Kijken met de ogen van God

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

11. Kijken met de ogen van God.

Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis,
16 januari 2005

Lezen: Joh. 9:1-12; 33-30 Opnieuw een hele bekende geschiedenis uit het Johannes-evangelie. Vaak verteld voor de kinderen, voor de volwassenen. Een geschiedenis die misschien wel iedereen heeft aangesproken omdat iedereen toch wel een stuk herkenning heeft in deze man die daar zit te bedelen. Geen zicht heeft, ik heb het nu wat anders gezegd, en ook geen zegen kent. Alleen maar afhankelijk is van wat anderen geven. En hij die daar zo zit krijgt een ontmoeting met de Here Jezus. Wat er dan gebeurt, dat weet u. Hoe de farizeeën daarop reageren en hoe ze zijn ouders ter verantwoording roepen. En hoe die oude dan zeggen: “Nou ja, hij is onze zoon, maar hoe die echt beter geworden is, ik weet het niet. Vraag het hem zelf, hij heeft zijn jaren.” U kent al die teksten.Joh. 9, één van die prachtige geschiedenissen waar de Here Jezus een enorm wonder verricht, maar met een bedoeling. En daar gaat het ons om in deze avonden. Niet alleen om de geschiedenis nog een keer na te vertellen, maar om de profetische lijn die in deze geschiedenis ligt te ontdekken. We hebben misschien nog vastgehouden wat hieraan vooraf ging, al die hoofdstukken. Zodat ze misschien een beetje levendig zijn voor ons. En dat we het idee gekregen hebben van: Ja, daar is toch meer aan de hand in dat Johannes-evangelie dan het opsommen van een verhaal. Er is een grotere diepte te vinden in deze geschiedenissen. Die diepte is er ook vanavond.We ontdekten in hoofdst. 8, dat in die overspelige vrouw een beeld te vinden is van Israël die in relatie tot God, in de bijzondere verbintenis naar God toe, vrouw van God wordt immers Israël genoemd, dat ze een andere weg gekozen heeft. Ze heeft andere minnaars gekozen. Dat heeft Israël ook gedaan. En dat is iedere keer het verwijt in de bijbel als Israël gezondigd heeft en andere goden is gaan dienen. De goden van die en van die en van daar. Dat de Here zegt: “Dat is een overspelig handelen. U bent overspelig andere goden nagelopen.” Dus overspel in de bijbel, is natuurlijk ook in letterlijke zin overspel, maar het is ook in figuurlijke zijn overspel. Namelijk als je een andere god kiest, als je ophoudt alleen te houden van de Here Jezus, of van onze God, dan wordt het ook overspel genoemd. We zagen ook in de man die helemaal kreupel was, die helemaal niet kon. We zagen een man die totaal verlamd was. Kortom, we hebben al die types al gezien, Israël eigenlijk uitgebeeld. En nu krijg je een nieuwe uitbeelding, een nieuw type. En dat is iemand die helemaal blind is. Ook zo´n uitbeelding. Totaal geen zicht meer en volstrekt afhankelijk van wat anderen geven. Nou, ik vind het eigenlijk niet moeilijk om hier in hoofdst. 9 een beeld te zien van Israël vandaag de dag. Het zicht totaal kwijt, met alle respect. En u weet intussen dat ik van dat volk houd. Dat het me niet gaat om een schop, om een natrap of zo. Dat is niet zo. Maar ze zien het niet. Ik heb zo vaak gevraagd, daar ook, maar ook elders, als je mensen ontmoet: Wat zou dan de oplossing zijn in de hele problematiek van vandaag. Niemand weet het. En dat zeggen ze ook ronduit: “Niemand heeft een oplossing. We weten het echt niet.” Het is zo complex geworden dat niemand weet hoe dit moet daar. Ze hebben geen zicht. En ze zijn volstrekt afhankelijk van anderen. Ze zitten te bedelen. Of dat nu de gunst van Amerika is, of de gunst van Europa is, of misschien wel de gunst van de Palestijnse is, die nu net gekozen is. Ze zitten te hengelen naar wat, ja naar wat ondersteuning. Ik hoop dat u het beeld ziet, dat dit helder is. Want al die dingen die we vonden in Joh. 1 t/m dit moment, maar dat gaat nog een poosje door, hebben allemaal te maken met een profetisch vergezicht. Nog een keer, wat toen daar gebeurde is gewoon letterlijk zo geweest. Daar twijfel ik geen seconde aan, is echt zo geweest. Daar was toen een man. Die werd er elke dag neergezet. Zoals uit Hand. 3 blijkt bijvoorbeeld, dat er een man zat te bedelen, daar bij die Schone Poort. Elke dag werd hij daar neergezet. Hier: Elke dag zit hij daar. En al die bedelaars hebben allemaal hun eigen plekje. Nu nog steeds. Je ziet het. Dus toen was dat zo. En die man was blind en die man was volstrekt afhankelijk. het instituut Barthimeus Sonneheerdt of wat ook, bestond toen niet. U begrijpt Wat ik daarmee zeggen wil. Ze waren afhankelijk van wat mensen daar gewoon gaven aan donaties. En verdere hulpverlening bestond niet. En in Israël gold de algemene gedachte dat dat dan wel een gevolg zou zijn geweest van. Dat was ook al zo in Joh. 5 bijvoorbeeld, waar die man die 38 jaar ziek is ook ligt. Schuld, van die, van dat. Het is precies als vandaag als er in Zuidoost Azië een ramp is dan beginnen we gelijk over de schuldvraag. Nou, het zal wel de schuld van de jeugd zijn geweest, want dat is me daar een zooitje. Of: het is de schuld van daar en daar of van die en die geweest. En we gaan helemaal voorbij aan dat wat er in zonde directe omgeving gebeurt. Net zo veel frustratie, net zoveel moeite. En zoals Jan net schetste in zijn inleiding. In 1914 was hete kennelijk hier. En wiens schuld, nou daar gaan we heel makkelijk aan voorbij. Dat was dan de schuld van de Duitsers. Of de schuld van…… Ja, dat is natuurlijk simpel. Opnieuw, daar die vraag: Wiens schuld is het. Is het door hemzelf, heeft hij gezondigd. of hebben zijn ouders dat gedaan. Nou, de Here Jezus zegt: “Nee, het is niet hij die gezondigd heeft. Het is ook niet zo dat de ouders gezondigd hebben. het is opdat de werken Gods openbaar zullen worden.” Dus kennelijk met een bedoeling. De Here Jezus wilde in hoofdst. 2 al Zijn heerlijkheid openbaren, en in Joh. 3 en 4 en 5 en 6 en 7 en 8, en in 9 nog een keer. Hij wil nog een keer laten zien wie Hij is. En het volledig openbaar krijgen van de glorie van onze Here Jezus, dat komt eigenlijk nog. Voor u en mij mag dat nu al werkelijkheid zijn. Voor de gelovigen mag het nu zo zijn dat je zegt: Ik geniet van de Here Jezus, ik verlang naar de Here Jezus, ik mag toch iets zien van de Here Jezus. Niemand zal zeggen dat hij de Here Jezus volledig kent, helemaal doorziet. Dat bestaat niet. Er komt een moment dat we kennen zoals we gekend zijn. Dat is nu nog niet zo. Maar ook nu zo’n stukje tekst, zo’n gebeurtenis die we misschien helemaal kennen, die we vaak hebben gelezen, aan tafel, of waar ook, met een enorme reikwijdte.

De Here Jezus, Hij ontmoet, Hij komt daar en Hij gaat handelen. Bedoeld is dit allemaal, voor de gelovigen. Voor alle helderheid, nog een keer, voor de gelovigen. Voor mensen die de Here Jezus kennen als hun Heiland, als hun Verlosser. Niet zomaar een discussiestuk. Niet van smijt het maar in de groep en praat er maar over. Dat is niet zo. Dat wordt heel vaak gedaan. Iedere keer merk je, hoor je, dat mensen dan mogen zeggen wat ze daar van vinden, terwijl er niet over is nagedacht. En je vraagt je af of het wel gelovigen zijn die dan gaan reageren. Bedoeld voor de gelovigen. Voor iemand die de Here Jezus kent en de Heilige Geest in zich heeft, waardoor hij, dat wat de Heilige Geest heeft gedaan, ook kan snappen. De Auteur zit in jezelf. Als je een boek hebt, geschreven door die en die, en je gaat vertellen: Ja, de schrijver bedoelt dat en de schrijver bedoelt dat en de schrijver bedoelt dat, en die schrijver zou hier in de zaal zitten, dan zouden we geneigd zijn: Nou, Dato, hou je mond. Als ik dat zou zeggen. laat die schrijver zelf….. Wilt u het alstublieft zelf eens even zeggen. Nou, zo. De schrijver woont in je. In jou. En dat betekent dat je ook na vanavond naar huis mag gaan en ook nu al mag zitten op je stoel en zeggen: “Als de Heilige Geest de Auteur is, dan zal de Heilige Geest het ook duidelijk maken. Dan zal Hij ook mij bevestiging geven. Dan zal Hij instemmen. Dan zal Hij duidelijk maken of die dingen zo zijn.” Dat kan, en dat mag, dat moet zelfs. Gelovigen, gelovigen hebben dit prachtige evangelie waarin de Here Jezus zo prachtig uitgeschilderd wordt in hun handen, en mogen genieten van deze beelden. En de Here God wil je verder zegenen, wil je verder heel bijzonder nabij zijn.

En nu komt het handelen van de Here Jezus. Hij stopt, kijkt, ziet, merkt op. Wist Hij ook allemaal al. En dan maakt Hij slijk. Speeksel op de grond, en daar maakt Hij slijk van. Nou, je kunt van alles doen, maar als jij van stof van de vloer, stof van de aarde slijk wilt maken, dan moet je daar wel voor gaan bukken. Dat dus sowieso. Natuurlijk vraagt iedereen zich af: Waarom, waarom zo. Had de Here dat niet anders gekund. Ja, ja, wis en waarachtig. Ik las net nog, zittend op een stoel, het verhaal van Barthimeus, weer je wel, de zoon van Thimeus. Wat wilt u, die is ook blind. Wat wilt u dat Ik u ga doen. Dat ik ziende mag worden. Wordt ziende. Nou, gelijk klaar. En een ander verhaal uit de bijbel: De Here Jezus doet een wonder. Zie je al iets. Ja, ik zie de mensen wandelen als bomen. Nou, nog een wonder en hij ziet het helemaal helder. In twee etappes. Is dat onmacht op dat moment. Is dit hier onmacht. Is dit zo van ja, dit moet langs deze weg. Nee, de Here heeft vele blinden de ogen mogen openen. En meestal ging het direct, gewoon door een woord. Zo was Hij. Hij kan het door een woord. En dat gebeurde ook vaak. En toch ging het ook wel een anders. In twee etappes bijvoorbeeld. Of, zoals hier, op deze wijze. Conclusie, als het hier, in dit stuk van Joh. 9 op deze wijze gebeurt, heeft de Here daar kennelijk een bedoeling mee. Daar kun je toch van uit gaan. Ik hoop dat u daarvan uit gaat. Dat u heel eenvoudig het woord, uw bijbeltje leest en dat u durft te zeggen: “Here God, als u het zo doet zoals het hier omschreven is, ja, dan bedoelt u daar iets mee, want daar deed U het heel anders. En daar deed U het anders. Juist omdat het anders gebeurt, daar en daar en daar, hebt U daar kennelijk een plan mee gehad.” Nou, dat is ook zo. Ik probeer het.

In Num. 5, OT, misschien wilt u het even opzoeken. Num. 5:11: De Here nu sprak tot Mozes: “Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Indien iemands vrouw zich misgaan zal hebben en hem ontrouw zal zijn geworden en een ander met haar geslachtsgemeenschap zal hebben gehad zonder dat het aan haar man bekend werd, daar het verborgen bleef, dat ze zich verontreinigd had, en er geen getuigen tegen haar was, en zij niet betrapt werd. En wanneer dan de geest der jaloersheid over hem komt zodat hij jaloers wordt ten aanzien van zijn vrouw terwijl zij zich verontreinigd heeft, of wanneer de geest der jaloersheid over hem komt zodat hij jaloers wordt ten aanzien van zijn vrouw terwijl zij zich niet verontreinigd heeft, dan zal die man zijn vrouw tot de priester brengen met een offergave voor haar van een tiende efa gerstemeel waarover hij geen olie gegoten heeft en waaraan hij geen wierook toegevoegd heeft, omdat het een spijsoffer der jaloersheid is, een herinneringsoffer, dat de ongerechtigheid in gedachtenis brengt. Dan zal de priester haar doen naderen en voor het aangezicht des Heren stellen. En de priester” (nu moet u opletten) “zal heilig water nemen in een aarden vat. En de priester zal van het stof dat op de vloer van de tabernakel ligt nemen en aan het water toevoegen.” (Dus ook beide elementen, stof en water aan elkaar gevoegd, bij elkaar gekomen.) “Heeft de priester de vrouw voor het aangezicht des Heren gesteld ,dan zal hij het hoofdhaar van de vrouw losmaken en op haar handpalmen het herinneringsoffer, het spijsoffer van de jaloersheid leggen. Terwijl in de hand van de priester zal zijn dat bittere water” (dus dat is dus die slijk) “dat de vloek brengt. Dan zal de priester haar onder ede stellen en tot de vrouw zeggen: “Indien geen man met u gemeenschap heeft gehad en indien gij geen onreinheid begaan hebt terwijl gij uw man toebehoordet, blijf dan ongestraft van het bittere water dat de vloek brengt. Maar indien gij u, terwijl gij uw man toebehoorde, misgaan en u verontreinigd hebt doordat een ander dan uw eigen man met u gemeenschap heeft gehad”, dan zal de priester de vrouw onder een eed van vervloeking stellen en de priester zal tot de vrouw zeggen, “Stelle de Here u tot een vervloeking en een verwensing onder uw volk doordat de Here uw heup doe invallen en uw buik doe opzwellen. Want dit water” (slijk dus) “dat de vloek brengt, zal in uw binnenste komen om uw buik te doen opzwellen en uw heup te doen invallen.” Daarop zal de vrouw zeggen: “Amen, amen.” En daarna zal de priester die vervloeking op een blad schrijven en in het bittere water afwassen en hij zal de vrouw het bittere water dat de vloek brengt te drinken geven.” Nu stop ik met de geschiedenis, dat leest u zelf maar verder. Een hele merkwaardige geschiedenis. En we vinden dit ook vreemd. We kunnen dat niet meer plaatsen. Een man die denkt van: Nou, misschien is mijn vrouw wel vreemd gegaan, dus ik breng mijn vrouw maar met, ik sleep haar met de haren naar de priester. Nou, dan krijg je een hele toestand daar. Zij met een spijsoffer op haar handen, beeld haar leven uit. Zij moet dan dat water drinken. En als het echt zo zou zijn, dan zou haar heup invallen, zou ze dus kreupel verder gaan, en dan zou haar buik opzwellen. En dat opzwellen dat zou gebeuren door dat slijk, stof aangemaakt met levend water. Sommigen zijn hier blij dat dat niet meer gebeurd, en met name zusters. Stel je voor dat je een jaloerse echtgenoot hebt die iedere keer, misschien wel 12 keer per jaar of zo, je naar de priester brengt. Dit laat ik even los, maar het beeld is er. En onmiddellijk daarop begint Num. 6, dus het volgende hoofdstuk in Numeri met: Is er nog iemand die de Here dient: De nazireeër Gods. Dat is niet toevallig. Er is helemaal geen toeval in de bijbel. U hoort het zeggen: “Ik de Here ben een jaloers God.” Een, ander woord daarvoor, een naijverig God. Precies hetzelfde woord. Zou de Here reden hebben om te twijfelen aan “Zijn vrouw”. Ja. Zou er mogelijk een ander in het spel kunnen zijn geweest. Ja. Ik heb al hoofdst. 8 gehad, weet u wel. Die vrouw, op overspel betrapt. Dat was hiervoor. Ik heb het al uitgelegd. Maar nu komt het terug. Toen werden de namen van de beschuldigers in het stof geschreven. Jer. 17, u herinnert zich dat nog. In de aarde geschreven. En nu gaat het nog een stapje verder. Nu gaat de Here Jezus speeksel brengen naar diezelfde stoftoestand waar die namen in stonden. En Hij maakt van stof een speeksel, maag ik het zeggen, levend water, stromend water in een aarden vat, u las het allemaal in Num. 5, heel precies. En daar komt iets bijzonders, daar komt slijk uit. En deze man wordt nu met slijk bestreken. Nou, iedereen roept: “Ja, dat verergert het alleen maar. Als je nou toch wat wilt, dat nooit hè.” Ik bedoel, helemaal geen stofdeeltjes toevoegen aan slechte ogen. Dus het omgekeerde doen alsjeblieft. En dan heengestuurd worden. En het is alsof de hele last, niet een discussiepunt mag zijn, maar zichtbaar is. Oh, hij heeft gezondigd, of zijn ouders hebben da gedaan. “Nee”, zegt de Here, “Ik wil het alleen maar tonen. Ik wil alleen maar een werk Gods openbaar maken. Ik wil iets bijzonders van de Here God tonen.” En je ziet a.h.w. die man weglopen naar het badwater Siloam, met alles wat maar denkbaar is op zijn voorhoofd geplakt. Alsof de hele beschuldiging, de totale vervloeking op hem gelegd is. Dat is het beeld. En de Here, de Enige die harten doorzoekt, de Enige die kent, de Enige die helemaal doorziet, die stuurt hem weg. Had dat niet anders gekund. Ja, maar dan was er iets anders gebeurd. De Here had op afstand, op afstand zelfs, een wonder kunnen doen. Dat is ook gebeurd. Op grote afstand zelfs. Maar hier wordt iemand op deze wijze met zijn eigen, met zijn eigen situatie beladen. Maar er is een oplossing. En dat is Siloam. U herinnert zich ook nog, Joh. 7, nog weer even eerder. Op de grote dag van het feest, van het loofhuttenfeest, wordt er immers water uitgegoten op het tempelplein, het water uit Siloam daar uitgegoten. Op die grote dag van het feest begint de Here Jezus te spreken over het levend water dat uit je binnenste vloeit. Ook dat is al geweest, Siloam, uitgezonden, gestuurd. En daar is die man. Daar wordt alle vervloeking weggewassen. Daar is alle schuld verdwenen. Daar valt het niet kunnen zien weg. En hij komt ziende terug.

Het is heel aangrijpend als je dit verbindt met Num. 5. Je ziet a.h.w. de Here Jezus daar staan. Op het moment dat ze Hem eigenlijk helemaal niet willen. In hoofdst. 10, één hoofdstuk verder wordt Hij uit de tempel gegooid. Willen ze Hem niet, nemen ze stenen op om Hem te stenigen. Ze willen Hem helemaal niet. Op dat moment vertelt de Here Jezus deze dingen. Laat de Here Jezus deze dingen zien. En hij komt ziende terug.

Een andere geschiedenis uit het OT is de geschiedenis van Naäman. U weet het wel, in 2 Koningen. Naäman komt bij Elisa, en Elisa zegt tegen hem: “Ga heen en was u in de Jordaan. Doop u 7 maal in de Jordaan.” Nou die man die denkt: Kom kom, die vieze stinksloot. Wij hebben betere bronnen. De Farpar en Arbana die zijn veel leuker dan de Jordaan. Zijn onderhorigen zeggen: “Als u nu iets moeilijks zou moeten doen”, zeven keer op uw kop, op uw hoofd, sorry, om Jericho lopen of zo, “dan had u het waarschijnlijk geprobeerd. Maar dat vraagt hij niet. Hij vraagt gewoon om 7 keer te baden. Waarom doet u het niet. Je kunt het toch doen.” En hij doet het, en het wonder geschiedt. Je moet ook geloof hebben. Zie je het hier terug. Ga heen en was u. Hij kan natuurlijk gedacht hebben: Kom kom kom, mijn oogarts heeft, sorry hoor, even hedendaags, heeft verboden om: Dit mag niet en dat mag niet en zus niet en zo niet. En dan met slijk nota bene, waar iedereen over gelopen heeft. Want die aarde, die stof die daar ligt is niet, laat ik maar zeggen, schoongespoeld stof. Dat is gewoon prut de hele wereld, van de hele weg. En hij gaat. Hij gelooft. Alle redernaties voorbij. Alle argumenten aan zij, aan de kant geschoven: Hij gelooft, hij gaat. En het wonder gebeurt. Naäman geloofde, uiteindelijk, en het wonder geschiedde. En zijn vlees was niet meer melaats. Hij had het vlees van een kleine jongen. Zo staat het daar. Zo van alsof hij net geboren is. Zonder enige aantasting, niks.

Nu, dat is in onze levens ook zo geweest. Je kunt 100.000 argumenten bedenken om niet te gaan. Van: Het help toch niks. Eh, en de wetenschap die zegt A. En de filosoof zegt B. En de psychiater zegt C. Enne, die kerkelijke stroming, misschien wel godsdienstige stroming die zegt D. En zo heb je nog wel een paar. En je denkt: Nou, ik kijk wel uit. Kom, ik zal me even laten inpakken zeker. Tot het moment dat je zegt: “Ik geloof. Ik doe het.” Misschien wel via Mark. 9:25: Ik geloof Here, kom mijn ongeloof te hulp. Misschien is het wel heel miniem en is er ook nog wel een spoortje twijfel of zo. Nou, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp. De Here zegent. Goed, dat is in je eigen leven gebeurd. Dus je kunt het snappen. Je kunt het snappen: Uit genade zijn wij behouden. Niet uit onszelf, het is een geschenk van God. En zelfs het geloof is door God ingewerkt. Ik weet niet waarom Gods gena aan mij ook werd betoond. Dat is mijn lievelingslied. Maar ik weet in Wie ik geloofd heb. Ik weet in Wie ik geloofd heb. Het geloof in de Here Jezus. Daarom zingen we ook met Goede Vrijdag, Pasen, maar ook de Kerst: Ja ik geloof dat Jezus voor mij stierf. En dat Hij aan het kruis mij eeuwig heil verwierf. De Here Jezus.

Die man gaat en komt ziende terug. Maar goed, dit is dus persoonlijk geweest voor hem. Maar ik hoop dat u het beeld, het schilderij, helder hebt, en dat u eigenlijk heel Israël daar ziet. En dat ze geen kant op kunnen. Dat ze zich, laat ik maar zeggen, afhankelijk moeten opstellen. Ze moeten bedelen. Ze moeten de gunst van anderen vragen. En dat gebeurt ook. Dat is gewoon zo. En dan komt Hij die zegt dat het niet de schuldvraag waarover Hij wil praten, maar dat Hij toch wil duiden: Kijk eens, dit is er aan de hand. Ga heen, doe, geloof, Siloam, water, verfrissing. Wat het kenmerk is van de grote dag van het loofhuttenfeest, namelijk dat er stromen van levend water zullen zijn, dat is hier zichtbaar. Dit hele tafereel duidt op Israël in haar bijziendheid. Dat is veel te lief, in haar blinde toestand. Ze zien helemaal niks. Want als je de Here Jezus niet ziet, dan zie je niks. Hij is het Licht der wereld. Als je Hem niet ziet, heb je het Licht dus niet. Dat is gewoon taal van de bijbel. Ook al heb je hele goeie ogen, als je Hem niet hebt, dan heb je niks. Dan heb je het Licht der wereld niet. Dan ben je nog: Eertijds waart gij duisternis. Waren we, wij waren duisternis. We zagen het niet. Niemand zag het, en Israël ziet het niet. En alle discussies die vandaag de dag gevoerd worden over: Hoe zie je dan het hele Joodse leven, hoe zie je dat alles in Israël zich voortsleept. Nou, blindheid, bedekking, blindheid, ze zien het niet. Ze hebben niks. Ze hebben geen zicht op de Here Jezus, en dus zien ze niks. En dat verandert pas als ze Hem zien. Dat verandert pas als het wonder gaat geschieden. Nu, nu kun je dus eindeloos[…..], het is de schuld van wat ze ooit gezegd hebben: “Kruisig Hem, kruisig Hem, wij willen niet dat Hij koning over ons is”, en dus is holocaust gekomen. Ik laat dat los, want die schuldvraag mag je niet stellen, moet je ook niet stellen. En de Here Jezus zal, ook in de toekomst, die schuldvraag niet zo stellen van: Weet je nog wel, toen, daar, in Jeruzalem, toen hebben jullie geroepen: “Kruisig Hem, kruisig Hem, weg met Hem. Nee, de werken Gods moeten openbaar worden. De werken Gods. Wat is dat werk van God. Dat God genade geeft, dat God liefdevol is. Maar je ziet in die ene man die gestuurd werd naar Siloam om zich daar te laten reinigen met slijk op zijn ogen. De Here Jezus had zich gebukt, nog een keer dat beeld. En je ziet hem gaan, en je ziet Hem ziende terugkomen.

Wie is die Man dan. Ja, de Mens Jezus. Een mens Jezus. Nog iets verder: Wie is die Man dan. Hij is een profeet, dat kan niet anders. Dat moet zo zijn. Nog een keer: Wie is die Man dan. Nou, Hij is van God gekomen. En nog een stap verder: Geloof je in de Zoon des mensen. Ja. Geloof je dat Ik het ben. Ja, Here, ik geloof. En hij aanbad Hem. De aanbidder. En dat is nu precies wat er straks gaat komen. De Here Jezus verschijnt, op een dieptepunt, als het helemaal donker is. Als het in Israël aardedonker is. het is nu al behoorlijk donker, maar het wordt nog beroerder. En het wordt heel erg. En ze zijn volstrekt afhankelijk van iedereen die nog een kleine duit in het zakje doet. Ze zijn volstrekt afhankelijk, dan, in die tijd. Ze kunnen geen kant op, ze kunnen geen vin verroeren. Helemaal niks meer. Het wordt zo erg dat Jeruzalem omsingeld is door legers. Dat Jeruzalem belaagd wordt door iedereen. En als ze dan een soort survival willen kennen, een overleving willen kennen in die tijd, in de tijd van de toekomst, zijn ze volstrekt afhankelijk van wat anderen in de hoed gooien, om dat nu zo maar eens te zeggen, of in het bakje doen. Bedelen, blind, zonder zicht. Ook geen zicht op uitredding. Geen zicht op verlossing, helemaal niks. Ze hebben niks, en ze weten niet Wie de verlossing kan bewerken. In het boek Prediker staat een heel merkwaardig geschiedenisje van een stad die belaagd wordt. En er is in die stad één arme wijze man, maar ze vragen hem niet. Hij had de stad kunnen redden, zegt het boek Prediker. Maar ze vragen hem niet. Er is Eén die redden kan, en ze vragen Hem niet. Er is Eén die uitweg biedt, en ze zien het niet. Met alle respect voor hun vernuft, voor hun elektronische inzichten, voor hun enorme inventiviteit. Het is onvoorstelbaar wat daar gebeurt. Uit een klein land komen zulke, ja, wonderen van techniek. Het is bijna niet voor te stellen. En we zeggen: “Zie je wel, God zegent.” Maar ze zien Hem niet. En ze willen Hem niet. En je mag ook niet over Hem vertellen. En als er Messiasbelijdende Joden zijn, die mogen dat ook niet. En als ze niet oppassen worden ze eruit gegooid. Dat Is echt zo. Ik ga niet schoppen, het is echt zo. Ze willen Hem niet. En we kunnen praten wat we willen. En we kunnen hulp verlenen, moet ook hoor, denk ik. Want ook als ze in de gevangenis zitten moet jij ze bezoeken, en moet je ze een beker koud water geven. Dat is nu precies wat de Here bedoelt. Dus ik bedoel niet te zeggen van: Doe maar niks want ze zijn zo. Het omgekeerde: Doe maar wel wat, want ze zijn zo. Ze zitten daar nog, en ze zijn afhankelijk. Nou, doe maar wat in de zak. Doe maar wat in de hoed of in het bakje. Dat hele tafereel is volstrekt helder. En het wordt nog helderder als je dit hele gebeuren eens tilt naar wat er nog gaat komen. Hoe ze daar in feite zitten zonder zicht, totaal verduisterd en afhankelijk van anderen. En dan komt Hij. En Hij stelt niet de schuldvraag aan de orde. Hij zegt wel dat de werken Gods openbaar worden. Die worden dan openbaar. Als de Here Jezus komt, uit de hemel, na nu, straks, als Hij komt, en Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg als Hij uit de hemel komt, en Hij Zijn glorie, en Zijn heerlijkheid er openbaart, dan zullen zij inderdaad die genezing krijgen. Op hun gezicht is dan a.h.w. de hele situatie te lezen. Ik heb het u geschetst. En zij zullen erkennen: De Mens Christus Jezus, de Profeet van God, van God gestuurd, alle hulde, alle aanbidding waard. Dat gaat dan komen. Dan zijn er mensen die zeggen: “Ja, dit kan niet, dit is niet goed.” Ze gooiden Hem uit de Synagoge, ze wierpen Hem uit. Dat betekent zoiets als in de ban doen, gewoon uitsluiten van alle voorrechten, gewoon buiten alles plaatsen. Nou, hebben ze toen gedaan, met Hem. En er zijn er ook in die tijd superreligieuze mensen die zeggen: “Nou, het klopt niet, want 1+1=2, en volgens ons is 1 dit en volgens ons is 1 dat, dus 1+1 moet 2 zijn. Maar ze zien Hem niet. Je kunt superreligieus zijn, supergodsdienstig zijn, en als je de Here Jezus niet kent, je kunt heel veel theologie studeren, als je de Here Jezus niet kent, je kunt heel, heel ver gaan, als je de Here Jezus niet kent, dan heb je nul, heb je niks. Dat is het probleem, messcherp getekend in Joh. 9. Heel mooi verhaal, heel oud verhaal, en eigenlijk heel dicht bij. Hier vindt u de Here Jezus die Zich bemoeit met die ene. Zoals de Here Jezus Zich in het Johannes-evangelie iedere keer met een eenling bemoeit. Eén, één, weet je wel, Joh. 3, Joh. 4, Joh. 5, Joh. 6, Joh. 7, altijd één. Weer één. Hij bemoeit Zich met die ene. En Hij komt om die ene, ja, te tonen Wie Hij Zelf is. En dan zal Hij zeggen dat Hij geslagen is in het huis van hen die Hem liefhadden. Dat is de Here Jezus.

Nou, de lijn, de insteek voor deze avonden is iedere keer, om uit een oude geschiedenis die hier ligt, die al eeuwen vast ligt, de lijn naar de toekomst te zien. Je ziet het, hoop ik, een beetje. Nou, als je het een beetje ziet, dan ga je misschien morgen nog een keer dit stukje lezen, ga je nog een keer Num. 5 lezen, en dan heb je overmorgen misschien twintig vragen. Nou, dan stel je ze maar. Dan kom je maar, of je mailt of je doet. Doe maar iets. Maar ga er wel mee aan de slag. En ga in elk geval zeggen: “Eertijds was ik ook blind. Ik zag U ook niet Here Jezus. Misschien had ik wel van U gehoord. Misschien hoorde ik Uw naam noemen in mijn eigen omgeving, maar ik kende U niet Here Jezus. Er is een moment gekomen dat U mijn ogen opende.” Mag ik het anders zeggen, Openb. 3: Ik raad u aan van Mij te koppen, hup, hup, hup, ogenzalf, opdat gij zien moogt. Nou ja, ja, als het echt een zalfje zou zijn van de apotheker, ja, maar dat smeren we erin. Dat doen we er in. Dat houden we er in. Maar als de Here zegt: “Ik zal je eens wat laten zien. Wie je bent en wat er feitelijk aan de hand is. En dat de enige oplossing is, het levende water van Mijzelf. Dat levende water dat biedt de oplossing. Dat geeft echt aan wat er te vinden is.

De Here zegene ons. En ik hoop ook dat u zelf zegt: “Here Jezus, dank U wel voor wie U bent en voor wat ik van U mag zien.” En misschien zegt de één: “Ja, ik zie in hem de Mens Christus Jezus.” Dat is de eerste stap. Misschien zegt een ander: “Hij is een profeet”, tweede stap. Misschien zegt een derde: “Hij is echt van God gekomen.” Dat is de derde stap. Misschien zegt iemand hier: “Ik wil het graag belijden, Hij is God zelf, Hij is JHWH zelf, en we aanbidden Hem. We geven Hem glorie en Hem de hulde. Amen.