Jezus spreekt, IK BEN

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

20. Jezus spreekt, IK BEN.

Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis,
18 september 2005

Johannes 18 vers 1 – 40

1] Na dit gezegd te hebben, ging Jezus met zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron, waar een hof was, die Hij met zijn discipelen binnenging.
2] En ook Judas, zijn verrader, wist die plaats, omdat Jezus daar dikwijls was samengekomen met zijn discipelen.
3] Judas dan kwam daar, die een afdeling soldaten tot zijn beschikking had gekregen en dienaars van de overpriesters en de Farizeeën, voorzien van lantaarns, fakkels en wapenen.
4] Jezus dan, alles wetende, wat over Hem komen zou, kwam naar voren en zeide tot hen:
5] Wie zoekt gij? Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazoreeër. Hij zeide tot hen: Ik ben [het] En ook Judas, zijn verrader, stond bij hen.
6] Toen Hij dan tot hen zeide: Ik ben [het], deinsden zij terug en vielen ter aarde. Wederom dan stelde Hij hun de vraag:
7] Wie zoekt gij? En zij zeiden: Jezus, de Nazoreeër.
8] Jezus antwoordde: Ik zeide u, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan;
9] opdat het woord vervuld werd, dat Hij gesproken had: Wie Gij Mij gegeven hebt, uit hen heb Ik niemand laten verloren gaan.
10] Simon Petrus dan, die een zwaard had, trok het, en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hm het rechteroor af; de naam nu van de slaaf was Malchus.
11] Jezus dan zeide tot Petrus: Steek het zwaard in de schede; de beker, die de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik die niet drinken?
12] De afdeling soldaten dan en de overste en de dienaars der Joden namen Jezus gevangen,
13] boeiden Hem, en brachten Hem eerst voor Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was;
14] en Kajafas was het, die de Joden de raad had gegeven: Het is nuttig, dat één mens sterft ten behoeve van het volk.
18] De slaven en de dienaars stonden zich te warmen bij een kolenvuur, dat zij aangelegd hadden, want het was koud, en ook Petrus stond zich bij hen te warmen.
19] De hogepriester dan vroeg Jezus naar zijn discipelen en naar zijn leer.
20] Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit tot de wereld gesproken; Ik heb voortdurend in de synagoge geleerd en in de tempel, waar al de Joden bijeenkomen, en in het verborgen heb Ik niets gesproken.
21] Waarom vraagt gij Mij? Vraag hun, die gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.
22] En toen Hij dit zeide, gaf een van de dienaars, die erbij stond, Jezus een slag in het gelaat en zeide: Antwoordt gij zó de hogepriester?
23] Jezus antwoordde hem: indien Ik verkeerd gesproken heb, geef aan wat verkeerd was, maar indien het goed was, waarom slaat gij Mij?
24] Annas dan zond Hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.
25a] En Simon Petrus stond zich te warmen.
28] Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw. En het was vroeg in de morgen; doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten.
33] Pilatus dan keerde terug in het gerechtsgebouw en riep Jezus en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?
34] Jezus antwoordde: Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken?
35] Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat heb Gij gedaan?
36] Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier. Pilatus dan zeide tot Hem:
37] Zij Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem. Pilatus zeide tot Hem: Wat is waarheid?
38] En na dit gezegd te hebben, kwam hij weder naar buiten tot de Joden en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in Hem.
39] Maar bij u bestaat het gebruik, dat ik u op Pascha iemand loslaat: Wilt gij dan, dat ik u de Koning der Joden loslaat?
40] Zij schreeuwden dan wederom en zeiden: Hem niet, maar Barabbas! En Barabbas was een rover.
Een heel spannend hoofdstuk. Niet alleen spannend om te weten hoe het afloopt, want dat weet u waarschijnlijk. Maar spannend omdat hier dingen staan die met onze Here Jezus verbonden zijn. En die dingen met de Here Jezus verbonden, willen we graag met elkaar delen. Daar gaat het mij om. De Here Jezus zegt in Lukas 22 – waar Hij in diezelfde Hof is, toen Zijn zweet werd gelijk rode bloeddroppels die op de aarde vielen en Hij dodelijk beangst was – “Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbij gaan.” Daar spreekt de Here Jezus over een beker die Hij eigenlijk voorbij zou willen zien gaan. Hier, in Johannes 18, zegt de Here Jezus als Petrus Hem wil verdedigen en het oor afslaat van één van de dienaren van de hogepriester: “De beker die de Vader Mij te drinken geeft, zou Ik die niet drinken?” Het is niet hetzelfde moment. En het is ook niet dezelfde aanleiding. Maar Hij spreekt in beide gevallen over een beker die te drinken is, die gedronken moet worden. En voordat ik verder ga met hoofdstuk 18, wil ik jullie graag een stukje voorlezen uit Jeremia 25.
Jeremia 25:
15] Want aldus heeft de HERE, de God van Israël, tot mij gezegd: neem deze beker met de wijn der gramschap uit mijn hand en geef die te drinken aan alle volken, tot welke Ik u zend,
16] dat zij drinken en waggelen en dol worden ten gevolge van het zwaard, dat Ik onder hen zend.
17] En ik heb de beker uit de hand des HEREN genomen en die aan alle volken, tot welke de HERE mij zond te drinken gegeven:
18] aan Jeruzalem en de steden van Juda
19] aan de koning van Egypte,
20] aan de ganse gemengde bevolking en aan alle koningen van het land Us; aan alle koningen van het land van de Filistijnen, aan Askelon dus aan de mensen van de Gazastrook, Gaza, Ekron en het overschot van Asdod;
21] aan Edom, Moab en de Ammonieten dus wat nu Jordanië is;
22] aan alle koningen van Tyrus, alle koningen van Sidon dus noord Israël en alle koningen van het kustgebied aan de overzijde [der zee] van de Jordaan.
Een beker van gramschap; een beker van toorn; te drinken gegeven. Want ál die koningen, ál die landen, ál die mensen, hadden de Here niet gediend. Hadden het volk van God verdrukt, hadden het volk van God slecht behandeld. En daarom gaat de Here ingrijpen. En Hij zegt: “Jullie krijgen de beker van gramschap te drinken.” Dat hoeft eigenlijk niet zo vreemd over te komen, want we hebben misschien allemaal het Nieuw Testament gelezen, in het laatste bijbelboek – het boek Openbaring – waar sprake is van de beker van de gramschap van God. Hoe zou jij het er af brengen als jij nú oog in oog met God zou staan? Als God nu, vandaag, een profeet naar jou toe zou sturen (Jeremia 25) met een boodschap uit Zijn eigen troon…. Zou de Here dan zeggen: “De beker van gramschap, de beker van toorn, de beker van het oordeel, die geef Ik je te drinken.”? Ik wil niet zwaarmoedig zijn, dat ben ik ook niet van aard, van mijn natuur en dat wil ik vanavond ook niet zijn, want er zijn zoveel mooie dingen in Johannes 18 te vinden. Maar één ding moet heel duidelijk zijn: Als jij niet gelooft in de Here Jezus, dan krijg je die beker van Gods toorn, die beker van Gods gramschap, te drinken. Dat bedoelde Paulus toen hij zei: “Wij dan, wetende de schrik des Heren, overreden de mensen, laat u met God verzoenen!” Het heeft geen zin om te aaien, om te kietelen en om te zeggen dat het allemaal leuk is en dat jullie allemaal lieve lieden zijn, aardige mensen zijn. Het heeft geen zin. Als je niet gelooft in de Here Jezus, dan zal de beker van Gods toorn, de beker van gramschap aan jou te drinken gegeven worden. Er is maar één uitzondering mogelijk, en dat is: geloven in de Here Jezus, die voor jou die beker heeft gedronken. “Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbij gaan.” Dat is diezelfde drinkbeker! De beker van Gods toorn, van Gods gramschap. En de Here Jezus zag die beker op Zich afkomen, voelde dat ook, en heeft emotioneel daar ook de pijn van gevoeld. Ik ga niet verklaren hoe het medisch kan dat zweet grote bloeddroppels worden, maar dat kan wel! Gewoon van stress…. De Here Jezus heeft alle pijn, die jij en ik hadden moeten dragen, op Zich voelen afkomen en Hij heeft daar voor willen boeten. Hij heeft die beker geledigd. “Niet Míjn wil, maar Uw wil geschiedde.” En in Johannes 18 – ons hoofdstuk van vanavond – zegt de Here Jezus: “De beker die de Vader Mij te drinken geeft, zou Ik die niet drinken? Petrus, je kunt Mij wel verdedigen. Je kunt voor Mij wel in de bres springen, maar dat is maar zó miniem” En het is bovendien heel beperkt, want diezelfde Petrus verloochent Hem een uur later. Mijn vraag: Heeft de Here Jezus de beker die jij had moeten drinken voor jou gedronken? Dat is écht de crusiale vraag. Daar moeten we niet omheen, daar moeten we ook niet onderdoor of overheen; daar moeten we ook niet even met woorden verbloemen; dat moet je heel concreet naar je toe laten komen en zeggen: “Dank U Here Jezus!” Ik was nergens als de Here Jezus die beker niet had gedronken. Ik zou nooit in de hemel komen als de Here Jezus die beker niet had gedronken. Maar alleen door het geloof in Hem is voor mij het oordeel weg, is de straf voor altijd weg. En God ziet mij nu als nieuw, rein, schoon, zonder vlek of rimpel, ín Christus aan. Een lied uit een misschien wat onbekende zangbundel zegt: “Dat wij nu gezien worden in het onberispelijke kleed van Zijn volkomenheid” Dat is een práchtuitdrukking! In Christus. Nieuw. Volslagen nieuw. Een nieuwe Schepping. Ik hoop dat je hier zit als een gelovige die nu zegt: “Here Jezus, dank U, dat deed U voor mij. Dat weet ik zeker, en dat is daar, zeker in Gethsemane, zichtbaar geworden. Daar was U. Daar ging U. Nadat die prachtige tijd samen met de discipelen voorbij was in de bovenzaal, daar ging U naartoe. En U kwam daar dikwijls Here Jezus. U was daar.” En of dat nu een soort spelonk geweest is – ik vermoed van wel: we zijn daar wel geweest en je kunt een spelonk naar binnengaan en daar kun je zeggen: Daar heeft de Here waarschijnlijk vele, vele nachten kunnen doorbrengen; anderen zeggen dat het in de openlucht geweest zou zijn, kan ook, laat maar. Hoe dan ook het is in die tuin geweest. In die tuin ligt precies ook de Olijfberg, merkwaardig genoeg. Oostelijk van Jeruzalem. Dáár is een olijvenhof. En dáár – de tuin met de naam Gethsemane – was de plek waar de Here Jezus heel vaak kwam. Judas kende die plek. Was daar ook vaak met Hem geweest en kon dus ook makkelijk die plek vinden als gids voor anderen. De Here Jezus was daar. De hoofdstukken 13 tot en met 17 vormen een geheel. We noemen dat wel eens: “de afscheidswoorden van de Here Jezus” of “bovenzaalonderwijs” of “onderwijs op het hoogste niveau”. En ik heb iedere keer geprobeerd om de profetische lijn van het Johannes evangelie aan te reiken. En ik heb gezegd: die hoofdstukken van 13 tot en met 17, vormen als het ware een soort tussenstuk voor mensen die omhoog gevoerd zijn. Dat was misschien best moeilijk, want dan ga je dus een bepaalde groep gelovigen eruit lichten, omhoog tillen, een ander niveau geven en ja die maken dingen mee die anderen niet meemaken. Maar dat was verborgen voor iedereen in Jeruzalem, alleen voor de mensen die bij Hem waren. Dat gezelschap heb ik ook de vorige keer heel speciaal benoemd. Nu gaat de profetie verder. De Here Jezus gaat die tuin binnen. Gethsemane, Olijfberg. De Here Jezus heeft Zich van de discipelen een stukje verwijderd en Hij heeft gevraagd om te bidden voor Hem. Ze zeiden: “Natuurlijk! Ja, dat doen we!” Toen Jozef vroeg: “Denk aan mij” aan de schenker, toen zei hij: “Ja hoor! Dat doe ik wel!” en hij is nog niet in zijn werk begonnen, of hij is faliekant vergeten wat hij ooit had beloofd…. We zijn van die makkelijke toezeggers. En soms roepen we zelfs: “We bidden voor je hoor!” Nou bijna: “Goedenavond…” zo ongeveer. En ’s morgens moet Hennie tegen mij zeggen: “Je hebt helemaal niet gebeden voor die en die.” Nu heb ik nog een stukje geweten – ik bedoel mijn vrouw – die dan zegt van: je hebt het wel toegezegd, maar je doet het niet! Maar zo makkelijk zijn wij. En als de Heer zegt: “Bidden jullie voor Me?” “Ja hoor! Zeker, doen we!” Helemaal niet, ze vallen in slaap… En de Here Jezus verwijt, daar, dat ze niet eens in staat zijn om één uur met Hem te waken. En ik heb al vaker geroepen – dat was een soort test van een mevrouw die me dit vertelde: zij dacht dat zij het beter zou doen; ze had een kookwekker gezet en ze had een uur ingevuld en toen bidden, bidden, bidden, en ze werd wakker van de kookwekker. Met andere woorden: ze was ook in slaap gevallen. Je roept wel: “Ja, dat overkomt mij niet, ik blijf een uur wakker.” Kennelijk is dat niet zo makkelijk. De Here Jezus heeft daar geleden. En het contrast tussen Lukas en zijn omschrijving en in Johannes en zijn beschrijving, die zijn enorm. Dat is wel vaker aan de orde geweest, maar ik wil het écht, nú meenemen, ook nog een keer. In Lukas vindt u de mens Christus Jezus. Misschien moet ik iets anders beginnen. In het Oude Testament is er sprake van vier keer een Spruit, met een hoofdletter. Een Spruit die Mens is, een Spruit die Koning is, een Spruit die Knecht is, en een Spruit die Jahweh Zelf is. De Spruit die Koning is, dat is het Mattheüs evangelie (Jeremia 23) De Spruit die Knecht is (Zacharia 3) is het Markus evangelie. De Spruit die Mens is (Zacharia 6) dat is het Lukas evangelie. En de Spruit die Jahweh Zelf is, het Johannes evangelie. Daarom hebben we vier evangeliën. Spruit die Mens is. Heeft de Here Jezus als mens ook gevoeld wat mensen kunnen voelen aan pijn, aan moeiten en aan spanning? Hij heeft het gevoeld. Zijn zweet werd gelijk grote bloeddroppels die op de aarde vielen. Hij heeft het gevoeld. De Here Jezus heeft geleden. Hij heeft de pijn gevoeld. De eenzaamheid gevoelt. En gevoeld dat er niemand was die hielp, en dat Hij het écht alleen moest doen. Dat Hij ook van Zijn getrouwen geen enkele support kon verwachten. Hij is gegaan. Alleen. Zoals van de hogepriester in het Oude Testament stond van de Grote Verzoendag, dat hij op die dag naar binnen zou gaan en daar mocht niemand zijn in de tabernakel als de hogepriester naar binnen ging; daar was ook niemand, dat mocht ook niet. Alleen. De Here Jezus, de Mens Christus Jezus, Lukas, zweet, bloeddroppels, angst, dodelijke benauwdheid. “Bid je voor Me? Kun je niet een uur met Mij bidden? Kun je niet voor Mij bidden? Kun je niet met Mij waken?” Ondanks alle toezeggingen heeft niemand het gered. Johannes evangelie: heel anders. De Spruit die Jahweh is. De Here Zelf. Bij God, was God, Woord is vlees geworden, heeft onder ons gewoond; niet geboren. Dat staat niet in Johannes. Wij hadden dat al. Maar nu komt het terug. De Here Jezus in de hof. Er komt een horde aan. U vindt hier niets over dodelijke angst. U vindt hier niet over Zijn zweet dat werd als grote bloeddroppels die op de aarde vielen. U vindt hier van die angst, vreselijke pijn vooraf, niets. Maar wat vindt u wél? Dat Hij hier staat in de tuin – ik zal het nu anders zeggen – dat Hij hier staat op de Olijfberg, en dat tegenover Hem een aantal mensen staat. Judas, die heeft Romeinse soldaten meegekregen en godsdienstige dienaren. En die confrontatie daar op de Olijfberg is én aangrijpend en op hetzelfde moment héél erg profetisch. Toen stond de Here Jezus daar en Hij vroeg: “Wie zoekt u?” En zij zeggen: “Jezus, de Nazoreeër, de Spruit, de Uitgesprotene, degene die uitgesproten was.” De Here Jezus vroeg dat. Wie zoekt u. En zij geven antwoord. En de Here Jezus zegt: “Ik ben.” Ik heb bewust dat woordje “het” weggelaten toen ik het voorlas, want dat staat er ook niet in de grondtekst. “Ik ben” Hij noemt Zijn naam. Ik Ben. Alles deinst terug. Alles ligt op de grond. Achterover gevallen. Als u dan toch een voorbeeld vindt van achterover vallen, hier hebt u er één. Als Hij zijn Naam noemt, deinst álles terug en ligt alles op de grond, kan niemand een vin verroeren. Is dit uitputting? Is dit dodelijke angst? Is dit Zijn zweet werd gelijk grote droppels bloed? Neen! Dit is almacht, dit is glorie, dit is majesteit, dit is heerlijkheid, dit is verhevenheid van de Here Jezus. Het is Dezelfde Here Jezus. Het is locatie, het is hetzelfde uur. Het is hetzelfde, maar héél anders. Ziet u hoe verschillend de beide evangelisten hier over schrijven? De één heeft het over die Mens die lijdt, die voelt, die proeft en die daar bijna aan onderdoor gaat; en aan de andere kant de Here Zelf, Jahweh Zelf die in glorie en in heerlijkheid Zich daar openbaart, Zijn naam noemt en alles deinst terug. Het is hetzelfde, maar heel anders. Dat staat niet haaks op elkaar, dit staat in het verlengde van elkaar. De profetische lijn is heel erg belangrijk. Ik geloof het volgende. Straks zal daar dezelfde aanduiding zijn. Daar zal een profeet zijn, een valse messias zijn, een antichrist zijn, de valse… Judas. Hij komt! En hij komt nu al naar voren. Hij manifesteert zich nu al; voor commercie is van alles te doen. Als de Here Jezus daar uit de tempel uitbant allen die kopen en verkopen, alle geldwisselaars, gooit hij er als het ware uit, tafels gooit Hij om; Hij wil niet dat er iets ingewisseld wordt, want bij inwisselen is altijd iemand de klos. Het práchtige van de Here Jezus, kán niet ingewisseld worden, kán niet omgeruild worden voor wat anders. Er is geen alternatief voor. Niets. Alleen het zuivere van de Here Jezus, het échte, dát is daar. Geen wisselaars, geen gesjoemel, geen commercie. Niets van dat alles. Geen wereldeconomie. Babel – u vindt het in het boek Openbaring – is verbonden met wereldeconomie, met schepen, met spullen, met ruilen, met koophandel, met cultuur, overal mee, ze hebben alles verruild; ze hebben van alles een wisseltruc gemaakt. Dat is wat mensen doen. Maar de Here Jezus wil dat niet. Straks komt er iemand die zich openbaren zal als de Christus, maar hij is het niet, hij is de antichrist. Hij zegt dat hij heel dichtbij is, dat hij zelfs wonderen doet; waarschijnlijk doet hij dat ook. Je mag ook rustig aannemen dat Judas wonderen heeft gedaan. Toen de discipelen waren uitgezonden, toen kwamen ze terug met een verhaal van: we hebben wonderen gedaan; in Uw naam hebben we demonen uitgeworpen en genezingen gedaan; we hebben van alles gedaan; wonderen. Wonderen, ook Judas heeft het gedaan. Maar Judas heeft zich laten ompraten. Is in de commerciële hoek terechtgekomen; in de wisselaarhoek terechtgekomen; in de verkoophoek terechtgekomen. Maar straks komt er zo iemand. Velen anti-christussen zijn nu al uitgegaan, maar dé antichrist komt nog. Maar als hij komt dan komt hij met gigantische goocheltrucs. En we zullen verbaasd staan over de wonderen en tekenen en over van alles wat er over ons heen gestort wordt. Soms heb je het gevoel: het lijkt alsof het al begint. Het is niet meer zo helder; het is vaag aan het worden. Ik weet niet meer waar precies het goede geluid, het zuivere van de Here Jezus nog te horen is. Judas. Hij komt er aan. Toen, ja toen. Straks de antichrist. En de antichrist heeft op sleeptouw in de toekomst, de Romeinse overheersers. Ja, toen waren dat mensen van Pilatus enzo. Maar in de toekomst is dat het Europese Rijk. Nu al zichtbaar, nu al aan blokvorming doende. Dat Europese Rijk dat zich echt op alle mogelijke manieren gaat bemoeien met het Midden Oosten. Dé oplossing zullen ze gaan aandragen en ze worden daar éven als helden binnengehaald, maar daarna zijn ze ook niet meer weg te krijgen. Zo ging het toen, toen de Romeinen daar voor het eerst kwamen. Ze hebben ze gevraagd om te komen en ze zijn gelijk gebleven. Ziet u dat spanningsveld van Openbaring 13, Openbaring 17? Ziet u dat beeld van Daniël 2, met voeten van ijzer en leem? Ziet u het niet dat het aan het komen is? Ziet u daar de tien koningen bij komen? Tien koningen die in de Psalmen allemaal genoemd worden, allemaal Islamitische staten rondom Israël; allemaal, stuk voor stuk. En ze gaan meedoen, ze gaan één uur met dat enorme gevaarte in zee; en ze willen óók macht, ze willen ook die invloed en ze zullen daar eens eventjes huishouden; ze gaan op een verschrikkelijke manier tekeer. Zal ik ze benoemen? Toen Pilatus de Romeinen vertegenwoordigde, vertegenwoordigde Herodus – de Edomiet – de tien koningen. Die wordt bij de tien koningen genoemd. Die hoort daarbij, bij dat hele spul. Alles komt bij elkaar hier, álles gaat samenballen; sámen, tégen die Ene. Je hebt dus die valse profeet die politiek meekrijgt, en de politiek niet alleen vanuit Europa maar ook nog van omliggende landen. En vervolgens zijn daar dienaren van de overpriesters en de schriftgeleerden bij, dat is het religieuze stelsel. Het religieuze leven, het godsdienstige spul. Ja, dat wordt zo. Dat wordt een heel gedoe. Want aan het politieke leven kleeft een enorm stuk etiquette van godsdienst. Er komt een hele godsdienstige beleving en godsdienstig gedoe op de Heilige Berg – de berg Moria – een heilige plaats zal een offerplaats zijn. Er zal ook een afgodsbeeld staan en ze moeten knielen voor dat beeld; ze moeten knielen en als ze niet knielen dan kun je niet meer kopen en dan kun je niet meer verkopen; dat is allemaal in die tijd. En al die dingen, die spannen samen en die gaan naar de Olijfberg. Want de duivel, die wil – als de grote souffleur – vertellen, dat je moet voorkomen dat Hij daar komt. En als Hij komt, gelijk arresteren, gelijk meenemen en afvoeren. De duivel gelooft de bijbel. Hij weet heel precies, dat als de Here Jezus komt, Hij daar komt. Niet op een andere plek. De Here Jezus komt uit de hemel. Waar komt Hij? Voor mij is het zó helder, zo zonneklaar, dat Hij op dezelfde vierkante meter terechtkomt dan waar Hij toen stond om te zeggen: “Ik Ben.” Of ik dat kan bewijzen? Nee. Maar bij God is zoveel orde, zoveel harmonie, dat ik met hele duidelijke zekerheid stel: dáár zal de Here Jezus, dán staan. Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg, oostelijk van Jeruzalem, en Hij zal Zichzelf openbaren: “Ik Ben!!!” Hij verschijnt in glorie en in heerlijkheid. Jahweh van het Oude Testament heeft een naam gekregen: Jezus; Here der heren, Koning der koningen. Alles deinst terug. Alles valt achterover. Niemand blijft overeind. Elke knie zal buigen, elke tong zal belijden dat Hij de Here is. Dat gaat dán gebeuren. Waar? Op de Olijfberg, oostelijk van Jeruzalem. Dáár zal de Here Jezus verschijnen, de aarde zal stralen, de gloriewagen van Ezechiël zal dan zichtbaar zijn. Voor Israël zegen, voor de volkeren oordeel. Alleen voor die, waar de beker der gramschap voor gedronken is, is er zegen. Maar als dat niet het geval is, dan zal de beker worden gegeven aan al die volkeren. Ik heb ze met jullie gelezen uit Jeremia 25: uit de Gazastrook, uit Jordanië, uit het Noorden, uit het Zuiden, rondom. Ze zullen allemaal die beker drinken; de beker van Gods toorn, de beker van Gods oordeel. Stel dat u nu naar de Olijfberg zou kunnen, stel dat u daar een kleine bijbelstudie zouden hebben (er is daar een heel mooi plekje waar je stil kunt zitten – het kost maar 25 euro om de portier om te kopen); dan zit je daar. Ik denk dat je met mij gaat zeggen: “Ik kniel neer, en ik aanbid U Heer, ik wil mij buigen voor U Here Jezus.” Wat daar is gebeurd is met geen pen te beschrijven. Wat daar zál gebeuren is ook met geen pen te beschrijven. En wie daar destijds was, is de Here der heren. En wie er straks zijn zal, is diezelfde Here der heren. Ziet u hoe hier een profetisch vergezicht wordt gegeven voor jou en voor mij, om ons nu tot aanbidding te brengen, om ons nu op de knieën te laten gaan en om ons te laten zeggen: “Here Jezus, dank U wel, dat U voor mij de beker wilde drinken.” Ik kan me ook niet voorstellen hoe ik het anders had moeten vertellen. Ik ben zo blij dat er twee beelden zijn, twee taferelen zijn: een Lukas beeld, als ik dat zo zeggen mag en een Johannes beeld. Het is dezelfde Heer, het is hetzelfde moment, het is dezelfde tuin; het is allemaal hetzelfde. Maar twee facetten. Ik heb vaker gezegd dat in die kerk die daar nu is, (een soort kathedraal gebouwd door een Italiaanse architect) die beide beelden ook zichtbaar zijn daar aan de binnenkant; alleen niemand heeft tijd, je mag er ook geen woord zeggen want stel je voor dat je daar over de Here Jezus begint – sorry hoor dat ik dit zo katterig zeg, maar dat is het wel vaak – maar daar vind je die beide kanten van dit bijzondere gebeuren. De Here Jezus, mij Heiland. Je zou Hem op de schouders willen nemen. Ik zou met Petrus willen zeggen: “Al zullen alle mensen wegrennen, ik blijf.” Maar ik durf niet zo goed, want ik heb Petrus ook leren kennen als een stuk van mijzelf. Niet altijd maar zo nu en dan tóch… Als jij je mond houdt is het eigenlijk hetzelfde! Ik wil niet zeggen dat ik altijd roep: “Ik ken Hem niet!”, ik denk niet dat ik dát ooit gezegd heb, tenminste ik kan me dat niet herinneren dat ik dat zelf zo expliciet zei. Maar Hem negeren, of jezelf een beetje verdekt opstellen… dat kan ik mij wel heel goed herinneren. Ik schaam mij daar voor. ‘k Heb volgende week zondagavond een dienst in Sidderburen; ik hoop dat u daar voor gaat bidden. Ik ben in Sidderburen naar school geweest, ik heb in Sidderburen de muziekvereniging meegemaakt, het kinderkoor, vriendjes, weet ik veel wat allemaal. En ik heb het niet zo goedgedaan vroeger. En nu hebben zij mij tot mijn stomme verbazing gevraagd om in een tent, een grote feesttent waar 1200 mensen in kunnen geloof ik; de hele week hebben ze daar feest, en zondagavond mag de kerk daar dan die tent gebruiken, want ja, het is toch geen feest meer en die tent wordt maandag pas afgebroken. Zo ongeveer gaat dat dan. En de kerk mag dan een spreker uitnodigen om iets te doen. Nou, dat doen ze al jaren en deze keer ben ik uitgenodigd. Ik was er zo blij mee! Ik wil ze vertellen wat ik allemaal niet goed gedaan heb. Ik wil belijden, ik wil zeggen dat ik de Here Jezus tóch van harte moet kennen en had moeten eren, had moeten dienen, maar ik heb het niet gedaan. En ik wil ook graag vertellen dat het veranderd is in mijn leven, dat het anders geworden is; dat ik Hem heb leren kennen en nu kan zeggen dat mijn toorn weg is, dat mijn beker leeggedronken is; niet door mijzelf maar door Hem die zei: “Vader, alleen als ik het tóch moet drinken, Uw wil geschiede!”. De Here Jezus leren. Kijkt u naar Gethsemane en u wordt inderdaad aangeraakt. Dat hoop ik ook, dat bidt ik ook, dat u aangeraakt wordt. Niet dat u zegt: “Het is zo slecht met mij!” Nou, het wás slecht met je, het was helemaal niet goed met je; het was misschien veel beroerder dan je dacht, maar de Here Jezus heeft dat allemaal voor God willen belijden, alsof het Zijn schuld, alsof het Zijn zonden waren. En nu is alles weggedaan. Álles. Je bent brandschoon in de Here Jezus. Het is helemaal weg! Hij heeft de beker helemaal leeggedronken. En toen Hij zei: “Het is volbracht”, toen was het echt over. Dus je bent in die zin gewoon te feliciteren! Maar besef dat het niet goed met je zat, mag ook betekenen dat het nu super is door het geloof in Hem. En als jij je dan realiseert dat niemand minder dan Hij, dáár – Hij die kon zeggen: “Ik Ben!” en alles deinst achterover – dat Hij voor jou die prut ging oplossen en die zonde ging belijden alsof het Zijn schuld en Zijn zonden waren, dat Hij dat deed, dat maakt alles anders. “Here Jezus, U bent geweldig! Ik wil U prijzen Heer, Ik wil U eren, ik wil U aanbidden.” De Here Jezus geeft die mensen die achterover vielen gelegenheid om weer overeind te krabbelen. Dat is ook gebeurd. Vraagt nog een keer: “Wie zoekt u?” “Jezus…”. Ik denk dat het geluid wat minder was, wat gedimd was. En dan zegt de Here Jezus: “Als u dan Mij zoekt, laat dan dezen heengaan.” Mooi hé? Die anderen mogen weg. Die anderen hoeven die beker niet te drinken. Zie jij jezelf niet? “Jij mag weggaan, Ik doe het wel voor je Dato!” Dat gebeurde toen. Jij hoeft het niet te doen. Ik heb het voor jou gedaan. En de Here Jezus is niet gearresteerd omdat er zo’n gigantische horde naar Hem toe kwam met zwaarden en stokken en wapens en knuppels, nee, één woord van Hem en ze liggen achterover. Twaalf legioenen engelen had Hij erbij kunnen roepen. Maar dat is niet eens nodig, want alleen zijn woord… En als u Openbaring 19 leest, hoe Hij uit de hemel komt, Hij zal Zijn naam noemen en alles ligt plat. Dat komt nog. Maar toen heeft de Here Jezus Zich vrijwillig overgegeven. Dat blijkt. Hij heeft Zijn handen uitgestrekt en heeft Zich laten boeien en heeft Zich laten wegleiden. Zo kwam Hij bij Annas. Nou, dat geklungel bij die hogepriester, daar zijn allerlei theorieën over; ik zal u daar niet mee vermoeien. Maar Annas zou zijn afgezet door de Romeinse bezetter, omdat hij op de een of andere manier niet deugde. Zijn schoonzoon Kajafas was aan de beurt. Hoe dat kan laat ik ook maar even los, want dat zou altijd een zoon moeten zijn; een schoonzoon kon in die zin nooit aan de beurt komen. Er zijn hele verhalen over, maar dat laat ik u echt zélf uitzoeken. Als u daarin wilt duiken doe dat maar een keer; je wordt er niet vrolijk van. Feit is dat Annas, de oude hogepriester, kennelijk heel veel invloed had. En Kajafas heeft op hetzelfde moment het Sanhedrin bij elkaar getrommeld, dus die moest ook wat doen. En toen dat zo’n beetje bij elkaar was, toen is de Here Jezus van Annas naar Kajafas getransporteerd. Er moest een soort zitting zijn van twee dagen, twee achtereenvolgende dagen. En dat is ook niet gelukt. Het is allemaal zo krom als een hoepel geweest daar. Bijna dat de Bijbel zegt in het boek Jesaja 18: “rechtsverkrachting in plaats van rechtsbetrachting”. Ze hebben Hem bespuwd. Ze hebben Hem geblinddoekt. Ze hebben tegen Hem gezegd: “Profeteer, wie is het die U geslagen heeft?” Alsof Hij dat niet kon. Ze hebben met Hem gesold. Ze hebben Hem daarna bij Kajafas gebracht. Kajafas heeft een schijn, een schertsvertoning opgevoerd. Er is een veroordeling gekomen: “Hij is des doods schuldig.” Hoe? Omdat Hij zei: “Ik Ben de Mensenzoon.” Hij, de Here Jezus, noemde Zich de Mensenzoon. Dat is een titel uit Daniël 7, en die titel die duidt erop dat die Man, die Mensenzoon is of zou zijn, dat Hij ook álle macht zou hebben; dat Hij uit de handen van de Oude van Dagen, alle macht zou krijgen; dat Hij zou gaan heersen; niemand is groter dan Hij, de Mensenzoon. En de Here Jezus die zei: “Ik Ben dat!” Die hogepriester zegt: “Dán moet Hij God zijn!” Nou, dat klopt, die conclusie was volstrekt legaal. Ja, maar dat kon niet want dat geloofde hij niet, dús scheurde hij zijn kleren. Of dat de hogepriesterlijke kleren waren, weet ook niemand. Als dat zo is, is dat een schande! Dan heeft hij dat wat God gegeven heeft, kapot gescheurd. Dat had hij al gedaan door er zo’n kromme rechtsgang in te zetten. De Here Jezus… Hij wordt bespuwd, Hij wordt geslagen. Ze hebben Hem daar in het gevang gestopt. Petrus heeft in de tussentijd gezegd dat hij Hem niet kende. Gelukkig weende hij, Petrus. Er is nu een kerk op die plek: Petruscandicantous heet die kerk; mooie naam. De haan kraait, Petrus heeft geweend. De kerk van het hanengekraai. Allen die daar ooit geweest zijn hebben die prachtige mozaïekkunst gezien daar; echte hele mooie – als je dan toch een mooie kerk wilt zien, dat is er eentje. Maar één van die schilderijen die echt opvalt is dat de Here Jezus daar staat en dat boven Hem een Vader is, een Vaderfiguur die Zijn handen voor Zijn ogen doet, alsof Hij het niet kan aanzien. Je kunt wel janken als je dat ziet. “Ja, Vader, zo was het; ze hebben daar met Uw Zoon gesold; ze hebben met Hem, Uw Geliefde, Uw welgevallen, gedaan wat ze zelf wilden, maar U kon het feitelijk niet aanzien. Het is voor U vreselijk geweest.” Hij stond écht alleen. Daar is een kerker helemaal onderin. Een trapje naar beneden en nóg dieper, nog dieper. Je komt daar op een plek waarvan men zegt dat dit de plek is waar de Here Jezus de rest van die uren heeft doorgebracht. Een soort hol waar je dan kunt staan en dat is het dan ook ongeveer. Het is authentiek. De meeste vierkante meters zijn niet precies te duiden, maar deze vierkante meters zijn heel precies te duiden. Pilatus. Ik kan dit het beste zeggen – ik kan niet meer zoveel tijd aan u vragen, maar ik kan dit het best zeggen -: Probeert u het eens in de geschiedenis van Jozef uit het Oude Testament te lezen. Wie verwierpen hem het eerst? De broers. Wie verwierpen hem daarna? De heidenen. Potifar en de hele horde daar om heen. De Here Jezus, eerst door de Jood verworpen daarna door de heiden die notabene zegt: “Ik vind geen schuld in Hem; er moet met Hem toch iets bijzonders aan de hand zijn.” Ik wil niet zeggen dat Pilatus bewust Hem veroordeelde, maar was zo slap dat hij zich liet omkopen – wisselaars – hij liet zich omkopen om toch een veroordeling uit te spreken. Hij weet nog een handigheidje te bedenken door Barabbas daar naast Hem te zetten. Barabbas betekent: Zoon van de vader. Hoe is het mogelijk! Barabbas is een rover en heeft in een oproer een moord begaan, zegt de bijbel. Een oproerkraaier, een moordenaar en een rover. Dat zijn precies de kwalificaties, die de bijbel zegt, van de satan. Hij is in opstand gekomen, oproer. Hij rooft, hij klauwt. En hij wil doden. Daar staan ze, naast elkaar. En ze hebben geroepen: “Barabbas maar!” Dat is zó dramatisch! Dáárom zitten ze nu nog tweeduizend jaar zonder! Ik weet niet of ik de schuldvraag moet behandelen. De schuld is weg, want de Here Jezus heeft gezegd: “Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen!” En dat laat ik ook zo. Ik kan niet zeggen dat de schuld er nog is; ik kan wel zeggen dat de gevolgen van hun keuzen er nog steeds zijn. En als je naar het volk kijkt, vandaag, dan denk je: “O, o! Jullie kozen voor Barabbas, jullie weg is één compleet lijden geworden; een rover, een oproerige opstandige, en een moordenaar is jullie leidsman geworden; daar zit je nu al tweeduizend jaar mee, vrijwel.” De Here heeft ze vergeven. Er is dus een oplossing, er is vergeving! De gevolgen… Kijk, u en mijn zonden worden vergeven; de gevolgen van de zonden blijven soms zitten. Als u zich een ziekte drinkt bijvoorbeeld, uw lever is aangetast, dan kunt u zeggen: “dat had niet zo gemoeten”. Dan wil de Here Jezus die zonde vergeven, maar ik wil niet zeggen dat de lever altijd op hetzelfde moment weer tot herstel gekomen is. De gevolgen van de zonden zijn er. En zo is het me alle zonden. God wil je vergeven. Ik ontmoette een man in Suriname, ik dacht dat hij bij acht vrouwen kinderen had en hij woonde nu samen – was niet getrouwd – met een negende. Hij kwam nu tot bekering. Nou, dat is heel makkelijk, in kerkelijke kring, ja je moet gaan trouwen. Ja, maar met wie dan? Ik bedoel, het probleem is niet één twee drie opgelost. Maar het gaat me hier om: bijna op elke hoek van de straat kwam hij de gevolgen van zijn leven tegen en dat was voor hem geen plus, dat was voor hem een duidelijke min. Hij kwam altijd de kinderen tegen. Ik hoop dat u mij begrijpt. De Here Jezus heeft gebeden: “Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.” Dat is de absolute de basis voor vergeving. Maar de gevolgen van wat ze toen deden, dat voelen ze nog steeds. Ze kunnen er echt door heen komen, ze kunnen tot bekering komen. En het is zó fantastisch als je mensen ontmoet uit die joodse kringen die nu de Here Jezus kennen; Messiasbelijdende joden. De eerste was natuurlijk Paulus, of Petrus, of Jacobus en Johannes en die drieduizend en daarna. Dat ging maar door, maar nu nog! En die mensen getuigen zo van de Here Jezus. En die zien ook de schuld bij dat volk. Niet dat er geen vergeving is voor dat volk, maar dat ze nog steeds gebukt gaan onder de lasten van toen. Zodra ze de Here Jezus leren kennen en Hem aannemen, is de beker niet meer voor hen!
Ik hoop dat dit duidelijk is, en dat u hier in Johannes 18 de profetische lijn ziet die we ingezet hebben vanaf hoofdstuk 1 en dat u opnieuw gaat ontdekken dat er zulke prachtige lijnen liggen ook naar de toekomst. Maar op hetzelfde moment zóveel moois over de Here Jezus te vinden is, dat u misschien wel eens door de knieën mag gaan en zegt: “Here Jezus, ik wil U bedanken.” En ik weet niet hoe u dat gewend bent te doen maar sommigen gaan dan staan met handen omhoog, anderen gaan liggen languit op de grond in de kerk; dat bent u ook niet gewend misschien, maar ik zie het wel eens. Ja, u vind het vreemd, het maakt niet uit hóé u het doet. Ik vraag ook niet hoe u het wilt doen, maar ik vraag u of u het alstublieft wilt doen. Niet hoe, maar óf u het wilt doen. Zou u de Here Jezus willen bedanken? En zou u tegen Hem willen zeggen: “Here Jezus, ik kies opnieuw voor U.” Misschien al járen terug gelovig geworden, maar nu: “Here Jezus, ik kies opnieuw voor U. U bent mijn Heer. U bent aan het kruis voor mij gestorven. U hebt het werk volbracht Here Jezus, ik hou van U.”
Ik wil graag bidden. Misschien wilt u wel meebidden:
Here Jezus, we willen U bedanken dat U daar in de hof van Gethsemane stond. Maar ook dat U op dat zelfde plekje geknield lag, smekend of die beker U voorbij zou kunnen gaan. Here Jezus, U bent nu in de glorie. U komt terug op de Olijfberg. En alle elementen van toen zullen er dan zijn. En nu zijn wij hier, in deze dienst, we knielen voor U Here Jezus, en we willen U erkennen als Heer. We willen U zeggen dat U de Zoon des Vaders bent. Niet een róver. Het omgekeerde van een rover! Wat U niet geroofd had, gaf U toch terug! Dat staat er van U. Het omgekeerde van een opstandige: “Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede Vader, Ik wil die beker drinken; als U die Mij te drinken geeft, dan doe ik dat!” Geen opstand. Geen rebellie. En geen moordenaar. U gaf Uw leven voor mij, Here Jezus. Het omgekeerde van een moordenaar. U gaf Uw eigen leven om mij voor altijd gelukkig te maken. U bent voor mij de Zoon des Vaders. Ik kies voor U Here Jezus, vanavond, opnieuw. Dank U voor wie U bent. Dank U voor Uw oneindige goedheid. Voor Uw Glorie. Voor Uw wezen. Voor Uw heerlijkheid. En we willen U zo graag zien Here Jezus. We willen U zo graag ontmoeten, Here Jezus. Door de Heilige Geest wilt U ons leiden, wilt U ons op Uzelf laten kijken, naar Uzelf gericht laten zijn, dat we bidden in Uw eigen naam. Zegen ons zo ieder die hier is. Laat ons hart vol zijn van U en van Uw glorie. Amen!”