Loofhuttenfeest in de toekomst

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

8. Loofhuttenfeest in de toekomst.

Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis,
5 december 2004

Lezen: Joh. 7:1-12; 14-15; 25-26; 30-39: 45-46; 52-Joh. 8:1We proberen in deze avonden dit prachtige evangelie van Johannes te bezien, maar ook om de profetische vergezichten in ditzelfde evangelie waar te nemen. Ik doe een poging om het te vertellen. En ik hoop dat u een poging doet om het te begrijpen, om het op te pakken. Voor mij is het meer dan de moeite waard. Dus ik doe graag een poging. En ik wil dat ook graag blijven doen. Ik denk dat het heel erg bijzonder is om in dit evangelie dingen te zien die je misschien nog nooit eerder zag. Het is een evangelie, een blijde boodschap, een evangelie, waarin de prachtige kleuren van de Here Jezus naar voren komen, de schittering van de Here Jezus zichtbaar wordt. En Johannes schrijft over de Here Jezus als JHWH Zelf, als de Spruit die God Zelf is, die JHWH Zelf is, die de Here is. En dat is heel uniek. Je ziet in dit evangelie dingen die je in de andere evangeliën helemaal niet ziet. Maar samen mag je zeggen dat het evangeliegebeuren, dus die vier evangelisten, ons een portret schilderen van die ene Spruit met die zoveel aspecten, met die zovele kleuren.En nu zijn we in Joh. 7 aangeland, het stukje over de gebeurtenissen rondom het loofhuttenfeest. Het loofhuttenfeest was het laatste van de feesten des Heren. Als u alle 7 feesten of gezette hoogtijden van de Here wilt gaan nakijken, dan komt u in Lev. 23 terecht. Daar vindt u ze alle 7 opgesomd, achter elkaar. Het begint met het Pascha, dan het feest van de ongezuurde broden, dan het gebeuren rondom een garf, een schoof van het eerste koren, de garf der eerstelingen. Dan het wekenfeest, dat noemen we ook wel het pinksterfeest, dat hebben wij ervan gemaakt, maar goed, het is toch met het getal 50 verbonden. En dan een tijdje niets, en dan in de zevende maand opnieuw 3 gezette hoogtijden. Het feest van het geklank, en dan grote verzoendag en dan het loofhuttenfeest. En nu kunt u allerlei dingen gaan lezen over het loofhuttenfeest, en dat is heel nuttig. Moet u vooral doen, moet je echt gaan doen. Je kunt er van alles uit leren ook.Het loofhuttenfeest was bedoeld voor Israël om terug te denken aan dat wat de Here hen had getoond in de tocht die vooraf ging. Woestijn, in de tijd van Israël toen ze uit Egypte kwamen. Maar ook in het algemeen, Gods zorg en Gods zegen, Gods bescherming van de tocht onderweg. En Israël mocht dan zich verheugen voor het aangezicht van God. Dat deden ze ook, met palmtakken en andere looftakken. En ze moesten loofhutten gaan bouwen. Sommigen doen dat nu nog. Sommigen hebben ook een klein takje aan de voordeur, en dat is het dan ongeveer vandaag. Een heel klein restantje van wat er ooit geweest is. Maar goed, destijds gingen ze loofhutten bouwen, en ze gingen ook in die loofhutten wonen. En ze gingen tijdens dat wonen in die loofhutten, de Here danken, de Here prijzen. En op de achtste dag van dat loofhuttenfeest, dat is het enige feest met een hele merkwaardige achtste dag, op die achtste dag dan was er een bijzondere dienst. En ja, dan gebeurde er ook verschillende dingen. O.a. dat er water gehaald werd uit de bron, en dat water werd uitgegoten op het tempelplein in de tempel dus, als een soort symbool van de rivier van water die er ooit geweest is in de woestijn. Maar ook zorg van God die er altijd is geweest en ook zou blijven. En Israël stelde zich dan onder de zegen van de Here.Als je dat nu in Jeruzalem meemaakt, dan ja, dan is dat toch wel iets feestelijks, iets bijzonders. Ik mocht er één keer bij zijn. Misschien zijn er hier wel geweest die er ik weet niet hoe vaak geweest zijn. Maar ik zag voor me een man en een vrouw staan met een paar kindertjes. En hij spreidde zijn gebedskleed uit over zijn gezin, over zijn vrouw en over zijn beide kinderen. En dan sprak de rabbi, de hoofdrabbijn een bijzondere zegen uit, de zegen uit Num. 6. Daarover straks nog iets. En ja, dan wordt het helemaal stil en hij spreidde dus een soort gebedskleed uit en de zegen kwam op hen neer en iedereen zei: “Amen, amen.” En dat is daar bij de klaagmuur toch wel heel indrukwekkend. Schitterend moment dat Israël zich, ook vandaag, zo onder de zegen van de Here stelde, en ze zo eigenlijk die zegen van de Here vroegen.

Loofhuttenfeest, een heel bijzonder gebeuren. het is hier in Joh. 7 opnieuw een feest van de Joden genoemd. En ik heb dat al eerder geduid, een beetje gedevalueerd. het is niet meer het feest van de Here, primair, maar het is al geworden tot een feest van de Joden, afgegleden, afgezakt. De route, het routineuze, het gewone was er nog, weet je wel. De gebeurtenissen moesten nu eenmaal zo plaatsvinden. Dat was er nog steeds, maar de inhoud was anders geworden. De feesten waren bedoeld om de Here vreugde te geven, temidden van Zijn volk. De Here wilde zo graag genieten, Zijn vreugde vinden binnen Zijn volk.

En de broers gaan op en zeggen: “Als je nou toch openlijk bekend wilt worden, dan moet je daar zijn. Dan moet je niet hier in een gehuchtje blijven, in Nazareth of in Galilea, maar dan moet je naar Jeruzalem. Daar zijn veel mensen, daar zijn ze allemaal.” Maar zijn broers geloofden niet in Hem. Hij, hét centrum van de hemel, hét centrum van al Gods welgevallen, werd niet geloofd. En die broers die kom je later tegen in het NT, in elk geval twee van hen: Jacobus en Judas, de broeders des Heren. Ze geloofden in Joh. 7 niet in Hem. In de brief van Jacobus zegt Jacobus, als hij het heeft over de Here Jezus: De Here der heerlijkheid. Hij is bekeerd. En Judas zegt: “van Jacobus ben ik een broer.” Is ook bekeerd. Die zijn veranderd.

Maar in de tijd van Joh. 7, was dat feest uitgehold. Ze gaan wel, want dat hoort zo. De vorm, de route, het routinematige, is er nog steeds. Maar de inhoud, daar is heel wat mee mis. En de Here Jezus zegt: “Ik ga niet op naar dit feest.” En halverwege ging Hij wel. Nou, dat vinden wij vreemd. Had Hij ook gelijk kunnen gaan. Had ook gelijk tegen de broers kunnen zeggen: “Nou, Ik wacht nog paar dagen, dan kom ik wel”, zoiets. We hebben allemaal onze vragen. Tijdens het feest is er over Hem veel gemompel. Ze zoeken Hem. Als Hij komt gaat Hij ook onderricht geven in de tempel. Ze hebben natuurlijk weer problemen, want Hij heeft geen diploma. Dus dat mag eigenlijk niet. Hebben geen theologische opleiding, en dan mag je niet preken. Zo was het toen ook al ongeveer. Soms is het nu nog zo. Maar goed, laat ik dat allemaal maar laten staan. Er is gemompeld over Hem, er is kritiek over Zijn manier van optreden. Dienaren worden uitgestuurd door de overpriesters en de schriftgeleerden om Hem te grijpen. Die gaan op pad, horen Hem, zijn onder de indruk van Hem en zeggen: “Nou, nooit heeft een mens gesproken zoals deze mens.” Komen onverrichter zake weer terug. Debat ook in hun raad. Nicodemus zegt nog een keer: “Ja , maar je kunt niet zomaar iemand veroordelen, alleen maar als je echt naar Hem geluisterd hebt.” Ga maar na, er komt toch geen goeds uit Nazareth. En dan stokt het verhaal.

Maar in die tussentijd is de Here Jezus wel in Jeruzalem op het loofhuttenfeest. En op die grote, die achtste dag van het feest spreekt de Here Jezus over stromen van levend water. Op een moment dus dat er water uitgegoten wordt in de tempel, op het tempelplein, spreekt de Here Jezus over stromen van water die uit iemands buik zullen vloeien door de Heilige Geest die zou gaan komen. Nou enfin.

U kent nu de geschiedenis, en dat had u ook al gelezen, misschien al voor vanavond gelezen. En nu wil proberen om dit te plaatsen. Toen was het zoals ik het schetste. Straks gaat er iets bijzonders gebeuren met dat loofhuttenfeest. Dat zuig ik niet zomaar uit mijn duim, dat staat in de bijbel. In het boek Zacharia, het laatste hoofdstuk, hoofdst. 14, vindt u dat: Van jaar tot jaar volkeren zullen heentrekken naar Jeruzalem om het loofhuttenfeest te vieren, dit feest. Kennelijk niet de andere feesten, maar dit feest. En als ze niet gaan, dan is er geen zegen. De zegen van regen, door de Here gegeven, waardoor er gewas kan groeien, was gekoppeld aan het loofhuttenfeest. En er wordt bijgezegd: “Nou ja, zelfs al zou dan ook in Egypte geen regen vallen”, daar valt namelijk nooit regen, “en ze gaan niet, dan zullen ze toch ondervinden van: We missen de zegen des Heren.” Die zouden namelijk kunnen zeggen: “Bij ons regent het nooit, dus of ik nu wel ga of niet ga, dat verandert dus niet.” Maar zelfs dat wordt hier genoemd van: Kijk uit. En we hebben dit vaker gebruikt, broeders en zusters, beste vrienden, om te vertellen dat er een tijd gaat komen, dat elke, elke regering een deputatie afvaardigt om naar Jeruzalem te gaan. Nou, concreet, meneer Balkenende en meneer Bot, Ba en Bo, of andersom, ze gaan naar Jeruzalem. Als ze dan nog hier zijn zal ik maar zeggen, als ze nog iets in de melk te brokkelen hebben. Dan gaan ze naar Jeruzalem, en ze gaan daar hun opwachting maken. Ze gaan hun geloofsbrieven aanbieden, elk jaar, van jaar tot jaar. En alle anderen ook. De mensen die nu iets te vertellen hebben in Iran, die gaan ook. En de mensen die straks iets te vertellen hebben in Irak, die gaan ook. en ja, al die Arabische staten, ze gaan, van jaar tot jaar, om het loofhuttenfeest in Jeruzalem mee te maken. Nou, dat zal een geweldig gebeuren zijn, want pannen en potten die zijn gewoon te weinig voorhanden, om alle offergaven te verwerken. Dat gebeurt, zegt de bijbel, Zach. 14. Jaar in, jaar uit, loofhuttenfeest in Jeruzalem. Elke tong belijdt dat Hij de Here is. Elke knie buigt dat Hij de Here is. Alles buigt voor Hem. Dat gaat gebeuren. En je zou nu al een beetje verlangen naar het moment waarop die volkeren massaal, elk jaar optrekken naar Jeruzalem, om daar de Here der heren, de Koning der koningen te eren. Dat gaat gebeuren. Het loofhuttenfeest is dus ook in de toekomst belangrijk. Ik probeerde vanuit het Johannes-evangelie, de lijn te trekken naar de toekomst, het profetisch vergezicht, het profetische woord. En dat is zeker zo als het om het loofhuttenfeest gaat.

Daar gaat iets aan vooraf. halverwege het feest, voordat die echte grote dag aanbreekt. De Here laat in elk geval zien: Dat feest, zoals het daar, toen gevierd werd, dat is niet het feest van de Here. Dat is heel duidelijk uit Zijn houding. Maar dat doet niets af aan het feit dat de Here ook aangeeft dat dat loofhuttenfeest op zich, een buitengewoon gebeuren is. Nu wordt het ingewikkeld. Er zijn niet zoveel gebeurtenissen in de bijbel die op de achtste dag plaatsvinden. Op die grote dag, die achtste dag van het feest, gebeurt dit, wat we nu voor ons hebben. We lazen dat samen: Op de laatste, de grote dag van het feest. Dat is de achtste dag. Ik wil u herinneren aan een andere achtste dag, en dat is in Lev. 9, als die priesterwijding zijn beslag gekregen heeft, zeven dagen lang, dan is er een achtste dag, waarop Aäron en zijn zonen het priesterambt ook echt gaan invullen. En ze gaan al die offers die genoemd zijn brengen, en ze leggen dat op het altaar. Er gebeurt veel op die achtste dag. En de heerlijkheid des Heren, de glorie van God zou gaan verschijnen: Opdat gij de heerlijkheid des Heren zult gaan zien, wordt drie keer gezegd in één hoofdstuk, Lev. 9. En die heerlijkheid van God werd ook zichtbaar. En wat gebeurt er dan. Op een bepaald moment is alles klaar, is alles in gereedheid gebracht, zijn de offers daar. Wordt het morgenoffer, dat staat er merkwaardig genoeg bij, er aan toegevoegd. En dan ineens staat Aäron daar, voor het eerst in de bijbel, met zijn handen omhoog, en hij zegent het volk. Welke zegen? U hoeft niet te raden. “De Here zegene u en de Here behoede u. De Here doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig. En de Here verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede.” Zo stond Aäron daar toen. Dat is de eerste keer dat Aäron die zegen uitspreekt. Dat de zegen van God middels Aäron over het volk werd gelegd. Het is niet zo vreemd, dat op het loofhuttenfeest de zegen des Heren, vandaag nog steeds, zo wordt uitgesproken. Dat komt niet zomaar uit de lucht vallen. Dat komt uit Leviticus, maar de zegen zelf wordt genoemd in Num. 6. Daar staat die z.g. hogepriesterlijke zegen. Ik zei al: “Nu wordt het even moeilijk.” Even slikken, maar probeer het bij te benen, probeer het mee te krijgen. Als Aäron zo die zegen heeft uitgesproken, dan gaat hij met Mozes in het heiligdom. Samen, ook Mozes. En als ze daar ingegaan zijn, dan komen ze er weer uit, en dan gaan ze staan, en dan zegenen ze nog een keer, samen. Mozes en Aäron samen zegenen het volk. Er komt een vuur uit de hemel. Toen het volk dat zag, juichten ze allen en ze zagen de heerlijkheid en de glorie van God. Een geweldig moment dat er vuur uit de hemel kwam, het offer verteerde en, enfin. Alles in vuur en in vlam. Zo zou je het kunnen zeggen. Een geweldig moment, daar. Die zegen van Aäron, u hoort het misschien elke zondag, na de dienst. Ik heb dat altijd gehoord. Ik dacht: Dat hoort zo. Als je bijna aan het eind bent van de dienst, bijna aan de koffie, nog één keer die zegen. Ik begreep nooit helemaal hoe het zat. U kunt zeggen: “Dat is stommigheid in je opvoeding.” Dat zal wel, maar ik snapte het ook niet helemaal. Later heb ik gehoord dat dat helemaal niet kon. Weet je wel, er zijn altijd critici die zeggen: “Dat kan niet. je kunt toch niet zomaar zo’n dominee in de jurk van een hogepriester duwen, dat bestaat helemaal niet. Die man is helemaal geen hogepriester. Dat is bovendien de dienaar des woords. Nou, wie wordt nou gezegend, het meerdere of het mindere.” Ja, het mindere natuurlijk. het meerder zegent het mindere. Dat is toch duidelijk. Ongetwijfeld, zegt de bijbel, wordt het mindere door het meerdere gezegend. Nou, die man die zegt dat hij dienaar is, en dan ineens draait dat zich om, dan is hij ineens de baas, dan is hij ineens de meerdere en zegent het mindere. Terwijl de bijbel zegt: “Wie is nu meer. Hij die dient of hij die aanligt.” Nou, zij die aanliggen. Wie liggen nu vanavond aan, u. U zit, hoop ik, lekker te eten. U krijgt te eten, u ligt aan. En wie is er nu meer. Zij die aanliggen of hij die dient. Nou, ik ben knechtje, dienaar des woords, dus u bent meer dan ik. Als er dan toch gezegend moet worden, dan moet u mij zegenen. Snapt u. Dus al die kritische dingen, die hebben we allemaal al gehad. Hebben we allemaal al gehad. Dat is allemaal al een keer geweest. Ik wil niks onderuit schoffelen, helemaal niet. Ik wil u niet bezeren. Dat doe ik niet. Dat is veel te gevoelig en veel te teer om kapot te maken. Maar ik wil alleen maar zeggen, dat je misschien wel eens wat nauwkeuriger mag kijken naar wat daar gebeurde, en wat er nu eigenlijk nog gebeurt. En als je een beetje napluist, en ik hoop dat u dat een keer doet, dan ontdekt u natuurlijk dat er drie keer het woordje JHWH gebruikt is in de grondtekst. De Here zegene u, de Here verheffe Zijn aangezicht over u en de Here doe Zijn aangezicht over u lichten. Dus drie keer JHWH. En de Joodse uitleggers vertellen ons dat er steeds een verschillend accent ligt. En ze schrijven daar nota bene bij dat het een mysterie is, dat dat een geheimenis is, dat dat een verborgenheid is, en dat nog niemand precies weet hoe dat zit. Er is nog iets merkwaardigs aan de hand. En dat is dat die zegen van de hogepriester alleen maar gedaan werd bij het morgenoffer. Dat is in Lev. 8 ook zo, samen met het morgenoffer. Die wordt nadrukkelijk genoemd. Maar niet bij het avondoffer, want dat zou voor de Messias zijn. Heel merkwaardig. Ik hoop dat u het kunt pakken. Toen de hogepriester op het tempelplein bij het morgenoffer, op die bijzondere dag waarop de Here Jezus gekruisigd werd, op het tempelplein de zegen uitsprak, werd de Here Jezus aan het kruis gespijkerd. Op het uur van het morgenoffer, zegt de bijbel, heel precies. En op het uur van het avondoffer, nee, de hogepriester sprak de zegen niet uit, maar er sprak iemand anders iets uit: “Het is volbracht”, precies op dat uur. 24 uur later, nee, niet helemaal, een paar keer 24 uur later, komt de Here Jezus, ten tijde van het avondoffer, toen het avond was op die eerste dag van de week, dat is het uur van het avondoffer, kwam de Here Jezus bij de discipelen. Die hadden de deur dichtgedaan, want ze waren bang voor de Joden. Wat zei de Here Jezus. Het is zo schitterend als je dit ziet. Dan zie je Hem die zegen brengen in dat kleine gezelschap. Los van al het gehakketak en geharrewar van Jeruzalem waar Hij niet welkom was, waar ze Hem niet wilden, waar ze Hem niet moesten. Daar brengt Hij die zegen. Acht dagen later, weer op die achtste dag, de Here Jezus. Nooit meer is de Here Jezus in Jeruzalem verschenen. Nooit meer heeft Hij en public iets gedaan op het tempelplein of zo, of in de straten, nooit meer. Hij is niet meer zichtbaar geweest. Ze hebben Hem niet meer gezien. “Als er dan getuigd moet worden”, zegt Paulus, “dan zijn er die, en die, en die, en die.” En ze worden bijna allemaal met naam en toenaam genoemd. Jij en ik, de deuren dicht uit vrees voor de Joden, een beetje apart gebracht, wij weten ervan. Even terug naar Mozes en Aäron. Hij is het heiligdom ingegaan, komt er weer uit, en zegent. Niet alleen de zegen van het morgenoffer, maar ook de zegen van het avondoffer.

En waarom dit bijzondere gebeuren. Omdat de Here Jezus terug komt. Omdat Hij uit de hemel komt, op die laatste, de grote dag van het feest. Omdat Hij dan komt, vanuit Zijn glorie, vanuit het heiligdom, vanuit de schittering van de hemel, om de zegen te brengen. De Here zegene u, en de Here behoede u: Israël in nood, in spanning, in gigantische hectiek, in een afschuwelijk drama. Jeruzalem geschonden en alles is kapot. Dan komt Hij met Zijn zegen. De Here verheffe Zijn aangezicht over u en zij u genadig: Een Geest van genade en van gebed. De Here doe Zijn aangezicht over u lichten en geve u vrede: De Koning komt, de vrede. De vrede van de Vredevorst wordt op hen gelegd. Op de grote, de laatste dag van het feest. Zegenstromen zullen uit Jeruzalem vloeien, de tempelbeek van Ez. 47. Het is onvoorstelbaar wat er dan gaat gebeuren. De zegenstroom is niet te stuiten. De zegenstroom is niet in te dammen. Een geweldig gebeuren: De zegen van God vanuit Jeruzalem. En overal waar die zegenstroom komt, daar is herstel, daar is vrede. Dat gaat dan gebeuren. Die grote dag van het feest, die laatste dag, stromen van water, van zegenstromen vanuit Jeruzalem. Dat is het plaatje hier in Joh. 7. Dat is wat er bedoeld wordt. En als je dit ziet dan denk je: Here Jezus, ik begrijp wel dat u niet Uzelf wilde promoten, dat U Uzelf niet wilde beken maken. Dat U niet een reclamecampagne voor Uzelf ging beginnen, door Uzelf daar aan te bieden, en Uzelf daar in het middelpunt van alles te zetten. Maar ik begrijp ook, Here Jezus, dat dienaren die dit gehoord hebben zeggen: “Nou, zoiets hebben we nog nooit gehoord. Dit is nog nooit gebeurd. Nooit heeft een mens gesproken zoals deze Mens. Nooit is zoiets naar ons toegekomen.” Ze zijn van de ene verbazing in de andere gevallen. Zou de Christus, als Hij komt, soms meer tekenen doen dan Deze? Nooit, niemand is met Hem te vergelijken. Een geweldige gebeurtenis in Jeruzalem.

De evangelieschrijver Johannes vertelt dit over de Here Jezus om u en mij duidelijk te maken hoe boeiend dit is, hoe geweldig dit is. Hoe die lijn van daar doorgetrokken wordt naar straks. En probeert u het maar eens. het zal best even moeilijk zijn, maar probeert u het eens. Ga maar herkauwen, ga nog maar een keer nadenken, nog maar een keer bidden. Vraag de Here om wijsheid, en de Here zal je informeren over wat Hij wil gaan vertellen in deze geschiedenis. Het is subliem. En als mensen Hem afwijzen, als mensen dan toch niet willen: Hij gaat naar de Olijfberg. Nou ja, daar kunt u alles mee. Maar dat is precies waar ik mee eindigde, dat is het einde van dit stukje. Ook al gaat iedereen naar huis, maar Hij gaat toch naar de Olijfberg. Wat je er ook mee doet, hij gaat evengoed naar de Olijfberg. Hij gaat toch naar de Olijfberg. Daar komt Hij, daar komt Hij. Daar komt hij. Zal ik het nog wat anders zeggen: “Als in Luk. 24 de Here Jezus naar de hemel gaat, dan staat daar bij dat Hij zegenend naar de hemel ging.” En dan staat er gelijk een engel bij en zegt: “En zoals Hij weggegaan is, zo komt Hij terug.” Ziet u Hem al komen, de echte Hogepriester, uit het heiligdom. Zegenend komt Hij. En die hogepriesterlijke zegen, de zegen van het loofhuttenfeest, wordt op het volk gelegd. En het volk kan niet anders dan zeggen: “Here God, we staan onder Uw gunst, we staan onder Uw zegen, we staan onder Uw vrede, we staan onder Uw liefde. Spr. 16:15, een hele merkwaardige tekst: het aangezicht van de koning, ja, dat is leven hè. Als het licht op het gelaat van de koning is, dan is er leven. Je kunt dus eigenlijk aan het gezicht van de koning zien of het goed viel of zo, of het goed zat met je. Nou, het licht op het gelaat van de koning. De Here verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede. Doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig. Het licht op het gelaat van de koning is het leven. Dat is echt wat hier staat, en wat in de toekomst inhoud en echte vervulling krijgt.

Jij en ik hebben naar toen gekeken, hebben naar straks gekeken, en jij en ik moeten ook naar nu kijken. Ik wil proberen om te zeggen wat ik denk. Ik ben de hogepriester niet, en die hogepriesterlijke zegen kan ik u wel voorlezen uit Num. 6, die kan ik u niet geven. Er is maar één die je zegen geven kan. Ik weet wel dat dat niet zo bedoeld is. Ik neem echt voor 100% aan dat geen enkele prediker de euvele moed heeft om te zeggen dat hij, of zij misschien, maar dat hij de hogepriester zou zijn. Maar misschien een suggestie is, wat de Joodse overleveraars gezegd hebben dat het gebruik van drie keer het woordje JHWH niet helemaal helder is. Waarom, en wat daar achter stak, dat dat nog een verborgenheid, dat dat nog een mysterie was, misschien mag je daarin iets lezen van 2 Kor. 13:13. De liefde van God, genade van de Here Jezus, en de gemeenschap van de Heilige Geest. Hoe ook, die bijzondere relatie die er is tussen de Vader en de Zoon en de Geest, misschien komt dat er uit. Maar jij en ik, die niet leven in de toekomst, ja, we kijken naar de toekomst, graag zelfs, maar jij en ik die vandaag leven, we krijgen dat straks als we naar Joh. 13 en zo kijken, en 14 en 15, wij zijn apart gezet. Jullie zijn echt apartelingen, apart gezet, onhoog gevoerd, gezegend. En de Here Jezus, Hij wil Zichzelf aan jou openbaren. Hij wil zich laten zien. We hebben te maken met enorme zegen. En die is gekoppeld aan het morgenoffer, ja. Maar ook, God zij dank, aan het avondoffer, aan dat wat volbracht is. Hij heeft het volbracht, het is volbracht. Het uur van het avondoffer is een heel bijzonder thema in de bijbel. Aan Elia, en de geboorte van Johannes de doper, en vele andere plaatsen. Het uur van het avondoffer. De Here Jezus, Hij komt. Daar waar de discipelen bij elkaar zijn, daar komt Hij in het midden. Hoort u het Hem zeggen: “Als je twee of drie in Mijn Naam bij elkaar brengt, of als twee of drie die in Mijn Naam bij elkaar zijn, dan ben Ik in het midden van hen”, Matt. 18:20. Hoe komt Hij dan hier. Nou, je durft het niet te doen, alsof ik het kan doen. Ik kan het niet doen, maar ik kan het wel citeren. Het is de bijbel, het is het woord van God. En ik kan zeggen: “Hij komt hier”, en zeggen: “De Here zegene u en de Here behoede u.” Wij weten niet wat allemaal te dragen is. Hoe moeilijk het is, hoe zwaar het is, hoe ver het is. Hoe moeilijk het wordt misschien, hoe de woestijntocht is. Maar de Here wil ons bemoedigen. Hij komt in ons midden. De echte Hogepriester en Apostel van onze belijdenis, Jezus, Hij komt in ons midden: Ik wil je zegenen, Ik wil je Mijn zegen geven. De zegen van de Here Jezus. En die zegen die gaat je behoeden. Die zegen die gaat je echt omringen. En Hij gaat je zegenen. En Hij laat je zien Wie Hij is. Kijk naar Zijn gezicht: Licht op het gelaat van de Koning is het leven. Kijk naar Hem, leven. En Hij verheft Zijn aangezicht over je en geeft je vrede. Is dat de vrede van afwezigheid van oorlog. Dat is de vrede die van God Zelf is. Die rust, die innerlijke rust, die schitterende vrede van God die je gedachten vervult en die harten en gedachten overeind houdt. Dat is die enorme vrede van God.

Je bent een heel bijzonder iemand, dat je onder die zegen staat, nu. Maar dat heeft ook consequenties. Vanuit jouw binnenste, zullen dan stromen van levend water vloeien. Dat betekent concreet, dat er, war wij komen, leven komt. Daar waar wij verschijnen, daar verschijnt de Here in Zijn zegenstroom. Daar waar wij, ja, ons ophouden, daar komt die zegenstroom ook. Dit is de Heilige Geest die in ons is. Dat zegt de Here Jezus. Dit zei Hij van de Geest die zij, die in Hem geloven zouden, ontvangen zouden. De Geest was er toen nog niet, maar die zou nog komen. Die is toen ook gekomen. het kenmerk van een christen is, misschien het makkelijkste kenmerk, is dat hij de Heilige Geest heeft. Maar dat is ook het moeilijkste op hetzefde moment, want dat kun je niet peilen. Kun je wel horen, maar kun je niet peilen. Kon je dat maar peilen, dan wist je heel precies wat een gelovige en wat geen gelovige was. Maar als iemand nu zegt dat hij gelovig is, is de Heilige Geest in zo iemand gaan wonen. En, dat is ook op het zelfde moment een zegenkanaal. Op hetzelfde moment. Zoals er straks vanuit Jeruzalem een zegenstroom gaat komen omdat de Zegenkoning daar is, zo is het nu ook. Jij en ik zijn een zegen. “Wees een zegen”, zei God al tegen Abraham. Wees een zegen. Ja, en wij, wij verlangen naar zegen. Wij willen wat ontvangen, wij willen wat krijgen. En als het niet in onze club gaat, dan gaat het maar in een andere club. We gaan net zolang op stap totdat we een zegen krijgen. Wij willen wat ontvangen. We willen een zegen ontvangen. Mag dat niet. Nou, ongetwijfeld. Ik zing het met onze kinderen: Waar Jezus komt, daar zegent Hij. Dat doet Hij u en dat doet Hij mij. Kan niet anders. Maar een zegen zijn voor je omgeving, voor je kinderen, voor je buren, voor je collega’s, voor de familie, het is soms zo moeilijk, het is soms zo zwaar. Wij willen zelf wat. Maar een zegen geven, nu dat is precies wat de Heilige Geest wil. Wat gaat er gebeuren als de Here Jezus uit de hemel komt en daar in Jeruzalem verschijnt. Wat gaat er dan gebeuren. Ja, zegen voor Jeruzalem, zegen voor Israël, zegen voor iedereen daaromheen. Zegen voor iedereen die daarmee in aanraking komt. Allemaal zegen, zegen, zegen. En dat is nu precies waarom een christen hier op aarde gezet is: Om een zegen te zijn.

Het loofhuttenfeest, het feest van de Joden was nabij. Ik snap de Here Jezus, die zegt: “Ik kan daar niet zijn. Ik kan daar toch niet zijn. Ze willen Me helemaal niet. Ik kan daar toch niet zijn.” En Hij gaat toch. Waarom, omdat Hij iets duidelijk wil maken aan jou en aan mij, dat er wel terdege iets aan de hand is met dat loofhuttenfeest. Dat er wel terdege hele bijzondere lijnen liggen naar de toekomst van ditzelfde loofhuttenfeest, van die geweldige zegen van de hogepriester. De achtste dag in Lev. 9 en de achtste dag in Joh. 7, plak die maar eens boven op elkaar. Beiden een merkwaardige achtste dag. En die merkwaardige achtste dagen geven ons zoveel zegen, dat we er bijna onder verpletterd worden. Here dank U. ik zie niet alle kracht. ik heb ook niet alle kracht. Maar ik zie wel dat de zegen van God op een geweldige manier naar ons toe komt. De Here wil ons zegenen, Hij wil ons nabij zijn. Amen