De zegenende handen van Jezus

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

22. De zegenende handen van Jezus.

Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis,
09 oktober 2005
      Lezing
Johannes 20 vers 1 – 23
En op de eerste dag der week ging Maria van Magdala vroeg, terwijl het nog donker was, naar het graf en zij zag de steen van het graf weggenomen. IJlings kwam zij dan bij Simon Petrus en bij de andere discipel, dien Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben de Here weggenomen uit het graf en wij weten niet, waar zij Hem hebben neergelegd. Petrus dan ging op weg en ook de andere discipel en zij begaven zich naar het graf; en die twee liepen samen snel voort; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus en kwam het eerst aan het graf, en zich vooroverbuigende, zag hij de linnen windsels liggen; hij ging echter niet naar binnen. Simon Petrus dan kwam ook, hem volgende, en hij ging het graf binnen en zag de windsels liggen, maar de zweetdoek, die op zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de windsels liggen, doch opgerold, terzijde op een andere plaats. Toen ging ook de andere discipel, die het eerst aan het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde; want zij kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan. De discipelen dan gingen weder naar huis. En Maria stond buiten dicht bij het graf, wenende. Terwijl zij dan weende, boog zij zich voorover naar het graf, en zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had. En zij zeiden tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Here weggenomen hebben en ik weet niet, waar zij Hem neergelegd hebben. Na deze woorden keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zij wist niet, dat het Jezus was. Jezus zeide tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt gij? Zij meende, dat het de hovenier was, en zeide tot Hem: Heer, als gij Hem weggedragen hebt, zeg mij dan, waar gij Hem hebt neergelegd en ik zal Hem wegnemen. Jezus zeide tot haar: Maria! Zij keerde zich om en zeide tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni, dat wil zeggen: Meester! Jezus zeide tot haar: Houdt Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar mijn Vader; maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God. Maria van Magdala ging heen en boodschapte de discipelen, dat zij de Here had gezien en dat Hij haar dit gezegd had. Toen het dan avond was op die eerste dag der week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zeide tot hen: Vrede zij u! En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Here zagen. {Jezus} dan zeide nogmaals tot hen: Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt de heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend.
De Here Jezus, leeft! Hij is opgestaan! Hij is niet in het graf gebleven. Opgewekt door de heerlijkheid van de Vader en opgestaan in majesteit en in glorie. Klinkt een beetje dubbel, maar het is echt verschillend. God heeft Hem opgewekt, en Hij Zelf stond op. Dat zijn twee aparte dingen, op hetzelfde moment. En het is heel goed om de taal van het Nieuwe Testament over te nemen en dan niet te zeggen: “Nou, het maakt allemaal niet uit.” Het maakt wél wat uit, want de Here Jezus, Hij was ook God Zelf. En als God Zelf, had Hij Zijn leven afgelegd, maar Hij had ook de macht om dat leven weer te némen. Dat heeft Hij gedaan. En ook de Mens Christus Jezus is opgewekt. Hij stond op en Hij werd opgewekt. Op die eerste dag van de week. De steen was weg, niet om de Here Jezus naar buiten te laten gaan – Hij had geen problemen met die steen – maar om ons een kijkje binnen te laten nemen. Jij mag naar binnen gaan. Je mag kijken. En kijken in het lege graf betekent dat je inderdaad ziet: Hij is hier niet, Hij is opgestaan. In de oude dag had de Here God zeven gezette hoogtijden voor Israël gegeven. Zeven feesten. Die worden wel eens “de feesten des Heren” genoemd. Momenten dus voor de Here God, om te genieten. Hij wilde graag genieten. Hij wilde Zijn vreugde vinden in die hoogtijden, in die bijzondere momenten. En Israël mocht in die feesttijden van God meedoen. Zij mochten ook genieten. Zeven van die bijzondere hoogtijden worden ons gegeven; in Leviticus 23 vind je ze alle zeven. Het begint met het Pascha, dat is één. Twee: het Feest van de ongezuurde broden. Drie: de Garf der eerstelingen – zo wordt dat genoemd – een schoof uit het staande koren. Vier: het Wekenfeest, later het Pinksterfeest genoemd. Vijf: het Feest van het geklank (een paar dagen terug; nu is het de zevende maand waarin al die feesten, de laatste drie feesten plaatsvinden). Op de tiende van diezelfde zevende maand: Grote Verzoendag (aanstaande dinsdag, aanstaande woensdag). En daaraan gekoppeld, iets later: Loofhuttenfeest. Dat zijn ze alle zeven. Nu, als u mee wilt naar Israël – dat kan niet meer, dat gaat niet meer – maar dan zou u misschien de studie over die feesten ook nog kunnen bijwonen. Maar vanavond wil ik er toch één feest eruit halen. Ons Pascha, Christus, is geslacht, zegt de bijbel in het Nieuwe Testament. Dat betekent dat het Paasfeest wel terdege te maken heeft met ons. Voor ons. De Here Jezus is aan het kruis voor onze schuld, voor onze zonde gestorven. En Hij heeft Zichzelf willen geven als een offer aan God, om jou en mij voor altijd vrij te kopen. De enige vraag is: Geloof je dat? Toen moesten de Israëlieten het bloed aan de beide deurposten brengen en aan de bovendorpel. En als ze achter het bloed waren, waren ze veilig. Nu is het net zo: je moet geloven, je mag geloven, maar je moet het toch ook belijden: “Ik schuil achter het bloed van het geslachte Lam.” Direct aan dat Pascha gekoppeld, was het Feest van ongezuurde broden. En dat is ook in het Nieuwe Testament terug te vinden. Ook ons Pascha, Christus, is geslacht, laten we dan feest vieren, met ongezuurd brood! Gaat in één adem door in het Nieuwe Testament. Wat betekent dat? Nou, dat betekent dat ons leven ook voor de Here is. En dat we ons niet meer laten beïnvloeden door zonde of door wat verkeerd is. Die eerste twee feesten worden direct aan elkaar gekoppeld. En dat voelen we ook wel een beetje: zo hoort het ook. Christus is ons Pascha, en wij, wij mogen ook voor Hem gaan leven. Daags na de Shabbath – zegt de bijbel in Leviticus 23 – zou er een derde feest komen, namelijk een schoof, een bundel aren, een garf vroeger, een schoof, een bundel aren van de gersteoogst; de eerste bundel aren uit de nieuwe gersteoogst, die moest worden gebonden en die moest worden gebracht bij de Priester. En de Priester ging die garf, die schoof van eerstelingsaren, dus het was het allereerste van de nieuwe oogst, dat ging hij aan de Here God wijden. Op het Tempelplein gebeurde dat. Daar was een Priester bezig met die schoof en die zei: “Dit is het begin van een nieuwe oogst!” En later mocht Israël gedenken dat er veel meer oogst was, veel meer vreugde was. Maar goed, de garf der eerstelingen, de eerste schoof uit het staande koren. Waarom die nadruk? Omdat in Leviticus 23 zo precies staat: daags ná de Shabbath. Welke Shabbath? De eerste Shabbath die viel na het Pascha. De eerste Shabbath die viel in de periode van ongezuurde broden eten. Zal ik het anders zeggen? De Here Jezus stierf op vrijdag (sommigen zeggen donderdag nog, ik hou het nog steeds op vrijdag) het Pascha, de eerste Shabbath in het Feest van de ongezuurde broden, was de volgende zaterdag. De dag van die Shabbath was groot, zegt de bijbel. Daags ná de Shabbath zou de Priester die schoof met het… ja aan de Here gaan aanbieden. Dat is heel, heel typisch dat in het Oude Testament al sprake is van de dag na de Shabbath. Onze tekst begon op de eerste dag van de week. Zal ik het anders lezen? Op de dag ná de Shabbath…. Het is écht waar. Het is niet alleen een soort inlegkunde van: ja, je zoekt iets bij elkaar en dat stop je erin en dat geef je dan maar door, maar dit is echt waar! Op die dag, de dag, de eerste dag van de week, de dag na de Shabbath, werd op het Tempelplein het eerste resultaat van een nieuwe oogst aan de Here God gegeven. Dit is het begin een nieuwe oogst! Dit is voor U. Op hetzelfde moment stond de Here Jezus op uit het graf. En het hele merkwaardige is ook nog dat in het Nieuwe Testament gezegd wordt: de Eersteling is Christus. In 1 Korinthiërs 15, weet je wel: opstanding, Eersteling is Christus, daarna die in Christus zijn bij Zijn komst. Hij wordt de Eersteling genoemd! Als u hier kijkt naar Johannes 20 en u ziet op de eerste dag van de week de Here Jezus uit het graf opstaan, en je beseft dat op dát moment op het Tempelplein een soort ceremonie aan de gang was van: Here, we bieden het U aan, een hele bundel aren, het begin van een hele nieuwe oogst; hét begin van dé nieuwe oogst stond op uit het graf. Dat is geen toeval, dat is leiding, Goddelijke inspiratie en leiding. Daags na de Shabbath, op de eerste dag van de week. Ik weet niet of de discussie al een keer tot je door gedrongen is: waarom zitten wij op de zondag hier en waarom zitten wij niet meer op Shabbath hier? Nou ja, daar kun je nog wel even over door, daar is heel, heel veel over gepraat en geschreven en misschien komen we er nooit helemaal uit. Misschien zijn het allebei wel hele bijzondere dagen. Hoe ook, de eerste dag van de week stond de Here Jezus op. En op de eerste dag van de week werd de garf der eerstelingen aangeboden. En op de eerste dag van de week, zeven weken later, was er weer feest. Weer op de eerste dag van de week. En de Here Jezus kwam op die eerste dag van de week bij de discipelen. En een week later, weer op de eerste dag van de week, kwam Hij er nog een keer. Hij had natuurlijk ook op maandag, op dinsdag, op woensdag, op donderdag kunnen komen. Maar Hij kwam wéér op die eerste dag van de week. We hebben nogal wat body als we zeggen dat die eerste dag van de week een heel bijzondere dag is. En die dag mag je best “de Dag van de Here” noemen. Toen gebeurde het. Ik zeg het maar – misschien wil je er zelf later over doordenken – maar feit is dat we behoorlijk wat, ja laat ik maar zeggen: grond onder de voeten hebben als we zeggen dat we op de eerste dag van de week een samenkomst hebben. Het komt niet zomaar uit de lucht vallen. De Here Jezus, Hij stond op. Hij is Zelf opgestaan, niet in paniek. Wat om Zijn hoofd geweest is – een zweetdoek – opgerold; dat betekent dat er dus kennelijk ook nog opgeborgen is, netjes afgewerkt is. Doeken lagen daar. Het is heel duidelijk ordelijk geweest. Engelen hebben Hem niet uit het graf gehaald, engelen hebben alleen een getuigenis gegeven. De boden van de Here, de boodschappers van de Here God, de dienende geesten, ze zijn er bij geweest en ze hebben de Here Jezus omringd, ook toen. De Here Jezus, Hij leeft, Hij is opgestaan. De leugen die verspreidt is, dat de discipelen zijn gekomen om Hem weg te nemen, is allang gelogenstraft. De bijbel zegt in 1 Korinthiërs hoofdstuk 15: die heeft het gezien en die heeft het gezien en die, en zoveel en toen zoveel en toen een paar honderd en toen die nog en toen die nog; getuigen in overvloed. Een hele rij getuigen zijn er, dat de Here Jezus leeft. Hij lééft! De Here Jezus, leeft. Hij is opgestaan. Hij is niet hier. Je kunt Hem daar zoeken. Nou we doen het wel: we gaan daar naartoe, we kijken naar die plek, we doen die deur open, we kijken in het graf en het graf blijkt nog steeds leeg te zijn. En als je de deur dicht doet, staat er op de buitenkant: He is not here, He’s risen; dat staat er dan als een soort engelse tekst op, maar: Hij lééft. Hij is écht opgestaan. En het is geweldig als je er ooit geweest bent en je hoort in het Japans en in het Hongaars en in het Chinees en in het Hollands en in het Engels zeggen dat Hij leeft. Merkwaardig is dat je vaak dezelfde melodieën hebt, ook in andere landen, maar hoe dan ook: Hij leeft. Hij is opgestaan. De Here Jezus leeft. Engelen hebben gezegd dat Hij leeft. Maria heeft gezegd tegen Petrus en tegen Johannes: “Hij leeft.” Die twee zijn gegaan, Petrus misschien nog met gemengde gevoelens: wat heb ik gedaan, hoe heb ik het zover kunnen laten komen dat ik Hem verloochende! Johannes, samen. Johannes kijkt, Petrus gaat binnen. Johannes kijkt nog eens en gaat ook binnen en hij gelooft. Hoe, laat ik verder even los. Ik wil alleen zeggen dat er een persoonlijke ontmoeting is geweest met Petrus. De Here Jezus heeft hem heel persoonlijk gesproken; Hij is aan Kefas verschenen. Dat moest ook, denk ik. Als er in je eigen leven dingen zijn die een verwijdering hebben gebracht tussen jou en de Heer, dan moet het ook tussen jou en de Heer in orde gemaakt. Even los van wat anderen daarvan gevoeld hebben of gehoord hebben. Éérst tussen jou en Hem, vervolgens ook bij de anderen die dit meemaakten. Daarom moest Petrus later ook nog en public een soort herstelprocedure doormaken. Dat is later. Hij leeft. Hij is opgestaan. Maria heeft Hem gezocht, Maria van Magdala. Of ze het theologisch allemaal op een rij had, dat kun je allemaal bedenken. Maar haar hart zat zó op de goede plek! En ze heeft met heel haar gevoel, met álles wat in haar was, gezocht naar de Here Jezus. Of ze Hem zelf had kunnen dragen, of ze Hem ergens anders had kunnen neerleggen… nou waarschijnlijk niet, maar ze heeft haar hart laten spreken. Dat doet me denken aan het boek Hooglied. In het boek Hooglied vind je een geschiedenis dat de bruidegom aan de deur is en aanklopt. En zij zegt: “Ja maar, ik ben al naar bed, het is al zo laat en ik heb mijn kleren al uit en…” Enfin, ze laat hem dus eigenlijk staan. Totdat ze ineens tot zichzelf komt en naar de deur gaat en die deuringang – dat was een soort hendel – die droop van mirre; hij is er geweest, ze rook het, ze kon het ruiken dat hij geweest was, ze voelde het, en ze gaat zich aankleden en ze gaat de stad en ze vraagt: “Alsjeblieft, vertel me toch, waar is hij? Waar is hij gebleven, ik wil hem zoeken!” De wachters in de stad zeggen: “Doe niet zo mal, het is al zo laat enzo…”Maar ze gaat dóór en ze gaat en ze gaat ook al slaan ze haar en ze gaat door totdat ze hem vindt. Ken je dat? Ik ken wel een moment misschien dat de Heer er is en dat jij even niet thuis gaf. Je was zo druk, weet je wel, je was druk met van alles en nog wat, bezig. Maar niet met Hem. Misschien heb je deze afgelopen week heel veel gedaan en heel weinig tijd voor de Heer gehad. Soms betrap jij je daarop he, dat je heel druk geweest bent; soms met preken terwijl je weinig van Hemzelf gezien hebt. Zou je Hem dan gaan zoeken? Maria van Magdala was niet weg te slaan daar. Ze zocht. En zou de Heer zo’n iemand laten staan? Nee. Indien iemand Mij liefheeft, en Mijn woord liefheeft en Mijn geboden doet, Ik zal Mijzelf aan zo’n iemand openbaren. Dat had de Heer gezegd, Johannes 14 vers 21. En dat is gebeurd. De Here Jezus laat Zich zien aan haar. “Maria!” Zij denkt: “Dit is gaaf! Rabboeni!” Ze wil Hem vastgrijpen zoals ze Hem vroeger kennelijk ook zag. De Here: “Nee, zoals vroeger wordt het niet meer. Je moet Me niet vasthouden. Dit kan niet. We kunnen niet de dingen zoals ze voor het kruis waren, herstellen. Maar wel contact hebben. Mijn Vader, uw Vader. Mijn God, uw God.” Ik hoop dat het helder is, dat je eindelijk durft te zeggen: “Die God, die God in de hemel, dat is mijn Váder!” Hoe slecht je eigen vaderbeeld ook zou zijn. Dat kan door, ja, door dingen van vroeger in je jeugd enzo, maar hoe slecht het ook zou zijn, in elk geval: God wil je Vader zijn! En je mag Hem als Vader aanroepen. En je mag weten dat die Vader jou liefheeft. De Vader Zelf heeft je lief. Hij houdt van je. “Mijn Vader, is jouw Vader”, zegt de Here Jezus. “Mijn God is jouw God. Maria, je moet Me niet zien zoals daarvoor, het is anders. Maar Ik wil Me wel aan jou openbaren. Ik wil me laten zien.” Maria heeft de mooiste dag van haar leven meegemaakt. Echt. Zou je de Here Jezus zoeken? Zou je nu durven zeggen: “Here Jezus, ik heb U lief, boven alles. Ik zoek U. Ik wil U echt in mijn hart sluiten. Ook al heb ik soms momenten gehad dat ik even niet thuis gaf, ik wil U zoeken, ik wil U vinden. Ik wil zo graag dat U in mijn hart komt! Ik wil zo graag terugkomt. Dat ik opnieuw kan genieten van U.” Dat is écht een, ja, een geweldige ervaring. Is dat voor de hele sterke gelovigen? Voor de mensen die al heel lang een gelovige zijn? Nee. Dat is voor alle gelovigen. Je mag van de Here Jezus houden. En je mag naar Hem verlangen. Je mag echt, écht erop rekenen dat Hij Zichzelf aan jou zal laten zien. De enige voorwaarde is – nog een keer – je moet Hem wel kennen als je Heiland en als je Verlosser. Je moet wel zeker zijn dat je schuld weg is, dat je zonden vergeven zijn en dat je leven uit God hebt. En dat kun je krijgen, misschien vanavond. Als je de Here Jezus niet kent, kun je vanavond de Here Jezus leren kennen. Je bent welkom voor een gesprek. Je bent welkom om met je te bidden. Je bent welkom om de Here Jezus te leren kennen. Niemand moet zo weggaan. En áls je Hem leert kennen als je Heiland, dan wil je ook graag bij Hem zijn en Hij wil graag bij jou zijn. Hij wil Zichzelf aan jou openbaren. Zou je het willen? De Heer zegt dat Hij het doet. Hij doet het. Hij leeft, Hij is opgestaan. Hij is niet aan het kruis gebleven, Hij is ook niet in het graf gebleven. Hij is opgestaan en Hij leeft ook voor jou. Op diezelfde eerste dag van de week, toen het avond geworden was, is de Here Jezus bij de discipelen gekomen in die bovenzaal. Die zijn teruggekeerd – zoals ik de vorige keer al zei – naar die bovenzaal. Daar zijn ze, ja, met Hem geweest. Daar heeft Hij Avondmaal gegeven en ingesteld, daar heeft Hij gesproken, daar heeft Hij die prachtige dingen gezegd, van Johannes 13, 14, 15, 16 en 17. Prachtige uitspraken van de Here Jezus, van Vaderhuis, van de Heilige Geest, van vrucht dragen en van dat gebed van de Here Jezus, subliem. Dat is daar gebeurd, in die bovenzaal. En nu zijn ze daar weer. Veilige plek, even de deuren dicht uit vrees voor de Joden want je weet maar nooit… En daar komt de Here Jezus toen het avond was op de eerste dag van de week. Nou, even proberen je in te denken wat het is. Ik ben er zeker van dat de Here Jezus – maar dat kun je me betwisten – dat de Here Jezus is opgestaan op het uur van het morgenoffer, toen het nog morgen was. En dat de Here Jezus bij de discipelen kwam op het uur van het avondoffer, toen het avond was. De uitdrukking “toen het avond was”, is in Israël heel bekend, dat was het uur van het avondoffer. En “morgen” is ook heel bekend, want dat was het uur van het morgenoffer. Daarmee werd in feite de hele dag bepaald. Zo lag dat. Op het uur van het morgenoffer ging de Here Jezus aan het kruis. Op het uur van het avondoffer, zei de Here Jezus: “Het is volbracht.” Zes uren lang is de Here Jezus aan het kruis geweest. Hij heeft én inhoud gegeven aan het morgenoffer (negen uur ’s morgens) én inhoud gegeven aan het avondoffer (15.00 uur, drie uur ’s middags; avondoffer, zo wordt het écht in Israël nog steeds genoemd). Maar de Here Jezus is ook opgestaan op het uur van het morgenoffer en op het uur van het avondoffer komt de Here Jezus bij de discipelen. Een tijdje terug heb ik iets gezegd over de zegen van Numeri 6. U weet het wel: “De HERE zegene u, en de HERE behoede u; de HERE doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; de HERE verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede.” Drie keer komt daar het woordje “Jahweh” voor: de HERE zegene, de HERE, de HERE, maar de samenhang van woorden, geeft aan dat er drie verschillende duidingen zijn. Dat zeggen ook de Joodse uitleggers, dus afgezien van het Christelijke, in de Talmoed vind je dus deze verschillende duidingen. En die gaan zelfs zó ver – zonder dat ze íéts weten over de Drie-eenheid van Vader en Zoon en Heilige Geest, zonder dat ze iets daarvan weten zeggen ze: “Daar moet iets van een mysterie achter zitten want er zijn drie verschillende duidingen.” Op het uur van het morgenoffer, ging de Hogepriester – weet u wel, elke morgen werd er een offer gebracht – ging de Hogepriester de zegen uitspreken: “De HERE zegene u, de HERE behoede u” en al die woorden. U kent die woorden, omdat u ze misschien heel vaak in uw gemeente, in uw kerk gehoord hebt aan het eind van een dienst. Op het uur van het avondoffer deed de Hogepriester dat niet; want, zeiden de uitleggers: “Dat is voor de Messias. Als Hij komt, dan komt Hij met de zegen van het avondoffer.” Ziet u hem komen? Op het uur van het avondoffer, deuren dicht, potdicht uit vrees voor de Joden. Nou, daar kun je ook invulling aangeven; wat is nu vrees voor de Joden? Moet je daar nu bang voor zijn? Ja en nee. Ik heb het niet over politiek, maar de typische dingen ván, misschien moet je daar inderdaad bang voor zijn. Hoe dan ook, de Heer kómt. Staat ineens in het midden van de discipelen, op het uur van het avondoffer. Écht niet een soort geforceerde deur, waar dan ineens de splinters afvliegen ofzo, waar de gaten zichtbaar zijn, helemaal niets. Hij ís daar. En wat doet Hij dan? “De HERE zegene u!” Het is het uur van het avondoffer, waarop dé Hogepriester met dé Hogepriesterlijke Zegen, verschijnt temidden van de discipelen. Voor het eerst. Voor het eerst is dat gebeurd bij het mórgenoffer door Aäron, toen ze naar binnen gingen – Mozes en hij – en er weer uitkwamen (Leviticus 9), toen is er voor het eerst een zegen van God op het volk gelegd. Nou het volk zag de heerlijkheid van God, de glorie van God. Ze juichten en ze waren geweldig onder de indruk van de zegen van God die ineens over hen kwam. Leviticus 9, nog een keer. En nu komt de Here Jezus. De discipelen, ze verblijdden zich toen ze de Heer zagen! Dezelfde uitwerking; de blijdschap, de geweldige vreugde: de Here is er! Hij is teruggekomen! Hij komt met het geweldige zegen aanbod van God! “De HERE zegene u.” En dat zegt Hij nog een keer, voor alle duidelijkheid. De Here Jezus. Israël heeft dit niet gezien. Jeruzalem heeft dit niet gezien. Hij is – zoals ik de vorige keer zei – niet meer openlijk in Jeruzalem geweest na Zijn sterven. Hij heeft Zich niet meer vertoond op het Tempelplein, of in de straten. Alleen die in die bovenzaal waren, die hebben het gezien. Wanneer komt de Here Jezus voor Israël? Nou, dat we zullen de volgende keer zien, in de geschiedenis van Thomas. Dat is een beeld, een type, een duiding van dat wat nog gaat komen, profetisch. Als de Here Jezus komt uit de hemel, dan zullen ze zien op Hem die ze doorstoken hebben. Dat is nu precies wat Thomas moet ervaren: “Leg je hand hier maar ns in, leg je vingers hier maar eens in.” Ze zullen zien op Hem die doorstoken werd. Dat moet nog komen. Israël zal die zegen nog krijgen. Dat komt nog. Maar jij en ik, wij die nu geloven, wij hébben die zegen. Hoor je het goed? Onze Here Jezus, leeft! Hij heeft het werk volbracht! Hij is met Zijn eigen bloed ingegaan in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God, voor ons en Hij komt terug en Hij zegent ons! Hij zegent jou en Hij zegent: “Hier is de vrede van God. Alle zegen van God is jouw deel geworden. Jij bent gezegend.” De Here Jezus heeft toen… Hij toonde hun Zijn handen en Zijn zijde. Ik heb het niet gepland dat we ook vanavond Avondmaal zouden vieren, maar in brood en wijn, toont Hij Zijn handen en Zijn zijde. Hij laat het je zien. En jij mag blij zijn. Je hoeft niet bang te zijn. Je hoeft niet angstig te zijn: “Heer, U openbaart Uzelf. Ja, U laat zien: dit zijn kennelijk de tekenen van sterven, van kruislijden en van opstaan.” Hij leeft, de Here Jezus. Hij zegt: “Doet dit, tot Mijn gedachtenis.” Hier staat het. Het staat voor je, je mag er aan deel nemen. Maar de Here Jezus laat in feite zeggen: “Kijk maar. Hier, Mijn handen en Mijn zijde.” En zij hebben de Heer gezien. En wat zeggen ze tegen Thomas en tegen anderen: “We hebben de Heer gezien! We hebben Hem gezien!” Ze zeggen tegen vrouwen: “Uw getuigenis, jullie getuigenis heb ik niet meer nodig, we hebben Hem zelf gezien! We hebben Hem gezien, de Heer gezien!” De Here Jezus, Hij openbaart Zichzelf op het uur van het avondoffer. Nu kun je daar weer een hele, hele serie teksten aan vasthangen en dat heb ik ook wel eens gedaan waar het gaat over het avondoffer. Bij Elia op de Karmel, weet je wel, en Ezra en Nehemia, Johannes de Doper; maar ook Handelingen 3 dat ze op het uur van het avondoffer naar binnen gaan, maar ook de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper bij Zacharias; allemaal het uur van het avondoffer. Maar ook bij Cornelius, het uur van het avondoffer. Heel merkwaardig, daar zit altijd die zegen aan vast. Wij, die nu geloven in de Here Jezus, wij mogen écht weten dat we deel hebben aan dit geweldige werk van de Here Jezus. Zoek je nog naar Hem? Nou ik hoop dat dit gebeurt. Ik hoop dat je écht deze week ingaat met het diepe verlangen om Hem te zien. Hij wíl Zich ook openbaren. Hij wil duidelijk maken wie Hij is. En dat doet Hij, dat doet Hij aan jou. Lees maar, je zult ontdekken dat Hij Zich openbaart. Luister maar, je zult misschien een lied horen, of een dankzegging horen, of een korte toespraak horen of een opmerking horen, of misschien wel een bemoediging krijgen op een kaartje. Hij openbaart Zichzelf. Hij wil Zich écht aan jou openbaren. Hij wil Zich laten zien. Hij wil tonen wie Hij is. En jij mag blij zijn omdat je de Heer ziet! Dát is je blijdschap. Want de blijdschap in deze wereld, ís er niet. Het wordt alleen maar moeilijk. Iedereen krabt achter zijn oren en weet niet hoe het gaat met het nieuwe zorgstelsel. Ik zeg het maar even plat, iets kort door de bocht; ik ga me niet met politiek bemoeien maar daar kun je best zorgen over hebben. Je kunt bezorgdheid hebben over hoe het moet met je pensioen en met wat er allemaal… je kunt zorgen hebben over hoe het verder moet in de banen en in alles wat er is en werkgelegenheid. Je kunt van alles bedenken, het gaat helemaal niet zo gladjes. En we voelen allemaal aan dat de gladde woorden van Prinsjesdag… nou, misschien een beetje té glad waren. En als ik aan de wereld denk, dan denk ik: alsjeblieft, hou op! De ene blunder na de ander. Ik hoef alle details niet te noemen. En als ik denk aan wat er buiten de politiek in deze wereld gebeurd, dan hou ik mijn hart vast. Als je denkt aan de orkanen die geweest zijn, aan de aardverschuivingen, aan de aardbevingen, aan het enorme tumult hier en daar maar ook aan de enorme aantallen slachtoffers die er zijn…. Het kán niet lang meer duren. Het is heel angstig. Alles is angstig. Job zegt in Job 3 aan het eind: “Ik heb geen rust, ik heb geen stilte, ik heb alleen maar angst. En ik heb geen vrede.” Nou, dat is eigenlijk typerend voor de hele wereld. Angst, onrust, bangheid, en geen stilte en geen vrede. Dat is wat er gebeurd, zo ligt het. En in die enorme situatie, mogen wij de deuren dicht doen uit vrees voor wat er allemaal in Jeruzalem gebeurd – even overdrachtelijk he. Toen waren de deuren dicht uit vrees voor de Joden, omdat ze gewoon bang waren voor de hele consternatie daar. Voor de Romeinse overheersers (politiek), voor de godsdienstige stromingen die er toen waren in verschillende vormen, waar ze bang voor waren. Nou daar kun je best bang voor zijn. Voor de Herodianen moet je bang zijn, voor de Sadduceeën moet je bang zijn, voor de Farizeeën moet je bang zijn. Als dit soort invloeden de kerk van vandaag gaan bestoken, dan is de kerk geen kerk meer. Daar moet je inderdaad de deuren voor dichtdoen. En je wordt bang en je bent misschien nog wel blij dat je in een klein bovenzaaltje bent en dat je nog een beetje veilig bent. Deuren dicht, potdicht, uit vrees voor de Joden. Het is heel angstig om ons heen. Maar in die angst, in die spanning die om te snijden is om ons heen, waar niemand precies de oplossing heeft… als je in Israël bijvoorbeeld vraagt: Wat zou dan de oplossing moeten zijn in Israël? Nou, niemand weet het! Echt niet! Meneer Sharon weet het niet, en niemand weet het! De Enige die het weet is de Enige die redding brengen kan, de Enige die de zegen van God brengen kan en dat is de Messias. Maar die is er nog niet, daar geloven ze ook nog niet in. Er ligt nog een bedekking over hen, tot op heden. Het is angstig. Maar jij en ik, wij die vandaag geloven, en die angst om ons heen voelen opkomen – het wordt alleen maar erger, sterker, duidelijker – wij mogen zeggen: “Er is één plek, de zegenende handen van de Here Jezus.” “Hier”, Hij toonde hun Zijn handen “dit heb Ik voor jou gedaan! Hier, Mijn zijde, dit heb Ik voor jou gedaan! Mijn werk aan het kruis is volbracht. Het is voor altijd volbracht. En jij mag blij zijn als je Mij ziet.” Onze vrede is Christus. Onze blijdschap is Christus. Ons leven is Christus. Onze toekomst is Christus. Het is Christus! Alleen maar de Here Jezus. En als je daar niet meer in stáát, nou, dan ga je mee in de maalstroom van angst en onrust, dan hou je het niet, dan red je het niet; dan word je alleen maar bang en ongelukkig. Ik hoop dat je écht gaat zien dat de Heer Zich aan jou en in jouw leven wil openbaren. Profetisch? Ja, ja! Wis en waarachtig. Als de Here Jezus komt – maar daarover ga ik de volgende keer wat meer zeggen – als Hij komt voor Israël, als Hij komt voor de volkeren, hoe komt Hij dan? “De HERE zegene u, Jahweh zegene u. De HERE behoede u en zij u genadig. De HERE verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede.” Dat komt! Die vrede, die zegen, kómt! Dat is die profetische lijn die we steeds in dit prachtige evangelie ontdekken. Iedere keer hetzelfde: de Here Jezus, de Here Jezus. Maar jij en ik hebben nu al het voorrecht om er nu in te staan en om er nu dankjewel voor te zeggen: “Here Jezus, ik ben blij omdat U Uzelf wilt openbaren.” Hij laat zien wat Hij voor jou heeft willen doen. Dat Hij al die narigheid waar ik het de vorige keer over had, het vreselijke lijden waar we over gesproken hebben, dat Hij het voor jou, heel persoonlijk voor jou, wilde doen. Dat Hij je vrij wilt maken, blij wilt maken met de openbaring van Zichzelf. De Here zegene jullie en mij. Amen.
Ik wil afsluiten met een kort gebed:
“Vader, wij staan hier en wij willen U hartelijk danken dat de Here Jezus Zich zó aan de discipelen van toen heeft geopenbaard. En we willen U danken Vader, dat de Here Jezus alsnog, nog eens, voor het eerst of voor de zoveelste keer, wil laten zien. Wilt U ons verlangen geven Vader, om door Uw Heilige Geest gestuurd, Hem te zien. Wilt U ons duidelijkheid geven over wie Hij is: de opgestane Heer, de Eersteling, Christus. Hij is het begin van een nieuwe oogst. Wij horen bij Hem. Wij danken U Vader, dat we zo konden kijken naar die zegenende handen, die doorboorde zegenende handen, die doorstoken zijde. We willen U danken dat de Here Jezus leeft. De discipelen waren verblijd toen ze de Here zagen. Zo zijn wij verblijd Vader, niet omdat het ons zo goed gaat, omdat alles vlekkeloos is. Hier zijn mensen in de zaal die heel veel pijn en die heel veel verdriet hebben gehad en grote zorg. Als we denken aan — en —, — als we denken aan alle anderen die hier zitten en nu nóg pijn en moeite hebben misschien; er is zoveel nood, zoveel zorg. Wij zijn niet blij omdat de omstandigheden zo mee zijn. Misschien zijn ze wel tegen. Maar we zijn blij omdat we de Here Jezus kennen, omdat we Hem zien. Vader dank U wel voor Uw Zoon. Amen.”