Jezus spreekt met zijn Vader

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

19. Jezus spreekt met zijn vader.

Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis,
04 september 2005
Johannes 17 vers 1 – 26
1] Dit sprak Jezus en Hij hief zijn ogen ten hemel en zeide: Vader, de ure is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke,
2] gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken.
3] Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.
4] Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt.
5] En nu, verheerlijkt Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.
6] Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben uw woord bewaard.
7] Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt,
8] want de woorden die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.
9] Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, wan zij zijn van U,
10] en al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.
11] En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij.
12] Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd.
13] Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle mijn blijdschap in zichzelf mogen hebben.
14] Ik heb hun uw woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben.
15] Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze.
16] Zij zijn niet uit de wereld, gelijk Ik niet uit de wereld ben.
17] Heilig hen in uw waarheid; uw woord is de waarheid.
18] Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld;
19] en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in de waarheid.
20] En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven,
21] opdat zij allen één zijn, gelijk Gij Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.
22] En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn:
23] Ik in hen, en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.
24] Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld.
25] Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt;
26] en Ik heb hun uw naam bekend gemaakt en Ik zal hem bekend maken, opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij en Ik in hen.
Mijn geestelijke moeder en haar man lazen elke zondagmorgen Johannes 17. Daar begon de Dag des Heren mee. Toen dacht ik: beetje overdreven. Nu denk ik: zo hoort het misschien. Natuurlijk is het niet iets van een wettisch kader van: dit hoort zo, dit moet zo. Absoluut niet. Maar Johannes 17 laat de gelovige van vandaag zien hoe bijzonder hij gezegend is. Hoe uniek die zegen is, die de gelovige heeft ontvangen. De Here Jezus bidt. Ik weet niet of u ooit een ander die aan het bidden was overliep. Misschien wel door de achterdeur gewoon binnen te stappen en dan ineens in een ruimte te staan waar gebeden werd. Nou je doet de deur zachtjes dicht en je vertrekt. Ik heb de idee, de indruk dat we hier achter het gordijn op een plaats staan waar we eigenlijk niet horen. We horen de Here Jezus bidden; spreken met Zijn Vader. Bidden is zó privé, zo intiem, dat je eigenlijk het idee hebt: moet dit wel in de bijbel staan, moeten we dit weten? Ik ben er echt zeker van dat dit één van de hoogtepunten is van de bijbel. En dat maakt het dubbel moeilijk. We hadden een kort moment van gebed daar in die keuken. En ik heb gezegd: “Here het is net een groen blad, een prachtig stuk natuurschoon en alles wat je ervan zegt vertroebelt het misschien wel.” Er zijn soms dingen waarvan je zegt of denkt: laat ik er maar vanaf blijven, want als ik er aan kom, dan komen er vlekken op ofzo. Zoiets. Echt hoog, heel bijzonder, heel uniek: de Here Jezus bidt. In onze bijbel staat erboven dat het “Het Hogepriesterlijke Gebed” is. Nu, dat is het niet. Ik wil u geen illusie ontnemen ofzo. Hij ís onze Hogepriester én Hij bidt voor ons, maar dat is dit niet. Hoe het dan wel is, dat laat ik dan maar los, dat moeten we later dan maar een keer gaan bezien. Het is de Here Jezus die in die bovenzaal, waar Hij met de discipelen is als afsluitend gaat bidden. Vlak voor Hij naar Gethsemane gaat, naar de Olijfberg gaat, bidt de Here Jezus deze woorden. En Hij ziet Zichzelf als áchter het kruis. Alsof Hij volbracht hééft. Alsof het allemaal al gebeurd is, alsof Hij alle worsteling, alle pijn al gevoeld heeft; alsof Hij zegt: “Ik ga er wel naar toe, maar feitelijk, innerlijk, heb Ik dit allemaal al gehad.” Dat maakt het een beetje moeilijk, maar dat maakt het ook heel erg mooi. We zijn begonnen in deze serie over het Johannes evangelie met te zeggen dat er profetische vergezichten schuilen in dit evangelie. En dat is zo. En de meesten van jullie hebben daar ook al iets van geproefd. Die hebben dit ook opgepakt en die hebben er misschien wel van genoten; dat hoop ik. We hebben ook gezegd dat dit profetisch vergezicht eigenlijk een beetje stopt bij hoofdstuk 13, dus tot en met hoofdstuk 12. Dan ineens komt er een andere toon, een andere orde. En die andere orde heeft te maken met een heel klein groepje mensen die uit het volk Israël omhoog gevoerd worden – letterlijk – bovenzaal, die in de intimiteit van onze Here Jezus Zelf gebracht worden. Waar ze met Hem Avondmaal vieren, waar ze met Hem zijn en waar ze met Hem eten. Waar voetwassing plaatsheeft. Waar de Here Jezus over “Het Huis van de Vader” vertelt. Waar de Here Jezus vertelt over vrucht dragen. Waar de Here Jezus vertelt over de Heilige Geest die zou gaan komen. En waar de Here Jezus bidt. 13, 14, 15, 16, 17 een paar hoofdstukken uit het Johannes evangelie. Een uitgelezen gezelschap wordt ingevoerd in intieme sferen. De intieme sferen van het Huis van de Vader. Dat maakt het moeilijk maar dat maakt het ook buitengewoon. Ik hoop dat je de Here Jezus kent. En dat je weet dat je schuld weg is, dat je zonden vergeven zijn. Zonder de Here Jezus ben je nergens. Met de Here Jezus heb je alles. Zonder de Here Jezus reddeloos verloren; je kunt overal kijken, je kunt alle mogelijke hulpbronnen aanboren maar dat geeft geen soelaas. De enige bron van werkelijke zegen en hulp is de Here Jezus, de Bron van het Leven. De Here Jezus. En je moet Hem hebben, niemand anders. Hem moet je hebben. Sommige mensen gaan predikers na-apen. Na dat je ze nagaat in de zin van kritisch luisteren of ze inderdaad bij het Woord van God blijven dat is oké. Maar je moet niet die lui hebben! Ik heb vaker iets gezegd over het Oude Testament van 2 Koningen 4. Daar is een mevrouw in Sunem, de Sunamitische en ze heeft een zoontje gekregen op een bepaalde leeftijd. Dat zoontje is in haar armen gestorven uiteindelijk. En zij zegt: “Ik moet de man Gods hebben!” Nou, ze rent zo snel ze kan naar Elisa. Elisa ziet hoe verdrietig ze is en zegt tegen Gechazi: “Ga, snel, neem mijn staf, leg de staf op zijn gelaat; doe iets!” En zij wijkt niet van Elisa en ze zegt: “Ik hoef de knecht van de man Gods niet, ik moet de man Gods zelf hebben!” En Elisa gaat met haar mee. Heel simpel voorbeeldje. Je moet niet knechten van de Here Jezus hebben, je moet Hem Zelf hebben. En als je zó hoog inzet, dat je Hém wilt hebben en niemand anders, dan zal Hij dat gebed verhoren. Hij zal zichzelf aan jou openbaren. Hij laat zien wie Hij is. Dat doet de Here Jezus. Hij wil zo graag dat je geniet van Hem. En Hij ís om van te genieten. De Here Jezus spreekt in een heel beperkt, in een heel select gezelschap over het Huis van de Vader. De mensen die hier zitten en de Here Jezus kennen als hun Heiland en als hun Verlosser, hebben – nadat ze geloofden – de Heilige Geest gekregen als een onderpand van de toekomstige erfenis. Dat zegt de bijbel. Jij die gelooft, hebt de Heilige Geest ontvangen en je bent verzegeld met de Heilige Geest van de Belofte. En die Heilige Geest wil ook alles wat van de Here Jezus is, jou duidelijk maken. Hij wil je verkondigen dat wat van Hem is. Hij wil je laten zien hoe schitterend de Here Jezus is. De Heilige Geest heeft je bovendien aan elkaar gevoegd. De Heilige Geest heeft van individuele mensen een eenheid gemaakt. De Heilige Geest heeft ons tot Gemeente gemaakt, tot Lichaam van Christus gevoegd door Heilige Geest, de doop in de Heilige Geest, tot één Lichaam gedoopt, gevoegd; bij elkaar gevoegd. Dat hebben wij niet bedacht. Dat is niet een eenheid in de leer, of een eenheid in de kleur, maar een eenheid van de Geest! Een eenheid die door God Zelf is ingezet. Een eenheid die onlosmakelijk verbonden is met Hem die het Hoofd is. Jij, als je gelooft in de Here Jezus, bent verbonden met Hem die het Hoofd is. Jij, die gelooft hebt in de Here Jezus, en die weet: mijn schuld is weg, mijn zonden zijn vergeven; jij bent gezegend met álle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten. En vanaf dat moment móét je leren wat het zeggen wil een kind van God te zijn. Nu, de Here Jezus laat je hier de eerste hoofdstukken zien in Johannes 17, de eerste stappen. Ik zeg niet dat hier alle leer staat over de Gemeente. Maar de Here Jezus zegt wonderbare dingen over dat schitterende plan van God. Hij wil een bepaald gezelschap uittillen boven álle anderen, om ze aan de Here Jezus te geven. Hier staat een aantal keren dat jij en ik gegeven zijn aan de Here Jezus. “Ze waren de Uwen, Vader, maar U hebt ze Mij gegeven. Hen, die Gij Mij gegeven hebt, uit hen heb Ik niemand verloren laten gaan.” Jij en ik, door de Heilige Geest aaneen gesmeed, jij en ik gevoegd bij de Here Jezus, jij en ik gekoppeld, voor eeuwig gekoppeld aan Hem die het Hoofd is, wij zijn gegevenen. Wij zijn een geschenk van de Vader aan de Here Jezus. Nou ik kan me voorstellen dat Prins Willem Alexander aan Prinses Maxima een leuk cadeautje geeft zo nu en dan, dat kan hij ook wel doen ook. Zou hij met een prulletje aankomen denk je? Mijn horloge was stuk en ik had wat irritatie – stom verhaal – en ik had nog een reserve maar dat irriteerde ook. Ik liep op de markt in Nijverdal, zat een vent met horloges. Ik was stom verbaasd: 2 horloges voor 10 euro. Ik denk: “daar kan ik me nooit een beul aan vallen en ik geef ze allebei weg aan mijn kleinkinderen.” Maar één euro, een zo’n bandje om, super; nergens last van. Ik kom later bij de juwelier, ik zeg: “Wat denk je?” Nou ze zegt: “40 euro.” Ik zeg: “Hoeveel wil je er hebben?” “Doe maar een bord.” Ik wil er dit mee zeggen: “Wij zien kans om een beetje swüng er in te brengen, maar het is allemaal natuurlijk van nul en generlei waarde.” En het batterijtje kreeg je er gratis bij, was waarschijnlijk ook nodig; maar een batterijtje bij de juwelier kostte 9 euro laatst; en dit hele handeltje kost 5 euro. Snap je? Maar het gaat me om het volgende: stel nu eens dat iemand die veel heeft, een cadeau geeft. Zou hij dan prullaria weggeven? Nee hé. Als de Vader iets geeft aan de Zoon, is dat een niemendalletje, of is dat iets geweldigs, iets buitengewoons? Dat laatste! De Vader heeft een geschenk gegeven aan de Zoon. En hoe raar dat misschien ook in je oren klinkt: dat ben jij. Wij zijn dat geschenk. Wij zijn gegeven aan de Zoon. We horen bij de Here Jezus. En die Vader die zegt: “Die mensen die heb Ik al gezien vóór de grondlegging van de wereld.” Dat is moeilijk! Want ja, daar zit de hele uitverkiezing aan vast; daar zit een hele rij boeken aan vast bij wijze van; uw boekenkast is misschien behoorlijk gevuld met boeken over predestinatieleer dingen enzo. Nou, ga er maar aan staan. Gigantische verschillen tussen kerk één en kerk drie. God heeft jou en mij vóór de grondlegging van de wereld al gezien. God heeft een plan gehad om de Here Jezus een heel bijzonder geschenk te geven. En daar zit jij bij in. “Ja, maar dat durf ik zo maar niet te zeggen! Dat kun je nu wel stellen even uit de losse hand, maar wat bewijst dat dan?” Nu, dat kan ik. Jij bent heel bijzonder geliefd. En de Here Jezus heeft de Gemeente liefgehad, en die Gemeente is voorgekend vóór de grondlegging van de wereld, vóór Adam en Eva zondigden, vóór Israël bestond, voor er überhaupt iets over Israël gezegd werd in de Bijbel, heeft God de Vader jou en mij bedoeld voor de Here Jezus. “En die Hij gekend heeft, die heeft Hij ook bestemd om naar het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te zijn”- ik citeer Romeinen 8 op dit moment – “En die Hij bestemd heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd” – dat moest ook nog – “en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt.” Jij en ik gelovig geworden, nu de Heilige Geest als onderpand in ons – dat is uniek hoor, dat was vroeger niet en dat komt daarna ook niet. Dat unieke van de Heilige Geest in ons waardoor we tot één Lichaam gedoopt zijn, bij elkaar gevoegd zijn, verbonden zijn aan Hem die het Hoofd is, dat unieke van de Here Jezus dát is ook precies de onderbouwing van: God heeft jou en mij gezien vóór de grondlegging van de wereld, vóór er überhaupt iets was, om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij…om Hém, de Allerhoogste en Hem de Allerbelangrijkste en Hem de Allerheerlijkste te doen zijn van álles. Opdat Hij de Eerstgeborene, de hoogste in rang zou zijn, temidden van dit allemaal. De Here Jezus. Gods plan heeft altijd de Here Jezus als het centrum. Maar jij en ik zijn nu zó bevoorrecht, zó geweldig gezegend, dat wij als een geschenk van de Vader aan Hem gegeven zijn! En de Here Jezus zegt: “Ik heb hen verlost; Ik heb hen gered.” Je kunt duizend keer zeggen: “Nou, dat zondeprobleem dan?” Nou, je was al uitverkoren voordat er zonde was. Hebben ze dan niet doorgehad dat wij misschien nog wel eens een keer zouden gaan zondigen dan? Ja, dat hebben ze wel doorgehad, want er is ook nog een Lam, voorgekend, vóór de grondlegging van de wereld. Dat wisten ze ook wel. Dat probleem moest ook nog. Maar dat doet niets af aan dat enorme plan van God om jou en mij aan de Here Jezus te verbinden. Zo rijk ben je. En jij maar denken dat je als een soort pelgrim zwoegend, zwetend, eindeloos lopend/fietsen, dravend, en dat uiteindelijk bij de hemelpoort aankomt en denkt: “Pff, nou maar hopen dat ik binnenkom.” Met de hakken over de sloot. Nou nee, het was nog net geen sluitingstijd, we mochten nog nét naar binnen. He, hé, daar zijn we dan. Ja, nou, een achterafplaatsje: “liever daar bij de dorpel van die tent dan waar ook.” Maar toch, bij de dorpel dan maar. Stelletje armoedzaaiers! Sorry hoor. Geen dorpelfiguren! Geen randfiguren! Je bent buitengewoon gezegend! Bedoeld om naar het hart van de Here Jezus te zijn, bedoeld om bij de Vader te zijn, om voor eeuwig te genieten. Dát is het Huis van de Vader. Dat gaat vér boven de zegen van Israël uit. Vér boven. Mensen gaan vandaag de dag in discussie over: “Hoe zit het dan met de Opname van de Gemeente? Kun je dat wel bewijzen? Is dat wel zo? Plussen en minnen en nou, daar ga je. En niemand vertelt over het unieke van de Gemeente. Als je het unieke van de Gemeente leert zien, als je het geweldige plan van God leert zien, dan heb je met de Opname van de Gemeente helemaal geen moeite! Dan snap je heel goed, dan snap je héél goed dat die Gemeente inderdaad een hele unieke plek heeft en op een unieke manier weggaat en de Here tegemoet gevoerd wordt in de lucht en door de Here Jezus in het Huis van de Vader wordt gebracht. Dat snap je dan! Dit is niet een soort debat tussen twee theologische stromingen. Dit is een positioneel debat, een zicht op je positie in Christus, wie je bent in Christus. Nu, de Here Jezus zegt hier: “Vader, Ik heb het werk voleindigd dat Gij Mij hebt gegeven om te doen.” Ik kijk er nu achter. “Ik heb Uw Naam geopenbaard; Ik heb Uw wezen laten zien.” Aan wie? “Aan hen, die U Mij gegeven hebt.” Aan die gegevenen. Wie zijn dat? Nou ja, misschien was je in eerste instantie niet daarbij, maar wel, de Here Jezus bidt ook: “voor hen die door hun woord in Mij geloven.” Met andere woorden: die latere groep. Daar zit je wel terdege bij, jij en ik. En we zouden eigenlijk een soort pas op de plaats moeten maken, om te overwegen wie we nu zijn in de Here Jezus. Want als je dat niet ziet, ja dan blijft het zwoegen. En dan blijft het: “Ja, nou ja, ik ben een gelovige ja; maar de buren niet, maar ja…we moeten beiden maar verder… en dan maar afwachten hoe het gaat.” Blijdschap weg, kracht weg, getuigenis ook een beetje weg… De Gemeente is uniek. De Gemeente is buitengewoon. De Gemeente hoort ook niet hier. De Gemeente wordt hier “vreemdeling en bijwoner” genoemd. De Gemeente hoort in het Huis van de Vader. Dáár heeft de Here Jezus plaats bereid en daar brengt Hij jou. De Gemeente gaat hier vandaan. De Gemeente wordt opgenomen. De Gemeente gaat de Here Jezus tegemoet. En de Here Jezus zegt hier: “Ik bid voor ze.” En: “Vader, Ik ben nu klaar met Mijn werk en Ik wil nu graag de heerlijkheid die Ik had eer de wereld was.” Dat staat hier. Voor er een wereld bestond had de Here Jezus al heerlijkheid. Waar was de Here Jezus toen? Het antwoord is – dat hadden we ook toen we Johannes 14 bespraken – in het Huis van de Vader! De hemel hoort bij de schepping: “in den beginne schiep God de hemel.” De hemel hoort bij de schepping. De aarde en de hemel zijn geschapen. Maar het Huis van de Vader niet. Want toen God de hemel schiep, wás Hij er al. Waar was God toen? In het Huis van de Vader. “Ongeschapen hemel” wordt het ook wel eens genoemd. Daar woonde de Vader, daar woonde de Geest, daar woonde de Zoon. Daar woonden Zij. En daar, uitgerekend daar, wil de Here Jezus jou en mij brengen! Waarom ons? Waarom Israël niet? Omdat wij het geschenk van God aan Hem zijn! Hij wil dat geschenk dáár brengen waar Hijzelf is. Logisch toch? Klinkt een beetje eigenwijs. Maar ik wil zo graag dat u beseft hoe rijk u bent. Hoe geweldig u bent. En wat er met jou en met mij gaat gebeuren als de Here Jezus ons daar brengt. Nu zegt de Here Jezus: “Vader, Ik wil graag de heerlijkheid terug die Ik bij U had eer de wereld was. Toen had Ik al glorie. Toen had Ik al heerlijkheid. Toen mocht Ik daar al schitteren, daar in Uw nabijheid. En Ik heb hun – dat gezelschap – de heerlijkheid gegeven die Gij Mij gegeven hebt. En Ik wil dat ze daar zijn!” Aha. Hij wil dat wij zijn daar zijn. Hij heeft ons de heerlijkheid gegeven die Hijzelf al had. Een glorie, een heerlijkheid, zó verheven zó buitengewoon, ook niet te meten met aardse dingen want die waren er toen nog niet. De heerlijkheid die Hij had, eer de wereld was, heeft Hij aan jou gegeven. Daarom kan Paulus zeggen in Efeze 1, dat we gezegend zijn met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten! Daarom ben je zo geweldig rijk! Daarom is het niet alleen de schulddelging. Nog een keer: je was al uitverkoren voor er schuld wás. Dat er schuld kwám, dat beaam ik, onderstreep ik, dat is zo. Dat die schuld opgelost moest worden, ja, ja. Toen zei de Here Jezus: “Ook dát ga Ik vereffenen. Want Ik wil als Lam voorgekend voor de grondlegging der wereld, ook dat probleem op Mij nemen.” En dat heeft Hij gedaan. Hier bidt de Here Jezus: “Vader, Ik kom bij U. En Ik wil zo graag dat zij bij Mij zijn. En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven opdat ze één zijn, zoals Wij één zijn. Zij in Mij en Ik in U.” De Here Jezus zegt dus: Zo close, niet alleen een beetje dichtbij met enige afstand; maar ín Hem, in de Here Jezus. Wij in Hem, Hij – de Here Jezus – in de Vader. Zij in Ons. Echt helemaal in elkaar verweven. Eén. Daarom kan Paulus zeggen dat je deelgenoot van de goddelijke natuur geworden bent. Dat gaat ver. Dat is niet een beetje van God. Je lijkt er op ofzo. Alsof je ín elkaar verstrengeld bent. In elkaar geschoven bent. Zó uniek, zo geweldig. Daarover bidt de Here Jezus. “Heilig hen door Uw waarheid. Toen Ik bij hen was, heb Ik hen bewaard. Nu hebben ze de Bijbel. Nu hebben ze Uw Woord. En Ik bid voor ze.” De Here Jezus wil dat wij nú gaan beseffen hoe geweldig rijk we zijn. Johannes 17 is één van de hoogtepunten uit de Schrift, dat heb ik gezegd. Johannes 17 vertelt u hoe de Here Jezus met zijn Vader praat over ons. Hij heeft het over jou. “Vader, Ik wil zo graag – vul je eigen naam eens in – dat (…) bij Me is. Ik wil (…) Mijn heerlijkheid geven, de heerlijkheid die Ik al had voordat überhaupt iets was, en (…) mag met die heerlijkheid, met die glorie gesierd, dicht bij Me wonen. Ik wil dat hij één is met Mij, maar Ik ben ook één met U. En als (…) één is met Mij, dan is hij ook één met U. Zo close. Zo dichtbij. En Ik bid voor ze. En Ik geef ze Uw Woord. En Ik ben in hen verheerlijkt.” Gezelschap op aarde, bedoeld voor de hemel, is nu een gezelschap om Hem te verheerlijken. Om bijzondere eigenschappen van Hem uit de verf te laten komen; om bijzonderheden van de Here Jezus te laten stralen; om hier op aarde geweldige dingen te tonen. Jij en ik zijn heel erg rijk. De profetie van Johannes is, dat de Here Jezus hier vertelt wat er met jou en mij gaat gebeuren. Vroeger dacht ik: – voor de zoveelste keer misschien – met de hakken over de sloot in de hemel. Nu, niet een soort “net, net geslaagd” idee, maar een “van Harte Welkom” idee. Door de Here Jezus aan het hart van de Vader gebracht zoals de verloren zoon uit Lucas 15 aan het hart van de Vader kwam. Wij, aan het hart van de Vader, samen met de Here Jezus. Hebt u dat ooit gezien dat een vader en een zoon elkaar omarmen, soms een kleinzoon er bij en dat je echt het gevoel hebt “Yes”. Zo gaat dat straks. Kom je daar aan en dan denk je “Nou krijg ik waarschijnlijk wel een reprimande over de laatste perikelen, over de laatste episode van mijn leven, want dat ging misschien niet helemaal zo zoals ik het zelf graag wilde.” Nee, de Here Jezus. Hij bidt dat jij zó aan het hart van de Vader bent. En als jij je dit nu zo realiseert, word je er dan niet blij van? Hier staat het: “Dat hun blijdschap volkomen zal zijn.” Waarom laat jij je dan inpakken? Zou jouw gedrag van morgen hier iets van af kunnen nemen? Dit is een hele principiële vraag. Antwoord: NEE. Betekent dit dat ik dus mijn gang kan gaan morgen? Antwoord: Nee. Waarom niet? Omdat op dat moment je blijdschap weg is en je vreugde. Maar ook je kracht om te getuigen. ’t Is weg. Dat kan niet anders. Maar jouw gedrag van morgen kan dit plan van God niet torpederen! En dat is de grootste zekerheid die je binnen mag halen en in je hart mag leggen: “Here Jezus, ik hoef niet meer te scoren!” Nee, je hoeft ook niet te scoren, dat heeft Hij gedaan! God ziet je in Hem aan. God ziet de Here Jezus in Zijn volkomenheid, in Zijn schittering, in Zijn volbrachte werk. En in dat volbrachte werk van de Here Jezus zit jij, helemaal ingebakken. Daar ben je één mee. Je kunt niet eens anders. “Maakt het dan niet uit hoe ik leef?” Ja, dat maakt wél terdege uit, want als ik mij dit realiseer en daar nu, vandaag van geniet en ik doe morgen verkeerde dingen, dan ben ik mijn blijdschap kwijt en geniet ik niet meer. En dat weet iedere gelovige die hier zit heel goed. Vanaf het moment dat je één keer zondigt, is alle blijdschap ineens weer weg. Niet dat je kind van God af bent, of dat je dan niet meer paste in dat plan van God, want dat is nog steeds hetzelfde, want God is nog steeds Dezelfde; Hij is zonder schaduw van ommekeer. Hij is geen God die achterom kijkt, Hij gaat dóór. Hij is altijd Dezelfde. Maar het genieten van deze zegeningen is wel degelijk gekoppeld aan onze praktijk. En dat weet je. Nu kun je dat knap verbloemen – dat is misschien ook wel duizend keer gezegd – door heel druk te doen, en door van alles te bedenken en door nog actiever te worden ofzo, je kunt van alles bedenken waardoor je iets wegdrukt. Maar laten we nu vanavond eens terugkeren en tegen de Here Jezus zeggen: “Dank U, Here Jezus. Ja, ik begrijp ook niet dat ik een geschenk ben. Dat God mij zó waardevol vond om mij aan U te geven.” Dat is de reden waarom ik heel vaak laat zingen mijn lievelingslied: “Ik weet niet waarom Gods gena aan mij ook werd betoond”, nummer 112 uit Johannes de Heer. Weet u het? Ik weet het niet. “Ik weet in wie ik geloofd heb, ik ben verzekerd.” Maar ik weet het niet, het is Gods genade. Dat God jou zó waardevol vond, dat Hij jou aan de Here Jezus gaf als een geschenk. Jij bent een geschenk aan de Here Jezus. Hij vindt jou zó mooi! Hij vindt jou zó waardevol! Dat Hij jou aan de Here Jezus gaf. Nou, dan maakt het ook niet zoveel uit of ik een lekke band heb ja of nee, toch? Nou, ja, wel lastig. Maar ik wil alleen maar zeggen: “Wat kan ons dan gebeuren?” Verdrukking, benauwdheid, zwaard, honger, naaktheid, gevaar… Wat kan er dan gebeuren? God is voor ons, wie zal tegen ons zijn? Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt, wie gaat veroordelen? Niemand toch? De Here Jezus, Hij is van jou en jij bent van Hem. “Liefde heeft ons saamverbonden”, zegt een gezang. De Here Jezus bidt: “Vader, Ik wil dat zij bij Mij zijn, opdat zij Mijn heerlijkheid zien; maar die heerlijkheid ook hebben; die heerlijkheid ook genieten; één zijn met Mij maar ook één zijn met U. En Ik bidt nu voor ze. En Ik heb hun Uw Woord gegeven en U wilt ze bewaren. Heilig hen door Uw waarheid.” Een gebed van de Here Jezus. Is dit in de profetische lijn ook voor Israël? Antwoord: Neen. Ik probeerde, maar dat is al een hele tijd terug, te zeggen dat het stukje van Johannes 13,14,15,16,17 eigenlijk een apart stukje is; een stukje enclave is. Het is ook buiten Israël geschiedt. In een bovenzaal weet je wel. Lós van de straat, lós van de Farizeeën, lós van de schriftgeleerden, lós ook van de soldaten. In 18 gaat de draad weer verder, in hoofdstuk 18. Dan is ineens weer Gethsemane daar, en is Judas daar, kortom dat komt weer terug. Maar dat stukje daartussen: het is alsof dat verborgene van de Gemeente, het geheimenis van de Gemeente – waar engelen graag in wilde blikken maar waar ze geen kans voor zagen, waar profeten naar hebben gekeken en waar ze aan hebben geroken zonder te weten op welke of hoedanige tijd dit zou slaan – het is alsof dat stukje van Johannes 13,14,15,16,17, alsof dat het geheimenis is, die verborgenheid is, die nooit bekend gemaakt is. Dit ís ook nooit bekend gemaakt. Dit is ook zó volstrekt uniek! Zo buitengewoon, dat het inderdaad niet is te vinden in de profetische geschriften. En dat spoort voor honderd procent met het unieke van de Gemeente. En jij en ik mogen er nu naar kijken. Jij en ik mogen er nu van genieten. Jij en ik mogen er nu de blijdschap van ondervinden. Ik hoop dat je dankt voor de Here Jezus. Maar ik hoop ook dat je dankt voor de Vader. Ik hoop dat je dankt voor het geschenk van de Vader aan de Here Jezus. Dat zijn wij. Word ik daar hoogmoedig van? Nee, daar word ik ootmoedig van! Omdat ik denk: “Here, dan wordt het tijd dat ik me dit realiseer, dat ik daar ook ga aan beantwoorden; dat ik iets toon van wat U bedoelt met mij: een geschenk van de Vader aan de Here Jezus.” Ik weet wel dat de gelovigen vandaag, áls ze al bezig zijn met de hemel, bezig zijn met hún eindpunt. En dat is: rusten, kroon krijgen, beloning krijgen. Dat komt ook hoor, echt dat is ook bijbels. Dat is niet weg te cijferen. Maar hier gaat het werkelijk vérder. Hier is het echt hóger. Hier wil de Here Jezus jou mee laten luisteren, met Zijn bidden, met Zijn gesprek met de Vader. Ik hoef geen afspraak te maken voor huiswerk. Maar stel je voor, dat je een paar keer Johannes 17 gaat lezen deze komende week. Dan ga ik je verzekeren dat je er blij van wordt. Écht blij van wordt. En dat je zegt: “Here Jezus…super. U praat met Uw Vader over mij?” Ik kwam een keer terug bij het allereerste begin: áls je al iemand ziet bidden, je komt stiekem binnen, per ongeluk, je hoort dat daar gebeden wordt. En je wilt eigenlijk direct terug gaan omdat je vind dat je daar niet hoort, dat dit een private zaak is. Maar op het moment dat je daar hoort dat ze het over jóú hebben in hun gebed, draai jij niet meer terug. Heel stil blijf je. Wat zouden ze zeggen? Ze hebben het over mij! Mensen bidden, hebben mij als onderwerp? En je blijft staan, zo nieuwsgierig ben je wel. En je denkt misschien wel: “ze roddelen!” Maar als je de Here Jezus hoort bidden en de Here Jezus zegt: “Vader, Ik wil zo graag dat Dato bij Mij is.” Zou ik dan wegrennen? Of zou ik dan luisteren? Het laatste. “Here Jezus, super dat U voor mij bidt, dat U mijn naam noemt, dat U mij ziet in Uzelf en samen met U in de Vader, één. Eén in die schitterende eenheid van het Huis van de Vader. De Here zegene jou en mij in alles. Ik hoop je daar van geniet. Amen.
Ik wil graag bidden:
“Vader we danken U dat U ons ja, die genade verleend hebt om tot geloof te komen, om de Here Jezus te leren kennen. We mochten Hem aannemen als onze Heiland en als onze Verlosser. We mogen weten dat onze schuld weg is en dat onze zonden vergeven zijn. En we mogen weten dat de Heilige Geest in ons is gaan wonen, en dat we door diezelfde Heilige Geest tot een eenheid gemaakt zijn. De eenheid des Geestes. En we danken U, Vader, dat U ons, als een gezelschap, als een bijzondere groep, gegeven hebt als een geschenk aan de Here Jezus. Vier keer zegt de Here Jezus: “Ze waren van U, maar U hebt ze Mij gegeven. Degene die U Mij gegeven hebt, Ik heb er voor gezorgd.” We willen U danken Vader, dat wij dat bijzondere geschenk van U aan de Here Jezus zijn. En dat de Here Jezus daarmee eer krijgt, glorie krijgt. En we willen U danken dat er een moment gaat komen dat de wereld erkent dat Hij gezonden is. Als wij aan Zijn zijde zijn, als wij daarbij Hem zullen zijn, met Hem zullen zijn en als des Konings onderdanen Zijn heerlijkheid gaat schitteren. We willen U danken Vader dat U plannen met Uw Zoon hebt die nog niet in vervulling zijn gegaan. Die nog gaan komen. Ik wil U hartelijk danken dat U ons zo liefhebt en U ons zo hoog inschat en ons zo bestemd hebt om aan het beeld van Uw Zoon gelijkvormig te zijn. Here Jezus ik wil U bedanken dat U Uw leven wilde geven om mij te redden. Want U wist dat ik kostbaar was in het oog van de Vader; maar U wist ook Here Jezus dat ik dat geschenk was, of een stukje van dat geschenk was, aan U gegeven door de Vader. En dat wat de Vader U gaf, dat wilde U niet laten vertroebelen. Dat hebt U niet laten wegebben. Daarvoor hebt U Uw leven gegeven. Here Jezus, ik wil U prijzen. Ik wil U aanbidden Here Jezus. Ik wil voor U neervallen. Ik wil U groot maken. Ik wil U alle eer geven. Om alles wat U hebt gedaan Here Jezus. U hebt het werk voleindigd wat God U had gegeven om te doen. En nu bent U gekroond met eer en heerlijkheid en U bent er nu en U maakt de plaats voor ons. U bereidt daar een plaats. En wij zullen daar komen. Wij zullen daar met U zijn. Here Jezus we willen U vanavond danken. Vader wij willen U prijzen. Zo wil ik U voor iedereen die hier is bidden, of ze zullen begrijpen hoe hoog de breedte en de lengte en de diepte is en hoe geweldig Uw liefde is waardoor we deze erfenis zullen gaan deelachtig worden. Gezegend met alle geestelijke zegeningen. Tot het Zoonschap voor Uzelf bestemt. Onberispelijk in de liefde. Het zijn allemaal teksten uit de bijbel. Vader we danken U, we prijzen U en ik bid U dat iedereen die hier is deze zegen meeneemt, daarover nadenkt, met geweldige blijdschap in het hart. Wat een super zegen, wat een geweldige Heiland, wat een Vader in de hemel die zulke dingen bedenkt. Dank U wel daarvoor. Dank U voor iedereen die hier is. Vader zegen ons zo in alles, in de naam van Uw Zoon de Geliefde Here Jezus. Amen, amen.