De intocht van de Koning

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

14. De intocht van de Koning.

Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis,
6 maart 2005
      Lezing

Lezen: Joh. 12:1-8; 12-15; 20-21; 27-30; 40-46 Het evangelie van Johannes blijde boodschap van Johannes. Johannes is één van die schrijvers die dit prachtige bijbelboek aan ons heeft mee mogen delen. En wij mogen er nu nog in lezen en er van genieten. En dat doet u misschien ook. Prachtige dingen van de Here Jezus staan in dit bijbelboek, unieke dingen. En voor hen die de Here Jezus kennen is dit, laat ik maar zeggen, super kost, een geweldige zegen. En ik hoop ook dat u daarbij hoort. Dat u echt gaat zeggen en kunt zeggen: “Ik ben een gelovige, ik ben een kind van God. Nou, ik vraag niet naar welke kerk u gaat, waar u misschien vanmorgen geweest bent, of helemaal niet geweest bent, misschien nog wel nooit geweest bent. Maar ik vraag alleen of u de Here Jezus kent als Heiland en als Verlosser. Dat is het essentiële, dat is het belangrijkste. Hem kennen als je Heiland, weten dat Hij voor jouw schuld voor jouw zonden aan het kruis gestorven is. Een andere toegang is er niet, een andere weg is er niet, een andere Naam is er niet. Er is maar één mogelijkheid om bij God te komen, en dat is altijd door het geloof in de Here Jezus. Johannes schrijft een evangelie, schrijft ons een portret of schildert ons een portret over de Here Jezus Zelf. Alle vier de evangelisten doen dat, maar ze doen het wel verschillend. Mattheus schildert de Koning. Markus schildert de Knecht of de Dienaar, of misschien wel de profeet. En Lukas schildert de Mens Christus Jezus. En Johannes schildert God die Zoon is. Dat gaat heel ver, dat gaat ook heel diep. Wij proberen in deze avonden, als we het over Johannes hebben, niet alleen te kijken naar de gebeurtenissen die daar toen gewoon letterlijk zo geweest zijn. Daar twijfel ik geen seconde aan. Maar we proberen over die gebeurtenissen heen te kijken naar de toekomst. Dus de profetische vergezichten vanuit dit evangelie mogen we eigenlijk wat dichterbij halen. En het blijkt dat het niet een opsomming is van gebeurtenissen, van een aantal dingen die daar toen plaatsvonden. Op zich waar, maar dat dat veel verder gaat dan een gebeurtenis, aan ons meegedeeld. Het heeft echt verdergaande profetische betekenis. Daar keken we naar, daar hebben we vele dingen al van gezien, denk ik.En vanavond gaan we verder kijken. En we beginnen met die bijzondere maaltijd daar, op de Olijfberg, in Bethanië. Het is een heel bekend stukje. Ik kom uit een gezelschap waar dit stukje tekst heel vaak werd voorgelezen op de zondagochtend, als gelovigen bij elkaar kwamen om de Here groot te maken, om Hem te aanbidden. Dan werd wel eens gezegd: “Kijk eens, dat is eigenlijk wat we doen. De Here is er en wij willen Hem eren. Wij willen Hem a.h.w. huldigen met die nardusmirre, met die hele kostbare zalf.” Ik geloof ook dat het terecht is dat je dat mag zeggen. En het is ook geweldig als je zelf een huisgezin hebt, op één of andere manier. Huisgezin van het geloof, kan natuurlijk altijd. Maar misschien kan het in je eigen huis ook. Waar je de Here a.h.w. uitnodigt om te komen eten. Waarvan je zegt: “Here, U bent welkom. We richten een maaltijd voor U aan. U bent degene om wie het gaat. Dus het is niet een maaltijd van ons waar U een hapje mee eet.” had ook gekund, “Maar het is een maaltijd voor U waar wij een hapje mee eten.” Dat accent mag u niet helemaal ontgaan. En tijdens die maaltijd heeft Maria immers de voeten van de Here Jezus gezalfd met die kostbare Nardusolie. Bedoeld, zegt de overlevering heel vaak, voor de bruidsnacht. Iedere vrouw had een kostbare schat, ook in zalfolie, bedoeld voor die eerste en die hele bewuste bruidsnacht. En ze gaf het aan Hem. Ze huldigde Hem daarmee. Je kunt dat op alle mogelijke manieren uitleggen. Maar je kunt ook zeggen: “Ze heeft het kostbaarste van haar bezit, van haar bruidsbezit, gegeven aan Hem van wie ze hield.” En zo wil ik het ook graag zeggen. En iedereen kan in zijn eigen huis zo de Here Jezus ontvangen. De Here Jezus heeft zelf gezegd: “Ik wil bij je komen. De Vader en Ik willen bij je komen en maaltijd met jou houden. Wij willen graag samen met jou gaan eten en genieten.”

De profetische blik van hier uit. De vorige keer probeerde ik te zeggen dat in de opstanding van Lazarus, dat was immers hoofdst. 11, een beeld te zien is van het ontwaken van Israël, van het opnieuw gaan zien van Israël. Nu, na dat moment, is hier een maaltijd in Bethanië. Nog een keer, het lag op de Olijfberg, een klein plekje, het is er nog steeds, en u kunt het nog gaan vinden. De inhoud van alle feesten is de Here God Zelf. Ik zeg dit zo, omdat in de bijbel een opsomming te vinden is in Lev. 23, van zeven gezette hoogtijden, zeven feesten, zo noemen we dat, feesten van de Here. Dat waren niet feesten voor Israël, zo van dan heb je zeven keer per jaar een knalfuif of zo. Het waren feesten van de Here. Van Hem, het ging om Hem. Het waren duidelijk feesten waar Hij Zijn vreugde zou vinden, waar Hij Zijn genoegen vond. Nu, de Here Jezus heeft die feesten meegemaakt. Ik heb dat al gezegd toen we Joh. 7 hadden, het loofhuttenfeest, weet je wel. We zijn dat al een paar keer tegen gekomen. Feesten die daar toen ook gevierd werden, gehouden werden. En waarvan we zeiden: “het zijn feesten van de Joden geworden.” Het was gedevalueerd tot feest van de Joden. het was niet meer het feest van de Here, maar het feest van het volk. En nu, aan het eind van Zijn omloop, vlak voor het Pascha, is er één gezin dat zegt: “En nu mag het voor U een feest zijn.” Voor Hem. Hij, de Here Jezus is de inhoud van alles wat met feest te maken heeft. Gods vreugde zal alleen daar te vinden zijn waar de Here Jezus het centrum is. En daarom is het zo belangrijk, iedere keer opnieuw te zeggen: “Het gaat om de Here Jezus, het gaat om de Here Jezus.” het gaat niet primair om ons, het gaat om Hem. Hij moet het centrum zijn. En als Hij het centrum is van onze vreugde, dan vindt God daar Zijn genoegen. Dat bedoelt Hij, daar heb Ik Mijn welgevallen. Daar geniet Ik van. Dat is het. En dat uitgangspunt is heel belangrijk. En nu gaven ze daar in Bethanië, voor Hem een maaltijd. Het is alsof alle feesten van de Here hier bij elkaar komen en eigenlijk inhoud krijgen door te zeggen: “Kijk, dit is het wat God ooit bedoeld heeft met al die feesten.” In Jeruzalem en in de tempel was er voor de Here Jezus geen plaats. En de feesten zelf waren gedevalueerd, nog een keer, tot feesten van de Joden. Maar dit is voor U bedoeld. Dit is echt voor U bedoeld. De Here Jezus is de inhoud van alle feesten. Dat is best een beetje moeilijk, want we willen zelf ook wel een, zal ik het zeggen met de geschiedenis van die oudste zoon uit Luk. 15: We willen ook wel eens een bokje slachten voor onszelf, om met onze eigen vrienden feest te vieren. En die vader zegt: “En ik ben er. Is dat dan niet genoeg. Wil je met je vriendjes dan feest vieren zonder mij.” Dat is het verwijt van de vader naar de oudste zoon toe, waarvan de verloren zoon immers net terug gekomen was: En ze begonnen feest te vieren.

Ik hoop dat het helder is als ik zeg dat de Here Jezus het centrum is van alle plannen van God. Het gaat altijd, bij alles, overal, om de Here Jezus. Hij is het centrum van alles wat God bedoelt. Hij is de Christus van de schriften. Hij is het centrum van de hemel. Hij is het middelpunt van de troon. In het midden van de troon, in het midden van de oudsten, in het midden van de vier dieren, een Lam staand als geslacht. Hij is altijd het centrum Het gaat bij de Here God altijd om Hem. En als er in Jeruzalem geen plaats is voor Hem, is dat een afschuwelijke devaluatie. En nu is er daar, op de olijfberg, een plek voor Hem. Alsof God Zelf laat zien: Kijk, dit bedoel Ik nou. Hij is het centrum van alle vreugde. Hij is het centrum van alle vormen van gemeenschap. Eten is ook bij ons toch wel iets van gezelligheid en van samen delen. Je kunt ook met iemand een hapje gaan eten, niet alleen omdat het moet omdat het 12 uur is, of omdat het 6 uur is, maar omdat je iets vieren, omdat je iets wilt delen met elkaar. Nu, dat is hier ook zo. De Here Jezus is het centrum van die maaltijd. En mijn eerste stelling is, dat het een maaltijd voor de Here is. Het gaat om Hem. Lazarus leeft, Israël is weer tot herleving gekomen. En Martha, ze dient. Ik weet het wel dat we dan gaan zeggen: “Zusters horen dan toch…..” Nee, alsjeblieft, hou op. Dat bedoel ik niet, want dat staat nergens. Het gaat er om dat je ook in je geestelijke ontwikkeling moet leren om te dienen. Wie is daarin het schitterende voorbeeld: De Here Jezus, Die zei: “Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en om Mijn leven te geven.” Broeders en zusters, broeders èn zusters, mogen dienen, bedienen. Het gaat er niet meer om van: Ik moet teveel doen, of het duurt allemaal te lang, of dit had wel anders gemoeten. Het is dienen, Hem dienen, Hem dienen. Stel je voor dat de Here Jezus nu binnenkwam. Wat zou u dan doen. Hem dienen denk ik. Dat is het contrast met Joh. 13, waar de Here Jezus zegt: “Ik ben de Here en de meester, en gij zegt het terecht.” En Hij ging de voeten van de discipelen wassen, want zij wilden niet dienen. Dat is ook het contrast met Luk. 12 misschien. Als u in de hemel komt, en Hij zegt: “Kom nu maar eens naderbij.” Hij zal jou doen aanliggen en Hij zal naderbij komen om jou te dienen. De Here Jezus, het is altijd de Here Jezus. En ik wil zo graag vertellen dat de Here Jezus groot is, dat Hij super is, dat Hij geweldig is, en dat het echt om Hem gaat. Maaltijd voor Hem.

Daar tijdens die maaltijd, nog een keer, dat breken van dat flesje. Daar zijn van die prachtige flesjes. Misschien heb je ooit zo’n heel mooi flesje gekocht in Israël of daarbuiten, met zo’n hele dunne hals. En daar is vandaag nog parfum in te vinden en heerlijk reukwerk in te vinden. Het is een hele lange hals, maar die kun je heel makkelijk breken, weet je wel. Dat is zo’n hals, nou zij brak de fles, dan kun je het uitgieten. Dat zijn van die prachtige dingetjes die je nu nog kunt kopen. Misschien wel als herinnering, misschien wel als een soort symbool van: Ja, dat is toen gebeurd. En ook wij willen de Here Jezus huldigen. Nardus mirre. Dat betekent iets: Here Jezus, U hebt het lijden, het bittere willen doormaken. Maar we willen U prijzen, we willen U eren.

Hier is het niet het gieten van die olie over het hoofd van de Here Jezus. In een ander evangelie is dat wel zo. Hier zijn het de voeten. Nou, daar zit best een verder liggende betekenis achter, maar het gaat erom dat ze Hem huldigt. Duizenden hebben zich afgevraagd: Is dit niet dezelfde gebeurtenis als omschreven in Luk. 7, waar die zondares achter de voeten van de Here Jezus staat en waar Hij in het huis van Simon aanligt en waar zij Zijn voeten met haar tranen nat maakt en dan olie uitgiet en met haar haren weer afdroogt. Is dat niet dezelfde Maria. Nee, dat is niet dezelfde. Het is niet dezelfde gebeurtenis. Het is ook niet hetzelfde moment. Het is het begin van de omwandeling van de Here Jezus. En dit is het einde van de omwandeling van de Here Jezus. Hij heeft hier, nog een keer hulde gekregen van deze Maria.

Wat zou u de Here Jezus willen geven als u de kans kreeg om vanavond tegen Hem te zeggen: “Here Jezus, ik hou van U.” Hebt u dan iets. Moet ik dan letterlijk een flesje olie meenemen, of een hele dure parfum. Nou, ik denk dat de Here eigenlijk graag wil dat je je hart geeft, en dat je je emoties toont, en dat je aan Hem vertelt wie Hij voor je is. Nou, zeg het maar in eenvoudige woorden. Stotterend of niet stotterend, maakt niet uit. Huldig Hem alsjeblieft. Zeg Hem dat Hij super is, dat Hij geweldig is. Dat is Hem hulde brengen, dat is Hem eren, dat is Hem iets bijzonders geven. Eigenlijk moet je maar een poosje stoppen soms en zeggen: “Here laten we dat nu maar eens gaan doen.” En een beetje tijd nemen om dat te doen. Iedereen zijn eigen woordjes, maar toch Hem prijzen, Hem huldigen. Doe maar.

Direct na deze gebeurtenis gaat de Here Jezus Jeruzalem binnen. En dat is ook precies wat er in de toekomst gaat gebeuren. In de toekomst zal alle vorm van feest, alle vorm van samen delen, gemeenschap, samen eten, alle vorm van glorie op Hem gericht zijn. Dat gaat in de toekomst vormen aannemen die we niet kennen. En het is daarom, lieve mensen, broeders en zusters, dat de duivel probeert om de Here Jezus uit het leven van de kerk te bannen. Om het niet over de Here Jezus te hebben. Om Hem zo ver mogelijk weg te duwen. Over God praten, o.k., is niks mis mee, kan A en B ook nog wel tot enige waardering leiden. Maar over de Here Jezus praten is het grote probleem. Ik roep dat misschien te vaak naar uw oordeel, maar ik meen precies dit te moeten zeggen. Het is nodig om opnieuw te zeggen: “De duivel probeert om elke gedachte aan hulde aan de Here Jezus weg te bannen. Uit ons huis, uit ons gebed, uit ons leven, uit alles moet de Here Jezus verdwijnen. En er moet iets vaags voor in de plaats komen. Hoe vager hoe beter, zodat niemand meer begrijpt om wie het eigenlijk gaat.” Nu, het gaat om de Here Jezus. Het centrum van alle feesten, straks, in de toekomst, is de Here Jezus. Hij is het centrum van de Here. En Hij is ook het centrum van maaltijd, van gemeenschap, samen delen in die maaltijd uitgedrukt, en onderwerp van huldiging. Daaraan gekoppeld is die geweldige intocht die hier omschreven wordt, vanaf de Olijfberg in de richting van Jeruzalem. Toen middels een ezeltje, bij Bethfagé vastgebonden, losgemaakt, meegenomen. U vindt het in het boek Zacharia hoofdst. 9 zo prachtig omschreven, waar dit al voorzegd was, waar dit al voorspeld was. En nu ziet u het hier gebeuren. U ziet Hem hier gaan vanaf de Olijfberg, door het dal van Kidron, zo naar Jeruzalem, Hij. Ze riepen hosanna, gezegend Hij Die komt in de naam des Heren. Ze namen palmtakken van de bomen. Ze hebben hun mantels op de straat gelegd. Ze hebben Hem gehuldigd. Een deel, een ander deel zit te knarsetanden, staat te loeren. De hele wereld loopt Hem na. Het gaat ons helemaal uit de hand lopen. “Het gaat helemaal fout”, zegt een ander deel. Dat is wat er toen gebeurde. De Here Jezus. Maar de profeet Zacharia, die dit voorspeld had, dat de Here Jezus middels een ezel Jeruzalem zou gaan binnentrekken, zegt dat dat een intocht is in armoede. Nu, dat is het ook. Een beetje koning had een paard en nog een koninklijk paard ook. U weet, misschien, in het boek Esther, even een kleine herinnering, waar die Haman, het gevoel heeft dat hij geëerd zal gaan worden. Wat zal men de man doen in wie de koning een welgevallen heeft. “Nou”, zegt Haman, “een prachtig paard, een koninklijk ros, met daar de koninklijke kleren op en een koninklijk tuig eromheen en iemand daar voorop, een soort heraut die roept: “knielen, eerbied, eerbied.”” “Nou”, zegt koning Ahasveros tegen Haman, “doe dat maar aan Mordechai.” Nou ja, toen had hij het helemaal gehad. Maar goed, dat is de geschiedenis in het boek Esther. Maar niet een ezel. Nee, niet een ezel. Als je het nou op een ezel, ja, dat is het vervoermiddel van de armen. Het lelijk eendje van de auto, zo ongeveer. Nou ja, misschien hebt u de lelijk eend altijd gekoesterd als je van het. Deux chevaux, twee paarden. Misschien hebt u het anders gehad, maar ik wil gewoon een voorbeeldje geven. Dit was dus niet de koninklijke trots, de koninklijke glorie. Dit was het omgekeerde ervan. Dit was het geringste. En nu gaat de Here Jezus zo Jeruzalem binnen. Dat gebeurde toen, arm, nederig. hij was arm, Hij was nederig. Hij kwam als een knecht en Hij diende als een knecht. Maar in de toekomst gaat de Here Jezus vanaf Bethanië Jeruzalem binnen. Dat is heel merkwaardig. Dat gaat nog komen. Hij komt op de Olijfberg, Zijn voeten zullen staan op die Olijfberg, en Hij gaat vandaar uit Jeruzalem binnen. U vindt hier een profetie van wat er nog gaat gebeuren, als de Here Jezus binnenkomt. Hoe komt Hij dan. Nou, hij komt in Zijn eigen wagen. Als de paus op stap gaat, dan neemt hij pausmobiel mee. Ik vindt dat een prachtding. Alleen een speciaal vliegtuig voor nodig geloof ik. Goed, maakt niet zoveel uit. Maar goed, zo’n ding wordt dan neergezet en als hij dan komt kan hij gelijk instappen en wegrijden. Maar de bijbel voorspelt u hoe dat gaat met de Here Jezus. Zijn “voertuig”, tussen aanhalingstekens, schitterend, lichtmetaal, ik heb al vaker uitgelegd, dat zijn Chasmaliem, dat zijn engelwezens. Raderen, Ofaniem, dat zijn engelwezens. Cherubiem, dat zijn engelwezens. Serafiem, alle engelenmachten, a;;es wat engelen is zijn erin verweven, zijn er betrokken. En laaiend vuur, als Hij Zich openbaart, openbaart Hij Zich in laaiend vuur. En daarboven iets wat op een troon lijkt. En in die troon Iemand die zit, Iemand. Nou, die Iemand, in Ez. 1, en ook andere hoofdstukken, is de Here Jezus. Dat is echt de Here Jezus. Kun je bewijzen, kun je aantonen. Hoe komt de Here Jezus op de Olijfberg. Nou, niet meer arm, niet meer nederig, niet meer, laat ik maar zeggen, als Mens die verworpen werd, of Iemand die een ezeltje nodig zou hebben. Hij komt in grote glorie en in grote heerlijkheid en Hij komt in majesteit. De aarde straalt vanwege Zijn glorie. De Olijfberg splijt middendoor. Het is een gigantische openbaring van kracht en van glorie, en dan gaat de Here Jezus van daaruit naar Jeruzalem. Die stad wordt helemaal vol: Hosanna, hosanna. Nou, alles juicht. De bomen klappen, alles gaat heen en weer, alles trilt, alles geeft glorie aan de Here Jezus. Hier vindt u het profetisch. Hij gaat Jeruzalem binnen vanaf Bethanië.

De profetische lijnen zijn duidelijk denk ik. En ik hoop ook dat u het ziet. En ik zou wel willen dat u op hetzelfde moment zei: “Here Jezus, hier ben ik.” Ik heb een aantal keren in Bethfagé gestaan. Bethfagé is dus de plek waar dat ezeltje vastgebonden stond aan de kant van de weg. Ze moesten dat losmaken, en ze moesten het bij de Here brengen, en dan ging de Here daarop zitten, en vandaar uit Zijn intocht maken. En daar is een klein kerkje daar, in Bethfagé, en daar zijn enorme muurschilderingen, en dan kun je….. Nou, enfin, ezeltje staat er natuurlijk ook bij. En ik heb aan de groep die bij me was wel eens verteld, dat ik zelf graag dat ezeltje had willen zijn. En dat ik in feite, ja, mijzelf terugvond in de hele geschiedenis. Vastgebonden aan de kant van de weg. Nog nooit gebruikt door de Here, ook niet door wat anders, gewoon, in dienst van iemand anders. En dat er mensen zijn gekomen, en maakten me los. De Here wil je eigenlijk wel gebruiken. Ik weet niet of het een loffelijk beeld is voor jezelf om als ezel losgemaakt te moeten worden voor de rijtoer van de Here, maar het is wel heel bijzonder dat je de Here mag vervoeren. Dat je je kracht mag inbrengen, en je interesses en je mogelijkheden mag aanwenden voor de Here Jezus. Om Hem Jeruzalem binnen te schuiven. Stel je voor dat wij vanavond zouden zeggen: “Here, ga maar op mijn rug zitten. Hier ben ik. Ja, het is niet je van het als ik dat vergelijk met Uw eigen gloriewagen, dan blijf ik nergens.” Nou, dat klopt, we blijven nergens. Maar ik roep wel Hosanna, gezegend Hij die komt in de naam des Heren. Wat een dag zal dat zijn als wij nu na deze dienst zouden zeggen tegen de Here Jezus: “Here Jezus, hier, hier zijn we. Gebruik ons maar. Maak ons als ezeltjes maar los.” Er moet soms iets losgepeuterd worden. Er moet misschien wel een soort band doorbroken worden. Er moet iets stuk, wat misschien ons zo vasthoudt aan ons eigen ik. Aan ons eigen, ja, ons eigen imago, of aan onze eigen carrière of aan onze eigen status, of weet ik veel. We willen niet afgaan, Wij willen nooit afgaan, wij willen overeind blijven en wij willen eigenlijk tonen hoe groot en hoe glorierijk we zelf zijn. Maakt hem los. Natuurlijk gaat die eigenaar dan sputteren en zegt: “Ho, ho, ho, wat doen jullie daar nu.” Dat gebeurde toen ook. Dit kan zomaar niet. De eigenaar gaat tegengas geven. Wie is die eigenaar. U voelt het allang dat er een tegenstander is die u probeert tegen te houden om u niet zo voor zijn kar te laten spannen. Maar als deze avond er toe leidt dat wij met zijn allen onze krachten willen geven aan de Here Jezus om Hem zo Jeruzalem binnen, dan is het denk ik geslaagd. Glorie voor Hem.

Het merkwaardige is, dat in dit hoofdstuk, dan op hetzelfde moment ineens Grieken komen, heidenen komen, Grieken, heidenen komen, die zeggen: “Wij willen Jezus wel zien.” “Ja”, zegt Philippus, “dat weet ik ook niet. Ik zal het even aan Andreas vragen. Die is misschien wat dichterbij.” En Andreas en Philippus samen vragen het de Here Jezus: “Here, zij willen Jezus zien. Zij willen U zien. Is dat, is dat geen, is dat geen opsteker voor U.” En de Here Jezus zegt: “Indien de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze alleen, maar als ze in de aarde valt en sterft, draagt ze veel vrucht. Indien ze niet sterft, blijft ze alleen, maar indien ze wel sterft draagt ze veel vrucht.” Grieken willen de Here Jezus zien. Nou, u noemt zichzelf niet een Griek denk ik. Toch wordt u onder Grieken gerangschikt, in de bijbel. Heidenen worden we soms genoemd, volkeren worden we soms genoemd, Grieken worden we soms genoemd. We horen bij die Grieken, bij die mensen die niet bij dat volk van Israël hoorden. En er is een verlangen geweest om Hem te zien. Heer, wij willen Jezus wel zien. Ik hoop dat u dat gebed had: Wij willen de Here Jezus wel zien. Ik laat het verhaal over de jonge predikant maar los, die is heel vaak geciteerd, die op zijn preekstoel dat briefje vond: Heer wij wensen Jezus te zien. Dat zagen ze dus niet zo helder. Daarna wel. Maar, het gaat me om het volgende. In de toekomst, als de Here Jezus naar Jeruzalem gaat, als Hij daar Zijn intocht heeft, als Hij daar zijn glorierijke plek krijgt, in de troon, in Jeruzalem, dan komen de heidenen, de Grieken, van heinde en ver. Zoals in de dagen van Salomo de koningin van Scheba kwam om hulde te brengen, om hem te zien, de koning, zo zullen de Grieken, zo zullen de heidenen komen. En zij zullen de Here Jezus zien. “Zij zullen van jaar tot jaar opgaan”, zegt het boek Zacharia, hoofdst. 14, “om in Jeruzalem het loofhuttenfeest te vieren.” Alle heidenen, alle Grieken, ze gaan er allemaal naar toe. Niet een paar. De paar die hier bedoeld zijn, zijn maar een klein voorbeschouwinkje van wat er straks nog gaat komen. Voor de gigantische massa mensen die uit de heidenwereld komt om de Here Jezus te zien. Ze komen om Hem. Ze komen niet om ons, ze komen ook niet om Israël, ze komen ook niet primair om wat er met ons is gebeurd, ze komen om Hem. Wij willen Jezus zien. En de Here Jezus zegt alleen: “Als de tarwekorrel in de aarde valt en sterft, dan is het mogelijk.” En u en ik weten wat dit betekent. U en ik kennen de schrift en we zeggen: “Ja, Here Jezus, dat hebt U gedaan. U wilde Uzelf in de dood geven. U wilde als ware tarwekorrel vallen en sterven, en U wilde vrucht voortbrengen.” Een vrucht die honderdvoudig is en, nou ja, een veelvoud daarvan. Maar in elk geval, super. U ziet het. Ik hoop ook dat vandaag Grieken verlangen krijgen om de Here Jezus te zien. Als wij gemeente zijn, en we hebben onze eigen manieren, en we willen onze manieren, onze typische eigenschappen etaleren en dit ook gaan verkopen aan mensen om ons heen, dan denk ik dat we de plank helemaal mis slaan. Als er geen verlangen komt bij mensen om die Jezus te zien, dan zijn we verkeerd bezig. Weer hetzelfde, maar het kan niet anders in dit evangelie. Het gaat alleen maar over Hem. Heer, wij willen Jezus zien. Ik heb zo vaak het verlangen gehad als je ergens bent: Here, ik wil zo graag iets van U zien. In mijn stille tijd: Here, ik wil zo graag iets van U zien. Ik wil U graag ontdekken, ik wil graag weten Wie U bent. Het verlangen de Here Jezus te zien wordt altijd gehonoreerd. De Grieken hebben de Here Jezus gezien. De heidenen hebben Hem gezien. En het feit dat wij hier, met z’n allen in deze ruimte zitten, vanavond, is een gevolg van het feit dat Grieken de Here Jezus hebben gezien. En ik hoop ook dat nog velen komen, uit onze eigen families misschien, omgeving, vrienden, bekenden, die ook de Here Jezus met ons zullen gaan zien. We hebben nu gehad dat het een maaltijd voor Hem zal zijn, dat alle feesten daarin terug te vinden zijn. We hebben nu gehad dat er hulde voor Hem zal zijn: De nardusmirre. We hebben nu gehad dat er glorie voor Hem zal zijn: Gezegend Hij die komt in de naam des Heren, weet je wel, jubeltoon, glorie. En we hebben nu gehad dat er ook aandacht voor Hem zal zijn, verlangen zal zijn om Hem te zien, door de Grieken.

Dan komt er nog een moeilijk stukje. Het moeilijke stukje van Joh. 12 is natuurlijk wat daarna komt, dat er ja, zoveel tekenen zijn geweest, maar dat Hij zich niet heeft geopenbaard aan hen, en dat er alleen maar voor mensen die geloofden, doorbraak was. En dan wordt Jesaja geciteerd. En ze konden niet geloven omdat Jesaja gezegd heeft: “Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, dat ze niet met hun ogen zouden zien, en met hun hart verstaan en zich bekeren, en ik hen geneze.” Dit zei Jesaja, omdat hij Zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak. Dat betekent dit, en dat is best een moeilijk stukje. Ik moet eerst dit stukje even naar voren halen. Misschien is dat verstandiger om even iets anders te beginnen. Het stukje uit Jesaja, is een stukje uit Jes. 6. Dat kunt u misschien, als u een bijbel hebt waar nog verwijsteksten staan onderaan, daar kunt u het zo pakken. In Jes. 6 ziet u Jesaja in de hemel, zo wordt het voorgesteld. Hij zag de Here zitten op een hoge en een verheven troon. Zijn zomen vulden de tempel en Cherafs riepen: “Heilig, heilig, heilig is de Here.” Dat is dat stukje. Toen Jesaja dat zag, zei hij: “Wee mij, ik ben een man met onreine lippen en woon temidden van een volk dat onrein van lippen is.” Dat stukje is het. In dat stukje laat de Here weten dat Hij uitgerekend Jesaja wil gaan gebruiken. Omdat er iemand een gloeiende kool van het altaar neemt, de lippen van Jesaja aanraakt en zegt: “Nu is uw ongerechtigheid verzoend, nu is uw zonde geweken.” En als de vraag komt wie zullen we zenden, wie zal voor ons gaan. “Ik”, zei Jesaja, “hier ben ik, ik ga, ik wil het gaan doen.” Dat is het stukje. Maar in datzelfde stukje zegt de Here: “Ik zend je tot een volk, hard, en ze willen helemaal niet luisteren.” Tot welk volk werd Jesaja gestuurd. Tot Israël. Alle profeten zijn tot Israël gezonden. Nu, Israël heeft massaal nee gezegd. En hier komt nog een keer, en zelfs in de toekomst wordt dat zichtbaar, dat er een hele groep niet mee komt. We hebben dat in de profetieën, dat er velen niet in die zegen zullen gaan delen. Tweederde zal omkomen, Zacharia. Dat is een hele harde. En of dat nu is te lezen als: In de vele situaties van holocaust zijn zoveel mensen omgekomen dat dat al tweederde is, in totaal, weet u wel. Of dat is tweederde van wat er dan is zal omkomen. Dat laat ik nu even in het midden. Dat is niet helemaal hard te maken. Je kunt daar je mening over hebben, maar hoe dan ook, velen omkomen. Zullen dit niet meemaken. Die zullen zo hard zijn dat dit niet overkomt. Jesaja ziet de Here Jezus. Dat is op zich heel merkwaardig, want hier in Joh. 12 staat, dat Jesaja de heerlijkheid van de Here Jezus zag. Dat staat hier. Dus Jesaja, daar voor de hoge en de verheven troon, en de Here en de Serafs en al het heilig en het heilig en het heilig. Dit zei Jesaja toen hij Zijn heerlijkheid zag. De glorie van de Here Jezus kun je wel afmeten aan die Vreemdeling van Gallilee. Kun je afmeten aan die Man die op die ezel reed. Kun je afmeten aan de Man Die verguisd werd. Aan de Man die misschien wel gestenigd zou zijn geweest als Hij niet weggegaan was. Maar Jesaja zegt: “Ja maar, dat is Hem.” En hier komt ineens de glorie van de Here Jezus. En ik wil dat zo graag verbinden met de toekomst. Als de Here Jezus Jeruzalem binnen gaat. Als Grieken komen: Wij willen Jezus zien. En als Hij zegt: “Alleen maar als de tarwekorrel in de aarde valt en sterft.” De enige mogelijkheid voor Grieken om überhaupt iets van de glorie van God te zien, is het sterven van de Here Jezus. Maar dan ineens is de Here Jezus daar, in Zijn troon, in Jeruzalem, in grote glorie zijn de engelen daarbij. Dat spoort met 2 Tess. 1 bijv., waar Hij openbaar wordt in vlammen vuur, met Zijn heilige engelen, en alle heiligen bij Hem, en om Hem heen. Als de Here Jezus openbaar wordt, straks, in Jeruzalem, dan is dat met Zijn engelen, dan is dat in vlammend vuur, dan is dat in grote glorie en grote heerlijkheid. Dan zit Hij op de troon. Ja, dan kan alleen iedereen maar zeggen: Wee mij, want ik ben een man onrein van lippen en woon temidden van een volk dat onrein van lippen is.” En alleen mensen die een aanraking hebben gehad met het altaar, want dat wordt uitgebeeld, die gaan deze zegentijd in. En velen gaan die zegentijd niet in.

Vanmorgen heb ik in Almelo een dienst mogen houden, meemaken. En ik heb gesproken over Jes. 6 o.a., en over Job, Job zijn vrienden. De titel van mijn toespraak van vanmorgen was: Vrienden die rechters zijn, en een Rechter die Vriend is. De vrienden van Job, die wilden hem onderuit schoffelen. Die vonden het maar niks, en die zeiden: “het is jouw schuld. Dit heb je niet goed gedaan.” Weet je wel, Job zijn belagers, die drie vrienden die daar eindeloze referaten hebben gehouden om te vertellen hoe erg het met Job was. En de een zegt: “het zal echt in je daden zitten.” En de tweede zegt: “Het zal dan wel in je kinderen zitten.” En de derde zei: “Het zal wel in je motieven zitten.” Dat zijn de drie vrienden die alle drie een behoorlijke deuk uitdelen, echt een flinke dreun. Dat waren je vrienden. Nou, dat bleken rechters te zijn. Maar er is een Ander die Rechter is. Die op die hoge en die verheven troon zit, en Die tegen jouw zegt: “Ik heb jou mijn vriend genoemd.” Een citaat uit een overlevering: Een rechter had een vriend in een bepaalde plaats, en die vriend ging in de fout. En die vriend werd veroordeeld, en die zou voor de rechtbank een douw moeten krijgen, een veroordeling moeten krijgen, van die rechter. Die rechter, zijn vriend. Dus zei de hele publieke opinie: “Dat is natuurlijk, ja, dit wordt natuurlijk niks hè. Dat kan niet. Dat is vriendjespolitiek. Dat gaat, zie je wel, die zal natuurlijk helemaal niks krijgen.” En wat gebeurde? Die man die kreeg de hoogste straf die maar denkbaar was. Er stond zoveel geld voor, maar hij heeft het aller-, allerhoogste bedrag gevorderd. De publieke opinie sloeg precies om, die zeiden: “Zie je wel, dat noemt men nou een vriend”, weet je wel. Dat is heel gek, dan gaat het ineens precies de andere kant op. En toen de toga was uitgetrokken, heeft de rechter tegen die vriend gezegd: “Ik heb het hoogste vonnis moeten eisen, want ik wil recht. Maar ik ga het voor jou betalen.” Dat is een rechter die vriend is. Dat is een simpel beeld, maar het is een uitbeeldinkje van de Here Jezus, Die jou schuld, jouw zondige toestand heel goed zag. Maar Die op hetzelfde moment zei: “En Ik betaal voor je. Ik maak het voor je in orde.” Dat is een rechter die vriend is. De Here Jezus zit op die hoge en die verheven troon. Jesaja zegt: “Ik ben onrein en woon temidden van een volk dat onrein van lippen is.” En er is een oplossing, er is een altaar. Een gloeiende kool van dat altaar kan je lippen aanraken, en je ongerechtigheid is verzoend. Anders gezegd, OT hè. Het kruis van de Here Jezus, het kruis van de Here Jezus. Dus op een bepaalde manier wordt het voorgesteld als een tarwekorrel in de aarde vallend om te sterven. Op een andere manier wordt het voorgesteld als een altaar waar het offer is, en waar verzoening is, waar vergeving is, en waar de schuld uitgedelgd wordt, en waar je voor altijd vrij bent. In de toekomst zal de Here Jezus daar zitten. En de enige mogelijkheid om met Hem te delen in die glorie, in die toekomst, is het altaar. Dat heeft Israël niet altijd begrepen. Ze hebben het vaak afgewezen. En vandaag de dag wordt het meestal afgewezen, wordt het genegeerd. En als je al kerkelijk bent, dan zeg je ook nog: “Nou ja, als je goed je best doet, en wat aan 555 geeft, weet je wel, voor de tsunami of zo, of voor slachtofferhulp doet. Ja, dan zit het met jou wel goed. Nu, dat is het niet. het is duidelijk het altaar. De enige mogelijkheid is het altaar van de Here Jezus. Het kruis van de Here Jezus.

En het laatste stukje is: Dan wordt duidelijk dat de Here Jezus en de Vader één zijn. Dan wordt duidelijk dat dat niet een solistisch optreden is van iemand, maar dat het om het wezen van de Here gaat, om JHWH Zelf gaat. De God Die Vader is, is dezelfde als de God Die Zoon is. Wel onderscheiden, maar het is één, Ze zijn één in wezen.

Bij elkaar gebracht, zegt Joh. 12 zulke prachtige dingen van de Here Jezus, dat je het bijna niet op kunt. Hier staat dus, in gebeurtenissen die daar, toen, achter elkaar plaatsvonden, hier staat dat er een maaltijd is voor Hem. Alle maaltijd, alle feest is voor Hem. Misschien mag ik nog een herinnering geven aan het vredeoffer uit het OT. Alle, alle vlees die ze mochten eten, Israël, moest eigenlijk het offer zijn. Alle, alle vleesspijzen moest offer zijn, vredeoffer zijn. Zonder offerelement was er eigenlijk geen maaltijd mogelijk. Toen al, zo is het voorschrift. Dat is heel precies. Daar een maaltijd voor Hem. Daar hulde voor Hem. Daar glorie voor Hem. Daar verlangen naar Hem, Grieken. Daar het heilig, heilig, heilig voor Hem. Daar is openbaring van de glorie van de Here Jezus. Het is allemaal de Here Jezus. Eén en al samenvoeging van de Here Jezus. in Joh. misschien een terugblik, of wat er toen is geweest, maar profetisch is dit een vergezicht naar wat er nog een keer gaat komen. En ik verlang er echt naar dat de Here Jezus die glorie, die hulde gaat krijgen, daar in Jeruzalem. En als dit straks voor Hem zo gaat gebeuren, dan betekent dat concreet voor mij nu, en dat is de praktische toepassing, dat ik moet willen zeggen, en ook wat mijzelf betreft wil zeggen: “Here Jezus, U bent welkom in mijn leven, in mijn hart. En ik wil een maaltijd voor U aanrichten. Ik wil het zo laten zijn dat U geniet. En ik wil preberen om met mijn ezelsrug U hulde te brengen. ik wil mij geven, zodat U het hosanna, en het hosanna, en het hosanna gaat horen.” En ik wil er eigenlijk aan meewerken dat Grieken gaan vragen: Wij willen Jezus wel zien. ja maar wij willen wel weten hoe dit is met die Jezus van jou. Wij willen van hem getuigen, wij willen Hem uitstralen. Wij willen het zo laten gebeuren dat ook andere mensen zeggen: “Wij willen Hem zien. Wij willen meegaan in deze route.” Wij willen ook begrijpen dat de Here Jezus de Rechter is van de ganse aarde. En dat Hij glorie en hulde krijgt van engelen die heilig, heilig, heilig roepen. Nou, dat betekent voor ons dat we Hem echt gaan zien als die ene Rechter, die absoluut unieke rechter die op de troon is. Die Rechter die voor jou, als je gelooft, Redder wil zijn. En als je niet gelooft blijkt Hij Rechter te moeten zijn, straks. En we willen belijden en erkennen dat de Here Jezus niet alleen solo hier aanwezig is geweest, maar dat Hij samen met de Vader dat werk heeft gedaan. Ik en de Vader zijn één. Twee handen, gegarandeerd, Eén doel één openbaring van glorie van de Here Jezus. Joh. 12 laat ons op schitterende manier zien Wie de Here Jezus is. Zoals zovele hoofdstukken, maar dit is er nog een. En er komen nog veel meer van deze prachtige plaatjes.

De Here zegene ons.