De herder zoekt ze en brengt ze in de stal

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

12. De herder zoekt ze en brengt ze in de stal.

Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis,
6 februari 2005
      Lezing

Lezen: Joh. 10:1-25a; 31-42 De zoveelste opmerking in algemene zin over dit stukje tekst: We kennen de woorden. Veel, veel gelezen, vaak gehoord. Zo vaak, dat we misschien het gevaar lopen niet meer te begrijpen waarover het gaat. We willen proberen behalve de dingen die hier staan, ook de profetische lijn aan te geven. De lijn die dus voert naar de toekomst, zodat we echt leren zien dat deze oude geschiedenissen veel verder gaan dan alleen de gebeurtenissen van toen. Profetische vergezichten hier in dit prachtige evangelie van Johannes.Johannes 10, de goede Herder. Dat zit er een beetje in. Dat ligt ons, dat hebben we. En dat is ook zo. De Here Jezus heeft zich de goede Herder genoemd. En Hij is de goede Herder. En de Here Jezus heeft gedaan wat gezegd is geweest in het boek Ezechiël hoofdst. 34, waar God liet zeggen door Ezechiël de profeet, dat Hij een Herder zou verwekken die naar de schapen zou gaan vragen. Nu, die Herder is gekomen, de Here Jezus. Hij zou naar de schapen vragen en de schapen zouden Zijn stem horen. Schapen herkennen de stem van de herder. Een goede kennis van ons had een heel groot aantal schapen. Op een bepaalde dag zijn er 15 van gestolen. Hij, rondrijdend, denkt: Ze lopen waarschijnlijk daar en daar in dat en dat weiland. Maar maak dat maar eens helder. Deed aangifte bij de politie en zei: “Moet je eens luisteren, ik kan niets bewijzen, maar als ik nu bij de dam bij dat hek ga staan waar die schapen dan mogelijk lopen, en ik laat mijn fluitje horen, mijn manier van roepen horen, en er komen 15 schapen uit die paarhonderd naar het hek, gelooft u mij dan.” “Ja”, zei de politie, “dan geloven wij u.” En hij staat bij het hek, laat zijn fluitje horen. Komen 15 schapen uit die kudde, precies 15 naar dat hek. De schapen horen de stem, en luisteren. Dit was Nederland. De Here Jezus heeft dit beeld gebruikt om iets te zeggen, om aan te geven dat we Hem kunnen kennen aan dat wat Hij zegt. En dat zijn eigenlijk geweldige uitdrukkingen. Gelovigen kennen de Here Jezus als hun Heiland, als hun Verlosser. Gelovigen mogen ook Hem kennen aan Zijn stem. De stem van God leren kennen. Dat zijn buitengewone dingen. De stem van de wereld dringt door ik weet niet wat voor muren heen onze kamers binnen, onze levens binnen. En de stem van God moet je inderdaad leren, leren oppakken. De stem van God heeft ook niet te maken met je oren, dat heeft te maken met je hart. En ik hoop ook echt dat het hart van iedereen hier zo gericht is, zo gespinsd is op de stem van de goede Herder, dat we die stem echt horen en verstaan en daar ook wat mee gaan doen.De Here Jezus, mijn Heiland, mijn Verlosser. Ik hoop ook dat u dat zegt: “Mijn Verlosser, mijn Heiland, mijn goede Herder, De grote herder van de schapen.” Hij komt naar ons toe in dit prachtige hoofdstuk. En we willen kijken naar wat hier is gebeurd. De beelden zijn misschien heel, heel duidelijk. Maar één ding is misschien niet al te duidelijk, en dat is dat hier direct aan het begin al twee verschillende beelden gebruikt worden. Het eerste beeld, en dat zijn de verzen 1 t/m vers 5, is anders dan vanaf vers 6, of vanaf vers 7. Het eerste beeld, zoals de Here Jezus dat zegt, is dat Hij, de Herder, bij de deurwachter komt. En dat de deurwachter open doet. Wie is de deurwachter. Nou, ik denk, in alle ootmoed, dat we Niemand anders als deurwachter kunnen duiden dan God Zelf. En toen de Here Jezus kwam, aldus betaamt het ons alle gerechtigheid van God te vervullen, Matt. 3. Toen deed God, de Deurwachter, de deur open door te zeggen: “Dat is Hem, hoort Hem Mijn geliefde.” De hemel ging open. De deurwachter reageerde onmiddellijk. Allen die voor Hem gekomen zijn, zijn niet zo verwelkomd. Die hebben een hele andere begroeting gekend. En vanaf dat moment wordt het beeld ook anders. Dan zegt de Here Jezus: “Nu ben ik de deur.” Dus de deurwachter is a.h.w. echt degene geweest die de deur heeft geopend, en vanaf dat moment is de Here Jezus de deur. En u kent misschien het beeld uit het oosten. Daar zat geen deur, geen houten, stalen deur in zo’n stal. De herder zelf zat daar. Wilde er een schaap uit, dan moest die over de herder heen klauteren. Wilde er een ander dier binnen, dan moest die ook over de herder heen klauteren. Hijzelf was de deur. Op dat moment is het beeld ook veranderd. Dus eerst de Deurwachter die de deur open doet, en vervolgens de Here Jezus die zegt: “Ik ben de deur.” En allen die door Hem naar binnen gaan, die zullen binnen komen. Die voor de Here Jezus geweest zijn, die zijn dieven en rovers. Dat is ook de taal uit het boek Ezechiël, hoofdst. 34, nog een keer geciteerd, waar nadrukkelijk staat dat iedereen voor zichzelf aan het regelen was en met zichzelf bezig was, het eigenbelang voorop zette. Maar de schapen gingen hen niet ter harte. Ze hebben zich met de wol gekleed, ze hebben zich met het vette gevoed, en ze hebben in feite alleen maar aan zichzelf gedacht.Het beeld is denk ik duidelijk. De Here Jezus zegt: “Ik ben die goede Herder, door God aangekondigd. Ik zet Mijn leven voor de schapen. Ik ga heel ver. Ik graai niet voor Mezelf, Ik geef alles van Mijzelf. het gaat niet om Mij, het gaat om die schapen. En ik stel Mijn leven voor mijn schapen. En Ik heb ook nog andere schapen die niet van deze stal, die niet van de stal van Israël zijn. Ook die moet ik toebrengen. En ze zullen dus allemaal één kudde worden. En de Vader heeft Mij daarom lief, omdat ik Mijn leven afleg.” Daarom is de Here Jezus de echte Herder. Omdat Hij Zijn leven aflegt. Niemand neemt het van Hemzelf af, maar Hij legt het uit Zichzelf af. En ja, dat is die prachtige opsomming van feiten. Die dingen die kent u misschien. Die hebt u allemaal al gelezen.

En dan krijg je dat Vernieuwingfeest. Ook eventjes de informatie: 164 v.Chr., Judas de Maccabeeër heeft Antiochus Epifanus en zijn rommel eruit gegooid. Ik zeg nu maar even kort door de bocht, maar zo was het wel. Ze waren dus na Ezra, Nehemia weer met een tempel begonnen hè. Dat weet u misschien hè. Ballingschap, Babylonisch, een deel mocht terug. Ze zijn terug in Jeruzalem. Ze zijn met de herbouw begonnen. Ging allemaal met horten en stoten, ging niet zo vlot. Dan komt er een moment dat die tempel er echt is. En dan ziet Antiochus Epifanus, dat is één van de koningen van het Noorden, een wreedaard, maar ook iemand die verkeerde dingen introduceerde. Die zag kans om in de tempel een beeld van Jupiter neer te zetten en om de Joden te dwingen allerlei onreine te doen en te eten wat helemaal niet mocht en zo. het ging helemaal niet goed. En dan komt de opstand. Dat is de tijd van de Maccabeeën, en die gooien die troep eruit. Reinigen de tempel. Alle vuiligheid eruit. Ja, Vernieuwingsfeest, dat is waaraan gedacht wordt. En dat Vernieuwingsfeest, dat Chanoekafeest, waar de negenarmige kandelaar aan herinnert, omdat dat Vernieuwingsfeest zeven dagen plus een dag duurt, dus totaal acht. Maar er was nog een heel klein beetje olie, en het verhaal wil dat dat hele kleine beetje olie genoeg geweest is om de hele kandelaar weer in zijn volle glorie neer te zetten. maar goed, Chanoeka, Vernieuwingsfeest, het was winter. Toen is het vuile in de tijd van Judas de Maccabeeër, het vuile, het verkeerde eruit gegooid. En het goede is weer teruggekomen. En u kunt twee keer raden waarom dat hier gezegd wordt. Omdat hier het goede eruit gegooid wordt en het vuile blijft zitten. Dat is de gigantische climax bijna, van dit hoofdstuk. Juist op dat moment, terugdenkend aan: het verkeerde moet eruit, het vuile moet weg, wat niet juist is moet uitgebannen worden, juist op dat moment, staat Hij daar, de Here Jezus. En Hij zegt: “Ik heb jullie lief. ik wil mijn leven afleggen voor jullie. Ik wil alles geven wat ik te geven heb. Ik doe het allemaal voor jullie.” En Hij wordt eruit gegooid. Ze nemen stenen op om Hem te stenigen. Ze willen Hem eruit gooien. En het onedele, het verkeerde blijft achter. Dat is heel triest. Maar dat is het raamwerk zal ik maar zeggen. En dan gaat de Here Jezus naar het land van over de Jordaan. Ik wil het simpel zeggen: “Terug bij af.” Daar, aan de andere kant van de Jordaan is Johannes de doper destijds begonnen. Weet u het nog. Waar zei de Vader: “Deze is het.” Waar zei Hij dat? Daar, precies, daar. En nu is Hij daar terug. En die plek, over de Jordaan, oostelijk van Jeruzalem, en het is helemaal niet moeilijk, om nu het boek Ezechiël te pakken, en te zien, de richting waarin de wolk der heerlijkheid ging. Uit de tempel, omhoog, op de dorpel, in de stad, buiten de stad, oostelijk van de stad op de Olijfberg. En toen weggetrokken in oostelijke richting. Aha, exact hetzelfde als wat hier te zien is. Nou, hebt u al heel wat om over na te denken. Probeer het eens. U ziet hier, in deze verhalen die toen gebeurd zijn zoals ze hier beschreven zijn, daar is geen twijfel over mogelijk, ziet u al schitterende profetische lijnen van wat ze vroeger, wat ze vroeger hebben gehad. Wat er destijds is geweest. Maar het merkwaardige is dat diezelfde dingen die toen hier zo gebeurden, en die al een basis vonden in wat er ooit geweest is, dat die zelfs heenwijzingen zijn voor wat nog komen gaat.

Ik probeerde steeds die lijn heel scherp door te trekken naar de toekomst. Wat gaat er gebeuren als de Here Jezus komt. Nou ja, dan gaat de blinde zien. Dan gaat de blinde natie, dan gaat het blinde volk zien. Dan wordt de overspelige hersteld, en krijgt vergeving. Enfin, al die beelden heb ik al gehad met u. Dat krijgt een climax, een soort voltooiing. En die climax is als volgt: De Here Jezus komt. Hij komt, Hij komt uit de hemel, in glorie en in heerlijkheid. Even voor alle helderheid. U en ik die geloven in de Here Jezus blijven niet op aarde. U en ik gaan naar de Here Jezus. We worden door Hemzelf thuisgehaald, worden door hemzelf in het huis van de Vader gebracht. We worden opgenomen, we worden weggevoerd, we gaan naar de Here Jezus. We zullen daar zijn waar Hijzelf is. Wanneer, misschien vanavond. Is dat het einde van alle dingen. Nee, dan begint het, bij wijze van, pas. We gaan naar de Here Jezus. Ik kom er op terug. Ook profetisch is dat hierin verwerkt. In hoofdst. 11 en 12 zeker. Maar goed, dat nog even voor later. Ik wil graag die profetische lijnen met u delen, die prachtige lijnen. Maar goed, wij, u en ik gaan naar de Here Jezus. En hier op aarde gaat het leven door. Aanvankelijk zeggen ze, misschien wel: “En nu hebben we alles onder controle. Misschien zijn ze wel blij dat we weg zijn. Maar misschien gaat ook de inspanning van de VN verder. En misschien zeggen ze daar: “We zijn eindelijk zover dat de zwaarden ploegscharen geworden zijn.” Hun devies op het gebouw. Misschien zijn ze eindelijk zover dat ze zeggen en nu hebben we alles onder controle, we hebben overal een contingent. Vanuit Nederland natuurlijk een contingent in Bosnië, een contingent in het Midden-Oosten, een contingent in Irak en een contingent in Iran en een contingent in Korea. We hebben het allemaal onder controle. Alles is onder controle. Wij hebben nu alles, nu is er vrede. Nu is er vrede. Wij hebben dit allemaal bewerkstelligd. Zo ongeveer denken ze dan. Vrede, vrede en geen gevaar. De mens pocht op zichzelf. Vindt zichzelf een hele knappe man en hij gaat ineens ervaren dat het gevaar om de loer ligt. Dan komt ineens die dief in de nacht. Dan ontstaat er een grote, grote druktijd, grote verdrukking. Grote verdrukking staat voor die tijd. U en ik zijn niet hier, u en ik zijn in de hemel, u en ik zijn in het huis van de Vader. Wij horen daar geweldige dingen en we maken geweldige dingen mee. We genieten daar eindeloos. En hier op aarde komt er uiteindelijk radeloze angst. Het wordt vreselijk moeilijk. Hier komt een grote verdrukking. Het is akelig, het is vreselijk om in die tijd te leven. En als die tijd niet zou worden ingekort zou er niets overblijven, zou er niemand behouden worden. Dat zegt de bijbel daarvan. Maar met name Israël zal onder druk komen te staan. Alle legers zullen zich verzamelen in, volgens Openb. 16, in Harmageddon, bij de berg Megiddo. En van daaruit zullen ze optrekken naar Jeruzalem en dan zal het dal van de beslissing een soort beslissingsslag opleveren. Een geweldige druk. En ze willen Jeruzalem nog één keer finaal in puin hakken. Dat staat op het punt om te gebeuren, als, als de Here Jezus komt. Ziet u hoe die schapen dan verstrooid zijn. Ziet u hoe die schapen dan in nood zijn. Ziet u hoe er niemand naar die schapen omziet. Ziet u hoe er dan niemand is die naar de welstand van die schapen zoekt. Iedereen is bezig voor zichzelf, maar niet voor hen. Ziet u hoe in die verschrikkelijke druktijd, die verschrikkelijke noodtijd, die grote verdrukking, Israël gigantisch onder druk staat. Daar is de tijd van Ezechiël nog maar een kleinigheid bij. En ze schreeuwen allemaal. En ze zeggen allemaal: “Vrede, vrede, geen gevaar.” Maar ze heersen over hen met hardheid. En de bokken verdringen de schapen. Dat zegt Ezechiël 34. Dat gaat dan gebeuren. Dat is die tijd. En dan komt de Here Jezus. “Ikzelf zal naar Mijn schapen vragen”, zegt de Here. Ikzelf zal ze opzoeken. Ikzelf zal een Herder over hen aanstellen. Wie is dat? Dat is JHWH Zelf, de Here Zelf. JHWH Zelf zegt: “Ikzelf zal het doen.” Hij de Deurwachter, Hij zegt: “Dat is Hem.” Dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen. En hoe je dit ook inkleurt, wat je daar ook van vindt, dan zal er een geweldig signaal komen: Dat is Hem. Hij is het. De Deurwachter zegt: “Dat is Hem.” Het is alsof je opnieuw gaat zien wat er destijds hier in Joh. 10 al aangeduid werd. Dat gaat dan gebeuren, ten volle, helemaal. Dan ineens is daar die enorme klaroenstoot, die bazuinstoot van: Daar is Hij. Johannes de doper mocht aankondigen dat Hij zou komen. “De heraut van de Koning zal er zijn”, zegt het boek Maleachi, “voordat die grote dag komt.” Het is alsof Johannes de doper ook slechts een voorvervulling is voor dat wat nog gaat komen in de toekomst, als daar een geweldig moment gaat zijn: Hij komt. De Deurwachter doet de deur open. Heel concreet zal de Here Zelf JHWH Zelf zeggen: “Kijk, hier is Hij, dat is Hem, Mijn Geliefde in Wie ik mijn welbehagen heb. Hoort Hem, je moet bij Hem zijn.” Hij is de Enige die oplossingen gaat brengen. De Enige die dit ook kan. EN de Here Jezus Zelf, Die zal zeggen: “Ik heb jullie liefgehad. Daarom heeft de Vader mij lief, omdat Ik Mijn leven aflegde.” Ja, zij zullen in die tijd zien op Hem die doorstoken werd. Aha, precies hetzelfde hè. Ze zullen zien op Hem die wonden in Zijn hand heeft. Wat zijn dat voor wonden in Uw handen. Daarmee ben ik geslagen in het huis van Mijn liefhebbers. Ik citeer Zach. 12. De Here Jezus: “Ik heb jullie liefgehad. Daarom heeft de Vader Mij lief. Daarom gaat Hij Mij verwelkomen. Daarom heeft Hij de deur voor Mij opengedaan. Omdat ik jullie liefheb, omdat ik mijn leven voor jullie heb gegeven. Ik heb ook andere schapen die niet van jullie stal zijn. Ja, ja, zijn er. Maar Ik heb jullie lief en Ik heb Mijn leven voor jullie willen geven.” Dat gaat Hij dan zeggen. En Hij zegt: “En nu ben Ik de deur. Iedereen door Mij naar binnen. Geen enkele andere mogelijkheid. Alleen die deur.” Er is niet een alternatief deurtje. Geen achterdeurtje, geen voordeur. Er is maar één deur, de Here Jezus Zelf. Natuurlijk wil niemand daar aan vandaag de dag. Want iedereen heeft een eigen kleur en een eigen deur. Iedereen is bezig met antichristelijke propaganda. En het gaat gigantische vormen aannemen. En het gaat wereldwijd. En we roemen dan ook nog met elkaar als multiculturele samenleving. Ja, het is onvoorstelbaar. Hete is een alternatief, een soort eufemisme, las ik afgelopen dagen voor islamisatie, voor het verkondigen van de islam. Dat gaat heel ver. Maar goed, ik wil niet schopperig doen, maar ik wil alleen maar zeggen dat hete veel verder gaat dan wij vermoeden. Maar Hij is de deur. Er is geen andere weg. Er is geen andere deur. Alleen de Here Jezus, alleen de Here Jezus, alleen de Here Jezus. God zegt: “Dat is Hem.” En Hij zegt: “Hier ben Ik.” En Hij heeft jullie lief en Hij heeft Zijn leven voor jullie willen geven. Ik ben zover gegaan dat ik Mezelf in de dood gaf. Ik citeer nog steeds Joh. 10, maar dan geprojecteerd in de toekomst. De Enige. En de Here Jezus zegt: “Ik zal jullie toebrengen. Hier is de stal. En die stal is, voor zover ik het zie, het duizendjarig vrederijk. Daar zullen jullie mogen wonen, daar zullen jullie mogen vertoeven. Daar ben je veilig voor de wolf, voor de beer, voor de leeuw. Daar is voedsel, daar is zegen, daar is blijdschap. Daar mogen jullie zijn. In die stal wil ik jullie verzorgen, en Ik ben de Deur. En als iemand jullie schade wil doen dan zal die over Mij heen moeten komen. Dan zal die Mij tegenkomen. Want Ik zit daar. Ik ben de Deur, de Deur der schapen. Ja, dat is zo prachtig, als je het eenvoudig doortrekt, eenvoudig projecteert naar de toekomst, dan kun je alleen maar zeggen: “Here wat bent U wijs, wat bent u geweldig goed.” De Here heeft gezegd dat Hij Zijn leven aflegt, omdat Hij dat ook uit zichzelf wil. Als in Ezechiël sprake is van die Herder die gaat komen, en u leest een poosje door, dan ziet u op hetzelfde moment een tempel. En dan ziet hij op hetzelfde moment in die tempel een altaar, en dan ziet u ineens de basis voor de zegen. En dat is niets anders dan het Offer. En dan komt het Vernieuwingsfeest. Ja, dan komt het Vernieuwingsfeest. Dat was er toen, dat was er in de dagen van, nou ja, na Ezra, na Nehemia, dus 164 v.Chr., een poosje na Ezra en zo.

En dan komt het Vernieuwingsfeest. Dan gaat al het verkeerde eruit. Wat een troep moet uit Jeruzalem geschept worden. Daar heeft het beest een beeld gehad. Daar heeft iedereen een soort aanbiddingsdienst mee moeten maken. Iedereen moest buigen, iedereen een getal 666 op rechterhand of op voorhoofd, iedereen moest buigen voor het beeld van het beest, daar, in Jeruzalem, op de heilige plaats. Die het leest lette erop. Het is heel precies omschreven. En dan komt het moment dat al die vuiligheid eruit geschept wordt: Het Vernieuwingsfeest. Dat wordt Chanoekafeest. Zeven dagen plus een merkwaardige achtste dag. Dat vindt je verder alleen maar bij het Loofhuttenfeest, zeven dagen plus een achtste dag. Dat is het moment dat de Here Jezus schittert, en dat het licht van de kandelaar weer ontstoken wordt. Ja, je zou zeggen: “Een heel klein beetje olie is er nog, een heel klein beetje licht is er nog.” Ja, maar genoeg om het volle, volle licht van de kandelaar echt te laten schijnen. Dat gaat dan gebeuren. Ziet u hoe die samenhang van woorden, die samenhang van gebeurtenissen in Joh. 10 gewoon in de toekomst terug zullen komen. En dat we eigenlijk tegen elkaar zeggen: “Waarom zagen we dat niet eerder. Waarom hebben we dit nooit eerder gezien. Waarom zagen we dit vroeger niet.” Misschien is de tijd nu gekomen om het wel te zien.

Ja, en dan krijg je een merkwaardige streep. Ik heb daar enorm mee geworsteld de afgelopen dagen. Nu wordt het pas moeilijk. Dit gaat nog wel. Dit is nog wel te begrijpen vind ik eigenlijk zelf tenminste. Ik hoop dat het voor jullie ook een beetje overkomt en dat je het begrijpen kunt. Maar dan krijg je het moment dat ze Hem willen stenigen. Je moet, nadat het woord Vernieuwingsfeest is gevallen, en het woord winter is geweest. Hoogl. 2 erbij, toch maar hè. De winter is voorbij, de zangtijd is aangebroken. Het gekir van de tortel wordt gehoord. De bloemen vertonen zich op het veld. En zulke prachtige omschrijvingen van wat er nog gaat komen. En dan ineens is daar: En we willen Hem niet. Je moet daar eigenlijk een streep zetten, en je ook straks de vraag stellen: Hoe komt het dan toch dat Israël zo in de druk is gekomen. Hoe komt het dan toch dat ze zoveel narigheid hebben meegemaakt. Antwoord is: Omdat ze Hem niet hebben aangenomen. En dat vind ik zo moeilijk, want ik wil de schuldvraag nooit behandelen. Ik wil nooit zeggen dat het hun schuld is. Dat ga ik ook niet zeggen. Zal ik het anders zeggen. Als u gelooft in de Here Jezus, en dat hoop ik echt voor jullie allemaal, dan is de toorn van God niet meer op jullie. Die is namelijk op Hem aangelopen. Maar als je niet gelooft, blijft de toorn van God op je. Even heel helder hè: Als je niet gelooft, blijft de toorn van God op je. En als je wel gelooft, heeft de Here Jezus die toorn, die straf van God voor jou willen dragen. Is het nu moeilijk om te zeggen: “Here Jezus, ik geloof.” Misschien zeg je: “Kom mijn ongeloof te hulp”, maar zeg alsjeblieft iets. Geloof. Maar als je nu zegt: “Nee”, wat dan. Dan blijft de toorn van God. En dat is nu precies wat hier gebeurt. Ze nemen stenen op en ze willen Hem de tempel uitstenigen. De Here Jezus vraagt nog: “Om welk van de werken stenigt u Mij, waarom dan.” Nou ja, niet om een goed werk, maar omdat U godslasterlijke taal uitsprak, daarom. En ze hebben Hem weer willen grijpen, maar Hij ontkwam, en de Here Jezus gaat het land uit. Dieptepunt. Hij begon: Aldus betaamt het ons alle gerechtigheid van God te vervullen. Je ziet Hem komen hè, bij Johannes de doper. Zijn openlijke aanvaarding van Zijn dienst. De deurwachter zegt: “Dat is Hem.” En de hemel gaat open, een duif. Johannes de doper zegt: “Dat is Hem. Ik ben het niet eens waard dat ik Zijn schoenen nadraag, schoenriem losmaak. Dat is nog teveel mooiigheid voor mij.” Dat is wat toen gebeurde. Nu is de Here Jezus geweest. Hij is geweest, Hij is geweest, Hij is overal rondgegaan. En uiteindelijk zegt Hij: “Ik ben de goede Herder, en Ik hou van jullie. En Ik heb Mijn leven voor jullie willen geven.” En zij zeggen: “Niks, wij willen niet.” Dan gaat de Here Jezus weg. Gaat uit het land, overzijde van de Jordaan, uit het land, terug bij af. Ja, en daar moet u eigenlijk een geweldige pauze maken, een soort stilte inlassen, en nu de vraag stellen: “Here Jezus, wat is er daar gebeurd.” Ik weet niet of je ooit zelf in je eigen leven iets hebt meegemaakt dat je investeerde, dat je investeerde, dat je investeerde. In tijd of in moeite of in aandacht, soms misschien ook geld. Maar goed, normaal ook met andere dingen. En dan komt het moment dat je totaal genegeerd wordt, en dat je het gevoel hebt: Ik ga weg. Hier kan ik niet langer zijn. Ik weet waar ik het over heb, denk ik. Is ongelofelijk pijnlijk. Daar kun je een half jaar om janken. ja, dat ziet de ander misschien niet. Daar kun je de lichamelijke klachten van krijgen die, ja, niemand ook gezien heeft, maar die er wel zijn. Dat zijn die psycho-somatische klachten die te maken hebben met je ziel, en die slaan dan ergens op je rug, op je nek, op je spieren of op je maag of op je migraine of op je hoofd of, nou ja, waar dan ook, maar het slaat ergens op. En dat is die pijn die je voelt. Daar zit de Here Jezus, terug bij af. Vader Ik heb Mij uitgestrekt naar een tegensprekend en een weerspannig volk. Maar zij willen niet, zij willen niet. En daar begint een hele nieuwe episode. En daar kwamen veel mensen bij Hem. Daar hebben Maria en Martha een boodschap gestuurd over Lazarus. Dat is hoofdst. 11. Je zou zeggen: “De Here is nooit meer terug geweest.” Nee, Hij is niet meer in Jeruzalem geweest om daar nog te spreken. Hij is nog wel Jeruzalem binnengetrokken, En Grieken hebben nog gevraagd: Wij willen Jezus zien, maar dan krijg je een heel nieuw stuk in het Johannes-evangelie. Dit is het dieptepunt van het Johannes-evangelie. En als het om de profetie gaat, dan eindigt het hier in die zin, dat Jeruzalem straks weer herstel zal kennen als ze de Deurwachter horen zeggen: “Dat is Hem.” En als ze Hem horen zeggen: “Ik ben de deur van de schapen.” Als ze Hem horen zeggen: “Ik heb het voor jullie willen doen aan het kruis van Golgotha. “Ik heb mijn leven voor jullie willen geven.” En als ze uiteindelijk zullen zeggen: “De straf die ons de vrede aanbrengt die was op Hem. En door Zijn striemen is ons genezing geworden.” Dat gaan ze zeggen in de toekomst. Het Vernieuwingsfeest zal beginnen. En Zijn verblijf aan de andere kant van de Jordaan is het begin van iets anders. Ook profetisch, maar van een hele andere orde. Het is alsof het hoofdstuk Israël dicht gaat. Dat is niet zo. Ik zei zopas al, daar is herstel. Ze zullen er weer zijn. Ze zullen die zegen weer krijgen. Maar hier in het Johannes-evangelie wordt duidelijk gemaakt dat het boek even gesloten wordt. En dat moeten we heel, heel goed begrijpen. Dat betekent aan de andere kant niet dat God Zijn toezeggingen t.a.v. Israël niet gestand doet. dat doet Hij wel. Zo is Hij, Hij is dezelfde, Hij zal altijd doen wat Hij Zelf heeft gezegd, maar je ziet het hier a.h.w. heel, heel somber in. En dat mag ook best. Dat is ook zo geweest. Vanaf dat moment is alles anders. Is Hij weer bij de volkeren. En die Hem willen leren kennen moeten naar Hem toe, bij de volkeren, aan de andere kant van de Jordaan. En als er een boodschap is vanuit Israël, dan moeten ze die boodschap brengen daar waar Hij is, bij de volkeren. Daar gaat het gebeuren. Vanaf dat moment is alles anders en zie je ook een hele andere categorie. Daarover de volgende keer, maar dit is eerst.

Wie is de Here Jezus voor jou. Weet je, dat is een soort last op mijn hart. En ik kan het ook niet helpen, maar dat is echt zo. Dat klinkt een beetje, nou ja, beetje te zwaar misschien. Maar, de Here Jezus Zelf. We kunnen praten wat we willen. We kunnen allerlei theorieën uiten en we kunnen misschien vergelijken. Maar het gaat er ten diepste om: Wat doet u met Jezus, Gods Zoon. Als de Here God tegen jou zegt: “Dat is Hem.” Ga je dan zeggen: “Nou ja, misschien is Boeddha ook wel een weg, ja, ja zou wel kunnen.” Ja, nee, maar dat is de hele wereld vandaag, het stikt ervan. En Nederland is er helemaal vol van. En we praten maar een eind weg en we kletsen alles aan elkaar. En God zegt: “Er is maar Eén. Dat is Hem.” Niet: In Wie Ik een beetje welbehagen heb. In Wie Ik al Mijn welbehagen heb. Er is maar Eén. Al het welbehagen van de Here is bij Hem. En Hij is de Deur, Hij is het die Zijn leven aflegde voor Zijn schapen. Hij wilde voor jou naar het kruis gaan, Hij wilde. Wordt het dan ook niet een vernieuwingsfeest bij jou. Wordt het dan niet tijd dat alle prut eruit gaat. Dat is een stukje voorwerp voor heiliging misschien voor dinsdagavond, maar ik bedoel, dat is toch zo. Dat kan toch dan niet anders. Dan is er toch een vernieuwingsfeest. Wil je dan echt dat de kandelaar weer gaat branden, of laat je dat ik-beeld staan zoals Antoichus Epifanus. Moeilijk woord, maar goed, dat was een koning uit het Noorden. Die heeft daar een beeld van Jupiter in de tempel neergezet, en iedereen moest ook toen voor dat beeld gaan buigen, toen ook. En zoals er straks een keer een beeld komt op die heilige plaats. Iedereen moet voor dat beeld gaan buigen. Zoals Nebukadnezar dat regelde, dat er een beeld kwam in de vlakte van Dura, en iedereen moest een knieval maken voor dat beeld. Iedereen moet voor dat beeld, voor dat ik-beeld gaan buigen. En wie staat nu numero één in jouw leven of in mijn leven. Wie staat nu numero één in ons bij elkaar komen. Waar gaat het nu om, als we bij elkaar zijn op dit soort avonden. Gaat het om ons, gaat het om een theorie, gaat het om een theologie, gaat het om een soort, ja, een gedachte. Het gaat om Iemand, het gaat niet om een gedachte. het gaat om Iemand, het gaat om Hem. Hij is de enige. En het vernieuwingsfeest moet een keer beginnen. Dat betekent dat die prut eruit moet, dat er verkeerdheid weg moet, en dat het enige, het enige dat telt, de Here Jezus is. Al het verkeerde moet weg, al het onheilige moet eruit. En Hij moet zichtbaar zijn. Dat was het Vernieuwingsfeest. Maar dan gaat de kandelaar weer branden, dan gaat de lamp weer branden. Dan wordt het een helder licht in die donkere tijd waarin we nu leven. Het gaat om de Here Jezus, het gaat echt om de Here Jezus, er is geen andere weg. Of zou de Here Jezus ook tegen ons moeten zeggen, zoals Hij van Laodicea zegt: “Ik sta nu aan de deur. Ik doe nog één keer een appèl op je. Ik wil graag binnen komen. Ik wil graag maaltijd met je houden, maar als je niet de deur open doet, ja, dan moet ik weggaan. Waarom kan een kandelaar van zijn plaats genomen worden, in Openb. 2 als het om Efeze gaat, de gemeente van Efeze, als ze zich niet bekeerden. Ja, dan wordt de kandelaar weggenomen. Weg chanoeka, weg vernieuwing, winter is toegeslagen.

Ik hoop dat u de taal begrijpt, dat de taal heel erg ernstig is. Het heeft toen plaatsgevonden. Het slaat terug op wat er ooit daarvoor al is gebeurd, heel precies. het heeft te maken met wat er nog gaat komen, wat er nog gaat gebeuren, ook heel precies. En het heeft ook te maken met jouw en met mijn leven, ook heel precies. Wie is de Here Jezus. Tot Wie zullen wij heengaan. U hebt woorden van eeuwig leven. Wilt u ook die weg gaan, vroeg de Here Jezus aan de discipelen, daar in Caesarea Filippi. “Nee”, zeggen ze, “nee, U bent het, U bent de enige, wij kiezen voor U. Wij houden van U Here Jezus.” Als dat nu gebeurt, dan is dit wat straks nog helemaal inkleuring krijgt in Israël, nu al werkelijkheid in jouw en in mijn leven. En vanuit onze optiek, vanuit ons bij elkaar komen. Wat een geweldige les in Joh. 10, wat een prachtige lijn. En over dat nieuwe begin, vanaf buiten de Jordaan, daar gaan we de volgende keer mee door. Want daar komen de zusters met hun vraag over Lazarus: Here, die Gij lief hebt, die is ziek. En u snapt het al een beetje misschien. Wat een wonder is het: Here, U houdt van Israël. Ze zijn ziek, ze bidden er voor. Ze bidden voor. Zou de Here er iets aan willen doen. Ja. Dat zijn de lijnen die zo prachtig, zo schitterend in het Johannes-evangelie liggen, daar word je soms koud van. Zo mooi lig het er. Ik hoop dat u dat ook fijn vindt en dat u daarvan geniet, maar dat u ook de praktische les voor uzelf oppakt en dat u zegt: “Here Jezus, u bent de Enige. U bent de Enige die telt. U bent het. U bent het. U bent echt de Deur, dé Deur. Niet een deur, dé Deur. U bent het Here Jezus. We hebben verlangen om U te leren zien. En we zullen zo graag in uw nabijheid zijn, in uw stal zijn.” En ja, dan ben je ook veilig voor de aanvallen van beer en leeuw en wolf en nou ja, en roofachtige dieren. Dan ben je veilig, want ze moeten over Hem heen, willen ze ons benaderen en ons benadelen. Dat is Zijn verantwoordelijkheid. Hij zegt: “Ik ben de Deur.”

De Here zegene u en mij, amen.