De hoogste plaats wordt gegeven

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

16. De hoogste plaats wordt gegeven.

Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis,
3 april 2005
      Lezing
Lezen: Joh. 14
Joh. 14, misschien wel één van de allerbekendste hoofdstukken uit de bijbel. Uit het Johannes-evangelie zeker. het hoofdstuk over het huis van de Vader, waar heel veel over gepraat wordt, veel gesproken wordt. En misschien kent u dit hele hoofdstuk uit uw hoofd. Dat zou kunnen. Omdat je het zo vaak leest of hoort lezen, zou het wel eens heel erg, ja, in je geheugen gegrift kunnen zijn. Toch denk ik dat de reikwijdte van dit hoofdstuk heel uniek is. Veel verder gaat dan wij op het eerste gezicht vermoeden. En ik hoop ook echt dat u daarin meekomt, dat u daarin ook gaat genieten. Want dit is echt de zegen van de bovenste plank voor gelovigen. Je moet wel een gelovige zijn. Je moet dus echt de Here Jezus kennen als je Heiland, als je Verlosser. Je moet Hem toebehoren, je moet weten dat je zonden vergeven zijn, dat de schuld weg is en dat je leven uit God hebt. Een ieder die leven uit God heeft, heeft de Heilige Geest inwonend gekregen, en kan dit ook allemaal gaan begrijpen. Dit is niet bedoeld voor jan en alleman, dit is alleen bedoeld voor mensen die de Here Jezus kennen. Ik wil niet zeggen dat er binnen de gelovigen een soort selecte groep is die dit heeft. Alle gelovigen die de Heilige Geest hebben ontvangen kunnen dit begrijpen. Het is voor hen bedoeld, en het is uniek, echt uniek. het stijgt uit boven alles wat hier op aarde te vinden is.
Duizend keer wordt de vraag gesteld: Waar zijn de geliefden die ontslapen, nu. Antwoord: Het paradijs, derde hemel, schoot van Abraham. Dat zijn termen uit de bijbel. Meesten zeggen: “In het huis van de Vader.” Antwoord: Nee, dat is niet zo. Zelfs bij het overlijden zoals u gisteren werd aangekondigd van iemand die wereldwijd nogal bekend is, werd gezegd dat hij nu in het huis van de Vader is. Nu, dat is onjuist, maar dat is niet alleen in die traditie zo. ik was op een begrafenis onlangs, en daar werd door een evangelische voorganger precies hetzelfde gezegd. het is dus niet zo, ja, gekoppeld aan een bepaalde kleur of zo. Maar het is heel goed om je te realiseren dat dit verder gaat dan zomaar een plek waar nu al de in Christus ontslapenen zijn. De Here Jezus zegt dat Hij ontroerd geweest is voor ons, drie keer, Joh. 11; Joh 12; Joh. 13, en zegt nu tegen ons: “Uw hart worde niet ontroerd.” Dat is op zich al prachtig. Ik heb de pijn, Ik heb de moeite, Ik heb de ontroering, de moeilijke tijd genomen, voor Mezelf, en jullie hoeven niet meer ontroerd te zijn. Dat is op zich al heel erg bemoedigend voor iedereen hier, die misschien moeite heeft of zorgen kent. Die te maken heeft met dood en moeite en verdriet, Joh, 11. Of die te maken heeft met allerlei tegenstand, Joh. 12. Of die te maken heeft met regelrechte rebellie en iemand die dwars tegen alles in andere dingen zegt, Joh. 13. Dan zegt de Here Jezus tegen jou vanavond: “Uw hart worde niet ontroerd. Ik heb die pijn gedragen. Ik heb daar allemaal voor willen boeten. Ik heb dat allemaal willen dragen voor jou. Jij hoeft dus niet meer ontroerd te zijn.” Bemoediging dus. Je hoeft niet meer bang of onthutst of overstuur te zijn. Uw hart worde niet ontroerd.
En dan gaat de Here Jezus vertellen over dat huis van de Vader. Uit het verband van de hoofdstukken 14; 15; 16; 17; blijkt dat de Here Jezus het heeft over de plek waar Hij was eer de wereld was. Dat blijkt uit Joh. 17. Daar was dus een plaats vòòr hemel bestond. In den beginne schiep God hemel en aarde, maar toen was het huis van de Vader er al. Niet zo onlogisch, want ergens heeft de Vader, heeft de Zoon, heeft God de Geest gewoond. Ergens zijn Ze geweest, en vandaar uit is het begonnen. Ook met de schepping van de hemel. Ook de aarde, maar toch ook de hemel. Het huis van de Vader, een oord, een plek waar de duivel nooit geweest is. In de hemel wel, want daar is nog een aanklager der broederen die dag en nacht aanklaagt. In de hemel is strijd, is zelfs oorlog. Volgens Openb. 12 kwam er oorlog in de hemel. En Michaël en de engelen moesten strijden tegen de duivel en zijn engelen. Dat is best hectisch, in de hemel. Maar dat is niet hetzelfde als het huis van de Vader. In het huis van de Vader zijn, voor zover ik weet, nooit anderen geweest. Daar is nooit iemand in doorgedrongen. Daar zijn de engelen niet geweest. Dat is ook niet de plek van de troon. De troon staat in de hemel. En als Jesaja Hem ziet op een hoge en verheven troon, en daar Serafs zijn die zeggen “Heilig, heilig, heilig is de Here”, dan is dat in de hemel. Dat is niet in het huis van de Vader. Het klinkt aanmatigend, maar toch wil ik het proberen duidelijk te maken. Het is niet aanmatigend voor een kind van God, voor een gelovige, om te zeggen dat je gezegend bent met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten. Iets dat ver en ver uitgaat boven, laat maar zeggen, voorspoed en easy going of zo. Het is echt super. In het huis van de Vader heeft de Here Jezus altijd mogen wonen. God de Zoon woonde daar met God de Vader en God de Geest. Dat is het. En daar waar Zijdrieën altijd geweest zijn, gaat de Here Jezus een plekje voor jou gereed maken. Dat is veel meer dan de hemel. Dat is ook precies wat Johannes bedoelt in 1 Joh. 1, als hij zegt: “Onze gemeenschap is met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.” Een soort sfeer van harmonie, een sfeer van samen delen, een sfeer van samen genieten, ver uitgaand boven alles wat de wereld allemaal te geven heeft. Dit is met niets te vergelijken. En jij en ik mogen door het geloof in de Here Jezus daarin delen. Ja, dat is best een hele mond vol. En dit gaat ook ver en ver uit boven de zegen die ooit aan Israël gegeven zal worden of gegeven was.
Ik probeerde in de avonden die voorbij zijn, de profetische schets vanuit dit boek aan te reiken. En ik heb gezegd dat je in elk hoofdstuk eigenlijk een profetisch vergezicht zag, t/m hoofdst. 11, 12, de intocht in Jeruzalem, de verwerping door de Here Jezus. En dan gaan de hoofdstukken 13 t/m 17 een soort tussenzin vormen. Dit is letterlijk boven al het gewriemel uitgetild, boven al het gedoe op aarde uitgetild. In een bovenzaal, in een opperzaal, letterlijk. Maar afgezien van letterlijk omhoog getild zijn, is het ook een aparte plaats. Los van de straten van Jeruzalem. Los van de Farizeeën en de schriftgeleerden. Die staan daar ver en ver buiten. Los van het politieke gedoe van Pilatus en alles en van Herodes en alles. Al dat, ligt ver onder hen. Hier zijn ze, met een heel klein gezelschap, relatief gesproken, een kleine groep, omhoog gebracht, dichter bij de Here gebracht. In een sfeer gebracht waar de Here Jezus hen vertelt van de meest mooie dingen die maar denkbaar zijn. Hoger kun je niet vinden. Beter vind je niet. Dit is de zegen die God aan ons, die geloven, wil geven. Dus niet de groep die nog in Jeruzalem rondstapt, al die mensen. Daar heeft God ook een boodschap voor. Dat komen we later op terug. Maar dit is een gezelschap, losgemaakt, omhoog getild, van dat gezelschap hier op aarde. Op een ander niveau getild. En daar heeft de Here Jezus Zichzelf laten zien als de Knecht van God. Degene die de voetwassing deed, de vorige keer. En Die er voor wil zorgen dat je in harmonie, in permanente harmonie met de Vader blijft. Dat je constant geniet van gemeenschap met de Vader. Dat er geen enkel verstorend element is. Dat alles wat een blokkade zou kunnen zijn tussen het hart van de Vader en jouw hart, dat dat weggenomen wordt, dat dat opgeruimd wordt. De Here Jezus is onze voorspraak bij de Vader. Niet de Hogepriester bij God, ik heb het nadrukkelijk gezegd de vorige keer. Onze voorspraak bij de Vader. Als wij gezondigd hebben, dan is Hij daar om ons permanent te laten genieten van deze enorme vreugde die er is in de Here Jezus. U moet dus in dit gezelschap in die bovenzaal een heel apart gezelschap zien. Even los van alles wat in de straten van Jeruzalem te vinden is en wat er allemaal op aarde te koop is. U en ik worden hier gezien, profetisch. Omhoog getild, op een heel ander niveau gebracht. U en ik mogen ingewijd worden in de meest mooie dingen van de Here Jezus, in het meest intieme van de Here Jezus. De intimiteit van het huis van de Vader. Dar mogen wij kennis van nemen. Dit mogen wij ter harte nemen. En dat is subliem. En als je mij vraagt wat de gelovige vandaag nodig zou hebben, dan is het niet alleen een stuk moed om verder te gaan, een stuk sterkte om tegenstand te weerstaan en om iets af te ketsen of zo. Dan is het vooral ook zicht op het huis van de Vader. Dat is iets waar je misschien weinig over gehoord hebt, maar wat ver en ver uit gaat boven alles wat je als een discipel van de Here Jezus hier op aarde, hier in de straten nodig zou hebben. Hier vind je de sleutel. De Here Jezus zegt: “Ik ga heen om u plaats te bereiden. En als Ik heengegaan ben en plaats bereid hebt, dan kom Ik weer. En Ik zal jullie tot Mij nemen, opdat jullie ook zijn mogen waar Ik ben.” Hoor je het goed. Jij hoort hier niet. Jij hoort in het huis van de Vader. Daar waar nooit iemand geweest is. Waar geen engel is geweest. Waar zeker de verkeerdheid, de verkeerde dingen, de satan en zijn engelen, waar zeker die engelen niet geweest zijn. Daar is voor jou een plekje. En de Here Jezus heeft dat gereed gemaakt. Wordt je niet een beetje blij, dat de Here Jezus jou zo geweldig lief heeft. Dat Hij je zo bijzonder begenadigt, dat Hij zegt: “Ik ga heen, en Ik zorg ervoor dat daar voor jou ruimte is. Dat daar voor jou een plek is.” Hier op aarde heb je geen plek. Joh. 15 gaat verder: Op aarde heb je verdrukking, is het moeilijk, is er vervolging, is er zorgen, is er van alles aan de hand, strijd en narigheid. Op aarde is het helemaal niet makkelijk. Maar in het huis van de Vader, daar hoor je. Het huis van de Vader, daar heeft de Here Jezus voor mij plaats bereid en Hij wil dat ik daar ben. Kunt u zich voorstellen dat er een plek is waar nooit iemand is geweest. Alleen maar voor God de Vader, God de Zoon, God de Geest, en waarvan ze zeggen: “En daar hoor je nu.” Omhoog getild. Dit is een profetisch vergezicht voor de toekomst. Een schitterend stukje profetie van: Kijk eens, daar ligt ons eindstation. Gelovigen die nu ontslapen zijn in de schoot van Abraham. Maar Abraham hoort niet in het huis van de Vader. Ik bedoel niet eigenwijs te zijn. En godsmannen als Daniël en David, ze zullen daar niet zijn. Zullen ze dan niet een beetje jaloers worden. Jaloezie is er ook niet meer, gelukkig. Ze geven God gelijk bij alles wat Hij doet. Ze zijn het eens met Zijn weg. Ze zijn het volledig eens met Zijn plannen, met Zijn gedachten. Maar jij en ik zijn daar, in het huis van de Vader. Waar we de Vader zullen zien als Abba, Vader. Waar we horen, waar ons thuis is, waar geen enkele verstoring kan komen. Daar zullen we zijn. En de Here Jezus is daar om voor jou plaats te bereiden. En Hij komt terug om ons ook te brengen, daar waar Hijzelf is.
Dit is één van de belangrijkste teksten om te onderbouwen dat de Gemeente, dat dit gezelschap van mensen die de Here Jezus kennen en die aaneengevoegd zijn tot de Gemeente, dat die Gemeente hier niet blijft. De Here Jezus zegt: “Ik ga heen om u plaats te bereiden. En als Ik heengegaan ben, plaats bereid heb, dan kom Ik weer. En Ik zal jullie tot Mij nemen.” Dus dat is niet het komen van de Here Jezus vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Dat is niet het moment waarop Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg die daar middendoor splijt en die daar een enorm plateau laat zien, een vlakte laat zien van waaruit de Here Jezus gaat opereren. Dat is niet het moment van glorie en heerlijkheid hier verschijnend op aarde, en elke knie buigt, en elke tong belijdt dat Hij Heer is. Ja, dat komt allemaal, maar dat is niet hetzelfde moment. Dit is het moment waarop de Here Jezus zegt: “Ik ga heen om u plaats te bereiden, en als Ik plaats bereid heb, kom Ik, en Ik zal u tot Mij nemen.” Dus niet: Hij komt naar hier, maar wij gaan naar Hem. Ik zal u tot mij nemen, opdat ook u zijn moogt, waar ik ben. Wij horen hier niet. Wij zijn op weg naar het huis van de Vader. We zijn op weg naar Hem, en Hij zal zeggen: “En nu is het gereed, nu is het zover, kom.” En allen die in Christus zijn zullen opstaan, veranderd worden, zullen Hem tegemoet gaan. Dat is 1 Tess. 4:13 en verder. Dat is 1 Kor., hoofdst. 15. Dat is het opgenomen worden van de Gemeente. Daar is zoveel gedoe over, zoveel gebakkelei over, dat je er bijna niet meer uit komt. En dan gaan ze weer praten over voor of na de grote verdrukking. Dat is even helemaal niet aan de orde hier. Maar het gaat erom dat we eerst mogen vaststellen dat er een plaats is, niet hier op aarde, maar daar waar de Here Jezus altijd was, voor überhaupt aarde bestond, en dat daar plaats voor ons is, opdat ook wij zullen zijn waar Hij is. Daar zullen we zijn. Stel u zich eens nu voor, dat u in elk geval dit vast houdt van deze dag, dat er een plaats is ver boven heet aardse gewemel en het gekrioel van mensen hier op aarde, boven de straten van Jeruzalem, in die opperzaal in de herberg van Hem, in Zijn bovenzaal, dat we daar een plak hebben. Niet hier, daar. En dat Hij ons brengt waar Hijzelf is. Wij gaan dus hier vandaan. Voor de zegen van Israël werkelijk geëffectueerd wordt, werkelijkheid wordt, voor de zegen van Israël zichtbaar wordt, zijn wij vertrokken. Dat is de opname van de Gemeente. En misschien is die term wel niet helemaal correct, want dat laat ik nu even los. Feit is dat de gelovigen die nu aan elkaar gesmeed zijn door het werk van de Heilige Geest, tot één lichaam gedoopt zijn, aan elkaar verbonden zijn, en samen verbonden zijn met Hem die het Hoofd is, wij die nu hier op aarde leven, wij gaan door Hem thuis gehaald, naar het huis van de Vader. Zie, Ik en de kinderen die Gij mij gegeven hebt. Ik loop een beetje vooruit. De Here Jezus zegt in Joh. 17: “Vader, Ik wil dat U Mij de heerlijkheid geef die Ik had eer de wereld was. Ik heb het werk voleindigd dat Gij Mij gegeven hebt om te doen. Verheerlijk Mij met de heerlijkheid die Ik had, eer de wereld was.” Iets verder: “En Ik heb hun”, dit gezelschap waar ik het nu over heb, vanavond, “Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die Gij Mij gegeven hebt. En Ik wil dat die bij Mij zijn.” Hoor je het goed. ja, als je de Here Jezus kent, dan kun je je echt in de arm knijpen en zeggen: “Nou, dan mag ik mezelf ook wel eens een keer feliciteren. Dank U Here, voor zo’n zegen. Dank U voor zo’n toekomst. Dank U voor zo’n vooruitzicht. Schitterend is het, daar te zijn waar Uzelf bent Here Jezus.” Ik ga heen. En Hij is de Weg. Filippus zegt: “Hoe weten we dat nu, en hoe ziet dat er dan uit.” Nou, wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. M.a.w., Ik en de Vader, We zijn Eén. Als je Mij gezien hebt, en Mijn gedragingen en Mijn woorden, dan heb je de Vader gezien. En als je de Vader ziet, dan zie je Mij, want We zijn Eén. En Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven. En niemand komt tot de Vader dan alleen maar door Mij. Alleen door de Here Jezus. Alleen door U Here, alleen door uw bloed, alleen door U Here Jezus. Alleen door Hem. De Here Jezus is de Weg. ken je Hem als je Heiland, als je Verlosser. ik wou dat je ja jubelt. En ik hoop dat je dan ook op hetzelfde moment zegt: “En daar ligt ook de zegen. Daar ligt onze toekomst. Daar ligt onze hoop.” Dat is precies wat we willen. Daarom praten we over maranatha-boodschap. En daarom willen we de Christus der schriften voorstellen. Daarom willen we vertellen dat u en ik hier net blijven, maar dat we vertrekken, dat we op weg zijn naar onze eindbestemming. En dat is niet een verbeterde versie van Veenendaal, echt niet. Zal er misschien heel leuk kunnen uitzien, met een paar goeie mensen er omheen of zo, maar dit is het niet. Dat voelen we aan, dat is het niet. We zijn nu van de ene zaal naar de andere zaal gegaan, maar het is in beide gevallen een zaal. Stoelen zijn misschien iets beter dan daarginds, maar dat haalt het niet bij onze eindbestemming. Ik weet niet hoe uw stoel eruit ziet, ik weet alleen dat ik daar de Here Jezus zal zien. En dat de Here Jezus tegen de Vader zegt: “Dit is Dato, en ik heb voor Dato willen betalen aan het kruis van Golgotha. Kijk, ziet U, ziet U Vader, dat is het nou. Ik heb met U over hem gepraat”, misschien wel elke dag, want Hij was mijn Voorspraak bij de Vader als ik zondigde, “maar dit is hem. Ja, u had hem al wel gezien, maar dit is hem.” En de Vader zegt: “Dato, wat fijn dat je hier bent, jij hoort hier. Wees welkom, jij hoort hier. Hier is jouw plek, neem je zetel.” Hoe voel je je dan, als de Vader en de Zoon zeggen: “Hier hoor je.” En als de Geest je influistert: Ze hebben gelijk hoor, Ze hebben gelijk. Nou, dan voel je je helemaal de koning te rijk. Dan ga je daar zitten en denkt: Dit is mijn plek, hier hoor ik. Opname van de Gemeente is dit, broeders en zusters. Dat er ook andere lijnen liggen naar Israël toe, naar volkeren toe, dat doet niets af aan deze zegen. Dat is waar, ook voor Israël is er een speciale zegen. En dit is ook niet het eindpunt van de hele wereldgeschiedenis. Dan zegt de Here Jezus: “Kom”, en dan gaan wij naar Hem. En de rest smoort hier ergens in. Dat is het niet, dat is echt niet zo, maar eerst dit. Als je dit vast hebt, kun je misschien nog gaan praten over wanneer is dat dan precies. En wat volgt er nog op. En hoe gaat dat dan verder. Maar dat zijn vragen die echt een antwoord krijgen. Kun je jezelf feliciteren, kun je tegen jezelf zeggen: “Wat fijn dat ik dit heb.” Ik heb het zwart op wit, in mijn bijbel. En de Here laat je nu alvast een voorproefje daarvan genieten. De Here Jezus zegt: “De Trooster, Die komt.” En dat is de Heilige Geest. Die gaat in je wonen. Nu, we geloven en we belijden met Ef. 1:13, maar ook andere plekken uit de bijbel, dat de Heilige Geest, nadat we tot geloof kwamen, in ons ging wonen. Dat is gebeurd, de Heilige Geest is in ons gaan wonen. “Een onderpand van de toekomstige erfenis”, zegt Ef 1:13. M.a.w., je kunt nu alvast genieten van straks. Daar kun je nu alvast iets van proeven. Nu proeven van straks, door de Heilige Geest Die in je is. Door diezelfde Heilige Geest, ben je aan Hem, Die het Hoofd is, verbonden. Diezelfde Heilige Geest brengt ook ons allen die geloven aan elkaar. Of we het leuk vinden of niet, we zijn een eenheid geworden, de eenheid van de Geest. Maar het is ook een onderpand. Het is een voorschot op de toekomstige erfenis, nu genieten. En wat zegt de Here Jezus in dit hoofdstuk, en misschien is dat wel één van de allerbelangrijkste dingen die we hieruit moeten leren: “Weet je, als jij nu van Mij houdt, en dat zeg je hè, dan doe je wat Ik graag wil. Want je bent Mijn discipel, je hoort bij Mij. Als je bij Mij hoort in het huis van de Vader, dan doe je wat ik deed. Ik wilde de wil van de Vader doen. Jij doet ook de wil van de Vader. We horen bij elkaar. We willen echt de wil doen van onze Here. En dan gaan Wij, de Vader en Ik, bij jou wonen. En Ik zal Mijzelf aan jou openbaren.” Dat staat hier, Joh. 14:23. Zal ik het anders zeggen: Wat is het kenmerk van het huis van de Vader. Nou, dat de Vader daar is, dat de Zoon daar is en dat de Geest daar is. God Vader, God de Zoon, God de Geest, de drieënige God, die waren daar. Wat gebeurt er nu met jou. Als je gelooft in de Here Jezus, gaat God de Geest in je wonen, maakt van jou lichaam Zijn tempel, en de Vader en de Zoon komen bij jou wonen, hier. Dat wat typisch is voor het huis van de Vader, wat kenmerkend is voor het huis van de Vader, is nu in jou. God de Geest, God de Vader, God de Zoon, in jou. Ik zal Mijzelf aan jou openbaren. Ik zal laten zien Wie Ik ben. Ik zal het zo prachtig neerleggen. En de Heilige Geest leert je dat ook hoor. En je kunt het snappen hoor. Staat hier allemaal in de tekst. Je kunt het begrijpen. EN de Heilige Geest maakt het je duidelijk. Het wordt volstrekt helder dat jij en ik, nu, voorgenot kunnen kennen van het huis van de Vader. Dat is genieten. Dat bedoelde ik de vorige keer ook al met: Stel je nu voor dat je zondigt. Je hoeft niet te zondigen, maar stel dat je zondigt. Komt wel eens voor. Dan is er een Voorspraak bij de Vader, om je weer in harmonie met die Vader te brengen, want dan is het genieten even onderbroken. Maar het genieten is weer aanwezig, als daar belijdenis is geweest, als de Here Jezus tussenbeide is gaan treden, en als er weer herstel is. Dan is dat weer terug. En nu zegt de bijbel hier dat je nu, op aarde, voorgenot kunt kennen van het huis van de Vader. Nou, dat is de hoogste vorm van harmonie. Dat bedoelt Johannes in 1 Joh. 1: Onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. Deze dingen schrijf ik u, opdat uw blijdschap volkomen zal zijn. Vrede, Mijn vrede. Daar ben je nu. Uw hart worde niet ontroerd. Ik ben er. Weet je dat het zo subliem is, als je echt gaat zien dat dit gezelschap, boven het gewoel van Jeruzalem uitgetild, eigenlijk een aparte leefsfeer, beleefsfeer kent, ver boven al het andere gedoe daar op aarde, dan is dit een beeld, een type, een illustratie, een profetisch vergezicht van het huis van de Vader, waar je nu, nu, van kunt gaan genieten. En waar je nu ook het genot van kunt kennen. Ik zeg niet dat dan alle plooien gladgestreken zijn. Dat dan alle vragen beantwoord zijn. Als we nu horen van een klein meisje van 9, met zo’n vreselijke kwaal, en we zagen dat meisje hier regelmatig in de dienst, of, in dat andere gebouw natuurlijk, maar toch, ja dan, dan krijg je een brok in de keel. En ik kan me voorstellen dat vader, moeder, zeggen: “had ik dat maar in plaats van dat kind”, of zo. Ik bedoel, dat is toch vreselijk. We horen van dit en we horen van dat. Er is zoveel zorg en zoveel ontwrichting. En er is zoveel zuchten in de schepping. Er is zoveel pijn, er is zoveel verdriet. En dan zijn het mensen die misschien wat verder weg liggen, maar soms dan komt het heel dicht bij. Daar een voorganger in het ziekenhuis, daar een voorganger in het ziekenhuis, daar een voorganger die niet meer kan. Ja, dat vliegt je dan eventjes naar je keel. Het is allemaal hier aanwezig. Met deze dingen bedoel ik niet alle plooien glad te strijken, en te zeggen dat die mensen geen problemen hebben. Maar ik ga wel zeggen dat gelovigen, maranatha-gelovigen, mensen die uitkijken naar het invullen van dit wat de Here Jezus heeft beloofd, dat die maranatha-mensen hoop hebben. En die gaan op hun sterfbed zingen, en zeggen: “Here Jezus, kom maar.” En die praten inderdaad over een uitgestoken hand. En die zien iets van de glorie van de Here Jezus. Dat zijn mensen die niet het probleem omzeilen, ze zitten er midden in. Maar het zijn mensen die boven het gewoel van alles omhoog getild, ineens zicht krijgen op die prachtige toekomst, het huis van de Vader met de vele woningen.
Stel nu eens dat je vanavond naar huis gaat en zegt: “Here Jezus ik wil U danken voor het feit dat U me daar wilt brengen. En stel je nu eens voor dat je daar morgenvroeg mee door gaat, en morgenmiddag en morgenavond. Even aannemen dat u het drie keer per dag doet. U mag het ook vijf keer per dag doen. U doet zo vak als u wilt. Wat mij betreft elke seconde, want dat is gewoon een permanent danken, een permanent danken. Maar u doet het. Stel nu dat u het doet, morgen. Zou uw dag dan niet gekleurd worden door dit onderwerp. Antwoord: ja. Je hele dag wordt anders. Niet de omstandigheden veranderen, maar jouw kijk op de omstandigheden verandert. Die plooien die zijn er nog. Die moeiten die zijn er nog. Maar jouw zicht op moeiten is heel anders. Want je ziet de Here Jezus. En je zegt: “Here Jezus”, daar ligt het, daar ligt het geheim. En de Heilige Geest wil je nu gaan vervullen. Daarom worden we opgeroepen: Wordt vervuld met de Heilige Geest. Dat is niet om naar een bepaalde gemeente te gaan waar je dan dit of dit gaat doen. Wordt vervuld, weest vervuld met de Heilige Geest. Betekent dat de Heilige Geest ons helemaal doortrekt. En als dat gebeurt, dan zal de Heilige Geest ons duidelijk maken Wie de Here Jezus is. Hij zal het u verkondigen. Hij zal de toekomende dingen uitstallen. Hij zal u laten zien Wie Hij is. En de Vader en de Geest en de Zoon werken samen, en u dankt, u prijst. Niet om wat er gebeurt, niet omdat u een kick krijgt, omdat u een ervaring krijgt, maar u ervaart de blijdschap, de geweldige vrede en het geweldige uitzicht naar de toekomst. Dat ervaart u. En dat is nu precies het werk van Gods Geest in u. Dat wordt soms helemaal anders neergezet. Ik begrijp dat wel. want dan willen we iets doen. Er moeten manifestaties komen, er moeten spectaculaire dingen gebeuren. Nu, dit is spectaculair. Alleen, zo ziet men dat dan niet. Dit is werkelijk waar we naar mogen verlangen, waarop we gefocussed mogen zijn. Echt de Here Jezus, glorie, schittering, huis van de Vader. Dit is ver boven Israëls zegen uitgetild. Nog een keer, Israël loopt nog in de straten van Jeruzalem, en dit kleine gezelschap zit echt een etage hoger en hoort deze meest wonderlijke dingen. De dingen van de Here Jezus die Hij heeft verteld. Hijzelf, de Here Jezus Zelf, de Leraar. Hij legt uit. U hoeft niet naar ons, naar mij te kijken. U moet naar de Here Jezus kijken. U zult werkelijk alles, maar dan ook alles van hem mogen verwachten en moeten verwachten. Wij kunnen elkaar niks geven. Maar we kunnen elkaar wel wijzen op deze schitterende vooruitzichten.
Uw hart worde niet ontroerd. Het huis van de Vader. U en ik gaan naar de hemel, dat ook. Wij worden opgetrokken. Wij komen in de hemel aan. U komt door een soort poort. Alles wordt in vuur geopenbaard. En dat wat waardeloos materiaal was, hout hooi en stro, dat blijft achter. Voor dat wat waardevol materiaal bleek, krijgt u een kroon. Dat houdt u vast en daar krijgt u beloning voor. Sommigen gaan zonder kroon binnen en sommigen gaan met kroon binnen. Die zonder kroon binnengaan, zegt de bijbel, 1 Kor., die lijden schade aan hun ziel. Het is even slikken. Je bent wel behouden, je bent wel gered, maar je lijdt schade aan je ziel. Want je hebt niks om glorie van de Here Jezus te verdubbelen. Je hebt niks. Je kunt niets toevoegen aan Zijn glorie. Je gaat binnen. Sommigen met kroon, sommigen zonder. Zegt de bijbel, veronderstelt de bijbel, dat dat kan. We komen in de buurt van de troon. Degenen die een kroon hebben die werpen de kroon voor de voeten van de Here Jezus. Degenen die geen kroon hebben die hebben op dat moment het schaamrood op hun kaken staan, even heel menselijk gezegd, en die denken: Zo, had ik maar wat anders gedaan. Had ik het maar anders geformuleerd, had ik het maar anders ingericht. Dan had ik ook iets aan kunnen bieden, had ik ook iets toe kunnen voegen aan Zijn glorie. Want al die kronen die voor Zijn voeten worden neergelegd, die worden in die grote kroon die Hij al heeft, gezet. En het blijken allemaal kroonjuwelen te zijn voor Hem. Al die kroontjes worden in die ene kroon geplaatst. En die kroon van de Here Jezus wordt alleen maar grotere, groter, groter. Alleen degenen die geen kroon hebben, die hebben gewoon een soort beschaamd gevoel. Schade lijden aan hun ziel. Dat is het wat daar bedoeld is. Je ziet de troon van God, en je bent helemaal perplex. Nooit gedacht dat zoiets bestond. Nooit gedacht dat de troon van Salomo, ivoren troon met goud bekleed, dat die troon nog een keer overtroffen zou worden. Nooit idee. Midden in die troon een Lam staan als geslacht. Oudsten vallen neer, alles buigt, alles jubelt, alles juicht, alles schittert. Engelen zeggen: “Heilig, heilig, heilig.” Nou, brok in de keel. Als dat nog zo is hoor. Ik weet niet of ons lichaam nog functioneert zoals het nu is. Maar in elk geval, volledig onder de indruk van wat zich daar onder de hemel voordoet. En dan zegt de Here Jezus: “En nu wil ik je graag meenemen naar het huis van Mijn Vader. Zullen we?” We hebben de troon gehad, we hebben de glorie van Hem gezien. We hebben de majesteit van de Here Jezus gezien, we hebben de kroon van de Here Jezus gezien. We hebben het allemaal meegemaakt. En dan neemt Hij ons mee naar het huis van de Vader. Daar is nog nooit iemand geweest. Daar woonde God, een ontoegankelijk licht bewonend, waarin niemand kon doordringen. Niemand kon de Here zien, niemand. Daar kon je niet bij komen. En daar gaan we samen naar binnen. En dan zegt de Here Jezus: “Vader, zij waren van U, maar U hebt ze Mij gegeven. Ze waren de Uwen, maar U hebt ze Mij gegeven. En Ik heb voor deze mensen Mijn leven willen geven, en Ik wil, dat die bij Mij zijn, die U Mij gegeven hebt.” Daar hoor jij bij, bij dat gezelschap, in het huis van de Vader. Nou, je was al stil vanwege de glorie van de troon en van het geluid van de engelen en het Heilig, heilig, heilig van de engelen die daar om de troon zijn. Maar dit slaat alles. Ik denk dat jij met Mefiboseth zegt: “Wat is het Here, dat U omgezien hebt naar een dode hond als ik ben”, zoiets. Dat zij Mefiboseth, toen hij door David aan zijn eigen tafel genodigd werd. Hij mocht altijd aan de tafel van koning David komen eten, elke dag. Eigenlijk had hij ook geen rechten, maar hij kreeg het. Zo zal het ons misschien een beetje gaan. Daar zijn we dan, in die sfeer van het huis van de Vader. Daar genieten we, daar de Here Jezus. Ik denk dat we in no time voor de Vader liggen, op onze knieën, en zeggen: “Vader, we prijzen U, we aanbidden U voor Uw genade, voor uw liefde, voor Uw raadsbesluit, voor Uw plan, voor Uw, ja, Uw hart. Voor dat wat U bedacht hebt, wat U uitgevoerd hebt in de Here Jezus. We buigen ons voor U.” En de Here Jezus zegt: “Zie je wel, dat bedoelde ik nu. De Vader zoekt aanbidders. Daar heb je ze.” Een aanbiddend gezelschap in het huis van de Vader.
Stel nu eens dat je dit plaatje in je hart zou kunnen leggen. Zou je leven er dan anders van worden, na vanavond. Ik ben er zeker van. Ik ben er zeker van. Ik geloof stellig dat deze dingen onze geestelijke levens veranderen, vernieuwen, verdiepen ook, activeren ook. Maar heel anders maken. Niet de discussie zoekend, maar geweldige, geweldige glorie van de Here Jezus zoekend.
De Here zegene u en mij. Amen.