Verlangen van Christus

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

23. Verlangen van Christus.

Johannes Bijbellezing door Dato Steenhuis,
31 oktober 2005
Johannes 20 vers 24 – 31
24] En Tomas, een der twaalven, genaamd Didymus, was niet met hen, toen Jezus daar kwam.
25] De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben de Here gezien! Maar hij zeide tot hen: Indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven.
26] En na acht dagen waren zijn discipelen weer in het huis en Tomas met hen. Jezus kwam, terwijl de deuren gesloten waren, en Hij stond in hun midden en zeide: Vrede zij u!
27] Daarna zeide Hij tot Tomas: Breng uw vinger hier en zie mijn handen en breng uw hand en steek die in mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig.
28] Tomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Here en mijn God!
29] Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven.
30] Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen zijner discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek,
31] maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam.
Het evangelie van Johannes is één van die schitterende schilderijen over de Here Jezus. U hebt er vier van: Mattheüs, Markus, Lucas en Johannes. Ze zijn alle vier verschillend, maar ze zijn wel heel, heel bijzonder. En Johannes schildert de Here Jezus als God Zelf. “Deze zijn geschreven” – dat was het laatste stukje van onze tekst van vanavond – “deze dingen zijn geschreven opdat gij weet en opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God.” De Here Jezus is écht Mens geweest. Hij is als Mens hier op aarde gekomen, is echt in de baarmoeder van Maria geweest en is echt in Bethlehem geboren. De Here Jezus is ook echt gestorven. Maar al die dingen zoekt u tevergeefs in het Johannes evangelie. Daar staat dat niet. Daar komt Maria alleen maar aan het eind voor, staande bij het kruis, maar niet in de hele gang naar Bethlehem ofzo. Niets van de twaalfjarige, niets van Bethlehem, niets van vluchten voor…. De Here Jezus, God de Zoon. Dit is best moeilijk. Het is zelfs bijna niet te behappen voor ons. Hoe zou je kunnen begrijpen dat God én Mens én God Zelf is? Ongeveer 300 na Christus is er al een soort kerkvergadering – concilie – geweest en daar hebben de vroege vaderen zich al gebogen over deze vraag. En toen zijn ze tot de uitspraak gekomen die we nu nog kennen: “God en Mens in één persoon.” Het is niet te bevatten. Dat is een dimensie te ver of te hoog voor ons. Maar dat is het geloof. In het Johannes evangelie is de Here Jezus dus niet geboren, Hij wás er. Hij was al bij God. “Woord is vlees geworden”, daar moet je het mee doen. In het Johannes evangelie is de Here Jezus niet gestorven. Is dat niet zo? Ja, natuurlijk, de Mens Christus Jezus – Lucas – Hij stierf. In Johannes: “Hij gaf Zijn geest over.” Je kunt duizend keer zeggen: “Dat is hetzelfde”, maar dat is niet zo. In het Johannes evangelie is de Here Jezus niet opgewekt – dat moet een ander doen – Hij is opgestaan, dat kan Hij Zelf. Al dit soort verschilletjes, ze gaan iets duidelijk maken. Als je er even de smaak van hebt, dan ga je vanzelf verder zoeken. Johannes schrijft over de Here Jezus. En in dit stuk gaat het over de Here Jezus die al opgestaan is. In Jeruzalem is het kruis geweest, of iets buiten Jeruzalem. En de Here Jezus is gestorven, Hij is begraven en Hij is opgestaan. Op het moment dat op het Tempelplein een garf der eerstelingen, een bundel aren uit de eerste oogst, de gersteoogst, aan de Here God werd aangeboden van: “Kijk, dit is het begin van een nieuwe oogst!” – op dat moment stond de Here Jezus op. Dat is op zich al in de regie zoiets bijzonders, dat je misschien al verbaasd bent: “Hoe is dit nu mogelijk!” Dat is inderdaad heel precies vastgelegd. En diezelfde dag – ten tijde van het avondoffer – kwam de Here Jezus bij de discipelen in een bovenzaal. Waar de Here Jezus het avondmaal had ingesteld, waar Hij de voetwassing had gedaan, waar Hij gesproken had het Huis van de Vader, waar Hij over de vruchtbare wijnstok gesproken had, waar Hij over de Heilige Geest gesproken, en waar Hij met de Vader had gesproken over jou en over mij. Daar waren de discipelen weer. De Here Jezus noemt het: “Zijn herberg.” Toen Hij geboren werd, was er geen plaats voor Hem in de herberg en later ook niet. Hij had geen plaats waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen. De vossen hadden ook nog een hol, vogels hadden nog een nest, maar de Zoon des mensen had geen plaats waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen. Alleen aan het kruis. “Hij boog het hoofd”, dezelfde uitdrukking als: “je hoofd neerleggen”. En tóch noemt de Here Jezus die bovenzaal Zijn herberg. En daar – zoals ik zei – is van alles gebeurd. De discipelen zijn op die kruisdag daar weer naar toe gegaan en op de opstandingdag waren ze daar ook. Daar verschijnt de Here Jezus. En Hij toont Zijn handen en Zijn zijde. Daar heeft Hij de zegen uitgesproken die de Hogepriester normaal uitsprak. De Here Jezus, onze Heiland. Ik hoop dat het je écht raakt en dat je kunt zeggen: “Dat is ook mijn Heiland, dat is ook mijn Verlosser. Dat is Degene die voor mij en voor mijn schuld gestorven is. Die heeft het voor mij in orde gemaakt bij God. Het is niet alleen Jezus de gekruisigde, maar het is veel persoonlijker. Het is mijn persoonlijke Heiland en mijn persoonlijke Verlosser. Hij verscheen. En daar, in die bovenzaal, hebben de discipelen zich verblijd toen ze de Here zagen. Dat is gewoon een vreugde geweest om Hem daar te zien. Eén ontbrak toen: Tomas. Wij noemen dat de ongelovige Tomas. De televisie noemt hem ook ongelovige Tomas; je hebt zelfs hele horde van die ongelovige Tomassen in een heel vak geduwd. Ik hou het toch maar op de gelovige Tomas. In Johannes 11 staat dat Tomas ook iets heeft gezegd. Ze waren uit Jeruzalem gegaan omdat de mensen in Jeruzalem stenen opnamen om Jezus te stenigen; toen zijn ze weggetrokken, ze zijn over de Jordaan gegaan, ze zijn buiten de landsgrenzen gekomen, daar is de Here Jezus gebleven. Toen kwam de boodschap van Maria en van Martha – Johannes 11 – en toen zei de Here Jezus: “Ik ga terug.” Dan zeggen ze allemaal: “Doe toch niet zo raar, want ze willen U stenigen, ze gaan U doden! U moet niet teruggaan!” En de Heer zei: “Het is wél goed.” En de enige die zei: “Laten we met Hem gaan om met Hem te sterven”, was… de gelovige Tomas. Petrus heeft ook zoiets gezegd, maar dat liep niet zo goed af. Ik wil dat Tomas een beetje in uw achting stijgt. Hier staat weleenswaar van Tomas: “Zalig zij die niet gezien hebben en tóch geloven”, maar daar zal ik straks nog iets over zeggen. Maar de gelovige Tomas. Weet u waarom Tomas zo’n vip-behandeling krijgt van de Here Jezus? Omdat hij zo van de Here Jezus hield. Omdat de Here Jezus zo naar Tomas toe, waar wil maken wat Hij Zelf heeft gezegd: “Als je Mij liefhebt, zal Ik Mijzelf aan jou openbaren.” En dat gebeurd hier. Op een prachtige manier. De Here Jezus openbaart Zich aan Tomas. Daar gaat iets aan vooraf. De discipelen zeggen: “Tomas, je was er niet. Waar was je? Was je bij de buren in het kerkgebouw?” Sorry hoor. “Of zat je daar vanmiddag, of had je helmaal geen zin meer misschien?” Dat zou kunnen. Dat zijn meer de herdershónden, die blaffen altijd. Die hebben altijd wel iets te blaffen. Maar de Herder gaat niet zeggen waar jij allemaal in faalt, maar die gaat iets anders zeggen. “Wij hebben de Here gezien.” Nou, het bekende van de predikant die ooit afstudeerde en geweldige dingen wilde doen in de gemeente, die verhalen die ken je inmiddels. Een briefje vond op z’n preekstoel: “Heer, wij wensen Jezus te zien.”, dat is een tekst uit Johannes 12 weet je wel, waar Grieken komen die zeggen: “Heer we wensen Jezus te zien”. Nou, die jonge predikant vond dat briefje bij het begin van de dienst en hij schrikt zich eigenlijk een beetje een hoedje en denkt: “Wat nu, heb ik de preek niet goed in elkaar getimmerd? Is dat niet een theologisch onderbouwd verhaal en zit dat niet goed in elkaar?” Ze hadden Hem niet gezien. Daar schrik je van. Als je goed je best doet en mensen zeggen: “Eigenlijk hebben we één ding gemist, we hebben de Heer niet gezien.” Hij ging op z’n knieën, heeft zijn schuld erkend en beleden. Drie, vier weken later, weer een briefje. Hij schrikt weer. Maar nu was het een tekst uit Johannes 20: “We hebben de Heer gezien!” Dat is het verschil. Als u de dienst verlaat vandaag, en u kunt naar huis gaan en zeggen: “We hebben Dato gezien.”, dan zou ik me kapot schamen. En toch gebeurd het heel vaak. Hebt u de Heer gezien als u in de dienst geweest bent? Anderhalve week terug, Loofhuttenfeest in Jeruzalem. Wij waren daar met een groep. Afsluitende avond, een “Sukkoth Celebration”, zo heet dat daar; viering van het Loofhuttenfeest. In de congreshal, spreker – ik zal de achternaam maar niet noemen – een zekere Jim, uit Amerika. Het leek me fantastisch voor de hele groep om dit mee te maken. Als je dan toch een hele tijd bezig bent met de feesten van de Here, en Loofhuttenfeest, en dan zo’n viering aan het eind, dat kan een hoogtepunt zijn. Ik had me opgeworpen als vertaler, niet echt omdat ik dat graag wilde maar er waren meer Nederlands sprekende lieden en die zouden dan via headphones en via de techniek, mee kunnen luisteren. Na de entree, de tijd één uur ongeveer. Nou, u denkt: “Ja, dat is toch normaal!” Nou, doe maar, ga er maar aanstaan. Springen, hossen, reidansen, we hebben van alles gezien. Toen begon het, een collecte. Dat duurde ook een half uur. Ik bedoel niet het ophalen, maar het aankondigen. De broeder die spreken zou die avond, las voor uit eigen werk. Ik moest écht denken aan Asterix en Obelix; het was mijn favoriet van vroeger. Maar één van die figuren in Asterix en Obelix, was iemand die áls die iets zei, altijd voordroeg uit eigen werk. Het was niet om aan te horen, maar goed, zo wordt het dan ook gesuggereerd. Nou, dat deed de broeder/voorganger ook, die avond. Dat was het begin. Ik zal maar niet zeggen hoe het verder ging met het gebed en zo, want daar schaam ik mij nu nog voor. Maar daarna heb ik Jim gezien…. En Jim gezien en Jim gezien. En dat ging op een charismatische manier, van dikhout zaagt men planken; dat ging behoorlijk met geweld, verbaal geweld maar ook ander geweld, in de zaal ook. Van onze groep liepen er denk ik twintig uit, die konden het niet meer verdragen. Maar ik had me opgeworpen als vertaler, ik denk: “Ik ga tot het einde toe blijven zitten.” Ik was bij driekwart van de preek, en toen kon ik niet meer. Ik had al een keer gefluisterd in de microfoon: “Hier ben ik het niet mee eens”, en dat mag je als vertaler helemaal niet zeggen, maar goed. Maar ik denk: “Phoe! Ik hou het niet meer!” Wat ik zeggen wil – lieve broeders en zusters – is het volgende: We hebben hem gezien, Jim. De avond daarvoor waren een zestal uit onze groep daar ook geweest, maar, met een taxi daarheen gegaan, voor zichzelf zal ik maar zeggen. En ik vroeg de volgende ochtend: “Hoe was het?” “Nou, fantastisch! Schitterend! Israël stond écht centraal.” En de verslaggever – dus iemand die er geweest was – zei er nog bij: “Nee, Jezus stond dus deze avond niet centraal, maar Israël stond centraal.” Nou, het was maar goed dat ik bretels aan had – als u begrijpt wat ik bedoel. Ik wil daar dus gewoon iets van zeggen: Het schijnt iedere keer die kant op te gaan. Wordt het dan niet tijd dat wij durven zeggen: “Heer, we wensen Jezus te zien!” Zou je dat niet als een gebed, mee willen nemen voor aanstaande zondag voor de dienst die komt: Wij willen de Here Jezus graag zien. Je kunt praten wat je wilt en je kunt bedenken wat je wilt en je kunt op poten zetten wat je wilt, maar als de Here Jezus Zelf niet het centrum wordt, dan wordt het een holle frase! Dan wordt het iets van onszelf! En wie het dan het leukste kan brengen, ja, dat is dan de gevierde! Dat is het dan. Dan wordt het een soort entertainmentachtig gebeuren, een soort verpozing. En wie het dan het mooiste doet, ja misschien zeg je wel: “Als ik het vergelijk met die voor de televisie of met dat voor de televisie, of met dat in de Schouwburg… ja, dan ga ik maar niet meer naar de dienst, want ik kan het beter!” Oké. Wij willen de Here Jezus zien. Als we de Here Jezus niet zien in de prediking; als u de Here Jezus niet ziet, hier in dit gebouw, als het niet écht waar wordt, dat Hij hier in het midden is – twee of drie in Zijn Naam bij elkaar betekent: Hij is in het midden! Het gaat om Hem toch? Toen de Here Jezus die eerste dag, de dag van de opstanding, bij de discipelen kwam, stond Hij daar ineens in het midden. Op die eerste dag van de week. Zondag. Merkwaardig toch? Op de eerste dag van de week werd de garf der eerstelingen aangeboden – staat al in het Oude Testament – “daags na de Shabbath”. En vijftig dagen later, weer “daags na de Shabbath”. En nu is het “daags na de Shabbath” en de Here Jezus staat op uit het graf – Hij Zelf – Hij, Hij is daar in het midden! Hij is het centrum. Hij toont Zijn handen, Hij toont Zijn zijde, en zij zijn blij! En ze gaan ook vertellen: “We hebben de Heer gezien!” Als u het hebt over de leer van ons, of – laat ik maar zeggen – de gevoeligheden die er liggen, dan wordt niemand daar wijzer van, en daar raak je ook niemand mee. Misschien stoot je wel iemand af. Maar als je het hebt over de Here Jezus, dan raakt dat. Mensen hebben vandaag de Here Jezus nodig, niet onze leer! Niet onze traditie, onze vorm, want ze hebben Hem nodig. Iemand nodig, en die Iemand is niemand minder dan onze Here Jezus. Ik hoop dat dit gebeurt. In elk geval is het getuigenis van de eerste discipelen geweest: “Wij hebben de Heer gezien!” En Tomas heeft gezegd: “Ik wil het ook zelf zien.” Bijna een Nederlander die zegt: “Ja, ja, oké. Ik wil het zelf zien.” Het zou kunnen zijn dat je hier vanavond bent, en de Here Jezus nog nooit gezien hebt. Hoe gaat dan dat? Komt Hij dan in een visioen naar je toe? Gaat Hij dan ineens voor je staan? Kun je dan Zijn gelaatstrekken onderscheiden? Kun je Zijn ogen zien, Zijn mond, Zijn statuur, Zijn hele figuur? Als je in charismatische kringen komt of daarvan hoort of leest, dan krijg je de volgende vraag: “Wie zou vanavond de Heer willen zien? Komt alstublieft naar voren.” Dan komt er een hele horde naar voren, en die krijgen ook zo’n preek te horen zoals ik nu vanavond ga uitspreken. Zou u het willen? Zou u de Here Jezus willen zien? Zou je Hem niet diep in de ogen willen gaan kijken? Zou u niet willen dat Hij Zich aan jou openbaart? Ik zeg je met de hand op mijn bijbel: De Here wíl Zich aan jou openbaren. En als je Hem niet gezien hebt, en je misschien zegt: “Ja, ja, ik heb wel gehoord, ik heb gehoord dáár, maar zelf heb ik Hem niet gezien.” Bijna de discipelen op de opstandingdag: “Die hebben gezegd dat Hij leeft en díe hebben het ook nog zien, maar wij hebben Hem niet gezien. Wij hebben Hem zelf niet gezien!”, zo ongeveer. En zo schijnt het een gewone zaak te zijn voor de meeste mensen van: “Ja, het is allemaal best en aardig maar Hem zagen wij niet!” Vanavond, hoop ik, ziet u Hém! U ziet de Here Jezus, die nú voor je gaat staan, en tegen jou gaat zeggen: “Zou jij Mij willen zien? Zou je Me écht in de ogen willen kijken? Kom dan eens wat dichterbij!” Dan moet je ook durven. Dat is een uitdaging. Niet naar mij toe, en ook niet naar het front van dit kerkgebouw toe, maar naar Hem toe! En dat je durft zeggen: “Here Jezus, ik wil U zo graag zien, ik wil zó graag met U kennismaken!” En de Here Jezus zegt: “Kom eens wat dichterbij en leg je vinger daar eens in, in die wonden in Mijn handen en steek je handen eens in Mijn zijde.” Dat is heel persoonlijk. Dat is niet een kwestie van: Ja, wij geloven dat de Here Jezus aan het kruis gekruisigd is, dat Hij gestorven is; dat ze Hem met spijkers de handen hebben doorboord. Dat geloven wij, dat staat in de Bijbel. Dit is heel anders! Dit is niet: “Dat geloven wij” maar: “Dat weet ik!” Want ik heb mijn hand heel concreet in Zijn hand gelegd, ik heb mijn vinger in die wond gelegd. Ik heb mij één gemaakt met dat wat daar is gebeurd. Dat is geloven: dat is je één maken met dat wat daar is gebeurd. En dat wil de Here je geven. Is dat nu ingewikkeld? Dit is helemaal niet ingewikkeld. Is dit voor oude lui? Nee, ook niet voor ouderen, dat is ook voor jongeren. Dat is voor mensen die graag willen zien wie Hij is. En die steken hun hand in Zijn zijde. Dat betekent: “Here Jezus, door Uw vergoten bloed ben ik een kind van God. DankUwel daarvoor.” Tomas komt naar voren. Jij moet een keer uit je schuilhoek naar voren komen. Je moet een keer uit de verborgenheid treden, uit de anonieme en eens een keer heel persoonlijk tegen de Here Jezus zeggen: “U bent mijn Heer, U bent mijn God!” En je gaat helemaal, helemaal door de knieën. Je bent in één keer helemaal weg. Dat is heel persoonlijk. De Here Jezus leren kennen als je Heiland, als Iemand die je nodig hebt vanwege jouw probleem, vanwege jouw zonde, vanwege jouw prut, vanwege allerlei dingen om jouw heen, dat is één zaak. Maar Hem écht leren kennen als jouw Heer, de God Zelf, Jahweh Zelf, dat is een tweede. Zou je het willen? Nou, ik hoef het eigenlijk niet te vragen, want ik ga er echt vanuit dat je het wilt. Want ik wil die uitdaging ook niet hier ineens binnenbrengen, van: naar voren komen en dan dingen doen. Maar je kunt heel stil, rustig op de bank of op je stoel zittend, best zeggen: “Here Jezus, dat wil ik graag. Ik wil zo graag heel dicht bij U zijn. Heel dicht bij U komen. Ik wil mij echt één maken met wie U bent. Ik wil mijn hand leggen in Uw hand en ik wil mijn hand steken in Uw zijde en zeggen: Mijn Heer en mijn God.” Dat is Tomas. En als beeld is dat heel belangrijk voor ons. Juist voor kerken die al heel lang bestaan. Juist voor gelovigen die al heel lang een bepaalde weg gaan is het heel belangrijk om een start te kennen, een eigen start, een eigen punt, een moment te hebben van “toen”. Dat mag vanavond. Morgen is het misschien de dag waarop u aan allerlei dingen denkt. Of het nu Luther is of wat anders, dat laat ik nu maar los. Maar misschien is dit dan wel een goede datum om te zeggen: ” Laat het in mijn leven ook tot een vernieuwing komen, tot een verandering komen: mijn Heer en mijn God.” Er is nog een tweede lijn in ditzelfde stuk. En dat ligt wat moeilijker. De Here Jezus zegt: “Zalig die niet gezien hebben en toch gelooft hebben.” Weet je wie dat zijn? Klinkt een beetje tegendraads met wat ik net zei. Dat is de Gemeente. Van hén staat in de bijbel: “Ze hebben Hem niet gezien en toch geloven ze.” Ja maar, zopas zei je toch dat we Hem zouden kunnen zien? Ja, Hij wil Zich aan jou openbaren. Hij wil Zich echt laten zien aan jou. Hij wil Zich echt laten zien. Maar er zit nog een andere lijn in het Johannes Evangelie. Misschien moet ik iets terug gaan. Het hele Johannes Evangelie is ook één schitterend profetisch vergezicht. Dat is voor de één een hobby om écht helemaal je tanden daarin te zetten en om daarmee aan de slag te gaan. En de andere zegt: “Nou, zo ingewikkeld hoeft het voor mij niet.” Ik begrijp het ook wel, maar ik wil het toch proberen. Johannes 1 is een magistrale opening: “Het Woord was bij God en het Woord was God, het Woord is vleesgeworden; we hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd.” Maar die magistrale opening – Het Woord is vleesgeworden, heeft onder ons gewoond – krijgt inhoud, wanneer? Ja, toen, toen natuurlijk. Ja ook. Maar komt dat nog een keer? Jazeker! Dat komt nog terug. Jeruzalem zal een keer de naam krijgen: “De Here woont er!” Jahweh Shama, Hij woont er. De Here is aldaar. Dat is toekomst nog. En de meeste mensen weten heel goed dat er een moment gaat komen dat de Here Jezus terugkomt hier op aarde. Dat Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg en dat Hij dan Jeruzalem binnengaat en dat dit de “Stad van de grote Koning” zal zijn, zo heet dat in Psalm 48, Mattheüs 5. En, het “Sion van de Heilige Israëls”, zo wordt die stad genoemd. Jeruzalem zal de plaats zijn waar Hij troont, waar Hij is. Jahwe Shama – nog een keer die tekst uit Ezechiël 48 het laatste bijna, van het Ezechiël boek – de Here is aldaar. Met andere woorden: dat wat in Johannes 1 staat, is toen zichtbaar geweest, maar is op hetzelfde moment een profetisch vergezicht van wat nog komt! Johannes 2. Bruiloft van Kana. Kent u he? Op de derde dag. Ik heb vroeger zulke ingewikkelde verhalen en verhandelingen gelezen over die derde dag, dat ik er geen touw aan vast kon knopen. Ik dacht: “Hoe komen ze daaraan?” Maar ik wist ook geen betere. Dus: Johannes de Doper en de volgende dag, en de volgende dag en dan kom je bij de derde dag. Dat is niet zo. Op die derde dag is in Israël nog steeds de dag van de bruiloft. Bij ons is dat vrijdag, dat komt wat beter uit vanwege het uitslapen. Maar daar is het dinsdag. Waarom dinsdag? Nou, dat is heel eenvoudig. Als je dat één keer vraagt bij rabbi’s en bij mensen die de Thora kennen, dan zeggen ze: “Nou, heel eenvoudig, omdat op de derde dag God de schepping – weet u wel, Genesis 1 – “Op de derde dag kwam het droge tevoorschijn en er kwam jong groen tevoorschijn en zaaddragend gewas en zaadgevend gewas; er kwam heel, hele nieuwe vruchten”.” Nou, dus zeggen ze: “Het huwelijk is het beeld van die droge plek, er is een plaats waar je kunt staan en waar je vruchtbaar kunt zijn en waar je zegen van God ontvangt. Daarom derde dag.” Mooi he? Ik vond het mooi. Er is nog sprake van een derde dag. Als in Hosea staat dat er twee dagen zullen verlopen zonder offer, zonder God, zonder terafim, maar dat er een derde dag gaat komen… O ja? Ja, er komt een derde dag. En dan openbaart Hij Zijn heerlijkheid! Dan zal de wijn ineens beter blijken te zijn dan de wijn die ooit geschonken is! De vreugde die er dan is, is beter dan ooit geweest! Bedoeld u te zeggen dat Johannes 2 ook een profetisch vergezicht is? Ja, dat bedoel ik precies. Johannes 3. Nikodemus. U kent hem he? Nikodemus en die zegt notabene ’s nachts bij de Here Jezus: “U bent de Leraar van God gekomen, want niemand kan zulke dingen doen die U doet.” Hoe komt hij daarbij? Joël 2 vers 23: “God zal de Leraar ter gerechtigheid gaan geven!” En de enige die dit doorheeft is Nikodemus. Die zegt: “U bent die Leraar van God gekomen! U bent het!” En wat gaat er in de toekomst gebeuren? Wij gaan luisteren. En die Nikodemus hoort iets over wedergeboorte. Zo kan ik met al die hoofdstukken wel verder gaan. Johannes is het meest diepzinnig evangelie van alle vier. Dat kan ook niet anders, want het gaat over Jahweh Zelf, daar kom je nooit helemaal mee rond. Dat is te omvangrijk om het helemaal in kaart te brengen. Maar toch, de Here Jezus. Hij staat in dit evangelie centraal en het gaat om Hem. Is dat ook zo in Johannes 20? Ja, dat is ook zo in Johannes 20. Ook in al die hoofdstukken die hiervoor al weggingen? ’t Gaat veel te veel tijd vergen om dit allemaal uit de doeken te doen. Ik ga het nu eenvoudig zeggen. Het eerste stukje is de Here Jezus op de opstandingdag bij de discipelen. Acht dagen later, weer op de eerste dag van de week, komt Hij daar weer. Acht dagen betekent in de bijbel altijd: een nieuw begin. Altijd. Wat bedoelen we nu te zeggen? Lieve broeders en zusters, er komt een moment dat die, die aanvankelijk niet geloofden, zullen zien en geloven. Wie zijn dat? Israël. Wat zullen ze dan zien? Ze zullen zien op Hem die doorstoken werd! En ze zullen notabene vragen: “Wat zijn dat voor wonden in Uw handen?” Daar heb je notabene in het boek Zacharia expliciet het antwoord: “Ze zullen hun hand steken in die zijde en ze zullen hun vinger leggen bij die wonden. En ze zullen zeggen: “Mijn Heer en mijn God!” Heel Jeruzalem snákt naar de Messias. Heel het Joodse bestaan hangt aan een zijden draad en niemand weet hoe het moet! Sharon doet het niet goed maar Nethanjahu kan het ook niet en meneer Peres kan het ook niet. Niemand kan het oplossen! En iedereen weet heel wel dat er maar één oplossing is, en dat is de Messias. Maar Jezus is die Messias niet, dat is hun probleem! Als ze dat nu wél zouden zien, zou er een oplossing zijn. Maar die is er niet! In hun optie bestaat Hij niet! Jammer he! Daarom ligt er nog een bedekking op ze. Maar er komt een moment dat die bedekking wordt weggetrokken. Er komt een moment dat de Here Jezus verschijnt. Dat Hij op de Olijfberg komt. Ze zullen zien op Hem die doorstoken werd. En ze zullen bitter rouw bedrijven en leed dragen. Ze zullen erkennen: “Hij is Heer, ja Hij is Heer! U bent het tóch Here Jezus! Wat zijn dat voor wonden in Uw handen?” “Daarmee ben Ik geslagen in het huis van mijn liefhebbers”, dat is het antwoord. Zien op Hem die doorstoken werd. Je ziet in het beeld van Tomas dat toekomstig – ja hoe zeg ik dat – de profetie over de toekomstige dingen, en wel zo dat zij zich zullen buigen voor Hem. Zou je dat niet willen? Zou dat niet ons gebed mogen zijn: “Here, open hun ogen!” Zouden we niet tegen hen moeten zeggen: “Wij hebben de Heer gezien!” Ja, ze geloven ons niet zo meer. Ik weet het. De Christenen hebben het behoorlijk verknoeid voor Israël. Hebben teveel kruistochten gedaan, dat was niet best. Die hebben teveel onder het mom van christelijk geloof en “wij zijn het nu en Israël heeft gezondigd en zij hebben Hem aan het kruis gezet,”…We hebben hen belaagd, we hebben hen verjaagd, we hebben hen weet ik niet waar naar toe gegooid. Enne, nou ja, de laatste Wereldoorlog met “Gott mit uns” op zo’n soldatenriem, het is erg genoeg. Als u, daar in Jeruzalem, gaat vertellen wat de Here Jezus is, dan loop je een goed risico dat ze op de grond spuwen. Bovendien mag het niet, maar het zou kunnen dat u het doet. Wie zouden het dan moeten doen? Wie zijn nu aangewezen om dat wel te doen? Ik was net in Jeruzalem en ik was ook in het land. Ik zei tegen – Messiasbelijdende gemeente in Tiberias bezocht, 350 mensen denk ik – vol enthousiast, hossen en springen, dat ook. Maar het ging echt om de Here Jezus. Onder tranen hebben we daar mee gedaan. We hebben genoten van dat wat daar gebeurde. Ik denk: “Daar, in Tiberias, waar Hij ook verworpen werd, waarvan Hij zelf moest zeggen: “Kapernaüm, Bethsaïda, Chorazin: Wee u, wee u, wee u, want als er in Sodom en Gomorra dit gebeurd zou zijn, dan hadden ze zich allang in zak en as bekeerd, maar..” Je zou zeggen, in die dagen was er niemand. En nu lopen er 350 mensen rond die getuigen van de Here Jezus. Echt en enthousiast.” Nou, ik zou u best een moment gunnen met die mensen daar. Onderwerp van de prediking – ik mocht ook vertalen – die morgen, voor deze groep van mezelf maar ook voor een andere groep: een hele merkwaardige preek over Exodus 1, die ik nog nooit gehoord had, over: “En toen kwam er een Farao die Jozef niet gekend had.” Dat was zijn tekst. Ik denk: “Wat moet je daarmee?” Dat denk ik dan. Ik preek ook een beetje en je denkt: “Welke kant moet dat op?” Maar zo gaaf! Zo bijzonder! “Jozef is een beeld van de Here Jezus”, zegt Stefanus in Handelingen 7, dus dat staat vast. Gewoon, puur, letterlijk kan er nooit een koning in Egypte zijn die van Jozef niet had gehoord. Dat is natuurlijk onzin, want ze bouwen voor elke koning een soort piramide ofzo. Nou, dat staat er als een blok, letterlijk en figuurlijk, dus dat kan nooit in letterlijke zin geweest zijn. Maar wat is het dan wel? Gewoon negeren. Overgebracht? Er is nu een vorst die niet rekent met de Here Jezus. Dat was een hele mooie, vond ik. En in contrast daarmee Paulus die zegt: “Ik wil Hem leren kennen om de uitnemendheid van de kennis van de Here Jezus Christus, mijn Heer en mijn God, wil ik dit ook allemaal.” Mooi he, dat er nog van deze mensen zijn. In Jeruzalem zelf, in een Kibboets van Messiasbelijdende Joden, hebben we een weekje gelogeerd. Daar lopen mensen rond, met zo’n warm hart voor de Here Jezus, die willen iedereen wel binnen brengen. Ondanks is Netanjahu, de bekende, daar geweest. De leider van dat gebeuren daar, een markante Jood, heeft Netanjahu verteld van de Here Jezus. Meneer Van Agt doet dat niet en mevrouw Duisenberg doet dat ook niet. En al die mensen die misschien politiek bezig zijn met Israël, die doen dat ook niet. Sommigen wel, maar de meesten niet. Ze willen helpen. Goed, goede zaken. Ze zeggen: “Niet preken, eerst geven. Eerst volstoppen, eerst voedsel geven, eerst helpen en dán.” Ik begrijp dat wel hoor. Ik bedoel het niet afkeurend, maar het is zó geweldig als daar mensen zijn die vertellen van de Here Jezus. Die tegen die mensen zeggen: “Wij hebben de Heer gezien! Jullie nog niet. Wij hebben Hem wél gezien! Wij hebben de oplossing! We weten precies Wie het is en om Wie het gaat. We hebben de Heer gezien!” En acht dagen later komt dit moment, dit gewéldige moment, dat de Here Zijn volk bij Zich roept. Toen Jozef zich bekend maakte aan zijn broers, vele, vele eeuwen eerder, toen heeft hij op een bepaald moment gezegd: “En nu iedereen even weg!” Toen was hij met hen alleen. Zo ging het met Petrus. Zo gaat het met jou, als jij de Heer wilt zien. Heel persoonlijk. Zo gaat het ook met Israël straks. Heel, heel privé. Ze zullen Hem zien. En ze zullen zeggen: “Mijn Heer en mijn God.” Johannes 20 is behalve persoonlijk, ook profetisch. Dus voor jezelf, het eerste stukje van mijn preek, én profetisch, het tweede stuk van mijn preek. Het is een fantastisch vergezicht. En ik verlang er naar dat ze Hem daar zullen zien op de Olijfberg, die dan middendoor splijt. Ik weet het, er zijn allerlei geruchten over. Onze man daar zei: “Men verwacht over 9 jaar een gigantische aardbeving in Israël.” Daar loopt die breuklijn ook langs. Daar zijn al die theorieën, die ken je ook wel, hoor je van, lees je van. Nou, dat is 9 jaar. Als de Here Jezus dan komt, over 9 jaar, dan zal dus die aardbeving daar zijn. Dat is de ongeveer de suggestie. Of het die aardbeving is? Nou, dat weet ik niet. Het kan ook wel een aardbeving zijn, een beetje eerder. Maar als het over 9 jaar is, dan ga je natuurlijk weer rekenen. Hier zitten van die echte rekenaars die zeggen: “O ja, 9 jaar. Daar gaat 7 jaar af, want we weten die laatste jaarweek van Daniël duurt 7 jaar. Over 2 jaar komt de Here Jezus voor ons. Nou, dan kunnen we nu nog even een vakantie naar Turkije boeken.” Zo ongeveer zitten wij in elkaar. Neen. Niet nu zeggen: “Over 2 jaar.”, vandaag kan de Here Jezus komen. Misschien vandaag wel. Dus niet uitstellen. Maar waar ik naartoe wil, is: alles spitst zich toe. De archeoloog zegt: “Het duurt niet lang meer.” De politicoloog zegt: “Dit knalt een keer.” En de wereldvoorspellers, die zeggen: “Hoe het daar moet met die Tempelberg en met die Islamitische heiligdommen daar op die Tempelberg, dit knalt een keer.” Iedereen denkt dat het heel binnenkort knalt. Dit kán niet zo. Dit gaat stuk. Nu, áls je dit dan ziet als tekenen van de tijd, als duidelijke, duidelijke seinpalen, wordt het dan niet tijd dat wij wakker worden? We zullen naar hen moeten zeggen: “Wij hebben de Heer gezien!” Maar we zullen dat ook naar onze buren moeten zeggen. We zullen dat aan iedereen moeten vertellen! Wij hebben de Heer gezien! Niet: “Onze leer is zus of zo”, maar: “Wij hebben Hém gezien!” Hém zien, genieten van de Here Jezus! Zijn ogen, Zijn handen, Zijn zijde, alles wat Hij heeft gedaan, is voor ons het geweldige. Zou je het willen? Amen! Wij willen graag de Here Jezus zien. En we willen van Hem vertellen. We willen uit onze volheid, ook anderen laten meedelen met Hem, zodat ook zij gaan genieten en misschien wel met ons gaan. In de toekomst gaat het anders. Ik bezocht opnieuw Yad Vashem, anderhalve week terug. Dat enorme monument van de gevallenen van de Holocaust enzo. Een foto. Eén van de duizenden foto’s. Maar één ervan trof me. Tien Duitse soldaten zaten achter een Joodse man aan. Het kunnen er negen zijn geweest, het kunnen er ook wel elf geweest zijn, ik heb ze niet helemaal precies geteld. Maar in elk geval, ze waren bezig om die ene Joodse man te arresteren. En dat lukte natuurlijk, want tegen zulk een overmacht ben je niet bestand. Tekst uit de bijbel, Zacharia 11: “Er komt een tijd dat er tien mannen uit allerlei geslacht en taal zullen vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van één Judeese man: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord en gezien dat de Here met u is.” Dat komt nog. Precies het omgekeerde. Precies het omgekeerde. We leven in spannende tijden. Soms ongemerkt worden we meegesleurd. Eén van de borden die opvielen in Jeruzalem aan de lantaarnpalen was een expositie in het Israëlmuseum, met de titel – schrik niet – “Rome to Jerusalem”. Rome in Jeruzalem. Dat was toen, dat komt nog en het is alsof we er al een beetje aan wennen. Zoals onze jeugd alvast moet wennen aan tovenarij en occultisme enzo, verkeerde verbindingen of dat nu door Potter of door weet ik veel wie komt. We moeten aan draken wennen, we moeten aan weet ik veel wat voor monsterachtige dingen wennen. We moeten aan geweld wennen. En ja, “stop zinloos geweld”, dat is de ene kant, maar het barst bijna van de televisie af al dat geweld. Het is onvoorstelbaar. We moeten overal aan wennen. Nou, ook dit. Alles duidt erop, mijn broeder en zuster, dat deze dingen niet zomaar gebeuren. Ik wil u niet ontmoedigen, ik wil u graag bemoedigen. Maar ik wil één ding voorop stellen: Wij zullen nu vandaag meer dan ooit moeten zeggen “Wij hebben de Heer gezien. Wij hebben Hem gezien. En ze moeten Hem hebben. Nee, ze moeten ons niet hebben, ze moeten Hem hebben, de Here Jezus. Hij is het.” Amen.
Ik wil graag met u een dankgebed uitspreken:
“Onze God onze Vader, we willen U danken dat we zo naar Johannes 20 mochten kijken. Een klein stukje. En dat we naar Thomas keken, de gelovige Thomas. Een beeld van Israël. We willen U hartelijk danken dat U een keer brengt in hun lot. Dat U Israël opnieuw een Geest van Genade en van Gebed zendt. En dat zij U zullen zien, Here Jezus, zoals U bent. Wij, die nu geloven – in Hem gelooft gij hoewel gij Hem thans niet ziet – wij die nu geloven mogen weten dat de Here Jezus in de hemel is; verhoogd is, verheerlijkt is. Dat Hij daar, zoals al in het gebed gezegd is, voor ons bidt en voor ons tussen beide treedt. Wij willen U danken dat de Here Jezus leeft. En we willen U ook danken dat de Here Jezus de Gemeente bij Zich roept. En we willen U ook danken dat er met Israël een nieuw begin wordt gemaakt. De achtste dag komt, de nieuwe periode aanbreekt. DankUwel daarvoor. We bidden Uw zegen over deze dienst, over iedereen die hier was. Wilt U hen allen bijzonder Uw Vrede en Uw zegen schenken. Laat het alstublieft zo zijn dat we Hem, onze Heiland, zien. In Zijn Glorie, in Zijn Heerlijkheid, maar ook in Zijn gaan naar het kruis. We bidden U dat in Zijn naam. Amen.”