Voetwassing in de hemel

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

15. Voetwassing in de hemel.

Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis,
20 maart 2005

Een kleine geschiedenis vooraf. Dat heeft te maken met de verhuizing van hier naar een andere locatie. Ik heb de Here Jezus leren kennen door mijn Geestelijke moeder, en die nam me mee naar een hele kleine geloofsgemeenschap in Fokshol. Dat is één van de grotere plaatsen in het Grônningerland. Daar liggen heel veel van die steden, maar dit is er dan één van. Daar woonde een zeer trouwe broeder die de Here van harte lief had. De gemeenschap daar, een kleine groep, was eigenlijk een beetje te klein. En nou was er in Hogezand, vlak daarbij, ook zo’n groep. En toen is ere overleg geweest, en toen was het eigenlijk beter om die twee kleine groepen bij elkaar te brengen. Daartoe werd besloten. Maar de enige die daar heel veel moeite mee had, dat was die broeder die daar woonde, in wiens huis, daar was een soort gebouw aangetimmerd, een gebouw om samen te komen. En die, ja, die zat in zak en in as. Kun je nu zomaar van locatie veranderen. Kun je de plaats waar de Here Zijn naam wilde doen wonen, even heel plechtig gezegd, kun je die nu zomaar aan de kant zetten. Hij had het daar verschrikkelijk moeilijk mee. Broeders hebben op hem ingepraat, maar het heeft niet geholpen. Eén hele wijze broeder zei: “Ik ga wel.” Nu moet u eigenlijk Gronings verstaan. Hij komt bij deze broeder. Ik ken hem hoor, maar dat ging ook echt zo, zoals ik het nu zeg. Zei ook niet goeie morgen. Zei niet van: Hoe gaat het met je Gerard. Hij kwam gewoon op bezoek. Hij zegt: “Gerard, zat’n d’r an de ark droagbôm jong.” Gerard verbleekt: ‘t Is mie dudeluk. Verder niks. Einde gesprek. Ja dit is, ik kan er een heel verhaal van vertellen van die broeder, met een wijsheid die je eigenlijk niet voor mogelijk houdt. Iedere keer zulke dingen uit de schrift. Ik wil alleen maar zeggen: “De Here verplaatst zijn plaats ook wel eens.” Dat bedoelde hij ook te zeggen als daarvoor, ja, een weg is, dan gaat de Here wel echt voorop. O.k.Lezen: Joh. 13:1-21; 31-35Opnieuw zo’n hele, hele bekende geschiedenis in het Johannes-evangelie: De voetwassing. Het is een beetje prikkelend als ik zeg: “Voetwassing in de hemel.” Maar ik denk dat u aan het eind van de toespraak beseft dat dit waar is.
De Here Jezus, vlak voor Pasen. Je zou zeggen, op palmpasen, maar dat gaat me een beetje te ver. Maar toch wel voor de tijd dat de Here Jezus zou worden overgeleverd. Ze waren op de Olijfberg en ze zijn van de Olijfberg naar de Sionsberg gegaan. Dat is op zich al heel bijzonder in de taal van de profetie. Dat je van de Olijfberg gaat. Dus de berg waar de Here Jezus was in Gethsemane. Waar Hij vandaan ging toen daar het moment kwam dat Hij naar de hemel ging. Waar Hij terug gaat komen. Zijn voeten zullen immers staan op de Olijfberg. En nu zijn ze op de Sionsberg. De berg die altijd verbonden is met de Koning en Zijn heerschappij. Er is nog een bijzondere plek, dat is de berg Moria. Zowel de berg Sion als de berg Moria, worden allebei berg des Heren genoemd. En nog een derde berg is er in de schrift, ook met diezelfde titel, en dat is de berg in de Sinaï, Horeb, waar de wetgeving plaats had. Twee bergen in Jeruzalem. Nu zijn ze met z’n allen op de berg Sion aangekomen. En de Here Jezus heeft twee van Zijn discipelen uitgestuurd, en die heeft hen op pad gestuurd. U vindt dat in Markus, Mark. 14. De Meester zegt: “Waar is Mijn herberg”, letterlijk vertaald. Toen Hij geboren was, was er geen herberg. Wel een stal, maar een herberg was volgeboekt. Toen Hij leefde, wandelde en sprak en handelde, was er voor Hem geen plek waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen, zegt de bijbel, Luk. 9. We lazen het gisteravond voor mensen die er waren. Maar de vossen hadden een hol, de vogels hadden een nest, maar de Zoon des mensen had geen hol of geen nest waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen. En nu vraagt de Here Jezus: “Waar is Mijn herberg. Want ik wil met Mijn discipelen het Pascha gaan eten.” Hij noemt het Zijn herberg, Zijn eetzaal, waar Hij, Hij de Gastheer zou zijn. En daar in die herberg een bovenzaal, waar alles al gereed stond, merkwaardig genoeg in gereedheid gebracht voor de Here Jezus daar kwam, is van alles gebeurd. Los van het eten van het Pascha, is daar ook de voetwassing geweest, zoals e nu vanavond lazen. Daar heeft de Here Jezus verteld van het huis van de Vader. Daar heeft de Here Jezus het met de discipelen gehad over vruchtdragen, Joh. 15. Daar heeft Hij met de discipelen gesproken over de Heilige Geest die zou gaan komen. Daar heeft de Here Jezus gebeden, dat prachtige van Joh. 17, schitterend om Hem te horen bidden. Je zou bijna wegrennen van dit is zo privat, dit is zo van Hem persoonlijk, daar hoor je eigenlijk niet naar te luisteren. Zo, zo dichtbij. Vandaar zijn ze vertrokken nadat ze de lofzang gezongen hadden, daar, naar Gethsemane. Daar zijn de discipelen later weer bij elkaar. Uit vrees voor de Joden de deuren gesloten. Dat is diezelfde ruimte. Daar komt de Here Jezus: Vrede zij u. Daar hebben de discipelen zich verblijdt toen ze de Here zagen. Acht dagen later waren ze daar weer, Thomas ook. Thomas mag zeggen: “Mijn Here en mijn God.” Daar zijn ze gebleven, in die bovenzaal, basis van de Gemeente. Daar is de Heilige Geest uitgestort. Daar is de zaal bewogen geweest toen ze gingen bidden. Vandaar uit hebben ze gediend, gesproken, gehandeld. Vandaar uit zijn ze vertrokken. U voelt, dat is niet zomaar een plekje. Dit is uniek, dit is bijzonder, dat daar een plaats was in Jeruzalem, waarvan de Here Jezus zegt: “Dit is Mijn eetzaal.” Daar was Hij. En het begint met voetwassing. Nu, nu kunnen we ons dat allemaal goed voorstellen. En u hebt daar misschien al 20 preken over gehad in de loop van de jaren. En u weet best dat daar normaal een slaaf voor was. Nou, die was er niet. Dat de discipelen daar een beetje omheen zijn gesprongen, en gedacht hebben: Pff, nou nee, wij zijn niet aan de beurt vandaag. We hebben geen corvee, of zo. En de Here heeft Zich met een linnen doek omgord. Heeft water in het bekken gedaan, en is begonnen de slavenarbeid te doen, en de voeten van de discipelen te wassen.
Maar, ja, Petrus. Ja, altijd weer die Petrus, die altijd wel weer commentaar zal hebben: Nee, geen sprake van. Wast Ú mij de voeten. Of: Wast U míj de voeten. Hoe je het maar zeggen wilt. Maar ook dat is allang een keer aan u doorgegeven. En de Here Jezus zegt: “Petrus als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij.” De Zijnen liefgehad tot het hoogtepunt, tot het einde. Dat is niet het kruis. Tot het niet verder kan, oneindig. De Here Jezus, hier, op deze bijzondere plek, op de Sionsberg, waar Hij later Koning der koningen zal zijn, waar de troon zal zijn. Van waaruit geregeerd gaat worden: De wet zal uit Sion uitgaan. Daar, daar was de Here Jezus. En daar bukt Hij Zich. Voor mij is dat heel erg aangrijpend. Ook knap emotioneel, maar dat komt om de lading die daar in zit.
Ik probeerde in deze avonden u te schetsen dat Johannes een schitterend vergezicht geeft, ook naar de toekomst toe. De vorige keer hadden we Joh. 12. Misschien iets te snel geweest met die beide stukken aan elkaar te knopen. Maar het was toch een stuk overzicht ook. Daar ziet u een maaltijd op de Olijfberg, in Bethanië, op de Olijfberg, Martha, Maria, Lazarus. En dan ziet u de Here Jezus in de richting van Jeruzalem gaan: Hosanna, hosanna, gezegend Hij die komt in de naam des Heren. Takken van de bomen, daar gaat Hij, gezeten op het veulen van een ezelin. Hij heeft Zijn intocht, Zijn glorietocht in Jeruzalem. En we hebben toen gezegd: “Kijk, dat is de toekomst. Dat gaat gebeuren.” Hij landt op de Olijfberg. Nou ja, daar is Hij echt welkom. Zoals Hij toen welkom was in Bethanië, bij Martha Maria en Lazarus. Die hebben Hem welkom geheten. Die hebben Hem thuis een maaltijd aangeboden. Een maaltijd voor Hem aangericht. Niet een etentje voor henzelf waar Hij ook nog mee mocht eten. Precies het omgekeerde. Het was een maaltijd voor Hem, waar Martha en Maria mee mochten eten.
En dan die intocht. Nu, we hebben gezien de vorige keer, dat is nu een prachtig stukje profetie van wat nog gaat komen als de Here Jezus terugkomt in glorie en in heerlijkheid. En Hij komt op de Olijfberg. De bijbel is daarover volstrekt helder, oostelijk van Jeruzalem. En gat vandaar Jeruzalem binnen. En dat wordt me daar even een jubeltocht waar je bijna niet over kunt spreken, zo schitterend. En het is alsof dan het verhaal stokt, alsof het even over gaat. Want wat er verder in Jeruzalem gebeurt, moet even wachten tot hoofdst. 18. Tussen de intocht a.h.w. van hoofdst. 12 en de verdere routen van de Here Jezus naar Kajafas, naar….., en al die dingen, dus verder in hoofdst. 18, 19, zit een stuk, een tussenstuk. We noemen dat wel eens een tussenzin, een tussenstuk. De bovenzaal. Nu,. anderen hebben wel eens een titel boven deze dingen geplakt en gezegd: Gesprekken in de opperzaal. U mag het zo zeggen. Het was een opperzaal, een bovenliggende zaal, een eetzaal. De Here Jezus, nog een keer, heeft dat Zijn herberg genoemd. Zijn eetzaal genoemd. En daar ging Hij met Zijn discipelen eten.
We hebben ook wel eens een serie lezinkjes gehad over dit onderwerp en hier “De laatste woorden van de Here Jezus” boven geplakt. U bent heel blij als iemand op het allerlaatst, vlak voor zijn heengaan nog iets heeft gezegd. Dat houdt u vast, dat vergeet u nooit meer. Voorbeelden hebt u zelf. Nu, de Here Jezus heeft nog één keer gesproken. Zijn laatste woorden. Daarna zijn ze naar Gethsemane gegaan, en u weet hoe het verder ging. We denken daar misschien wel heel speciaal aan deze week, de tijd van lijden. Van denken aan Golgotha, denken aan kruisiging, denken aan dat wat de Here Jezus daar, in Jeruzalem moest meemaken. Zijn laatste woorden, die hebben diepe indruk gemaakt op de discipelen.
En nu begint Joh. 13 met te zeggen dat Hij, vlak voor het paasfeest, wetende dat Zijn ure gekomen was, dat het allemaal op het punt stond om te gebeuren, dat Hij de Zijnen had liefgehad in de wereld. En dat Hij hen liefgehad heeft tot het einde. De discipelen liepen gevaar natuurlijk om vuile voeten te krijgen. Dat was heel normaal, want ze liepen meestal met blote voeten in sandalen. ZO was dat ongeveer. Dus stoffig, de straat, nu nog, maar toen zeker, gewoon vuile voeten. Het was niet ongebruikelijk om de voeten te laten wassen. Maar het wordt wel ongebruikelijk. Ik probeer het u aan te reiken. Op het moment dat u de profetische lijn hebt ongeveer van: Dit gaat er straks in Jeruzalem gebeuren. Olijfberg, intocht, glorie, de hele stad in rep en in roer, en hosanna gezegend Hij die komt. Psalm 118, maar dan in de volle zin van het woord. Gezegend Hij die komt in de Naam van de Here. Op dat moment wordt een klein gezelschap uit alles wat daar is, omhoog getild, in een opperzaal getild, in een hele bijzondere setting geplaatst. Secret, geheim, nou nee. Niet geheim, maar wel uniek. Ook apart. Apart gezetten, geheiligden, die door de Here Zelf apart gezet zijn. En zij die apart gezet zijn, los van het gewoel van de straat. Los van wat daar toen in Jeruzalem gebeurde. Misschien mag ik zeggen: “Zelfs los van wat straks gaat gebeuren”, is daar een apart gezet gezelschap. Boven geplaatst. U hoeft niet zoveel moeite te doen, om als de Here Jezus als de Koning der koningen terugkomt, te beseffen dat er nog iets komt uit de hemel. Het nieuwe Jeruzalem, van God uit de hemel neerdalend. Dat is niet een verbeterde versie van het oude Jeruzalem. Dat is van hier, de aarde, eigenlijk omhoog gebouwd naar God toe. Maar dit is het nieuwe Jeruzalem van God uit de hemel neerdalend. nergens staat dat dat nieuwe Jeruzalem ooit op aarde komt. U denkt dat wel, maar goed, u leest dat maar in Openb. 19, 20, 21, met name 21, waar dat nieuwe Jeruzalem helemaal omschreven wordt. Een stad, ja, je zou zeggen dat past niet eens. Ik heb de afgelopen dagen een lezing gehouden over het boek Ezechiël, over de nieuwe tempel, de hoofdstukken 40 t/m 47. Dat is ook nog een hele hap in één avond. En daar is een strook grond van ongeveer 10km wat de breedte betreft. [Wat] de lengte betreft van de Middellandse Zee naar de Dode zee, dat is veel langer. Maar goed, 14km breed. En binnen die 14km ligt de stad, straks. het aardse Jeruzalem En daar ligt de tempel. Daar liggen de woonplaatsen van de Levieten en van de priesters. En de stroken grond die aan de zeekant, of aan de Dode Zeekant overblijven die zijn voor de vorst. Die vorst heeft een enorm stuk grond, de heffing van de Here. Maar de vorst stelt zijn heffing zodanig in dat de Here daar kan wonen, de dienaren van da Here daar kunnen wonen, en dat volk van de Here daar kan wonen. Dat noem ik pas een vorst. U ziet het straks. Dit is echt pas een vorst. Als je dan toch een leider van de gemeente wil, een vorst in Israël of een vorst onder ons, dan is het iemand die ruimte geeft aan de Here. Aan Zijn woning en aan het volk en aan de priesters en aan de Levieten. En voor de rest ook nog wat overhoudt voor zichzelf. Super is dat. Maar dat is maar 14km breed. Als ik het nieuwe Jeruzalem uit de hemel zie komen, dan moet dat iets zijn, schrik u niet, van vele, vele malen 14km breed. De schattingen lopen gigantisch uiteen. Sommigen hebben het over van hier tot ver in Spanje, wat de breedte betreft. Nou, dat past helemaal niet in de 14km. Dat is maar een smalle strook in verhouding tot dat gigantische wat van God uit de hemel neerdaalt. Boven Jeruzalem, in die tijd, boven de plek waar gezegd wordt: “Hosanna, hosanna, gezegend Hij die komt in de naam des Heren”, daar hangt me daar een stad, daar hangt me daar een bovenzaal, waar je u tegen zegt. En in die bovenzaal zijn apart gezette lieden. Weet je wie dat zijn. Jij, als je gelooft in de Here Jezus, en ik. Je houdt het haast niet voor mogelijk dat jij zo bijzonder bent dat de Here je, ook in die tijd, heel apart ziet. Daarover gaat het. U voelt de profetie van Joh. 13 al een beetje komen. En ik hoop dat ik u meekrijg. In elk geval nu al vast laat voorgenieten van wat straks gaat komen.
De Here Jezus heeft hier in deze geschiedenis de voeten van de discipelen gewassen. Petrus zegt natuurlijk: “Ja, nee U niet, nee, nooit niet.” Nou, hij had het zelf moeten doen, maar hij deed het ook niet. Grote mond, maar hij deed ook niks. Ja, dat is natuurlijk makkelijk praten. iedereen die roept van nee, maar zelf ook niks doet, daar koop je ook niks voor. De Here zegt: “Petrus, als ik je niet was heb je geen deel met mij.” Petrus, weer haantje de voorste: “Nou, dan helemaal maar.” Weet je wel, zo ongeveer. Nou, helemaal doorschieten naar de andere kant. “Nee”, zegt de Here Jezus, “die geheel gebaad is, dat is niet nodig. Je hoeft niet nog een keer. Alleen de voeten.” Wat zou betekenen: Deel hebben met de Here Jezus. Ik heb bewust de tekst gelezen zoals ik dat kan bekijken: Niet deel hebben aan de Here Jezus, maar deel hebben met de Here Jezus. Deel hebben aan de Here Jezus, betekent dat je leven uit God hebt. Dat je door Hem leven uit God hebt. En ik hoop dat u dat allemaal hebt. Dat u allemaal zeker weet: Mijn schuld is weg, mijn zonden zijn vergeven, ik heb deel, ik heb deel aan Hem. Maar deel hebben met Hem, betekent heel wat anders. Wat is deel hebben met de Here Jezus. Zal ik het simpel zeggen. Als ik dat heb wat de Here Jezus ook heeft, dan is het deel hebben met de Here Jezus. Maar schuldvergeving, heb ik dat samen met Hem? Even, even doordenken. U komt tot de conclusie: Nou, nee, Hij had geen schuld. Dus ik kan nooit samen met Hem schuldvergeving hebben, want Hij had geen schuld. Ja maar ik krijg straks de……. Ga maar door. U mag alles invullen, u mag alles op een rij zetten. En ga daar maar eens mee aan de slag. Schrijf maar een aantal dingen op. En kom desnoods met vragen aan het eind van de rit, of de volgende keer. ik ga u één antwoord geven. het deel van de Here Jezus is, als je alles op een rij gezet hebt, een ononderbroken gemeenschap met de Vader. Daar kom je uit. En de Here Jezus zegt: “Als ik je niet was, heb je geen deel met mij.” Ik zal het verklaren. U bent een kind van God, daar ga ik nu vanuit. U hebt leven uit God. U hebt de Here Jezus leren kennen en u weet zeker dat u tot in eeuwigheid bij de Here zult zijn. Daar kun je ook echt zeker van zijn. Als je dat gelooft heb je dat, klaar. Dat is heel duidelijk. Maar het komt wel eens voor in jouw leven, en mijn leven, dat wij niet zo optimaal zijn. Nog sterker, dat wij zondigen. Als een gelovige zondigt, is hij dan kind van God af. Moet je dan opnieuw beginnen. Nou, ik denk dat je dan 3x per dag, misschien 12x, per dag opnieuw moet beginnen, als dat zo zou zijn. Nou, u hebt allemaal vraagtekens in uw ogen, dus u zondigt nooit misschien. Maar er zijn wel anderen die dat vaker doen misschien. Ik wil daar geen glorie aan geven, maar toch. Maar wat gebeurt er nu als een gelovige zondigt. Is die dan gelovige af. Nee, want de Here Jezus zei dat we dan eeuwig leven zullen hebben. Is dat eeuwig leven tot de volgende zonde. Is dat eeuwig. Nee, natuurlijk niet. Eeuwig is eeuwig. En wat uit Gods hart ontsproten is, het eeuwige leven, dat gaat niet meer weg. U bent een kind van God op grond van uw geloof in de Here Jezus. Zovelen Hem aangenomen hebben, zovelen heeft Hij recht gegeven om zich een kind van God te noemen, hun die in Zijn Naam geloven. Je hebt dus het recht om je een kind van God te noemen. Nou, roep maar halleluja, overdag 10x, ‘s avonds 20x, ‘s nachts, wat mij betreft, 30x, en in de samenkomst mag het ook 5x. Ik hoor nog niks, maar het mag best. U mag best zeggen: “Here Jezus, dank U wel voor dat geweldige, dat ik een kind van God ben. Dat ik leven uit God heb, en dat ik voor eeuwig behouden ben. Wat gebeurt er als ik zondig. Is het dan over. Nee. Mijn kindschap is nooit in gevaar. Als een gelovige zondigt, blijft zo iemand een kind van God. Als hij gelooft heeft natuurlijk hè, daar ga ik even van uit hè. Maar er is een ander gevaar, en dat is dat zijn relatie met de Vader verstoord is. Misschien ten overvloede het verhaal van onze oudste zoon. Het is jaren terug, hij was hartstikke wild van auto’s, is hij nog. Een soort virus heeft hij opgedaan van zijn vader, en die heeft het ook nog wel een beetje zo nu en dan. Maar goed, hij hoorde aan de auto dat ik thuis kwam. Stond op de stoep, wou het liever even in die auto, weet je wel, die laatste meter wou die zelf nog even mee, maar enfin, zo kon die altijd. Kom ik thuis, en Jan staat er niet. Ben je buiten, zit je in de auto. De laatste meter moet je dan even zonder Jan doen, en je weet eigenlijk allang wat er aan de hand is. Waarom zou Jan er nu niet zijn. Kom je in de kamer na de begroeting. Jan onder de keukentafel brrrr. Zijn eigen autootjes, weet je wel. Ja, druk, vreselijk druk, geen tijd voor pa. je weet al lang wat er gebeurd is. Je jankt bijna, want de verhouding is even stuk. Het is verstoord. Nou, dat hoor je al heel vlug. Er is natuurlijk iets gebeurd in de loop van die dag of zo. En Hennie heeft gezegd: “Ik zal er met pappa over praten.” En pff, ja, dan kom je dus thuis en dan ben je weer de, nou, niet de boeman of zo, maar…. Je snapt wat er aan de hand is. Is het kindschap in gevaar, nee natuurlijk niet. Nog sterker, je voelt het sterker dan andere dagen. Maar de relatie vader-zoon is verstoord. En als dat geprekje geweest is, en er is een hug geweest, dan is het beter dan daarvoor. Dat is het. Wat gebeurt er als een gelovige zondigt. Ben je dan kind van God af. Nee, dat blijf je. Maar de verhouding met de Vader is verstoord. Het fijne is weg. Deel hebben met de Here Jezus, ononderbroken gemeenschap met de Vader, subliem contact, Vader, Abba Vader, dat is verstoord. En wat zegt de bijbel, zal ik het voorzichtig zeggen, maar wel heel duidelijk hoop ik. Indien wij gezondigd hebben, wat hebben we dan: Een voorspraak bij de Vader. We hebben een Hogepriester bij God, en een Voorspraak bij de Vader. Nog een beetje dichterbij. Als ik zondig, als ik dingen niet goed doe, gaat de Here Jezus naar de Vader en zegt: “Vader, Ik heb voor hem betaald. Ik was op dat moment zijn voeten.” En du moment kom en zeg: “Vader, sorry”, zegt de Vader: “Het is al vergeven, het is weg. De Here Jezus heeft het weggedaan.” Snap je, dat is voetwassing in de hemel. Hoe vaak zou Hij dat gedaan hebben voor jou, vandaag. Of, hoe vaak zou Hij dat morgen misschien moeten doen, voor jou, omdat je dingen zegt of ergens bent of dingen denkt die helemaal niet kloppen. Petrus, als Ik je niet was, heb je geen deel met mij. Petrus zegt: “Dan helemaal maar, dan maar in bad.” Nee, daar gaat het niet om. Het gaat om die dingen die je oploopt in je woestijnroute, met je vuile voeten hier. Het komt je aanwaaien. En je kunt vandaag geen stap doen of je komt met zonde in aanraking. Of dat nu de reclame is of dat dat nu de taal is of dat de krant is, het maakt me niet uit wat het is. Je wordt besprongen door allerlei, allerlei toestanden. Toestanden die te maken hebben met bevuiling. Als ik je niet was, heb je geen deel met mij. Here Jezus, dank U dat u daar constant bent. U bent de Hogepriester bij God. En u kunt meevoelen met mijn zwakheden. Maar zonden worden nooit zwakheden genoemd. Zonden zijn er ook. Maar zonden zijn geen zwakheden. Zwakheden is verdriet, dat is eenzaamheid, dat is pijn, dat is al die narigheid. Je kinderen, dat is zorgen om je kinderen. Here ik kan het niet tillen. Hij kan meevoelen met je zwakheden. Dat doet Hij. Daar is een Hogepriester bij God, bij de troon van God. Maar de troon van God is niet hetzelfde als het hart van de Vader. Is ook niet hetzelfde als het huis van de Vader. In het huis van de Vader is Iemand die van je houdt, waar je terecht bent, waar je je plek hebt. Daar is de Here Jezus voor jou bezig. Dat noem ik voetwassing in de hemel. Natuurlijk gaat het mij daar niet om een bakje met water daar. maar het gaat me om het feit dat Hij daar de Voorspraak is, de Parakletos, de zaakwaarnemer, jouw zaakwaarnemer, daar, bij de Vader. En als jij zover bent en zegt: “Vader, sorry”, zegt de Vader: “De Here Jezus heeft het al in orde gemaakt. Fijn dat we weer verder kunnen.” Zoals dat met mijn eigen zoon weer verder ging, op het moment dat die paar dingen uitgesproken zijn. Zou u de Here Jezus daarvoor wel eens willen bedanken. begrijpt u dat, afgezien van alle, alle tumult en narigheid hier op aarde, er een plekje is waar de Here Jezus tussenbeide treedt, waar hij is voor jou. Hij bukt Zich, Hij zet Zich in voor je. Hij is die Knecht van God. Hij is die echte Voorspraak bij de Vader. En Hij doet dat. Hij heeft je lief tot en met het kruis. Ja ook. Nog meer? Ja, tot het einde. Wanneer? Tot jij daar bent, en je eindelijk van al die bevuiling af bent. Dat je nooit meer vuile voeten kunt krijgen, je eindelijk daar zult zijn. Is de liefde van de Here Jezus tot en met het kruis. Mijn antwoord is nee. Hij is vandaag misschien al vele keren voor jou bij de Vader geweest. En misschien vandaag niet omdat het zo goed ging, omdat het zondag was, je de dienst meemaakte. Omdat je je misschien wel prepareerde op een paar dingen. Maar, nou ja, misschien morgen wel. Fijn hè, dat je zo’n Voorspraak hebt. Een Parakleet, dat is een Voorspraak, Trooster in jou, de Heilige Geest, zelfde woord, parakletos, trooster. En een voorspraak bij de Vader. Iemand Die jou de voeten wast. Iemand Die jou schoonwast. Als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij. Dan kun je niet genieten. En dat voelen we, dat weten we. Here Jezus, zo bent U.
Dit wordt duidelijk, straks, als dat nieuwe Jeruzalem uit de hemel komt, en daar een bijzonder iets boven Jeruzalem hangt. Wordt ook duidelijk voor alle volkeren. Breder dan de 14km, veel breder, veel duidelijker. Dit is het teken van de Zoon des mensen. Nou, dat zullen ze zien. Daar komt me daar een wolk uit de hemel waar je eigenlijk geen maat van hebt, waar je geen weet van hebt. Hoe dat dan precies zichtbaar moet worden weet ik niet, maar iedereen zal het zien. Veel meer dan de 14km van steaks. Een enorme breedte van Gods liefde, van glorie, van heerlijkheid. Ik heb Hem verheerlijkt en ik zal Hem terstond verheerlijken.
In dit kader krijgen de discipelen opdracht om ook elkaar de voeten te wassen. Elkaar oren wassen, dat hebt u allang gehoord in de vorige preken, dat is geen kunst. Daar kun je bovendien bij blijven staan. Moet meestal. Voeten wassen moet je je voor bukken, moet je voor door de knieën. Dat is al beroerder. Als u met ijskoud water bij mij komt, dan trek ik mijn voeten terug. Zo ben ik. Als je met gloeiend heet water komt, trek ik mijn voeten ook terug. Temperatuur van het water is wel belangrijk. Je voelt dat aan. Als je heet bent, fel, werkt niet. En als je koud bent, werkt het ook niet. Wat zou dat nu betekenen. Niet een soort cultuur van: Big brother is watching you. Zo van: Ik geef heel nauwkeurig acht op je, en ik ga een report maken, ik ga verslag doen van. Nou, dat is het dus niet. Wat het wel is, is misschien het volgende: Stel dat u weet dat het in mijn leven niet helemaal goed is. Wat is dan uw conclusie. Dato heeft gezondigd. Dat zou een conclusie kunnen zijn. Maar misschien wordt het een conclusie, na vanavond, Dato geniet niet meer van de Vader. Dat is een hele andere. U kunt zeggen: “Dat is bijna hetzelfde.” Ja, de oorzaak is hetzelfde, maar het verhaal is heel anders. U weet dat ik niet meer met de Here Jezus geniet. Dat is weg. De blijdschap is weg. De automatische piloot is er nog, en er gebeurt nog van alles, weet je wel. En je loopt door en niemand ziet wat nog. Nou, nou, ho, ho, daar kom je vanzelf achter. Maar dat gaat nog een hele tijd door, weet je. Niemand merkt nog wat. Maar als je het merkt, is dan de schandpaal de uitweg: Kijk eens. Hoe haalt hij het in zijn hoofd, hoe durft….. Nou ja, zo, of: Dato, mag ik eens met je praten. Ik wil zo graag met mijn hart bij je komen, 37°. En ik wil je zo graag vertellen dat je misschien bezoedeling hebt opgelopen in deze woestijn, in deze wereld, in de straten van vandaag. En ik weet eigenlijk zeker, en dat weet ik uit mijn eigen leven, dat je niet meer geniet van de Vader. Een oude broeder, in Zwolle waar we toen woonden, vroeg aan Hennie: “Hoe is het met Dato?” En toen begon ze wat te huilen. En hij vroeg mij: “Hoe is het met je ziel?” Niet de veroordelende vinger, maar hij had het gemerkt. Hij wist het. Wist hij precies wat, nee, dat wist hij niet. Maar je kunt aan iemands gedrag soms merken dat er iets is, dat het niet allemaal lekker zit. Het genieten, samen met de Vader, was kompleet verstoord. Druk, druk, druk. Meestal is het zo dat je dit overruled door nog meer werk te pakken, of nog actiever te zijn, of nog drukker te zijn dan anders. Weet je wel, je kunt het op alle mogelijke manieren overstemmen hè. Je kunt er overheen gaan. Je kunt misschien ook zeggen: “Mijn voeten moeten gewassen worden.” Dat staat hier. En het is daar waar de Here Jezus Zichzelf openbaart. Daar is voor Judas geen plaats meer. Dat voelen we. Judas is hier ontmaskerd. Dat is hier gebeurd. Had de Here dat al eerder…… Ja, allang. Toen die eerste zilverlingen in de binnenzak van Judas rinkelden, toen wist de Here het daarvoor al. Hij wist het precies. Nu komt het moment dat Judas ontmaskerd wordt. Daar is geen plaats voor zulke dingen We voelen dat aan. Hier is heiliging, hier is zuiverheid, hier is helderheid. Nu, dat broeders en zusters, gaat straks helemaal duidelijk worden.
Ook dit is een profetisch vergezicht van: Op aarde nog van alles. En als ik het boek Ezechiël lees, dan moet er een gigantische, gigantische toestand zijn. Want als die overwinning over Gog en Magog er zal zijn, dan wordt er nog 7 jaar lang bijna gestookt van allerlei toestand. En er wordt nog van alles opgeruimd en het wapentuig wordt nog verbrand. En van alles is er nog aan de hand. Dat is niet zomaar over. Hier op aarde is het nog één grote zooi, platgezegd, dan, zelfs dan. Ja, de Here regeert, de overwinning is behaald, maar de prut is nog niet opgeruimd. Ze moeten nog lijken gaan begraven, enfin, van alles. leest u maar eens Ezech. 38 en 39. Maar dan hangt er boven een plek, een bovenzaal, het nieuwe Jeruzalem. Daar is alles transparant, zijn de straten van goud. Zon en maan en sterren niet. God Zelf is het licht, en het Lam is haar lamp. Eén en al glorie, één en al heerlijkheid. Hier in deze bovenzaal ziet u de eerste contouren van het nieuwe Jeruzalem. Dat is de profetie, hier. Hier in dit prachtige bijbelboek Johannes, ziet u de eerste beginselen. Dat wordt verder. U voelt, dat in dat kader, past, Joh. 14, het huis van de Vader. Joh. 15, 16, 17. De Here daar biddend: Vader, Ik wil dat ze bij Mij zijn en Ik wil dat ze Mijn heerlijkheid hebben. Enfin, u mag het allemaal gaan invullen daarna. Dat ziet u komen. Dat voel je aankomen, dat ditzelfde prachtige stuk uit Johannes, een enorm stukje vergezicht heeft voor de toekomst.
Nu, vanavond, die voetwassing. En de Here Jezus zegt: “Nu ben jij aan de beurt om dat ook te doen.” En ik vind ook, dat een gezelschap van gelovigen, liefde moet hebben onder elkaar. Wat is daarvan bedoeld. Is dat een soort sociale groep met allerlei contacten van: Ze helpen elkaar mee bij het verhuizen en bij het behangen en zo. Nou, kan ook. Maar die liefde die de Here Jezus hier etaleert, en die liefde die uitstijgt boven alle maat, is de liefde om elkaar te dienen. Om die knecht te zijn. En de Here Jezus zegt: “En als Ik je zendt, dan zendt Ik je. En als iemand je niet ontvangt, dan ontvangt hij Mij dus niet.” Dat wordt niet verondersteld, maar dat is dus zo. En ik weet wel dat u allang iets hebt van: Ja, als ik iets heb, ja, dan wil ik wel dat die komt. Want, ja maar als die komt, ja pff. Ja, daar heb ik iets mee. Of: Daar heb ik helemaal niets mee. Nou ja, vul maar in waar je de lettertjes plaatst. Maar als die komt, zou de Here Zelf wel eens kunnen komen, met een bakje met water. Linnen doek, bakje met water. Ik heb vroeger een koffertje gemaakt voor jongerensamenkomsten. Zo’n soort handelskoffertje, en daar aan de buitenkant op laten plakken, nou ja, ik zal het maar in het Nederlands zeggen: wat het gereedschap is van een christen. Nou ja, daar was iedereen wel een beetje nieuwsgierig naar wat je dan als gereedschap van een christen zou kunnen tegenkomen. Nou, dat was een linnen doek en een schaaltje, een thermoskan met water, op temperatuur, ja, en een heel klein knielkussentje. Ik wil je graag dienen. Ik wil je zo graag dienen. Ik wil je graag knecht zijn. Ik wil graag dat jij geniet, dat jij opnieuw geniet van je harmonieuze contact met de Vader. Dat willen we graag. Dat is niet de vinger omhoog. Dat is niet dat rode potlood. Dat is niet fouten eventjes breed uitmeten. Het omgekeerde, dit is dienen. Dat is wat hier staat. Deel hebben met de Here Jezus. Een ononderbroken gemeenschap met de Vader. Het is subliem. En dat wordt straks zichtbaar: Kijk, die hebben iets met de Vader. En die hebben iets met de Here Jezus Dat gezelschap wordt nu, hier op aarde, nu de Here Jezus vlak voor Zijn kruis staat, al gezien. Hier zie je het al, en straks krijgt dit volle, volle omvang, volle glorie. En de Here Jezus is daarin mateloos verheerlijkt. Hij is verheerlijkt, want Hij heeft Gods bijzondere eigenschappen aan de dag gebracht. God heeft Hem heel bijzonder verheerlijkt, Zijn bijzondere eigenschappen aan de dag gebracht. En Hij zal jullie verheerlijken. Dit is voetwassing in de hemel. En ik hoop dat je de Here Jezus daarvoor gaat bedanken. Ik wil graag een poging wagen om dat voor je te zeggen en met je te zeggen. Amen.