de wonderbare spijziging. En die heet Brotvermehrungskirche, omdat het een Duitse kloosterorde is die die kerk beheert. Daarom een Duitse term, een Duitse aanduiding. Ik heb daar altijd hele bijzondere herinneringen aan. Misschien mag ik dat nog een keer vertellen, ik heb het al een keer verteld. Wij waren daar met een groep, en toen zongen we het lied: Ja ik geloof, ja ik geloof dat Jezus voor mij stierf, in die kerk. Op dat moment kwam er iemand binnenstrompelen die huilend op de grond viel, languit lag en we wisten helemaal niet wat we er mee moesten. Na wat, ja, we hadden ons lied beëindigd en een gesprek aangeknoopt. Bleek een Duitse meneer te zijn die uit Duitsland, te voet uit Duitsland, was vertrokken en te voet naar Israël was gegaan. Een pelgrimstocht naar Israël. En omdat dat een Duitse kloosterorde was, wilde hij daar, op die plek aankomen. Dat was het einddoel van zijn reis. En op het moment dat hij daar binnenkwam zongen wij nogal nadrukkelijk: Ja ik geloof, ja ik geloof dat Jezus voor mij stierf. Hij dacht: En nu ben ik in de hemel, nu heb ik het bereikt, nu ben ik er, dit is het. Maar dat is daar op die plek geweest. je vergeet het gewoon nooit meer. Je ziet die man nog komen. Het was hartverscheurend voor ons allemaal. We hebben daarna samen de Here gedankt en gevraagd en, enfin. Je kunt je voorstellen dat er dan soort dankdienst ontstaat, zomaar spontaan. Dat was daar. Vlak bij de Brotvermehrungskirche waar wij aan dachten dat er vijf broden en twee vissen waren die zo wonderbaar gezegend zijn, vlak daarbij ligt nog een kerk. Dat noemen we Mensa Christi. Heb ik ook niet bedacht, dat hebben ze daar bedacht. Mensa Christi betekent in gewoon Nederlands de tafel van Christus. En dat komt omdat de Here Jezus op de oever van dat meer een bijzonder moment heeft gehad met Petrus en de anderen. En dat was daar ook. En ook daar was, merkwaardig genoeg, brood en vis. Ook dat is met elkaar in verbinding te brengen. Het is in beide gevallen een wonderbare spijziging. In het ene geval omdat de Here die vijf geweldig gezegend heeft, waardoor een gigantische schare er zegen uit kreeg. De tweede, omdat de Here daar, heel bijzonder, al vis had, voordat Hij vis kreeg, en al brood had voor Hij iets vroeg. Twee keer een wonderbare spijziging daar op de oever van het meer. Dat meer wordt normaal gesproken het meer van Genesareth genoemd, het meer van Galilea of zee van Galilea. Maar hier, in ons evangelie wordt het het meer of de zee van Tiberias genoemd. En Tiberias is een keizer geweest van de Romeinen, van het Romeinse Rijk. En de stad daar, die we nu kennen als Tiberias, die stad ligt er nog, is gebouwd geworden door de Romeinse bezetter ter ere van hun keizer. Maar als dit zo hier staat, heeft het een betekenis. Je moet je voorstellen dat het meer hier onder controle ligt van Tiberias, van de heidense heerser, toen. En dat het feest waarvan hier sprake is, het feest van de Joden was. Niet meer het feest van de Here, zoals in Lev. 23 staat, maar van de Joden. Gedevalueerd tot het feest van de Joden. Het zegt u misschien niks, maar het zegt eigenlijk vanuit de bijbel heel veel. Dat is de achtergrond en de Here is hier.Nu is het op zich geweldig dat je de geschiedenis kent van die vijf gerstebroden en van die twee visjes. Ik heb het vaak, vaak mogen zeggen: “Ook al denk jij dat een heel klein beetje van jou niks voorstelt voor een hele gemeente, dan kan de Here met een heel klein beetje van jou een wonder verrichten.” In de handen van de Here is een heel klein beetje van ons, een wonder. Dus als jij denkt: Ik ken maar vijf teksten uit de bijbel, nou, geef ze maar eens in de handen van de Here. Dat wordt een hele preek, dat wordt een gigantische zegenstroom. Misschien denk je: Ja, maar ik ben nog maar piep, ik ben nog maar jong. O.k., pak hem maar. En of dat echt een jongetje is geweest die van zijn moeder nog een lunchpakketje meekreeg, zo wordt dat wel eens gezegd, nou, geloof ik eigenlijk niks van. Weet je, als er een horde mensen is, dan lopen er altijd van die broodverkopers omheen met hun karretjes. Nou, daar was nog een klein broodverkopertje, die had nog vijf over en nog twee visjes, en zo is het naar mijn gevoel geweest. Maar goed, u mag daar anders over denken, maar dat denk ik gewoon. En ze zeggen: “Ja, daar is nog één handelaartje, en die heeft nog een heel klein beetje voorraad. Maar ja, die is ook bijna uitverkocht. Wat moeten we doen. Wat zou een klein handeltje nog kunnen betekenen.” Dat denk ik. Maar er is nog een opmerking. Het is een kleine jongen, en dat betekent in de taal van Joh. 6 ook, dat de Here het kennelijk heeft over een nieuwe generatie, de follow up, de nieuwe generatie, die komt, en die nog wel wat heeft. Maar goed, misschien daarover nog iets meer. Er is in de bijbel nog een keer sprake van een wonderbare spijziging. Merkwaardig genoeg, ook met gerstebroden. In 2 Kon. 4. Dat is het onderwerp voor dinsdagochtend. Maar had u al, dinsdag. Ik moet oppassen voor de volgende, want dan moet ik de dagen ook nog onthouden.Maar in 2 Kon. 4, daar is Elisa met een honderdtal van zijn profeten bij elkaar en dan hebben ze ook niks te eten. Dat is in Gilgal. Dat is heel merkwaardig, in Gilgal hebben ze het overjarig koren gehad, het manna nog een keer gegeten en het Pascha geslacht. En nu zijn ze weer in Gilgal, en nu hebben ze helemaal niks. Dus waar een keer overvloedig is geweest, is nu niks. En daar komt iemand uit Baäl-salisa met twintig gerstebroden. Maar er zitten honderd mensen. En wat kun je met twintig gerstebroden doen. En ze hebben gegeten en overgehouden. Wonderbare spijziging in het OT. Ook met gerstebroden. Hier ook, gerstebroden. Gerst is altijd het eerste van de nieuwe oogst, het begin. De garf der eerstelingen was uit de gersteoogst. Misschien klinkt het u heel raar in de oren, maar gerst heeft altijd te maken met het opstandingsleven, met het nieuwe leven. Nou ja, moeilijk hè. Nou, nu komen de moeilijke dingen pas.

De Here Jezus wil u en mij meenemen naar deze geschiedenis. En ik wil u ook graag meenemen naar deze bijzondere geschiedenis. Uitgangspunt voor vanavond is Jes. 25:6. Misschien wilt u dat even opslaan voor uzelf, Jes. 25:6. Dat is een profetisch vergezicht in het OT. En dat gaat echt over het duizendjarig vrederijk: En de Here der heerscharen, Jes. 25:6, zal op deze berg voor alle volken een feestmaal van vette spijzen aanrichten. Een feestmaal van belegen wijnen, van mergrijke vette spijzen, van gezuiverde belegen wijnen. Hij zal op deze berg de sluier vernietigen die alle natiën omsluiert, en de bedekking waarmee alle volken bedekt zijn. Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen. En de Here Here, zal de tranen van alle aangezichten afwissen. En de smaad van Zijn volk zal Hij van de gehele aarde verwijderen. Want de Here heeft het gesproken. En men zal te dien dage zeggen: “Zie, Deze is onze God.” en verder. De Here heeft door Jesaja laten vertellen dat er een keer op een berg een feestmaal zou zijn voor alle volkeren, van buitengewone kwaliteit, van buitengewone zegen. De Here zou Zijn volk daar gaan verwennen, vertroetelen. Ik denk dat Jes. 6 daarvan een beeld is.

De Here Jezus, Hij is niet in het schip als de discipelen overvaren. En ze hebben zich afgetobd met roeien, 25 of 30 stadiën, dat betekent zo’n 25 x 2 minuten, is zo’n 50min. tot een uur. Nou, best een hele klus geweest. En ze hebben zich afgetobd, en de wind was gigantisch tegen, en het was donker. En dan ineens komt Hij, midden in de nacht. De nieuwe dag is nog niet aangebroken. Het is nog nacht, het is nog zeer onstuimig. En dan wilden ze Hem in het schip nemen, ik zeg het nu echt met mijn eigen woorden, en dan neemt Hij het schip in Zich. Dat staat er echt, hoe raar u het ook vindt. Ze willen Hem in het schip nemen, dat snap ik. En ineens neemt Hij het hele schip mee en ze komen op hetzelfde moment aan land. En de vraag die dan komt, uitvoerige vraag: Hoe komt U nu hier. En, daar was geen ander scheepje dan dat scheepje. En ze vragen maar verder, ze vragen maar door. Hoe kan dat nu. Hoe kunt U, hoe zit dit nu allemaal in elkaar. Want ze hadden dit niet gezien en dat niet gezien en zus niet opgemerkt. M.a.w., ze hebben dus duizend vragen gesteld, uitvoerig, en ze weten niet hoe de Here Jezus aan land gekomen is. Zal ik het anders zeggen. Israël zit op dit moment al in de storm. Ze zitten gigantisch klem. En ze kunnen nu al bijna geen kant uit. Hoe dit uitpakt met meneer Arafat weet ik niet. Waar die begraven wordt weet ik ook niet. Maar iedereen heeft een gigantisch probleem. Het is akelig spannend, en we mogen wel blij zijn dat meneer Bush nog een beetje aan het roer zit. Ik bedoel niet de politiek van Amerika pro of contra neer te zetten, want daar gaat het mij niet om. Maar ik wil wel dit zeggen: “Meneer Kerry was echt van plan om de draad met Frankrijk heel stevig aan te pakken, en dat betekent pro-Arabië en anti-Israël.” Dat dat nu niet gebeurd is, door Gods ingrijpen, denk ik, kunt u raar vinden, want u hield niet van Bush, maar het is wel een heel bijzonder iets. Maar die storm die is er. Die storm is nog lang niet geluwd. Ik probeerde duidelijk te maken de afgelopen dagen, dat we hier in Europa te maken hebben met Eurabië. Met het Europa dat zich verbindt met Arabië. Met het beest uit de zee, dat zich vermengt met de tien, die tien hoornen, die tien koningen van Ps. 83, weet u wel, de Islamitische staten, die zich…… Ja, ja, een beetje ingewikkeld. Maar probeert u het eens. Probeert u het eens te lezen, gewoon de bijbel. En leer eens ontdekken dat er een gigantische macht aan het opkomen is: Anti-Israël. En we staan hier niet om de politiek van meneer Sharon te verdedigen. Voor de zoveelste keer zeg ik u dat, want ik ben niet voor Sharon. Ik ben wel voor de Here. En God is voor Zijn volk. Dat is een heel andere benadering. Hij zegt: “Dat is Mijn volk, dat is Mijn oogappel. En wie Mijn oogappel aanraakt, die heeft echt een probleem.” Dat zegt de Here. En we gaan niet de politiek van vandaag verdedigen. We gaan wel zeggen dat Israël naar het woord van God een geweldige toekomst heeft, en daar in dat land zal wonen, en daar die stad als hoofdstad zal hebben. Die stad waarvan iedereen nu zegt: “Ja, dat is van ons, en het terrein waar Israël nu op staat is bezet gebied”, dat is onzin, dat is volkomen onzin. Ze hebben nooit bezet gebied gehad. Nooit bezet gebied geweest. Die term is volkomen uit de lucht gegrepen. M.a.w., ik ben een beetje fel hoor, maar ik wil zo graag duidelijk maken dat we hier te maken hebben met een soort trend in de wereld. En die wereldpolitiek die richt zich tegen Israël. En er worden krachten en machten gebundeld waar we eigenlijk geen idee van hebben. En die duivel die is maar bezig. Als ik het eens zeggen mag met Openb. 13, dan zit hij als de draak aan het zand van de zee. Daar zit hij, aan de oever. En uit de zee komt een beest op en dat beest is niks anders dan Europa. En dat beest uit de zee heeft samenwerking gezocht met de tien Arabische staten, met die tien volkeren, en ze gaan samen optrekken. Er is maar één doel: Israël in de zee dumpen. Dat is de lijn. En wij, de gelovigen van vandaag zeggen: “Ja, nou ja, nou, ach, is een hobby van Dato, of dat is van het Zoeklicht, of van Middernachtsroep of ach, die grijze koppen. Daar zijn nog een paar van. Die ouwe liederen, Johannes de Heer, kun je ook al niks meer mee.” ZO ongeveer gaat het. Maar wij, de moderne gelovigen, we zingen opwekkingsliederen. Nou, daar staat niks meer in over de komst van de Here Jezus. Sorry hoor, dat is een ontboezeming van mij. ik ben blij met de bundel Opwekking. Daar staan prachtige aanbiddingsliederen in. Prachtige, die we niet in Johannes de Heer aantreffen, dus alsjeblieft, ga niet doorschieten. Probeer het evenwichtig te houden. En probeer te zeggen: “Ja kijk, dat zijn prachtige dingen, schitterende dingen.” maar als het gaat om de komst van de Here Jezus, dan moet je dan toch terug kennelijk. Want de duivel is aan het proberen om jou en mij met haarkloverijen bezig te houden, met geneuzel bezig, sorry hoor, moeilijk woord hè, snap je het. Mag je wel fietsen op zondag. Hoh, schitterend debat, tjonge jonge. Moet je een hoed op. Nee, nee, ik bedoel dat niet naar. Nee, nee, maar….. Doe het alsjeblieft als je denkt dat je het moet doen, alsjeblieft. Waag het niet om het niet te doen. Maar andere veroordelen. En in de gemeente, gebakkelei over: Mag een zuster wel een lied opgeven of niet. Nou, vrouw in het ambt, tjonge jonge, storm. Alle gemeenten worden in beslag genomen door debat i.p.v. door de Here Jezus in beslag genomen te zijn. De duivel heeft kans gezien om veruit de meeste gemeenten ofwel helemaal dood te maken, helemaal morsdood te krijgen, ofwel bezig te doen zijn met onderdeeltjes. En maar debatteren. En maar roepen: “Ik heb gelijk,” De duivel zegt (applaus): “Mooi, ze zijn weer bezig. Weer een debat, weer een discussie.” Ze vliegen van het ene eind naar het andere eind. Maar over de Here Jezus Zelf en over Zijn komst en over de werkelijke problematiek van vandaag: Niet gepraat. Dinsdagavond ga ik er over verder, als het gaat over de opname van de Gemeente. Maar ik wil zo graag duidelijk maken, lieve mensen, dat de duivel probeert om alles stuk te krijgen. En we zien niet meer wat het grote, grote probleem is. We zien niet meer wat er in Europa gebeurt. We zien niet meer wat er aan machtsblokken hier ontstaan. We zien niet meer hoe de krachten zich bundelen om de storm zo hoog mogelijk te doen zijn. En ze zitten En ze zitten midden in het water en ze weten geen kant uit te kijken, niks. Totdat, ja, totdat Hij komt. Totdat Hij komt. En Hij neemt het schip mee. Ze nemen Hem niet mee. Dat zou ook niet kunnen denk ik. Maar Hij neemt hen mee. Begrijpt u waarom ik zo pietluttig ben op het punt van Hij nam het schip mee. Dat is nu precies wat de Here doet. Hij neemt het schip mee. En Hij brengt hen aan land. En dan is de vraag natuurlijk onmiddellijk: Hoe komt U nu hier. We hebben niks zelf….. Nee, dat klopt. Niemand snapt het. Wie zou het dan snappen. Wie zou dan kunnen begrijpen hoe de Here Jezus daar aan land kwam. Niemand kan het toch snappen. het is Zijn weg, Zijn wonder, Zijn genade, Zijn liefde, dat Hij op dat moment daar aan land is. en daar geweldige dingen doet. Dat is wat hier als achtergrond ligt. En nu begrijpt u het. Wanneer zal de Here Jezus de nood van Israël die zo gigantisch hoog is, en die golven die zo enorm beuken, wanneer zal de Here Jezus die nood, die golven gaan bestraffen en tegen die golven gaan zeggen zwijg, wees stil. Dat is pas als Hij terug komt.

Nou, u en ik, u die nu gelooft, u die nu een kind van God bent, leven uit God hebt, u gaat naar de Here Jezus. Dat is niet voor Israël het einde. Dat Israël zal dan juist in die tijd in een grote nood terecht komen. En in die nood komt de Here Jezus naar hen toe. En als Hij komt, en als Hij hier op aarde verschijnt, begint het duizendjarig vrederijk. Nou, daarover gaat het hier, in profetische zin. Hij brengt Zijn volk bij elkaar. En Hij, bij de zee van Tiberias, hoe mooi dit ook klinkt, zelfs een lied van, is de zee van de volkeren, genoemd naar Tiberias, genoemd naar de koning van de Romeinen. En het feest van de Joden, dat is ook al niet meer het feest van de Here, het feest van de Joden was nabij. Zo lag het daar. En de Here Jezus zegt: “Ik wil ze nu wat te eten geven. Nu ben Ik gekomen om ze voedsel te geven, om ze eten te geven.” En Hij wist wat Hij zou gaan doen. Hij vraagt aan Philippus: “Hebben we nog iets.” Hij wist Zelf wat Hij zou gaan doen. Hij wist heel precies wat Hij zou gaan doen. Hij zou een maaltijd aanrichten. Hij zou voor de volkeren vette spijzen laten komen. hij zou ze voeden. Hij zal ze laten genieten van Zijn volheid. En dat is nu precies gebeurd.

Als je nu daar komt, dan denk je: Here, had ik dit maar eerder gezien. Had ik dat maar ontdekt. Dan gaan we niet meer alleen zeggen: “O ja, dit is de locatie van die vijf broodjes en die twee visjes, o ja. Ja, ja, je kunt het nog zien.” Mandje, nog een mozaïek vloertje, weet je wel. Kun je mooi….., ik weet niet of je er wel eens geweest bent, maar je ziet het gewoon op de grond. Ja, ja, ja, mooi. ja. Dat woord Tabcha betekent dan: zoveel bronnen. Die zijn er ook geweest hè, water, bronnen. Ja, daarom waren er zoveel vissen. Het is alsof de Here zegt: “Kijk, Ik heb voedsel uit het land, gerst, en ik heb voedsel uit de zee, vissen. Ik heb iets uit Israël en ik heb iets uit de volkeren.” Het is maar dat u het weet, probeer het maar eens. En dit wordt samen een maaltijd. Niet dat dit op zich iets voorstelt. Want de Here kan met mijn en jouw inbreng wel wat doen, maar Hij moet het wel doen. En Hij doet het ook. In Zijn handen wordt het een wonder. En dit wonder is genoeg voor 5000 aanwezige mannen. Misschien nog een keer 5000 vrouwen, kan best, maar in ieder geval 5000 mannen alleen al.

Overgebleven brokken, 12 manden vol. Valt er dan ooit een keer een muntje bij u en denkt u: Zou dat hetzelfde zijn als die vruchtbomen die elke maand hun vrucht geven, 12x per jaar. De Here zegt: “Het is niet alleen voor jullie, dit is een soort repeterende breuk. Dit gaat door, elke maand opnieuw. Elke maand een nieuwe portie.” De Here is zo geweldig, zo groots. Wat gaat er gebeuren als de Here Jezus uit de hemel komt. Nou, in de eerste plaats, de storm verdwijnt. Tweede plaats, je komt aan land. Derde plaats, Hij is er en Hij richt een maaltijd aan. En zoals in het hoofdst. 21, daar komen we later nog een keer op, er zijn nog wat andere elementen ook, maar zoals in hoofdst. 21 de Here zegt: “Komen jullie maar”, en ze komen aan land en dan is er een kolenvuur, en daar ligt al vis en brood. Dat is al klaar. De Here heeft al een maaltijd bereidt. En ze mogen ontbijten daar, met de Here, daar bij Mensa Christi, zoals dat vandaag heet, bij de tafel van Christus. Daar mag je aanzitten, daar mag je genieten. Ik hoop dat u het ziet. Ik hoop dat u ziet dat de Here Jezus zo geweldig is, en dat Hij zegent. We leren onze kinderen een beetje een liedje en zeggen: “Waar Jezus komt daar zegent Hij. Dat doet hij u, dat doet Hij mij.” Heb je de Here Jezus ontmoet. Het is een geweldig voorrecht, om soms op zo´n locatie in Israël, om daar het gevoel te hebben: Hier was de Here Jezus, hier zegende Hij. Hier deelde Hij uit of liet Hij uitdelen. Hier was overvloed, hier kon je echt aanzitten. En je kon je tegoed doen aan de zegeningen van Hemzelf. Een superplek. Maar de Here is ook hier. Waar twee of drie zijn in de Naam van de Here Jezus, daar is Hij in het midden. En Hij wil je nu recht in je hart kijken en tegen jou zeggen: “Ik wil je zo graag zegenen.” De Mohammedanen hebben een God waar ze zo bang voor zijn. En ze moeten alles doen om een klein beetje in een goed blaadje te komen. Ze gaan desnoods een zelfmoordpoging wagen, zo´n zelfmoordcommando vormen. En ze laten zichzelf opblazen want ja, dan, dan kom je er. Of ze er wel of niet komen laat ik los, kan ik niet beoordelen. Maar ik weet alleen het andere. De Here Jezus zegt: “Ik ben het brood dat uit de hemel neergedaald is. Ik ben gekomen om je te voeden. Ik ben gekomen om je blij te maken. Ik ben gekomen om je te zegenen.” We hebben een God die zegent. We hebben een Heiland die zegent. We hoeven niks. We hoeven helemaal niks. Is er dan geen verkopertje die nog weet ik….. Ja, er zijn nog wat verkopertjes, maar dat stelt ook niks voor. En die nieuwe generatie die heeft misschien nog iets aan te dragen, die heeft misschien nog een paar broodjes, maar daar red je het niet mee. De enige mogelijkheid is de Here Jezus Zelf. Hijzelf, Hijzelf, Hij is de Enige die zegenen kan en zegenen wil. En we hebben een Heiland die komt om te zegenen. Die, als Hij in ons midden is, niet je bestraffend aankijkt en zegt: “Je had vandaag wel eens wat beter kunnen doen. En je had eens wat harder moeten lopen. Of je had teksten uit je hoofd moeten leren. Of je had misschien harder moeten zingen of zachter moeten zingen.” Nee, het is niet Iemand met een rood potlood die alleen maar onvoldoendes geeft. Het is Iemand die je aankijkt en die zegt: “Hier, alsjeblieft, dit is voor jou. Ik heb het klaar liggen voor je. Dit is een zegen.” Hij wist wat Hij ging doen, wat Hij wilde gaan doen. En Hij deed het ook.

Ik hoop zo dat je blij bent met de Here Jezus. Dat je gelukkig bent met de Here Jezus, dat je niet bang bent voor Hem, maar dat je blij bent met Hem. En dat je gewoon durft te zeggen: “Here Jezus, wat is het fijn om U te kennen, wat is het schitterend om met U te gaan, om bij U te zijn, om in Uw nabijheid te zijn, in Uw tegenwoordigheid te zijn, om te genieten van Uzelf. Hij wil je zo graag zegenen. En Hij zegt: “Dat doe Ik middels Mijn vlees en middels Mijn bloed”, hier in dit hoofdstuk. Mijn vlees is ware spijs en Mijn bloed is ware drank. Is moeilijk hè. Maar je voelt het aankomen: Mensa Christi, tafel van Christus, tafel des Heren, brood, vlees, brood en wijn. Het lichaam van de Here Jezus en het bloed van de Here Jezus. Je voelt het aankomen, je ziet het a.h.w. naar je toe schuiven: Kijk eens, dit heb Ik voor jou gedaan. Doe dit tot Mijn gedachtenis. Maar het is voor jou een bemoediging. Jij mag het eten, jij mag ervan gebruiken. Jij mag genieten. Ik wil zo graag dat jij aanligt, dat jij dichterbij komt. Ik wil dit allemaal aan jou geven. Dat geeft Hij nu aan jou. Zo is de Here Jezus, zo is de Heiland. En Hij gebruikt daarbij hele kleine knechtjes, hele kleine verkopertjes, die misschien nog vijf broodjes en twee visjes hebben. Maar die kunnen het ook niet. Die kleine verkopertjes die hebben ook niks. De hebben hooguit nog een heel klein beetje voorraad. Maar wat is dat voor zoveel. Je moest eens weten hoe vaak ik me zo klein voel, met al m´n woorden misschien. Dat ik het niet kan, dat ik niks te geven heb, dat ik in feit alleen maar kan….. O Here alstublieft, maak er iets bijzonders van. Doet U er iets bijzonders mee. En dat doet Hij. Hij wil er iets bijzonders mee doen, want Hijzelf zegent. En diezelfde Heiland helpt je dwars door de stormen van het leven heen. Diezelfde Heiland brengt je aan de andere kant, zonder mankeren. Maar diezelfde Heiland brengt ook Israël, Zijn oude volk, terug. Brengt dat volk terug, dwars door de storm van deze wereld heen, de zee van Tiberias, de zee van de volkeren, onstuimig tot en met. En dwars door de storm van die zee heen komen ze aan, daar waar de Here Jezus Zijn tafel heeft. Waar Hij Zijn volk, Zijn spijze aan Zijn volk gaat geven.

Dit stukje uit Joh. 6 wijst heen naar de toekomst, waar de Here Jezus Zijn volk zal verzadigen. Niet iedereen snapt het. Er zijn mensen die zeggen: “Ik kan dit niet volgen. Deze rede is hard”, weet je wel. Als het dan gaat over het sterven van de Here Jezus, dat dat de enige mogelijkheid is. Zijn vlees en Zijn bloed. Dan zeggen ze: “Ja, dit kan niet.” Nou, het is alsof je vandaag anno 2004, 2005, hetzelfde hoort. Als je het hebt over het sterven van de Here Jezus, dat dat de enige oplossing is. Nou, we willen geen, nou, we willen toch niet dat iemand anders voor ons sterft. Dat kunnen we zelf wel. Zo ongeveer. Eigenwijs tot en met. Deze rede is hard. Als je het vandaag hebt over de Here Jezus en over Zijn bloed en over Zijn lichaam, dan heb je ook een probleem. Binnen de kerk soms al. Er zijn professoren die zeggen: “Niks bloed, geen bloedtheorie of bloedtheologie, niks daarvan.” Precies hetzelfde als toen. Maar de Here Jezus zegt: “Als je dit niet eet, dan heb je geen deel aan Mij. Ik ben echt de enige, de enige bron.”

En de Here Jezus vraagt aan de discipelen nadat velen weggegaan waren, dit eigenlijk niet wilden: “Willen jullie ook niet.” “Tot Wie, U, U hebt”, zo prachtig gezegd door Petrus, “Here God, Gij hebt woorden van eeuwig leven. En wij hebben geloofd en erkend dat Gij zijt de Heilige van God.” Ik ben ervan overtuigd dat Israël zal zeggen: “U bent de Heilige van God.” En ook al zeggen anderen: “Is dat niet een zoon van Jozef.” Nog niet zo lang geleden hoorden we iemand zeggen: “Nou, als Hij dan komt, als Jood, dan zullen we Hem vragen: Was U al eerder hier soms.” Het was niet zover hier vandaan hoor, dat dat gezegd werd. Is dat niet de zoon van Jozef. Bent U al eerder hier geweest. Ja, we weten wel dat U uit Nazareth komt, zoon van Jozef. Dat is hoogmoed, dat is arrogantie. Hij is niet de zoon van Jozef. In de letterlijke zin ook niet. Hij was de Zoon van God. De Heilige van God. Wat zeggen de discipelen. “U bent de zoon van Maria of de zoon van Jozef”, nee, “U bent de Heilige van God. En we hebben geloofd en erkend dat U de Heilige van God bent.” Dat zal Israël t.z.t. zeggen. Hoe ook de tegenstand is, te zijner tijd zullen ze volledig erkennen: U bent het toch, Here Jezus, U bent het toch. U bent de Messias.

Nou, die hele geschiedenis van Joh. 6, die toen daar zo is gebeurd, heeft een verstrekkende profetische betekenis voor straks. En ze zullen Hem erkennen. Ze zullen zeggen: “Wij willen niet weggaan, want U hebt de woorden van eeuwig leven. Bij U willen we zijn. En de Here Jezus zegt: “Heb ik niet u, de twaalven, uitverkoren. heb ik niet u, 12 stammen, uitverkoren.” En uit één van die stammen is de antichrist gekomen. Nou, dat laat ik maar even los, want dat gaat me even te ver op dit moment, maar dat is wel wat hier staat: Eén van u. Het is zo super dat je hier, in dit hoofdstuk, hoofdst. 6 van Johannes, eigenlijk een bemoediging krijgt voor jezelf, een terugblik krijgt naar wat er toen is gebeurd, daar, echt is gebeurd daar. En op hetzelfde moment een vergezicht krijgt naar de toekomst. Dus je krijgt drie dingen: Bemoediging voor jezelf, terugblik naar wat er toen is gebeurd en een vergezicht naar de toekomst. Want dit gaat nu dan helemaal, helemaal in vervulling.

Ik verlang er naar dat de Here Jezus zo schittert. Dat iedereen zegt: “Die willen we hebben als Koning. Die willen we hebben als Koning. Hij is onze Koning.” Toen ging de Here Jezus ontwijken omdat Hij niet wilde dat ze Hem Koning zouden maken, want de motieven waren niet helemaal zuiver. Maar dat gaat in de toekomst anders. Hem willen we hebben als Koning. Hem willen we zien. Dan begint het rijk van Koning Jezus, Zijn duizendjarig vrederijk. Zijn koninkrijk begint, Zijn heerschappij begint. En Hij zal als zegenkanaal daar zijn. Dat is een schitterend vergezicht. Ik hoop dat u nog een keer Joh. 6 leest, woensdagmorgen. Ik wil geen grapje meer maken. En dat u ontdekt dat de Here Jezus zo bijzonder is. En doet u dan donderdagmorgen nog een keer iets dergelijks. En zegt u dan eens een keer tegen de Here Jezus: “Here Jezus, ik wil U ook bedanken dat U zo in mijn leven gekomen bent. Soms is het juist in de storm. Toen het allemaal donker was en het niet zo helder meer was en ik het niet meer zag en ik eigenlijk niet meer wist waar ik heen moest. Toen was U daar ineens. En hoe ik aan land gekomen ben, hoe ik bij U terecht kwam.” Als u me diep in mijn hart kijk, dan weet ik het niet eens precies. Ja, precies. Ineens, was het, ja, toen was je er. Hoe kwam je dan daar. ja, dat weet ik ook niet precies, maar ik was er ineens. Dat is het wonder van de bekering. En dat is ook het wonder van de herstelling van Israël, het herstel van Israël. Dat is altijd het wonder. Nou, een aantal dingen lopen dus door elkaar. ik heb ze ook wat door elkaar heen gebruikt zo nu en dan. Maar probeert u het onderscheid te pakken dat er toen een hele bijzondere geschiedenis plaatsvond. Dat het voor jou en voor mij ook een hele bijzondere opsteker is, een buitengewone bemoediging. Maar ook dat ditzelfde proces straks nog een keer gaat gebeuren als de Here Jezus komt. Als de storm ineens voorbij gaat en Hij daar zegent. En met Israël worden de volkeren gezegend. Daar, de zee van Tiberias, daar gebeurt het. Een geweldig stuk zegen vanuit de hemelse volheid. De Here zegene ons allen, amen.