Openbaring 10

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

12. Zee en aarde onder Gods voeten.

Openbaring Bijbellezing door Dato Steenhuisj
15 september 2002.

Lezen: Openbaring 10 en Openb. 11:1

Morgen is het 16 september volgens uw en mijn agenda en dan is het Grote Verzoendag in Israël, Yom Kippoer, de dag waarop destijds een keer een oorlog uitbrak, dat herinnert u zich, maar een heel bijzondere dag. In de bijbel, in het NT, lezen we niet dat er ooit iets van dat Grote Verzoendag-gebeuren is geweest. Je kunt het niet vinden. En dat komt waarschijnlijk omdat in het NT er wel een tempel stond, maar er was geen Heilige der Heiligen met een ark daarin. Die ark is nooit terug gekomen. Volgens Jer. 3:3 [moet m.i. vs 16 zijn] is die nooit meer teruggekomen, zou ook niet gezocht worden, zou ook niet weer gemaakt worden. Die ark is destijds een keer weggevoerd, maar niemand weet waar die ark gebleven is. Er zijn allerlei gissingen, in Ethiopië zou een tempeltje staan, de Tros heeft dat hier in Nederland onthuld. Maar anderen, ja misschien weten die ook iets, maar anderen zeggen: “Het zou misschien toch wel helemaal onder het tempelbergcomplex bewaard kunnen zijn. Er zijn sterke aanwijzingen dat de ark daar zou zijn.” Goed, weet ik ook niet helemaal zeker. Maar het gaat mij om wat anders. Op de Grote Verzoendag gebeurde er iets bijzonders. Sommigen hebben wat avonden of studies over de tabernakel meegemaakt en zullen zich dit herinneren, want ik heb het toen ook gezegd. Op de Grote Verzoendag zag de hogepriester er echt anders uit. Altijd liep die hogepriester in een schitterend hogepriesterlijk kleed, prachtig, echt heel mooi, heel duur, met gouden draden en blauwpurper, roodpurper, scharlaken, linnen. Gouden draden maar ook diamanten, prachtige dingen, helemaal versierd, helemaal kleurrijk en gouden belletjes aan de onderkant van zijn overgooier. En tussen de gouden belletjes hing dan een granaatappel in allerlei kleuren. Nou, je kon die man horen lopen, echt. En op zijn hoed een grote gouden plaat: “De Here heilig” een diadeem, schitterend. Het was één en al glorie, één en al schittering. Zo liep hij altijd, 359 dagen per jaar. Toen had het jaar 360 dagen en u voelt het, één dag liep hij anders en dat was op de grote verzoendag. Nu ga ik het anders zeggen. Altijd heeft de Here Jezus glorie en heerlijkheid gehad. Altijd één en al schittering, altijd prachtig. Adembenemend mooi. Maar één dag, ik zet hem even tussen aanhalingstekens, één dag liep Hij anders. En dat was toen Hij hier op aarde kwam, waarvan de bijbel zegt Hij had gedaante noch heerlijkheid dat we Hem begeerd zouden hebben. En toen is de Here Jezus naar het kruis gegaan. Uiteindelijk bespot, gesmaad, geslagen, aan alle kanten, alle kanten miskend, op een vreselijke manier behandeld. En de Here Jezus is toen dat werk gaan volbrengen. Op, op dé Grote Verzoendag. En toen is de Here Jezus met Zijn eigen bloed in het Heilige der Heiligen gegaan. In de hemel zelf zegt de bijbel. Niet in een met handen gemaakt heiligdom, een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons. De hogepriester deed dat vroeger op die Grote Verzoendag. Dat was toen de 10e van de 7e maand, dat was de dag van de Grote Verzoendag. ‘s Morgens ging de hogepriester het heiligdom binnen en dan ging hij van kleren veranderen. In het heiligdom, in de tempel of in de tabernakel, daar lagen hele speciale kleren, heilige linnen kleren en die trok hij aan. En als hij het werk volbracht had trok hij die linnen kleren van die dag weer uit. Echt kleren zonder enige opsmuk, heel gewoon. En liet ze daar en Hij ging zich weer in dat prachtige gewaad steken en kwam dan naar buiten en zegende het volk.
We zien hier in hoofdst. 10 de Here Jezus in glorie en in heerlijkheid. We zien Hem naar buiten komen op een manier zoals wij Hem nog nooit gezien hebben misschien. We denken aan de Here Jezus, als degene Die naar het kruis ging, Die zijn leven liet, Die daar vreselijke dingen moest doormaken om jou en mij gelukkig te maken. En dank Hem daarvoor, dank Hem daarvoor. Yom Kippoer, grote verzoendag, het is echt gebeurd, het is echt volbracht, het is werkelijk, werkelijk gedaan door Hem. Maar Hij is meer dan Iemand Die verguisd werd, dan Iemand Die geen gedaante nog heerlijkheid had op dat moment. Dat was wel zo, zo was de Here Jezus, maar dat hoorde bij de Grote Verzoendag. Dat was de entourage van die dag. En dat was voorzegd in het OT. En dat is heel merkwaardig dat zoiets in de bijbel staat. Als de grote verzoendag voorbij was, dan liep de hogepriester weer in zijn schitterend gewaad he, je kon hem weer horen. Je kon hem zien en je kon je vergapen aan zijn prachtige kleuren en kostbare elementen.
Hoofdst. 10 van het boek Openbaring brengt de Here Jezus naar buiten. Hij verschijnt. En hoe? Nu, Hij komt uit de hemel, uit het heiligdom, waar Hij naar binnen is gegaan, nu zeg ik het maar heel eenvoudig. Waar Hij met Zijn bloed naar binnen is gegaan op de dag zelf, maar waar ook Hij naar binnen is gegaan om te worden gekroond met eer en met heerlijkheid. Hij is daar nu en Hij komt naar buiten. De hemel gaat open, opnieuw, en Hij komt naar buiten en daar is een wolk om Hem heen. Misschien weet u het nog, misschien herinnert u zich dit nog, maar ook dat is al aan de orde geweest een beetje, weet je wel. Altijd als het gaat om de Glorie van God dan is daar een wolk bij. Niet een soort regenwolkje van een bewolkte dag in Nederlandse klimatologische situaties. Nee, wolk van heerlijkheid, de Sjechina, de wolk van glorie. U weet het, in het OT kwam er een wolk, een wolk van glorie. Overdag was dat een licht, ‘s nachts een vuurverschijnsel, maar het was heel duidelijk een wolk. En die wolk heeft het heilige der heiligen vervuld. Toen woonde de Here daar en de mensen konden niet eens naderen vanwege de glorie van dat moment. En dat is steeds zo gebleven. En die heerlijkheid van God, die glorie van God was ook bij hen, bij het volk van God, bij het volk Israël. Was over hen, was boven hen en zij konden letterlijk vernachten in de schaduw van de Almachtige. Ze hadden een schitterende situatie. Veertig jaar lang in de schaduw van de Here God. Je kunt je het haast niet voorstellen. We hebben net een paar dagen mooi weer gehad. Ik zat ergens in Drenthe vanwege bijbelstudies daar en we konden buiten zitten en, nou, toch maar een parasolletje he, want je houd het toch niet echt helemaal vol he. Nooit een parasolletje, nee, dat was niet nodig want de Here was er met Zijn wolk constant boven. Veertig jaar lang, permanent in de schaduw van de Almachtige, want de wolk van de Here was daarboven. Nou dat moet super zijn geweest, zeker in de woestijn, want ‘s nachts koelt het dar enorm af. Helder weer, altijd heel koud ‘s nachts. Nee hoor, bij Israël niet. De schaduw van de Almachtige. Nooit te koud, nooit te warm. Super he, dat is God hoor, dat is JHWH, dat is de Here. Geweldige dingen kunt u vinden van Hem in het OT. Die wolk van glorie was er toen de Here Jezus naar de hemel ging. U leest er misschien overheen. Want in Hand. 1 staat dat de Here Jezus naar de hemel ging en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. En wij maar denken dat het een gewoon regenwolkje was. Nee, helemaal niet, nee, de wolk van glorie. Weet je waarom ik dat zeggen mag. Omdat gezegd wordt: “Zoals Hij van u is weggegaan, zo komt Hij terug.”, Hand. 1. En ik weet precies hoe Hij terug komt, Ez. 1, in een wolk. Daar heb je het weer. Nou ja, een beetje emotioneel van mij, maar dat is gewoon zo. Dat is zo geweldig als je daar op let. Dan zijn dat gewoon prachtige dingen: O ja, dat is die harmonie in de schrift. Die harmonie is zo uniek. Want de wolk, de Sjechina, hoort bij de heerlijkheid, bij de glorie van God.
En als hier in hoofdst. 10 van het boek Openbaring een Engel, een sterke Engel, neerdaalt uit de hemel bekleed met een wolk, dan snapt u het. Dat is niet zomaar een engel, één van de, ja, twaalf legioenen, weet je wel, want daar waren er een flink aantal van. Dit is de Here Jezus zelf. Hij komt in glorie uit de hemel. Zo is Hij weggegaan, zo komt Hij ook terug en dat blijkt ook. Hoe gaat u naar de hemel straks. Hoe is de opname van de Gemeente. We zullen in wolken worden weggevoerd de Here tegemoet. Daarom had een oude dichter vroeger al gedicht: Op een lichte wolkenwagen werd de Heer van d’ aard’ gedragen. Voer Hij op, ja dat is hetzelfde. Maar zo gaat u. Zoals Hij gaat, zo gaat u. Met dezelfde taxi, sorry voor mijn term, met dezelfde glorie en dezelfde heerlijkheid. U gaat op een prachtige manier naar de hemel, naar de Here Jezus.
Hij komt nu terug, hoofdst. 10. We zijn weer bij ons onderwerp. Maar eigenlijk maakt dit heel veel uit he. Hoe je kijkt naar de kleine, kleine dingetjes die hier gewoon genoemd worden. Want Hij verschijnt. Een regenboog was op Zijn hoofd. Nou ja, daar gaat ie weer. Moet ik opnieuw beginnen in het boek Genesis. Wat is die regenboog. Gods trouw, Gods belofte, Gods toezegging, de zekerheid dat dat wat Hij heeft gezegd ook echt gebeurt, een teken. Een teken van God, een teken van Gods trouw, een teken van Gods bemoeienis. Een regenboog op Zijn hoofd en Zijn gelaat was als de zon en Zijn voeten waren als zuilen van vuur. en u gaat nu nog maar een keer naar Ez. 1 en u zult ontdekken dat ook daar Zijn gelaat is als de zon die schijnt in haar kracht en de voeten zijn ook als zuilen van vuur. U mag ook in Openb. 1 kijken. Hadden we al in Openb. 1, toen de Here Jezus daar verscheen en Johannes Hem zag en hij als dood aan Zijn voeten viel. Weer hetzelfde. Het gaat om de glorie, om de schittering van de Here Jezus. En dat wordt zomaar in dit hoofdstuk eventjes meegedeeld. Maar als Hij verschijnt, verschijnt Hij in glorie en in heerlijkheid. Hij verschijnt niet meer als een vreemdeling van Galilea, een man van smarten, vertrouwd met ziekten, ik noem maar een paar teksten uit het boek Jesaja. Maar Hij verschijnt als Hij verschijnt in glorie en in heerlijkheid in majesteit en in geweldige schittering.
En Hij had in Zijn hand een geopend boekje. Dat is nieuw. Hij had in Zijn hand een geopend boekje. En Hij verschijnt met in Zijn hand een geopend boek, wordt ook een keer boek genoemd, soms, maar meestal boekje. Hij heeft in Zijn hand een geopend boekje en zette Zijn rechtervoet op de zee en zijn linker op de aarde. Nu moeten we proberen dit te snappen. Hier staat dat Hij Zijn beide voeten ergens op zet. Rechter voet op de zee, linker op de aarde. Nou, u stelt zich voor Scheveningen of zo of Egmond of één van de badplaatsen die wij kennen en denkt: O ja, nou ja, dan halverwege Engeland dan zie je dan Zijn voet staan op de zee en halverwege Nederland, dat is precies in Veenendaal, ja, schijnt Lunteren te zijn, maar goed, ergens hier in de buurt daar zou dan de andere voet staan. Want zo groot, zo geweldig is de Here. En zo schitterend is onze Heiland. Als u door zou lezen in dit laatste bijbelboek dan ontdekt u dat de zee iets betekent. Als er een beest opkomt uit de zee in hoofdst. 13 of als in hoofdst. 17 gezegd wordt dat die zee volkeren zijn, heb ik niet bedacht hoor, dat heeft de bijbel zelf bedacht, dan gaat het dus niet zozeer over: Nou ja, dan staat Zijn ene voet op de zee en Zijn andere voet staat op het droge, want dat is het dan ongeveer. Nee, dan gaat het hier om Iemand die verschijnt en aan de ene kant staat Hij temidden van de volkeren en aan de andere kant staat Hij midden in Israël, want de aarde is altijd gekoppeld aan het geordende en dat is altijd Israël. Dat zal blijken. Een beest uit de aarde komt te voorschijn in hoofdst. 13, en ik zal het dan uitleggen en proberen duidelijk te maken. Dus ik moet nu even een beetje krediet van u vragen. Nou ja, het is nog een paar maandjes en dan zijn we er, maar goed, tot zolang een beetje geduld alstublieft. Maar feit is dat hier de Here Jezus openbaar wordt vanuit de hemel, met een wolk, in schitterende glorie, schittering in heerlijkheid, vuur en zon, schittering. En dat Hij Zijn ene voet op de zee zet en Zijn andere voet op de aarde. En dat betekent in de tal van hoofdst. 10 dat de Here Jezus toont dat Hem gegeven is alle macht en dat Hij boven alle dingen staat. Ik zou willen dat dat tot ons doordrong, vandaag. Weet je, we maken ons misschien zorgen of meneer Bush wel of niet een aanval in de richting van Irak gaat plegen. Sommige politici vinden hem gewoon eigenwijs. “Meneer Bush is eigenwijs”, zegt men, “want dat kan hij niet zomaar solistisch doen. Daar moet je op z’n minst brede steun voor vragen.” Nou, dat doet hij dus niet. Hij gaat toch zijn eigen gang. Of dat nu goed is of niet, dat laat ik even los, maar dat is wel zo. En we maken ons misschien wel zorgen. En we maken ons op hetzelfde moment zorgen om Israël, want als dat gebeurt, nou dan is de spanning daar in het Midden-Oosten om te snijden en dan krijgt Israël het zwaar te verduren. Ze hebben al wat Scud raketten vanuit Irak gehad in een vroegere tijd, maar wat er dan komt dat laat zich raden, want de haat in de richting van Israël is enorm. Het is gigantisch. En dat is onze tijd. Maar nu wordt duidelijk dat er Iemand is Die boven alle dingen staat. En dat wordt gezegd in de samenhang van oordelen, van enorme catastrofes hier op deze wereld. Vreselijke dingen die gaan gebeuren, hoofdst. 9. Nou, het was vreselijk wat er toen al ging gebeuren. En dat wordt nog nader ontvouwd. Hoofdst. 16 maakt helemaal duidelijk dat het een bange, bijna hopeloze tijd gaat worden. Maar in die tijd, de tijd van vreselijke oordelen en spanning die te snijden is, is daar Iemand Die zegt: “En ik heb alles onder controle.” Het is alsof u, een ander beeld hoor, maar ik wil het even als vergelijking aan u meegeven, Zach. 1. U kent het boek Zacharia ook uit uw hoofd want zo bijbelvast bent u. Maar in Zach. 1 ziet u ineens een ruiter op een wit, op een, niet witte paard, rood paard, tussen de mirten staan in het dal. En hij stuurt zijn voskleurige en andersoortige, kleurige paarden uit en die gaan de Hele aarde doorkruisen. en ze komen terug met een boodschap. Alles is in diepe rust. Alles is onder controle. Het loopt God niet uit de hand. Soms denken wij: Here God waar bent U. Er wordt zoveel gebeden voor Israël: O Here. Dat volk dat krijgt het vreselijk te verduren. En er komen oordelen op een geweldige manier naar hen toe. En we houden ons hart vast en we bidden. Maar Jeruzalem wordt vertreden door de volkeren zegt de bijbel. Daar komt nog echt van alles los. Zou de Here dan gewoon aan de kant staan en zeggen: “Ja, Ik kan er ook niets aan doen, het loopt Me nu echt een beetje uit de hand. Ja, Ik had dit willen voorkomen maar dat ging nu niet.” Is onze God zo ongeveer. Nee, zo is Hij niet. Hij is de God die zich hier openbaart in Zijn goddelijke glorie in Zijn schittering en op hetzelfde moment zegt: “Ik heb alles onder de voet. Zowel de volkeren als ook Israël. Alles is onder controle.” Wat betekent dat voor jou, voor morgen. Nou misschien zie je op tegen morgen. Misschien denk je: Hoe loopt het af. In je werk, in je gezondheidssituatie, in je familie, in je omgeving in, nou ja, wat er maar kan zijn. Hoe loopt het af morgen. De Here staat boven alle dingen. En degene die hier boven alle dingen staat is Niemand minder dan Hij die jou liefheeft. Die Zichzelf voor jou wilde overgeven. Die voor jou naar het kruis wilde gaan. Die Zijn leven wilde geven om jou blij te maken, om jou gelukkig te maken. Dat geloof je toch. Dat is de enige voorwaarde. Is het moeilijk om te zeggen: “Here Jezus, ik wist niet dat U zo groot was.” Is het nu moeilijk om te zeggen: “Here Jezus, U bent geweldig. U die stierf en Uw leven liet in de meest vreselijke situatie van het kruis. Maar U bent Dezelfde Die hier met Uw voet op de aarde en Uw voet op de zee staat. U bent dezelfde. En U hebt alle dingen onder Uw controle.” Alles. Niets is buiten Hem. En dat is zo’n rustgevend iets. Wat meneer Saddam Hoessein ook bedenkt, wat meneer Bush ook doet, wat er zich ook voordoet, wat misschien morgen in je eigen gewone particuliere leven voor gaat komen. Zou dat buiten Zijn controle vallen. Nee, de Here is boven alles. Ik wil u zo graag vertellen Wie de Here Jezus is. Grote Verzoendag, u weet het nog he. Toen was Hij anders gekleed. Toen zag je niet dat Hij zo groot was, zo geweldig was. Maar toen Hij dat werk volbracht had, zijn die kleren uitgedaan en die zijn in het heiligdom bewaard. En mensen die ooit de bijbelstudies over de tabernakel gevolgd hebben die weten dan ook wat ik daarmee bedoel. er komt een moment dat we zullen zien hoe diem kleren van toen er uit zien. Hoe? Als je Hem ziet, staande als geslacht dan weet je welke kleren Hij droeg op de Grote Verzoendag. en dan zijn die wonden daar. En die zijde is daar. Het Lammetje, letterlijk het verkleinwoord, staande als geslacht. We hebben dat al gehad toen we Openb. 4 en 5 hebben overdacht. Nu, u en ik, als we geloven in de Here Jezus, en nog een keer, ik hoop echt dat u dat u dat allemaal ooit een keer in uw leven heel concreet hebt beaamd, dat u daar gewoon dank U wel voor zei. U en ik die de Here Jezus kennen kijken nu naar de Here Jezus en zeggen: “O Here Jezus, daar staat U in Uw glorie, en waar maak ik me dan ongerust over.” Wat kan er dan gebeuren. wat zou er dan in onze levens kunnen gebeuren. Wat zou er in Israël kunnen gebeuren zonder Hem. Ook niets, nul. Want Hij heeft Zijn voet op de aarde. en ook al gaan ze daar te keer als wilde beesten, dat kan, Hij heeft Zijn voet op de aarde. En Hij heeft Zijn voet op de zee. En Hij is met de wolk bekleed. Hij heeft de regenboog. Zijn toezeggingen, Zijn beloften falen nimmermeer, gaan echt in vervulling, want Hij is zo. En zichzelf verloochenen kan Hij niet. Met die God hebben wij te toen. Met die Here Jezus hebben wij, toch he, een relatie. We kennen Hem als onze Heiland en we weten dat Hij van ons houdt en ik wil het gewoon met een tekst uit het boek Hooglied zeggen: “Hij is van mij en ik ben van Hem.” En misschien klinkt het wat emotioneel, maar ik zou toch graag willen dat je dat voor jezelf ook een keer gaat beamen. Dat je eenvoudig gaat zeggen. “Here Jezus, zo bent U en ik houd van U.” “Ja ik houd van U”, zegt een lied uit Opwekking. Ik houd van U. En een ander lied zegt, heel bekend: “Mijn Jezus ik houd van U”.
De Here Jezus. En Hij heeft daar een groot geluid laten horen. Hij riep met luider stem, zoals een leeuw brult. En toen Hij riep lieten de zeven donderslagen hun stemmen horen. Nou, Johannes wilde gelijk weer zijn computertje pakken, zo zouden we het vandaag misschien wel gezegd hebben, en gelijk intoetsen. Nee, dat kan niet, niet opschrijven, het mag niet, het moet anders, dit moet niet opgeschreven worden, dit moet verzegeld zijn. M.a.w., er zijn dingen niet bekend gemaakt. er is duidelijk iets wat we nog niet weten. Wat we ook niet in de bijbel hebben. en dat betekent dat er altijd meer zal zijn aan onthulling, aan informatie, aan ontdekking dan wij nu voor mogelijk houden. U krijgt altijd meer.
En degene Die daar dan staat, de Here Jezus, die dus op de zee en op de aarde staat, Die hief Zijn rechterhand op naar de hemel en zwoer bij Hem Die leeft tot in alle eeuwigheden, Die de hemel geschapen heeft en hetgeen daar in is, de engelen, de wezens daar, Die de aarde geschapen heeft, en hetgeen daarop is, Israël, en Die de zee en hetgeen daar in is, de volkeren. Want zo mag u het lezen, zo moet u het lezen. Dat Hij die alles tot aanzijn riep, en alles een plaats, een plek heeft gegeven, er zal geen uitstel meer zijn, maar in de dagen van de stem van de zeven engelen, wanneer Hij bazuinen zal, is ook voleindigd het geheimenis van God, gelijk Hij Zijn knechten de profeten heeft verkondigd. Moeilijk, wat wordt hier bedoeld. Nu er zijn verschillende geheimenissen in de bijbel. Paulus noemt zich een openbaarmaker van geheimenissen, van verborgenheden, van mysteries. En dat doet hij op een geweldige manier. Het boek Openbaring is een heel ander boek, maar de brief aan de Efeziërs, de brief aan de Kolossenzen, een stukje Thessalonicenzen, maar in elk geval Filipenzen, Efeziërs, Kolossenzen. Openbaarmaking van Gods geheimenissen, Gods verborgenheden, Gods mysteries. Paulus mag dat doen. Hij noemt zich daarom ook een bedienaar van die dingen. Een speciale taak was er voor hem. En wat u daar vind is uniek, Is echt uniek. En ik hoop dat elke gelovige een keer doordrongen raakt van de geweldige zegen die de Here hem, haar gegeven heeft. en dat is die zegen die Paulus heeft mogen onthullen. Wat is die zegen. Dat u niet alleen gered bent, dat u niet alleen vergeving van uw schuld hebt. Dat is mini-, minimaal. Maar de Here heeft veel meer voor u dan alleen maar schulddelging. Bovendien, de Here had al een plan met u, voor er schuld was. Dat die schulddelging moet komen, ja, ik verklein het een beetje hoor, ik wil het werk van de Here Jezus nooit verkleinen. U kent mij misschien langzamerhand dat ik dat niet graag wil. Maar Gods plan met u dateert van veel, veel eerder, van veel vroeger. Gods plan met u dateert van voor de grondlegging van de wereld, voor Adam en Eva zondigden. en dat dat probleem moest worden weggenomen, dat is helder. En Paulus mag zeggen: “Ik zal je eens wat vertellen over de plannen van God, over de geheimenissen van God, over de verborgenheden, de mysteries die er waren voor Adam en Eva er waren.” En die mysteries heeft Paulus mogen onthullen. Bij deze mysteries of geheimenissen gaat het om u, om het plan van God met u. Maar er is een ander geheimenis en daar gaat het hier over. Dat is echt heel wat anders en dat is dit. Kunt u zich voorstellen dat God niets deed toen ze de Here Jezus afranselden met een geselplaag. Dat is vreselijk hoor. Als u ooit gelezen hebt wat daar gebeurde, hoe dat ging, dan gaan de rillingen over jouw rug. Alsof je iets voelt van de pijn die Hij moet hebben gevoeld. Maar dat God toen niets deed he. Als Elia belaagd wordt, in het OT, en hij zit daar op een berg en er komt een heel peloton soldaten, 53 mensen komen er aan, sorry, 51 mensen, 51 mensen, wat komt er dan. Vuur uit de hemel, want als ze een vinger uitsteken naar Elia, goeiendag dan zijn ze nog niet jarig. Een 2e groep komt: Vuur uit de hemel. En als Elisa belaagd wordt dan is er een vurige muur rondom hem. rak hem niet aan, blijf er af met je tengels. Mijn vertaling, maar dat is wel wat er gebeurde. En toen de Here Jezus. Ze raakten Hem aan. Niet alleen een aai over Zijn bol maar een zweepslag over Zijn rug. En een kruisiging daarop volgend met immense pijn menselijk gesproken. En God zweeg. Kunt u zich dat voorstellen. Kunt u zich voorstellen dat God, toen ze zo hebben gejouwd “We willen niet dat Hij Koning over ons wordt. weg met Hem, weg met Hem. Kruisig Hem, kruisig Hem”, dat God zich stil hield. Wat zou er gebeurd zijn als één van uw kinderen zo’n lot zou ondergaan, als u een kind hebt en u houd ervan, en u ziet dat gebeuren met uw zoon, nou, dan zou u zeggen: “Ik doe daar nooit meer boodschappen.” Nou, dan zeg ik het maar heel raar, maar ik bedoel zoiets zou u op zijn liefst gezegd hebben. Zo van: Nou dat is voor mij ook helemaal afgeschreven. dat is over, dat is uit. Dat nooit weer. Ik kom daar ook nooit weer, ik zet daar geen voet meer binnen de deur. Zoiets. En dat is nog veel te lief. Maar de Here Jezus stierf en leed en God hield zich stil. God zweeg. Dat geheimenis wordt hier bedoeld. Want dat is een geheimenis. Dat God zich stil hield al die eeuwen. Dat Hij die de zonden niet door de vingers kan zien. Hij die te rein van ogen is om die ene zonde van jou over het hoofd te zien. Dat Hij zich stil hield. Waarom ben je niet dood neergevallen toen je voor het eerst zondigde. ALs dat wel zou zijn gebeurd zat hier niemand, niet één. Ik ook niet, dan was er ook geen preek. Allen hebben gezondigd en komen te kort of derven de heerlijkheid van God. En ze worden om niet gerechtvaardigd. Dan moet God wel eindeloos vee elastiek, eindeloos veel rek gehad hebben in Zijn denken. Dat is het geheimenis hier bedoeld. Maar er komt een tijd, en de profeten hebben dat gezegd, dat God stopt met Zijn geduld. Dat de tijd van genade voorbij is en dat dat een keer over gaat. Dat geheimenis gaat weg, dat geheimenis gaat voorbij. Nou, dat is wat hier bedoeld wordt dat er geen uitstel meer is. Maar er dus dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, nou daar komt nog wat tussen aan informatie, maar goed, die zevende engel komt u tegen in hoofdst. 11:15, daarover een volgende keer misschien, maar die zevende engel die moet nog komen, maar in die tijd is het geheimenis van God voleindigd gelijk zijn knechten de profeten hebben verkondigd. Dat betekent dat God dat ook gezegd heeft dat er een moment komt dat de deur dicht gaat. En of dat door Noach die profeteerde, Henoch die profeteerde, of dat nu door anderen gezegd is, maar er komt een moment dat God de deur dicht doet, dat dat echt voorbij is. En dat God zich de heilige gaat betonen. Wee mensen die dan op aarde wonen. Dan is er geen uitstel meer. Eigenlijk moet je dan aan je buren zeggen: “Beste buurman, ik kan het niet uitleggen, ik kan die preek ook niet precies doorgeven, je mag hem gaan downloaden, schitterend dat dat er is, maar er komt een moment dat God de deur dicht doet, dat Zijn genadetijd voorbij is. Dat het gewoon, ja, over is met de verborgenheid, met het geheimenis van God.” Wee de mens. Dat is de beklemming die hier naar voren komt. En die is heel sterk vind ik, heel sterk. En ik weet niet hoe je daarmee moet omgaan. Ik weet alleen dat wij, wetende de schrik des Heren de mensen moeten overreden: Laat u met God verzoenen. Dat betekent dat we dat moeten zeggen. Nou, ossenmarkt. Zeg het dan. Zeg het dan: “Het geheimenis van God is binnenkort voorbij man.” Ja, dat snapt geen mens hier uit de buurt. Wat moeten die nu begrijpen van het geheim. En als u een uitvoerig verhaal over het geheimenis van God gaat vertellen, nou ik denk dat het u niet lukt, en mij ook niet hoor, maar dat de mensen alleen maar verder lopen of zo. En toch, dit is motivatie voor de gelovige. Dit is de drang voor de gelovige om toch te vertellen van: En toch gaat het een keer anders, dan gaat de deur dicht. Dan is het geheimenis van God voleindigd. Doe er iets mee. Dat staat hier.
En de stem die ik gehoord had uit de hemel, die hoorde Johannes nog een keer, vs 8. En ga heen en neem het boek dat geopend ligt in de hand van de engel. En hij moet het boek nemen, boekje, dat boek, en hij moet dat gaan eten. In zijn mond zou dat boekje zoet zijn en in zijn buik zou het bitter zijn. En dat doet hij ook en het was ook zo. God gaat doen wat Hij heeft gezegd. Zo is Hij. Bij Hem is geen verandering en dat wat Hij toezegt dat gaat Hij echt ook uitvoeren. De Here is zo. Je moet je dus eigenlijk voorstellen dat de Here Jezus daar staat in al Zin volheid en Zijn grote glorie en schittering en in Zijn rechterhand dus een geopend boekje. En Johannes moet dus naar Hem toe gaan en moet dat boekje nemen en moet dat boekje gaan verorberen, moet dat boekje gaan opeten.Zoet in zijn mond, bitter in zijn buik. Alles wat God doet is voorzegd. God doet geen ding of Hij openbaart dat aan Zijn knechten de profeten. Ook het feit dat het geheimenis een keer voleindigd zal zijn is voorzegd. Dat zei ik zo pas al. En dat blijkt ook hier. En wij, wij zullen dat woord van God moete pakken en moeten eten. Ja, dat is wel moeilijk. Wat Johannes te doen kreeg dat hoeven wij toch niet te doen. Nu, het staat niet in de bijbel om u te informerten wat Johannes preces deed, het staat in de bijbel om u te zeggen dat u en ik dit ook mogen of misschien wel moeten doen. En het woord van God is aan de ene kant zoet, aangenaam. Gods beloften, Gods toezeggingen, Gods genade, Gods liefde. Maar als het een verwerking krijgt, als het in je buik komt an wordt het iets van bitter en dan krijgt het bittere nasmaak. Niet omdat de beloften niet meer zo zijn, niet meer waar zouden zijn of niet meer in vervulling zouden gaan maar omdat er ook moeite en pijn mee gemoeid is. En dan moet u niet allee aan uw moeite en uw pijn denken maar ook aan Gods moeite en Gods pijn denken. Als u nu zegt: “Here Jezus, super dat U aan het kruis van Golgotha Uw leven liet.” Nou, dat is zoet toch. Dat is zoet en aangenaam. Maar als u bedenkt dat dat voo jouw prut en voor jouw verkeerdheid en voor jouw zonde was dan komt er een bittere nasmaak. Is dat zoete niet waar. Ja, dat is nog steeds waar, dat is nog steeds echt. dat blijft echt in zijn volle omvang staan. Maar die bittere verwerking, ,maar als het dus in je spijsverteringsorganen komt, als het echt wat doet, dan komt er ook iets van Here Jezus. Weet u dat we een beetje een gevaar lopen vandaag een mooi weer christen te zijn. Niet alleen omdat we geen problemen willen, omdat we geen zorgen willen, alleen maar alles gladjes willen laten verlopen. Maar ook omdat we alleen maar het zoete eruit pikken, krenten uit de pap heet dat geloof ik, die pikken wij, en de pap, die zal dan niet zo zoet zijn, die laten we voor anderen. Maar is het, is het wel eens tot u doorgedrongen hoever God is gegaan in Zijn liefde voor u. Heeft het u wel eens wat gezegd dat de Here Jezus op het altaar kwam. Hebt u zich wel eens verdiept in de Grote Verzoendag. Ik wil u geen huiswerk geven maar Lev. 16, Lev. 23, probeert u het eens. En probeert u zich eens voor te stellen dat de Here Jezus voor jou en voor jou alleen, jij was de enige die bestond, de enige die gezondigd had, even versimpelen, maar jij was de enige, en dat de Here Jezus voor jou in de moederschoot van Maria wilde zijn. Voor jou geboren wilde worden in Bethlehem, geen plaats in de herberg. Voor jou in Nazareth wilde zijn. Voor jou op de vlucht wilde zijn. Voor jou smaad en hoon wilde incasseren. Voor jou wilde lijden. Voor jou wilde gekruisigd, gegeseld, bespuwd worden. Alleen voor jou. Here Jezus, wat super, geweldig. Ik ben een kind van God en mijn zonde is weg en mijn schuld is vergeven. Is dat niet waar. Ja, dat is waar. Ik hoop dat u het elke dag zegt. Maar raakt het u, gij die voorbij gaan. Mag ik het eens citeren uit Klaagliederen. Ziet wat een smart er is. O hoofd bedekt met wonden. Ik denk dat Bach er veel meer van gesnapt heeft dan wij. Als ik al die passionen beluister en cantates en andere dingen, dan denk ik, als ik de zeven kruiswoorden naar me toe haal, dan denk ik: Die hebben er nog een ebetje van gesnapt. Maar wij, zo vluchtig, het is net een soort eau de cologne of parfum, het is, oh, heerlijk he, het vliegt weg he, het verdwijnt weer. Maar raakt het u nog. Wordt u nog een beetje bewogen als u denkt aan de Here Jezus. Gaat u nog wel eens op uw knieën en zegt u: Here Jezus, ik kan mijn tranen niet meer bedwingen, niet omdat ik niet blij ben, omdat ik een vervelende dag heb. Ik heb gewoon een hele fijne dag, een hele bijzondere dag. Ik ben gewoon heel blij met U. En de zekerheid van het geloof is mijn hart gaan vullen. En ik weet zeker dat ik in de hemel kom. En ik weet ik weet zeker dat het allemaal goed is en dat ik in de hemel mag zijn en U mag zien. Maar Here Jezus, ik wil u ook eren om wat U hebt gedaan, om dat wat U wilde doen op dat kruis. Dat is dat bittere. Als het wat doordringt in je geestelijke spijsverteringsorganen dan krijgt het een uitwerking. Dat is eigenlijk wat hier bedoeld is. Maar als het gaat om uw zegen, uw en mijn zegen, uw en mijn glorie straks en de verschrikkelijke tijd voor Israël, raakt het u dan nog. Doet het u nog iets dat zij door de enorme druk heen moeten. Misschien wel tweederde nog zal omkomen, ik weet niet eens of je die tekst helemaal zo mag uitleggen, maar, in elk geval velen zullen daar nog sterven, velen. Raakt het u nog. Of is de Holocaust gewoon een afgesloten boek, dat is voorbij, dat was in de 2e Wereldoorlog, en dat komt nooit weer. Nou, vergeet het maar. De duivel is niet veranderd, die is nog steeds precies als toen. En als het gaat om de volkeren, als het gaat om uw en mijn glorie, zit u dan lekker, laat ik maar zeggen, mag ik het zeggen, de zondvloed barst los. In Rijssen, vlak bij ons waar we wonen, vier kee zijn alle kelders volgelopen met water he, even een klein voorbeeldje. Maar stel nu eens dat dat gebeurt en jij zit op een hoog heuveltje, je hebt je huisje op een terpje gebouwd en jij zit gewoon goed. Ja, ik zit goed, sjonge jonge, ik zit gewoon gebeiteld. en de rest verzuipt bijna he. Hou je dat vol. Ja, als dat openbaar wordt dan zullen mensen zeggen: ‘Nou, als dat een vrome Hein is dan hoef ik het geloof niet meer.” Ik wil er dit mee zeggen: Stelo, jij bent zo geweldig blij en dankbaar met de zegen die de Here God voor je heeft, dat het je eigenlijk niets meer zegt dat anderen misschien wel verloren gaan. In het oordeel omkomen. Nou, die bitterheid, die verwerking van, dat komt hier naar buiten. en Johannes heeft het boekje gegeten. En ik nodig u uit om de Here Jezus zo te benaderen en om te zeggen: “Here Jezus, U bent zo schitterend, zo geweldig, zo majesteitelijk en U hebt het woord van God, het boek in Uw hand.” En we mogen het boek eten, we mogen het verorberen. Niet in de zin van gulzigheid of zo, maar gewoon naar binnen brengen. We mogen het opeten. Voedsel voor onze zielen. En duidelijk een uitwerking gevend in onze levens.
Maar waarom heb ik hoofdst. 11:1 er bij gelezen. Omdat dit eten van een boekje nodig is. Nu, niet alleen om een bitterheid te kennen in je ingewanden, in je geestelijke spijsvertering. Maar ook omdat Johannes de norm mocht aanleggen. Hij moest met een riet, een soort maatlat, zo’n soort centimeter of zo, zo’n maatstok, een staf gelijk dus, een stok, moets hij de tempel van God en hen die daar aanbidden gaan meten. Dat ligt ons wel. Wij willen eigenlijk wel iedereen eventjes de maat nemen. en eigenlijk wel zeggen: “Als je niet denkt zoals ik denk, dan ben je natuurlijk te licht.” Of te smal, of niet lang genoeg, maar in elk geval klopt het niet. En dat is natuurlijk prachtig. En elke kerk heeft zo zijn eigen maatstok. Dat is echt zo. Ik weet wat ik zeg hoor en er zitten er hier ook echt genoeg die dit volledig kunnen beamen die zeggen: “O ja, ja ja, aardige man hoor, maar ja, hij heeft het licht niet hoor, want hij zit niet in onze kerk.” Gisteren was ik ergens, het ging over een dominee. Een meneer had gezegd: “Dat is een predikant.” En mevrouw is naar haar huisje gegaan, zit in het jaarboekje te kijken van hun kerk en ze komt terug: Dat is helemaal geen dominee, staat niet in het jaarboekje.” Nee, niet in uw jaarboekje. Zie je wel, ze hadden een stokje, maar dat was alleen maar dat jaarboekje. Dat was op dat moment het meetlatje. En dit kennen we. Dit kennen we echt. Eb u wilt heel graag even meten of ze het wel goed doen. Anderen doen het niet goed en u hebt een soort maatlat en u zult wel eens even meten of het altaar en de tempel en hen die daar aanbidden, of die goed zitten, of die het goed doen. Ik zal het anders zeggen. Als u het boekje niet verorbert stopt u met elke vorm van commentaar want u hebt geen poot om op te staan. Sorry hoor, u hebt geen enkel stukje recht om te meten, om te wegen, om de norm van God aan te leggen. Dat mag niet. Daar moeten we so wie so heel voorzichtig mee zijn. Daar zijn terreinen waarvan we moeten zeggen dit moet de Here doen, dat kan Hij alleen. Hij weegt het verdriet, Hij weegt de tranen en doet ze in Zijn fles. Wij weten niet wat er in de stille uren is geschreid. Wij weten niet wat er is gebeurd. Wij weten niet van de worstelingen. Wij weten niet, en we hebben zo snel ons oordeel klaar. Dat deugt niet en dat is fout. Onmiddelijk. Hebt u het boekje gegeten. En als u het boekje niet eet kunt u niet meten. Dat bedoel ik met hoofdst. 11:1 te plakken bij hoofdst. 10. En ik wil dat dat heel helder wordt. Dat wij op moeten houden met welke vorm van maatnemen dan ook. Dat is van de Here. En als Daniël mag zeggen in hoofdst. 5 van dat prachtige boek, “Gewogen en te licht bevonden”, dan zegt hij dit namens de Here. Daar is een koning, een wereldheerser gewogen. God heeft het stokje erbij gelegd. En in Ezechiël krijgt Ezechiël een rietstok of een maatlat en hij mag daar ook weer mee gan meten. Zo breed, zo lang, zo is de entree, en, en, en.
Nog even terug. U ziet de Here Jezus. Het werk is volbracht. U ziet Hem in glorie, u ziet Hem in heerlijkheid hier. en Hij heeft alles onder Zijn voeten. Hij spreekt en er komen verborgenheden uit die nog niet openbaar zijn, die zullen nog openbaar moeten worden. Niemand weet het. En toch wordt gezegd: “Er komt een moment dat het geheimenis, dat het verborgene van God voleindigd zal zijn. Dat God zich niet meer verstopt achter genade of achter iets, dat Hij zal tonen Wie hij is.” Berg je dan maar. Want onze God is een verterend vuur. Eten van het boekje. Bitter in je buik uiteindelijk, ook al is het zoet in je mond. Maar als je voor de Here iets wilt doen in deze verschrikkelijke tijd dan zul je Gods norm moetn hanteren. Dat wordt hier gesuggereerd, dat wordt hier aangeduid. Nu, dit was voor Johannes maar jij en ik zijn voor vandaag in deze zelfde wereld geplaatst. En we maken ons zorgen over de ontwikkelingen in politiek opzicht, En we kijken misschien naar Prinsjesdag a.s. dinsdag. Het is al uitgelekt heb ik vandaag begrepen. Maar goed, we kijken, we horen, we luisteren, we hebben onze conclusies. En we schudden ons hoofd en we denken aan Bush en we denken aan het Midden-Oosten. We denken aan de ontwikkelingen en hoe gaat dit aflopen. Niemand weet het. Maar één ding weet ik wel, de Here staat met Zijn ene voet op de zee, de volkerenzee en met Zijn andere voet op de aarde, boven Israël. En Hij heeft het boekje in Zijn hand. En Hij is bekleed met een regenboog. Gods beloften, Gods toezeggingen gaan in vervulling. Gods trouw is eeuwig en altoos. En Hij zegt tegen ons: “Eet dat boekje nu maar.” En vanaf dat moment, als er een stuk bewogenheid en een stuk innerlijke verwerking in jouw leven optreed kun je misschien ook anderen wat gaan begrijpen, kun je misschien Gods maatlatje wel eens bij een ander leggen. Maar dan ga je niet meer hard oordelen. Dan kom je met een stuk bewogenheid waarvan het geheimenis van God vol is. Want dat geheimenis is bewogenheid. En Zijn liefde is mensen redden, mensen helpen, mensen uit het moeras trekken, niet verloren laten gaan en dat is nu precies wat hier gebeurt. Zou u willen dat u zo ingezet zou worden. Johannes heeft een enorme taak gekregen. Hij zat in het gevang, hij zat daar op Pathmos, hij kon geenkant uit en hij krijgt dit te horen. En jij en ik zitten vandaag in deze omgeving en we hebben ook dezelfde boodschap naar ons toe voelen komen, horen komen. En de Here zet je in je eigen omgeving. Maar het begint met het “Here U bent groot en Here dat wat U in Uw hand hebt dat wil ik eten. Here leer mij alstublieft”, mag ik het anders zeggen, een beetje populair, “om uit Uw hand te eten.” Want als je uit Zijn hand eet, dan ben je heel dicht bij. Dat kan niet anders. En Hij zegt: ‘Hier heb je mijn stokje. Meet het nu maar eens.” Dan ga je met Zijn normen meten en die zijn milder dan jouw normen. Ik heb geleerd wat mensen kunnen doen en ik heb het zelf ook gedaan. Dat was niet goed. Mensen zijn bikkel- en bikkelhard. Davids zei vroeger al: “Laat me niet vallen in de handen van mensen.” En dat snap ik nu. Hoe krijg je zulke mensen veranderd. Door ze het boekje te laten eten. De Here zegene u. Kom maar bij Hem en je leert.