Via Dolorosa

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

21. Via Dolorosa.

Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis,
02 oktober 2005
Johannes 19 vers 1 – 42
1]Toen nam dan Pilatus Jezus en liet Hem geselen.
2] En de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen kleed om,
3] en zij traden op Hem toe en zeiden: Gegroet, Koning der Joden! En zij gaven Hem slagen in het gelaat.
4] En Pilatus kwam wederom naar buiten en zeide tot hen: Zie ik breng Hem voor u naar buiten, opdat gij weet, dat ik geen schuld in Hem vind.
5] Jezus dan kwam naar buiten met de doornenkroon en het purperen kleed. En Pilatus zeide tot hen: Zie de mens!
6] Toen dan de overpriesters en hun dienaars Hem zagen, schreeuwden zij en zeiden: Kruisigen, kruisigen! Pilatus zeide tot hen: Neemt gij Hem en kruisigt Hem: want ik vind geen schuld in Hem.
7] De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.
8] Toen Pilatus dan dit woord hoorde,
9] werd hij nog meer bevreesd, en hij ging weder het gerechtsgebouw binnen en zeide tot Jezus: Waar zijt Gij vandaan? Maar Jezus gaf hem geen antwoord. Pilatus dan zeide tot Hem:
10] Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen?
11] Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware: daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde.
12] Van toen af trachtte Pilatus Hem los te laten, maar de Joden schreeuwden en zeiden: Indien gij deze loslaat, zijt gij geen vriend van de keizer; een ieder, die zich koning maakt, verzet zich tegen de keizer.
13] Pilatus dan hoorde deze woorden en hij liet Jezus naar buiten brengen en zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Litostrotos, in het Hebreeuws Gabbata.
14] En het was Voorbereiding voor het Pascha, ongeveer het zesde uur, en hij zeide tot de Joden: Zie, uw koning!
15] Zij dan schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem! Pilatus zeide tot hen: Moet ik uw koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, alleen de keizer!
16] Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden. Zij dan namen Jezus, en Hij, zelf zijn kruis dragende,
17] ging naar de zogenaamde Schedelplaats, in het Hebreeuws genaamd Golgota,
18] waar zij Hem kruisigden en met Hem twee anderen, aan weerszijden één, en Jezus in het midden.
19] En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven: Jezus, de Nazoreeër, de Koning der Joden.
20] Dit opschrift dan lazen vele der Joden, want de plaats, waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad, en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks.
21] De overpriesters der Joden dan zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.
22] Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.
23] Toen dan de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen zij zijn klederen en maakten daarvan vier delen, voor iedere soldaat één deel, en zijn onderkleed. Dit kleed nu was zonder naad, aan één stuk geweven.
24] Zij zeiden dan tot elkander: Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten, voor wie het zijn zal; zodat het schriftwoord vervuld werd: Zij hebben mijn klederen onder elkander verdeeld en over mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de soldaten gedaan.
25] En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Klopas en Maria van Magdala.
26] Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande, zeide Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.
27] Daarna zeide Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis.
28] Hierna zeide Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden: Mij dorst! Er stond een kruik vol zure wijn;
29] zij staken dan een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond.
30] Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf zijn geest over
staat er letterlijk (gaf de geest, staat hier).
31] De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op de sabbat aan het kruis mochten blijven – want de dag van die sabbat was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden.
Nou, bij de Here Jezus gebeurt dit niet.
37] En weder zegt een ander schriftwoord: Zij zullen zien op Hem, die zij doorstoken hebben / die doorstoken werd.
38] En daarna vroeg Jozef van Arimatea, een discipel van Jezus, maar in het verborgen uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij kwam dan en nam zijn lichaam weg.
39] En ook kwam Nikodemus, die de eerste maal des nachts tot Hem gekomen was, en hij bracht een mengsel mede van mirre en aloë, ongeveer honderd pond.
40] Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen windsels met de specerijen, zoals het bij de Joden gebruikelijk is te begraven.
41] En er was ter plaatse, waar Hij gekruisigd was, een hof en in die hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet;
42] daar dan legden zij Jezus neder wegens de Voorbereiding der Joden, omdat het graf dichtbij was.
We houden ons vanavond bezig met die enorme moeilijke weg die wij misschien wel kennen als de Via Dolorosa. Daar is een lied van. Dat lied staat niet in een bundel, maar er is er wel één. Ik heb het meegenomen, of gevraagd om het mee te laten nemen. En het cd’tje wordt aangezet om u in elk geval met de tekst van dat lied kennis te laten maken. Het lied heet dus “Via Dolorosa”, “de weg van lijden”, “of de lijdensweg”
Down the Via Dolorosa, in Jerusalem that day,
the soldiers tried to clear the narrow street.
But the crowd pressed in to see the man condemned to die on Calvary.
He was bleeding from the beating, there where stripes upon His back,
and He wore a crown of thorns upon His head.
And He bore with every step the scorn of those who cried out for His death.
Down the Via Dolorosa all the way to Calvary,
like a Lam came the Messiah Christ the King!
But He choose to walk that road out of His love, for you and me;
Down the Via Dolorosa all the way, to Calvary.
The blood that was bled, the source of all men, made its way to the heart of Jerusalem
Down the Via Dolorosa, all the way, to Calvary
like a Lam came the Messiah Christ the King!
But He choose to walk that road out of His love, for you and me.
Het is een lied over die lijdensweg die daar nu nog steeds in Jeruzalem te vinden is. Een plek vanaf de plaats waar Herodus de doornenkroon op Zijn hoofd liet zetten, tot aan de plaats waar Hij gekruisigd is. De rooms-katholieke traditie heeft 14 stopplaatsen, staties bedacht. En die 14 staties vindt u in elke rooms-katholieke kerk terug. We hebben daar wat moeite mee misschien, omdat we niet in die traditie zijn opgegroeid; en we vinden dat dit een beetje hoort bij de beelden van vroeger. Dat is natuurlijk ook zo. De andere kant van de medaille is, dat in heel veel protestantse kerken, reformatorische kerken en evangelische groepen, nauwelijks nog iets te zien is van die lijdensweg. En dat zou heel goed zijn, als wij allen onder de indruk zouden komen van de weg die de Here Jezus destijds is gegaan. Het was voorzegd. “God zal Zichzelf een Lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon:” zo zei Abraham het tegen Izaäk. En die uitdrukking “God zal voorzien” is al vaker een onderwerp van studie geweest, van samenkomst geweest. En we hebben toen gezegd dat de Here, Jahweh, voorziet. Dat is niet één keer gebeurd, maar dat ís de Here; zo ís onze Here. Hij voorziet. En Hij zal voorzien in een Lam. Toen ontsprong Izaäk de dans, om dat zo te zeggen; hij hoefde niet te sterven. Er was voor hem een ram in de verwarde struiken. Maar die Ene, die later kwam, waarvan Johannes de Doper zei: “Daar heb je het Lam van God, Zie het Lam Gods!”, dat is een profetische vergezicht geweest van enorme omvang. Om die reden wordt Johannes de Doper de grootste van alle profeten genoemd. Verdere profetie van Johannes vindt u niet; er is helemaal geen profetie van Johannes. En de Here Jezus noemt hem de grootste van alle profeten. Hij zag Hem. En dat Lam van God zou naar de slachtbank gaan. Dat Lam van God zou naar het altaar gaan. Dat Lam van God, de Here Jezus, ging. God zou voorzien. Dat is die prachtige uitdrukking uit Genesis 22 waar staat dat Jahweh Jiräh is, “de Here voorziet”. De tweede uitdrukking die daar eigenlijk onmiddellijk aan vastzit, de tweede keer dat iets van Jahweh, iets van de HERE, iets van de Ik Ben aan een koppelwoord vastzit, is in Exodus 15 waar Jahweh Rofi heet: De Here is Heelmeester. En wanneer wordt dat gezegd? Als Mozes bij het bittere water is, er niet te drinken valt, een hout moet worden aangewezen; en de Here wijst dan een hout aan. En op dat moment moet Mozes niet een stuk hout, maar dát stuk hout in het water gooien, en op dat moment is het bittere water zoet. De Here is Heelmeester. Twee dingen: De Here zal voorzien en de Here is Heelmeester. De Here zal Zichzelf een Lam voorzien en de Here gaat helen, gaat Heelmeester zijn door het hout. Dat zijn geen toevalligheden. Er is heel precies voorzegd hoe dit zou gaan gebeuren. Hele horden uit Israël willen niet geloven dat de Messias een Lijdende Knecht van God is. Dat is voor hen niet te accepteren. Ze willen een Koning. Ze willen iemand die gezag heeft. Ze willen iemand die de vijand eruit stuurt. Ze willen iemand die met de vuist op tafel slaat en die orde op zaken brengt. Ze willen niet Iemand die aan een kruis gestorven is. En als u Messiasbelijdende Joden vraagt hoe ze tot geloof gekomen zijn, dan krijg je in negen van de tien gevallen een antwoord: uit Jesaja 53, waar de Knecht van God gekoppeld is aan de het altaar. De Lijdende Knecht des Heren. Waar de Knecht van God in Jesaja 50 striemen op Zijn rug heeft. Pilatus dan – zo begint ons hoofdstuk – liet Hem geselen. En waar vervolgens die Zelfde Knecht van God naar de slachtbank gaat. En als joodse mannen en vrouwen, deze profetie zien en geloven, dan kunnen ze ook geloven dat de Here Jezus de Messias is, omdat Hij Zich zo naar een slachtbank liet voeren. Alsof het een Lam was. Bovendien hebben we in het Oude Testament het beeld van het Pascha, want ons Pascha – Christus – is geslacht. Ook daar een Lam. En ook daar geslacht. Ook daar bloed gevloeid. Ook daar een geweldige zegen verspreidt. De Here Jezus heeft die prijs willen betalen. Dat is Hem niet overkomen; toevallig. Want de bijbel zegt dat er een Lam voorzien is vóór de grondlegging van de wereld! Dat gaat heel ver. Vóór er iets bestond aan stofdelen was er al gesproken over een Lam. En dat Lam van God, de Here Jezus Christus is gekomen. Daarom is Hij mens geworden. Daarom is Hij hier op aarde geweest. Daarom is Hij niet in een soort engelgestalte hierboven gaan zweven met enorme kracht met enorme zeggingskracht ook, met enorme uitstraling. Denkt u maar aan wat engelen kunnen doen: in één nacht 185.000 man verslaan. Daarom is de Here Jezus in alle zwakheid, in de moederschoot van Maria geweest en in alle zwakheid in Bethlehem geboren; en in alle zwakheid in Nazareth opgegroeid waarvan men zei “daar komt niets goeds vandaan”. Dat is de Here Jezus. Dat is onze Heiland. Dat is mijn Heiland. En het wonder in mijn leven is geweest, dat ik de Here Jezus leerde kennen als Degene die voor mij hier op aarde wilde komen; die dat God gelijk zijn, niet als roofgoed heeft geacht. De duivel, díe wilde God gelijk zijn. Dát was voor hem roofgoed, dat was voor hem het ultieme: aan God gelijk zijn! En hij klauterde en hij duwde en hij werkte en hij bewerkte dat hij daar op die troon zou komen; dat was roofgoed voor hem. Maar voor onze Here Jezus niet. Die heeft dat God gelijk zijn niet als roofgoed geacht; Hij wás God gelijk, dat hád Hij. Dat was niet een ultiem verlangen om nog eens een keer zo ver te komen, Hij wás daar! De Here Jezus is in de gestalte van een slaaf gezet. Misschien kent u die uitdrukking uit Filippenzen 2, dat Hij, in de gestalte van God zijnde, het geen roof geacht heeft God gelijk te ze zijn. Roofgoed heeft geacht, in de gestalte van God. Daar is het Griekse woord “morphé” gebruikt. En het woord “morphé” betekent niet: Hij líjkt erop (in de gestalte van God) maar Hij heeft de wezenlijke eigenschappen van. En Hij lijkt er niet alleen op, Hij is het helemaal! Hij heeft álle, álle kenmerkende dingen van God in Zich. Maar Hij is ook in de gestalte van een slaaf gekomen. En daar is hetzelfde woord gebruikt. Hij léék niet op een slaaf, Hij wás het ook echt. Hij had alle kenmerken van een slaaf. De Here Jezus. Hij heeft zó Zijn leven willen geven en heeft zo dat geweldige werk willen volbrengen. De Here Jezus, onze Heiland, onze Verlosser. Hij heeft het voor mij, heel persoonlijk voor mij, willen doen. En ik vind het een geweldig iets dat ik de Here Jezus heb mogen leren kennen. Ik heb toen ook niet alles overzien. Ik wist alleen dat ik hopeloos verloren zou gaan als ik Hem niet kende. Je gelooft dat, je neemt dat aan en je mag gaan geloven in het volbrachte werk van een Heiland der wereld en op dat moment is alles anders en dan verlang je er achter te komen Wie Hij is. Een paar dagen terug stond in de krant: station – ik dacht dat het Naarden was – een vrouw wilde zich voor de trein werpen; een meneer heeft dat gezien, springt op de rail, gooit haar eraf – die mevrouw is slechts licht gewond – en hij, die man, komt om. Ik weet niet hoe dat verder gaat. Maar ik kan me voorstellen dat de familie en die mevrouw zelf zullen zeggen: “Wat bezielde die man? Wat motiveerde hem?” En stel dat u in een brandend huis zit en u zou gegarandeerd in de vlammen omkomen; en de Here Jezus komt op het allerlaatste moment het huis binnenstormen, gooit u naar buiten, redt u en komt in diezelfde vlammenzee om. Gaat u dan niet vragen: “Wat bezielde Hem? Wat kenmerkte Hem? Wat is er met Hem aan de hand?” Ga je dan niet vragen: “Here Jezus, Wie bent U toch?” Ik hoop dat je zo wilt kijken naar de Here Jezus. En dat je Hem wilt volgen op deze weg. Elk detail is verschillend en het is ondenkbaar om elk stukje van die lijdensweg te behandelen. Maar u ziet Hem hier staat. Hij wordt door Pilatus gegeseld. Ik weet niet of u de film “The Passion of the Christ” gezien hebt. Ik heb hem wel gezien. Sommige zeggen: “het is geen goede film”, anderen zeggen: “het is een hele goede film”. Laat dat maar los. Het bloederige, het vreselijke, het lijdensaspect komt héél zwaar naar voren. Heel duidelijk. Daar schrik je van. Soms is het te bloederig en denk je: “nou, misschien is het wel wat overdone.” Hoe dan ook, Hij is gegeseld; ze hebben Hem geslagen; en ze hebben Zijn rug opengereten. En de psalmen zeiden al dat er voren op Zijn rug werden geploegd. Een hele bijzondere uitdrukking. Alsof er een ploeg zou gaan over Zijn rug, waardoor er een soort geul ontstond, weet je wel. Voren op Zijn rug. En de Knecht van God, die in Jesaja zo prachtig omschreven wordt, heeft striemen, heeft slagen, heeft puisten, heeft wonden, heeft uiteindelijk een slachtbank gekregen waar Hij geofferd werd. De Here Jezus. En Pilatus heeft, nadat hij Hem gekruisigd heeft, heeft geroepen: “Zie de Mens.” Wat hij daar precies mee bedoeld heeft? Misschien wel gewoon: “Nou, daar heb je Hem.” Maar die woorden “Zie de Mens” die zijn blijven hangen. Ook in het huis wat u nu vindt daar aan de Via Dolorosa, waar u nog steeds die stenen kunt vinden waar destijds de bespotting is geweest. Of ze nou altijd op die plek gelegen hebben, of dat anderen die stenen daar hebben neergelegd – eeuwige discussie denk ik. Maar het gaat niet om die vierkante meter, het gaat erom dat je op een bepaald moment onder de indruk komt van wat er met Hem, onze Here Jezus is gebeurd. Wat ze met Hem gedaan hebben. Hoe ze Hem daar hebben behandeld en Hem hebben gekruisigd en ja, bespot en geslagen. Ik was daar met een groep toeristen; een beetje facultatief zoals dat heet. Het stond wel op het lijstje maar toen we er waren was dat huis gesloten en toen hadden we nog een halve dag over. En toen heb ik gezegd: “Wie wil die gaat alsnog mee.” We zijn geweest. Ik denk 15 mensen. Ik heb daar verteld van de Here Jezus. Ik was nog niet uitgesproken of een meneer begon te huilen! En hij begon luid en duidelijk de Here te bedanken voor dat wat Hij voor hem had willen doen. Toen hij begon te huilen en begon te spreken, begon zijn vrouw ook te huilen, want die had die man nog nooit horen bidden; nog nóóit. Hij had nog nooit hardop een woord over de Here Jezus gezegd. Hij had zich nog nooit geuit van ‘Ik ben ook een kind van God”. Je Kunt je voorstellen dat die vrouw ook helemaal onderuit ging op dat moment. Heel emotioneel. Ineens iemand tot bekering gekomen. Daar. En het is echt waar geweest. Een maand later loop ik ergens in Nederland in avondbespreking – zo’n avond als deze – en er komt iemand naar mij toe die zegt: “Weet je nog van dat moment, daar, dat huis, van “zie de mens”?” “Ja, dat vergeet ik niet weer.” “Weet je dat er nog iemand tot bekering gekomen is?” Ik zei:”Nee, dat weet ik niet. Wie dan?” “Ik” zei hij. En ik durfde daar niets van te zeggen; ik zat op slot, zat helemaal op slot, zei niets. “En nu wil ik daar naartoe, om alsnog te vertellen dat ik daar tot bekering ben gekomen.” Ik zei: “Je hebt een dure bekering!” Hij moest weer een ticket kopen, maar hij is wél gegaan! Ik wil alleen maar zeggen, lieve broeder en zuster, als jij je écht confronteert met dat wat daar is gebeurd, dan ráákt het je. “Raakt het u niet, gij allen die voorbij gaat?”, zo staat er in Klaagliederen. Is er een smart gelijk deze smart? Kun je dat, kun je dat peilen? Raakt het u dan niet, dat Hij, de Mensenzoon, de Koning der koningen, de Here der heren, de Schepper van het heelal, Hij die de engelen stuurt, en Hij die beveelt en Hij die álles is voor God, het centrum is van Zijn wil, het centrum is van Zijn plannen… dat Hij hier op aarde zó behandeld werd? Nou, Pilatus heeft ware woorden gezegd, want wat daar stond, dat hadden mensen gedaan: “Zie de Mens”. Kun je nagaan waartoe de mens in staat is. Ze kunnen de Mensenzoon geselen; ze kunnen Hem slaan, ze kunnen Hem verachten, ze kunnen Hem vreselijk behandelen; minachten in elk opzicht. Zie de Mens. Daarom zongen we dat eerste lied – Jaap gaf het op: 509 – Zie de Mens. Kijk maar eens wat daar is gebeurd, zie dan of er een smart is gelijk die smart. De Joden hebben zo’n gigantische haat, dat ze één ding willen, en dat is Hem weg krijgen! Hij moet weg, Hij moet gekruisigd. En als Pilatus zegt: “Ik zal Hem loslaten, ik vind geen schuld in Hem”, “Ja, maar Hij heeft Zichzelf God gelijk gemaakt!” Weer zo’n vraag waar Pilatus niets mee kan. Hij gaat weer naar binnen, nog een keer, nog een verhoor. De Here Jezus antwoordt niet meer. “Weet U niet dat ik macht heb om U los te laten?” Dan antwoordt de Here Jezus wel: “Dat heb je niet! Dat heb Ikzelf.” En dat zijn hele bijzondere momenten, dat de Here Jezus ook toen, op dat moment, met bebloede rug, geselslagen al verdragen, dat Hij toch zegt: “Ik heb alle macht en jij niet! U zou geen macht hebben als het u niet van boven gegeven was.” En Degene die alle macht had, stond daar voor hem. Maar Hij deed het vrijwillig. Hij wilde jou redden. Hij wilde jou verlossen. Hij wilde jou blij maken. Hij wilde voor jouw schuld en voor jouw zonde dit werk tot het einde toe volbrengen. Dat is de Here Jezus. De Here Jezus. Pilatus weet zich geen raad, wringt zich in allerlei bochten. Gaat uiteindelijk buiten de rechtszaal dan maar een beetje handen wassen op die rechterstoel, op dat plaveisel (“Gabbata”= plaveisel, stenen). En daar heeft hij dan toch een vonnis geveld van “Nou, toe dan maar”. En de Here Jezus wordt weggeleid. Over Simon van Syrene staat hier niets. Er staat hier niets over dat Hij bukte of dat Hij viel of dat het Hem te zwaar was. Zoals met alle dingen in het Johannes Evangelie, blijft Hij God, de Zoon. En Hij wordt naar het kruis geleid en daar hebben ze Hem aan een paal gehangen. Jezus in het midden. De Here Jezus op Golgotha, schedelplaats, buiten de legerplaats. Het is u bekend, maar ik wil het tóch kwijt, dat als er onreinheid was, mensen buiten de legerplaats terechtkwamen. Als er verkeerdheid was in je eigen lichaam – nou ja, verkeerdheid… – uitwerpselen waren die weg moesten, dan moesten die uitwerpselen buiten de legerplaats worden gedeponeerd. Het ontzondigingswater waarvan u leest in het boek Numeri hoofdstuk 19, werd buiten de legerplaats bewaard. Het schuldoffer werd buiten de legerplaats verbrand. Het zondoffer werd buiten de legerplaats verbrand. En de Hebreeënbrief zegt: “Daarom heeft ook Jezus buiten de poort geleden.” Geen toevalligheid omdat de Romeinen nu eenmaal een executieplaats hadden die toevallig net buiten Jeruzalem lag! Nee, omdat God in Zijn regie alles in Zijn hand heeft. En omdat elke profetie invulling krijgt. Omdat God geen enkel woord ter aarde laat vallen. Daarom is de Here Jezus buiten de poort gaan lijden en heeft Hij buiten de poort dat werk willen doen. De soldaten hebben Zijn kleren verdeeld. Je kent de geschiedenis. De woorden zijn u zó vertrouwd, ze zijn misschien zó vaak gelezen in de lijdenstijd vlak voor Pasen. En u weet dat ze die vier porties van Zijn kleren – wat er dan nog van over zou zijn, dat kan bijna niets zijn – en dat ene kleed hebben ze dan toch verloot onder elkaar. Nu kun je zeggen: “Dat hebben de soldaten gedaan.” Ja, inderdaad, dit staat er opdat de Schrift ook inhoud heeft. Omdat duidelijk wordt, dat wat gezegd werd, ook echt gebeurd. Als de Here Jezus zegt: “Mij dorst”, opdat de Schrift vervuld zou worden, dan kunt u zeggen: “Ja, Hij kende de Bijbel, dús zei Hij “Mij dorst”, dat moest nog even gebeuren!” Dit soort kritiek ken ik een beetje uit mijn eigen hart, dat komt een keer op he. Maar als je hier leest dat soldaten deden wat de Schrift gezegd heeft, nou, die kenden de Schrift niet! En die deden ook wat de Schrift zei. Omdat God dat had gezegd. De soldaten hebben Hem op een vreselijke manier behandeld. Dat hebben de soldaten gedaan. En de Here Jezus heeft daar gehangen. In mijn plaats, met mijn schuld beladen, met mijn ongerechtigheid. En Hij heeft in die drie uren van donkerheid mijn zonden stuk voor stuk voor God beleden. Nou ik weet niet hoeveel schuld ik heb. Ik heb geen flauw benul; dat is gigantisch. En wat ik wist heb ik beleden, heb ik aan God gezegd. En ik mocht gaan geloven in Hem, die ál mijn zonden voor God beleden heeft. En we komen ook niet in de hemel omdat wíj onze zonden belijden, we komen in de hemel omdat Híj onze zonden heeft beleden! En alle, álle, álle mijne zonden, heeft Zijn zoenbloed weggedaan. Ik zou er nooit achter komen, hoe hoog de schuld is. Ik zou niet weten hoeveel zonden ik heb. Maar Hij, de Here Jezus, heeft mijn zonden, stuk voor stuk voor God beleden, alsof het Zijn eigen zonden waren! De dingen die ik weet moet ik belijden, maar er zijn zoveel zonden die ik nu pas ontdek, die ik vroeger nooit gezien had. Als ik in die tussentijd gestorven zou zijn, had ik ze sowieso niet gezien! En er komen overmorgen, en misschien volgend jaar nog zonden openbaar die ik nog nooit als zonden heb gezien. Maar Hij heeft ze voor mij beleden. En de vraag is dan ook niet of ik al mijn zonden belijd. De vraag was of ik geloof in Hem die al mijn zonden beleden hééft! Dát is de vraag. En daarom is het zo belangrijk dat je gelooft! Gelooft in Hem die al onze schuld voor God beleden heeft alsof het Zijn eigen schuld was. En je gaat vrijuit, omdat je gelooft dat Hij dat heeft gedaan. Geloof je dat? Gelukkig. Ik ook. Ik geloof dat de Here Jezus voor mijn schuld gestorven is. “Ja, ik geloof, ja ik geloof” – zo zingen we heel vaak als we in Israël zijn als een soort koor – “dat Jezus voor mij stierf. En dat Hij aan het smadelijk kruis mijn eeuwig heil verwierf.” Ja, ik geloof. Ik geloof. En daarom, lieve broeder en zuster, je moet dat geloven. En als je dat tot op heden niet gelooft, dan hoop ik dat je dat nu gaat geloven. Want anders sta je zelf voor een heilige God. Dan zit je zelf met die zondenlast. Dan moet dat vereffend worden. En wie kan bestaan? Wie blijft dan overeind? Wie heeft dan een uitweg? Wie dan? Niemand. En het is zó eenvoudig! Je hoeft niets uit je hoofd te leren. Je hoeft niets te betalen. Het enige wat gevraagd wordt is te geloven dat de Here Jezus dat voor jou en voor jouw schuld heeft willen doen. Als je dat doet, heb je leven uit God. Ben je geweldig gezegend mens, rijk gezegend door het geloof in Hem. De Here Jezus heeft afscheid genomen van Maria. Dat is een heel merkwaardig iets, maar het moet misschien hier. Elke relatie met Maria wordt hier verbroken. “Vrouw” (Hij noemde haar niet eens moeder), “Vrouw, zie uw zoon, zoon zie uw moeder.” Hij kende het woord moeder wel, Hij was het niet kwijt door de pijn ofzo, maar elke relatie met Maria wordt afgesneden. Ook dat is pijnlijk voor de Here Jezus, want Hij heeft daar ook zorg van ondervonden, liefde van ondervonden en ze is een begenadigde onder de vrouwen. Maar de gedachte aan Maria middelares, kan niet. De gedachte aan Maria moeder van God, kan niet. “Vrouw…” Hoort u het Hem zeggen? “Zie uw zoon.” Ik ga niet schoppen, maar ik wil het graag helder hebben. Als Johannes Maria in huis neemt, moet daar uit geconcludeerd worden dat Jozef, de man van Maria, overleden zou zijn. Het is ook die reden dat de Here Jezus ook Zelf kostwinner is geweest, “de timmerman” wordt genoemd. Hij moest de kost verdienen met timmeren; heeft Hij gedaan. Hoe ook, we staan weer voor een raadsel. Als driehonderd jaar later voor het eerst íéts zichtbaar wordt van een Mariaverering, dan is dat door mensen er in geschoven. Véél later is dat pas begonnen. In Efeze om precies te zijn, daar is het begonnen. En nu zitten wij. Ja, we hebben niet zoveel relatie met Maria misschien. Toch is zij een hele bijzondere vrouw, en zeer begenadigd en dat mag u echt blijven vasthouden. Niemand heeft in die zin groter geloof gehad in die tijd, dan zij, want zij geloofde het wonder door God te brengen. De Here Jezus is daarna gestorven. Hij heeft Zijn Geest overgegeven. Ik heb dat vaker gezegd. In Lukas wordt de Here Jezus als de Mens omschreven met zweet gelijk grote bloeddroppels – vorige keer – met pijn, met angst, met dodelijke angst, met “blijf alsjeblieft voor Me bidden; strijd met Mij in gebeden” enzovoort, enzovoort. Hier niet. In Lukas sterft de Here Jezus. De Mens Christus Jezus wordt in het Lukas evangelie beschreven. Maar hier in het Johannes evangelie gaat het om de Here Jezus die God Zelf is. Die van tevoren zei dat Hij macht had Zijn leven af te leggen en macht had het weer te nemen. En hier gaat de Here Jezus Zijn leven afleggen. Hij gaf Zijn Geest over. Hier staat helaas: “Hij gaf de Geest.” Nee! “Hij gaf Zijn Geest over.” Hij deed het Zelf! En Hij kon het Zelf weer opnemen. Het is maar dat we het weten, dat er verschil is in termen. Hier gaat het om de Here Jezus. De beenderen van de beide medegekruisigden worden gebroken. Dat betekent dat ze geen houvast meer hadden en dus geen – sorry hoor, voor de technische termen – geen lucht meer konden krijgen, ze stikten vrijwel direct. Dus als die beenderen gebroken werden, dan stikten ze vrijwel direct. Maar ziende dat de Here Jezus al Zijn Geest overgegeven was, heeft de hoofdman geconstateerd dat Hij gestorven was en een soldaat heeft met een speer Zijn zijde doorboort. Ik ben een beetje fel. U moet nooit zeggen: “Zij hebben Hem doorboord”. “Ze zullen zien op Hem die zij doorstoken hebben”, zo hoor ik altijd citeren. Neen, neen! Dat staat er ook niet in Zacharia. “Ze zullen zien op Hem die doorstoken werd”, want zij hebben dat niet gedaan. “Zij”, zouden dan de Israëlieten zijn. Hier is het een Romeinse soldaat die Hem doorstak. De Israëlieten hebben dat niet gedaan, dat staat ook nergens. Ze zullen wél zien op Hem die doorstoken werd. Waardoor voor iedereen duidelijk werd dat Hij gestorven was. Bloed en water gescheiden, betekende dat de dood was ingetreden. Hoe dat nu precies gegaan is, waar dat bloed gebleven is, niemand weet het. Ik weet wel dat de bijbel ons heel precies vertelt dat de Here Jezus als de échte Hogepriester, met het échte Offerlam, met Zijn eigen bloed – niet met het bloed van stieren of bokken maar met Zijn eigen bloed – eens en voor altijd is ingegaan in de hemel zelf. Dat zegt de bijbel. De Here Jezus is als de echte Hogepriester op dé Grote Verzoendag ingegaan in de troon van God en bij de troon van God en heeft daar een eeuwige verzoening tot stand gebracht. Of het bloed uit Zijn zijde – net als de aardbeving die een scheur zou hebben doen ontstaan – of het bloed uit Zijn zijde door die scheur naar beneden zou zijn gezakt, precies op bovenop het verzoendeksel zou zijn terechtgekomen omdat Jeremia in de dagen van benauwdheid rondom Jeruzalem die ark van het verbond dáár zou hebben verstopt… ik vind het een schitterend verhaal, maar ik kan het u niet bewijzen. Voor mij is het waar, omdat ik het geloof, omdat ik denk: dit kan alleen van God Zelf bedacht zijn: dat Jeremia ergens een ark in veiligheid gebracht heeft toen Nebukadnessar op het punt stond om Jeruzalem plat te gooien en dat hij die ark meegenomen heeft samen met de Kandelaar en het Gouden Reukofferaltaar en dat de voorwerpen door Jeremia (hij kon ze niet naar buiten brengen want daar lag een heel cordon van Babylonische mensen omheen) dat hij die in een grot, in een onderaardse plaats gebracht zou hebben… dat geloof ik stellig. Er zitten zoveel onderaardse ruimtes daar onder de Tempelberg, dat wil je niet weten. En Golgotha is notabene een uitloper van de berg Moria! Dáár zou Jeremia de ark hebben neergezet. En precies dáárboven hebben de Romeinse soldaten, niet wetend wat ze deden, een executieplaats gemaakt; een gat gehakt, daar een paal ingezet. Die paal bleef altijd staan, het was alleen maar de dwarsbalk die extra gebruikt werd, waaraan Hij gespijkerd werd, maar de ene opstaande paal bleef daar staan. Daar, een gat in de rotsen gehakt op Golgotha. Daar zou een scheur zijn ontstaan. Heel wel mogelijk. En de theorie is natuurlijk te mooi bijna om waar te zijn, maar ik hoop dat die waar ís. In elk geval, in de regie van de Here Zelf gebeurd geen ding zomaar. Niets, alles heeft een bepaalde plek. De Here Jezus is gestorven. En de soldaat heeft Hem doorstoken. Jozef van Arimatea en Nikodemus komen. De profetie. Je ziet ze hier komen. Een raadsheer en een schriftgeleerde. De Here Jezus noemt Nikodemus “de leraar van Israël”. De Here Jezus kon het weten. Nikodemus geeft eer aan de Here Jezus door te zeggen: “U bent de Leraar van God”. “Nikodemus, als je niet opnieuw geboren wordt, kun je het Koninkrijk van God niet zien en kun je het Koninkrijk van God niet ingaan.” En hier is Nikodemus. Hij gaat kleur bekennen. Hij gaat samen met Jozef van Arimatea – die een raadsheer was en die er bij geweest was, die niet had ingestemd met hun besluiten, zegt de bijbel – zij gaan samen en vragen het lichaam van de Here Jezus en nemen het Lichaam af. Als de brief aan de Hebreeën nu zegt tegen jou en tegen mij: “Laten wij dan tot Hem uitgaan, buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen.” Dan vindt u hier twee mannen die letterlijk uitgingen buiten de legerplaats en Zijn smaad droegen. Dat is ook precies wat het betekent. Ik kom uit een traditie waar aan die term “buiten de legerplaats gaan” hele andere inkleuringen werden gegeven. Geen enkele kerk deugde, ze waren allemaal binnen de legerplaats, wij waren de enige die goed waren en dús waren wij buiten de legerplaats. Zo legde men dit uit. Ik vind het jammer dat ik dit ooit een keer zo geloofd heb! Ik heb dat beleden ik heb dat teruggenomen, want dat is het niet! Het is heel wat anders. Zou je vandaag naar Hem willen gaan en zou je vandaag voor Hem smaad willen dragen? Zou je die gekruisigde Heer mee willen nemen, willen verzorgen, willen begraven? Zou je Hem van het kruis willen nemen en Hem willen verzorgen? Ik hoop dat je het wilt. Gewoon praktisch. Het gaat mij niet om dat wij iets moeten symboliseren; dat wij misschien door deze streken moeten lopen met een groot kruis en dat wij dan moeten zeggen: “Op deze wijze geven wij uiting aan ons geloof.” Dat kan. Niets op tegen als u zo wilt gaan doen. Maar dóét u iets alstublieft. Zou u nu tegen de Here Jezus durven zeggen, willen zeggen: “Here Jezus, als de hele buurt tégen is, als de hele familie van mij, als dat tégen mij is, dan ga ik tóch naar U; want ik geloof dat U de Heiland der wereld bent; dat U de Christus der Schriften bent. Ik kies voor U Here Jezus!” Dat is een heel belangrijke: dat je álles loslaat, en alleen maar kiest voor de Here Jezus. Dat is buiten de legerplaats gaan en Zijn smaad dragen. Er is nog iets. In de toekomst zal de Here Jezus verschijnen. U weet dat. Uit het boek Zacharia blijkt dat de Here Jezus komt. Hij komt op de Olijfberg, oostelijk van Jeruzalem. Daar waar de lijdensweg begon, waar de arrestatie aanving en van waaruit Hij naar Annas en naar Kajafas vervoerd en van Kajafas naar Pilatus, van Pilatus naar Herodus, van Herodus weer terug naar Pilatus en daarna naar het kruis. Er wordt enorm geschoven met Hem. Mag ik een tussenzin plaatsen? Moet u eens vergelijken in uw denken, met het schuiven van de Ark in de dagen dat de Ark buitgemaakt werd door de Filistijnen: ze wisten zich geen raad. Ze hebben het die kant op geschoven, allemaal builen. Die kant opgeschoven, pest. Muizen. Van alles gebeurd, weet je wel. Ze hebben in allerlei tempels in allerlei vakjes gestopt, totdat ze er uiteindelijk geen raad mee wisten en op een nieuwe wagen de zogende koeien er voor, hem losgelaten hebben. Nou ja, bijna “God zegene de greep”, maar dat heeft God ook gezegend. Heel precies. Die koeien zijn al loeiend richting Kirjat Jearim gegaan. Dat is toch een wonder, dat zogende koeien niet naar hun kalfjes gaan maar de andere kant op gaan. Dat is toch een gigantisch wonder! De Here Jezus is zó van de ene plek naar de andere plek geschoven. En nu, nu is Hij gestorven. Er komt een moment – lieve broeders en zusters – dat de Here Jezus terugkomt, en Hij komt dan terug op de Olijfberg. Voor wie komt Hij dan? Voor jou en voor mij? Ik hoop dat u opgepakt hebt – ik wil die profetische lijn iedere keer benadrukken – maar dat u opgepakt hebt, dat de hoofdstukken 13 tot en met 17 heel bijzonder waren. En dat die niet voor Israël waren, want het werd in het geheim, in die bovenzaal gezegd. Dat heeft – laat ik maar zeggen – het Tempelplein niet gehoord; dat heeft de publieke opinie niet bereikt. De Here Jezus heeft daar gesproken op een prachtige manier. En daar heeft Hij gezegd tegen jou en tegen mij: “Ik heb het werk voleindigd, dat Gij Mij hebt gegeven om te doen!” U hoort het Hem zeggen? Johannes 17. En nu komt dat moment dat Israël ziet op Hem die doorstoken werd. En dat is nu precies wat Zacharia 12 zo schitterend omschrijft, als de Here Jezus komt, in glorie en in heerlijkheid, ja, in majesteit met de wagen van God en met de engelen van God op een práchtige manier uit de hemel komt, zegenend, dan zullen ze zien op Hem die doorstoken werd. “Wat zijn dat voor wonden in Uw handen?”, dat vragen ze zich dan af. “Daarmee ben Ik geslagen in het huis van Mijn liefhebbers.” De Here Jezus. Ze zullen zien: “Oh! Dus tóch!” Jesaja 53: Om ónze overtredingen is Hij doorboort! De straf die óns de vrede aanbrengt was op Hem! En door Zijn striemen is ons genezing geworden!” Gaan ze dan zeggen. Dat is nu precies de profetie van Jesaja 53, die dán, op een gewéldige manier inhoud krijgt. De Here Jezus! Hij komt terug! En je ziet in deze beide mannen – Jozef van Arimatea en Nikodemus, overblijfselen van Israël, buigen voor Hem. Dat is hier zichtbaar. Een stukje profetie. Ze hebben Hem afgenomen. En of dat stuk linnen waarin ze Hem gewikkeld hebben nu wel of niet in Turijn is – de lijkwaden van Turijn – laat dat maar los, niemand komt daar ooit precies achter. Misschien is daar wel iets bijzonders aan de hand met dat stuk linnen, dat weet je ook niet precies, maakt me ook niet zoveel uit. De Here Jezus is afgenomen. En ze hebben Hem in een graf gelegd, waarin nog nooit iemand gelegd was. Ook geen toeval, want als er iemand ooit eerder ingelegd geweest was, hadden de Joden gezegd: “Ach, Hij is niet opgestaan, die ander is opgestaan.” Hadden ze weer wat bedacht. Weer een leugen. Maar nu gaat het om Hem. Nooit heeft iemand in dat graf gelegen. Nooit heeft iemand zulke dingen gehoord. Jij en ik mogen nu kijken naar de Here Jezus. Ik weet niet hoe jij omgaat met het lijden van de Here Jezus. Vanavond is dit hoofdstuk aan de beurt in het kijken naar Johannes. Maar het ráákt me. Het heeft te maken met mijn Geliefde, met mijn Heiland, met mijn Verlosser. Het heeft te maken met God die Zoon is, die Zelf mens werd, die zó het probleem van mijn verdorvenheid wilde oplossen. Ik hoorde iemand zeggen: “Hoe langer je leeft, hoe duidelijker wordt hoe verdorven de mens is.” Nou, misschien is dat zo. Je komt er steeds meer achter hoe verdorven de mens; waartoe de mens in staat is. “Zie de Mens”, je ziet het bijna voor je ogen geschilderd. Maar je ziet op hetzelfde moment de gewéldige liefde van God: “Zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven hebbe.” Je ziet de liefde van God. Je ziet de genade van God! Je ziet de geweldige zegenstroom die in het heiligdom ontspringt. Je ziet het gebeuren. En je kunt het bijna beetpakken. Je kunt het ook plaats geven. Je kunt het in je hart een plaats geven. Als de Katwijkers nu een monument hebben om te rouwen voor al die mensen die nooit terugkwamen van de zee – sinds gisteren of eergisteren is dat zo geloof ik – dan hebt u een monument! En dat monument is hier, in Johannes 19, daar hebt u het monument! Hier kunt u naartoe! Hier kunt u zeggen: “Ja, Here Jezus, dat deed U voor mij! En ik wil mij buigen voor U! Ik wil wel een bos bloemen geven aan U! Ik wil alles geven aan U. Ik wil U eren Here Jezus! Ik wil U huldigen! Ik wil U prijzen Here Jezus, want U deed het!” In de toekomst zal Israël Hem huldigen. Ze zullen Hem prijzen, ze zullen Hem met eer en met glorie omringen. En ze zullen buigen voor Hem, die doorstoken werd. Nu doen wij het nog, straks doen zij het ook. Nog verder weg: elke knie gaat buigen, elke tong gaat belijden dat Hij Heer is. En wij, als we de Here Jezus zien, misschien wel heel binnenkort naar de hemel gaan, naar het Huis van de Vader gaan, dan zullen we de troon van God zien. In het midden van de troon, in het midden van de dieren, in het midden van de oudsten, een Lam, staande als geslacht. “Alsof het net gebeurd is!”, roepen we dan. Dat is ook de uitdrukking! Alsof het net gebeurd is! Alsof je er bovenop stond! Alsof je ooggetuige was. Een Lam staande als geslacht. En wat doe je dan in de hemel? Nou, je pakt je citer en je gaat spelen. Je gaat zingen, je gaat dat nieuwe lied zingen. Je bent niet meer te houden! Het is niet meer zo van: “Ja, wat zullen de buren vinden? Wat zullen de kerken vinden, is het wel ritmisch of is het niet-ritmisch? Is het wel evangelisch, is het niet-evangelisch? Is het Johannes de Heer of is het Opwekking?” Je denkt niet aan al die dingen! Dat is allemaal voorbij! Dat is over. Het is de Here Jezus! En je bent zó vol van Hem, dat je gaat zingen van Hém. Daar gaat het om! Dat ga je doen, dat kan niet anders. Want als je Hem ziet, dan gá je zingen, dan ga je jubelen, dan ga je juichen! Dan ga je Hem huldigen. Dat is een geweldig moment vol lof en eer en aanbidding voor de Here Jezus. Daarom hebt u dit in uw bijbel. Daarom staat dit hier. De toekomst… jazeker, de profetie is dat Israël ook een keer gaat komen. En dat ze ook gaan huldigen. Dat ze ook gaan knielen. En zelfs de wereld gaat huldigen. Hoe? Wel, elke tong gaat belijden en elke knie gaat buigen. Hoe ze dat precies gaan doen? Ik laat het maar los, maar het gaat wel gebeuren. Nu is het onze beurt: wij mogen Hem huldigen. Wij zijn de uitverkorenen om Hem vandaag alle hulde te geven die maar denkbaar is. De Here zegene ons zo en geve dit stukje bijbel in ons hart als een kostbaar kleinood, als een monument van God Zelf: om naar te kijken, om te koesteren. Om misschien wel een bezoekje te brengen en om dit een plekje te geven. Ik hoop ook echt dat u dat zal willen doen. De Here zegene u daarin. Amen.
Ik wil nog graag danken.
“Vader, wij danken U voor het geven van Uw Zoon. U hebt Uw Zoon zo zien lijden. U hebt gezien wat de soldaten deden. Wat geselslagen deden. Wat een doornenkroon deed. U zag wat ze met Uw Zoon deden. Ik wil U danken Vader, voor Uw Zoon, de Here Jezus. Ik wil U prijzen voor Hem. We willen U zeggen dat we de Here Jezus bewonderen, dat we Hem lief gekregen hebben en dat we van Hem houden. Vader, dank U wel voor de Here Jezus. Dank U wel voor het Offer. Dank U wel voor het Lam, voorgekend, door U voorzien. Dank U wel, dat U een hout aanwees. Toen al, in de oude dag, en dat U ook nu, daar buiten Jeruzalem, een hout aanwees waar Hij hing. Er komt een moment dat die stroom van Levend Water uit de Godsstad vloeit, zoals een lied dat zegt. En in het midden van de straat en aan weerskanten, het hout des levens. Het is alsof daar steeds maar weer dat kruis zichtbaar is. We mochten daar vanavond naar kijken. Here Jezus, wij huldigen U. Wij knielen voor U neer. Ik kniel neer, ik buig, ik kniel en ik aanbid. Here Jezus U bent het. Vader, wij prijzen U. Dank U wel voor de Heilige Geest die ons deze dingen indachtig wil maken. Wilt U ons zo ook gedenken de komende dagen. Dat we alstublieft ook tot Uw eer willen leven. En buiten de legerplaats gaan om Zijn smaad te dragen. Wat het ook kost, wie ook wat zegt, we gaan voor Hem. Wilt U zo Uw Woord zegenen in elk opzicht? In de Naam van Uw Zoon. Amen.”