Openbaring 11

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

13. Gods getuigen in Jeruzalem.

Openbaring Bijbellezing door Dato Steenhuis,
29 september 2002.

Lezen: Openbaring 11

Op voorhand, het laatste vers van dit hoofdstuk, dus van hoofdst. 11, zullen we zo de Here wil, de volgende keer meenemen, want dat hoort bij het stukje van hoofdst. 12. Maar ik lees het maar mee, zodat u in elk geval het verband vast kunt houden.
Hoofdstuk 11. Sommigen vallen misschien midden in een onderwerp, zijn niet hier geweest in vorige samenkomsten, bijeenkomsten. U kunt altijd een bandje bestellen of zoals dat zo prachtig heet een drager van geluid, u kunt altijd nakijken wat er al gezegd is. Het is ondoenlijk om iedere keer de hele loop van het boek Openbaring nog een keer neer te zetten zodat u, laat ik maar zeggen, weer helemaal er in bent, want dat zou misschien de helft van de tijd in beslag nemen.
Het laatste bijbelboek gaat over de Here Jezus. De openbaring van Jezus Christus. Het gaat over de Here Jezus. En God wil dat de Here Jezus uit de verf komt, heel helder, heel mooi, heel specifiek neergezet wordt. En daar heeft Hij een heel boek voor. En aan Johannes is de gelegenheid maar ook de opdracht gegeven om dat prachtige werk echt helemaal uit te bouwen, neer te zetten, zodat de Here Jezus zichtbaar wordt. Dit is bedoeld voor gelovigen, voor mensen die de Here Jezus Christus hebben leren kennen als Heiland en als Verlosser. Dat is eigenlijk de enige voorwaarde. Dus niet een soort theologische vooropleiding of een kerkelijke achtergrond, maar de Here Jezus kennen als je Heiland en als je Verlosser. Echt weten: Mijn schuld is weg, mijn zonden zijn vergeven en door het geloof in de Here Jezus mag ik echt zeker weten dat ik een kind van God ben. Dat kan ik er niet inpompen en ook niet injecteren. Ja, ik zou het wel graag willen heb ik wel eens geroepen, maar ik heb zo’n injectienaald niet. Maar toch zou ik u graag willen vragen om een eerlijk antwoord te geven op die vraag: De Here Jezus is dat mijn Heiland is dat mijn Verlosser, persoonlijk, ken ik de Here Jezus als mijn Heiland en als mijn Verlosser. Dat is de voorwaarde. Vanaf het moment dat je de Here Jezus kent als je Heiland als je Verlosser, weet je dat je zonden vergeven zijn, weet je dat je een kind van God bent, weet je dat je leven hebt tot in eeuwigheid, weet je dat de Heilige Geest in je is gaan wonen, weet je dat je bij de Gemeente van de Here Jezus hoort, weet je ook dat je de dingen van de Heilige Geest kunt gaan begrijpen. Dat is Gods genade, Gods bijzondere gunst om mensen het vermogen te geven de dingen van de Here Jezus en de dingen van de bijbel te snappen. Dus niet je vooropleiding of je achtergrond, maar geloven in de Here Jezus en de Heilige Geest die in de woont, dat is de geweldige zegen van God, om de dingen van God ook te begrijpen. En nu gaat het in hoofdst. 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 van het laatste bijbelboek ook over de dingen na nu. De dingen die na dezen geschiedden zullen. Nou, dat is best interessant, want je hebt dus informatie van de Here God Zelf over de toekomstige dingen. Dat is gewoon een opmerking uit de bijbel zelf. We zitten nu in het derde stuk van het laatste bijbelboek, veruit het grootste stuk, en in dat derde stuk gaat het over na nu, na de dingen van vandaag. en de vorige keer zei ik iets over Openb. 10, over de Here Jezus die dan daar verschijnt met Zijn ene voet op de zee en Zijn andere voet op de aarde, met een boekje in Zijn hand. En Johannes moet dat boekje gaan eten. En dat boekje, dat is in de mond zoet en in de buik wordt dat bitter. Maar ik heb toen gezegd: “Mensen die dat boekje eten hebben ook verstand van Gods maat, van Gods norm, van Gods meetlat. En die zijn in staat om de tempel te meten. Mensen die het woord van God niet willen eten, die dat niet tot een verwerking willen laten komen in hun eigen geestelijke spijsverteringsorganen, kunnen wel een grote mond hebben over, maar hebben geen norm, hebben geen maat, zijn niet in staat om met Gods meetlat de dingen van beneden te meten. Ze zijn niet in staat om dat te doen. Ze kunnen het niet. Alleen maar die, die het woord van God hebben gegeten en bij wie dat woord van God ook tot een stukje verwerking, tot een stukje geestelijke spijsvertering is gekomen.” Zo zeiden we dat de vorige keer.
Nu er zal een tijd komen zegt Openb. 11 dat Jeruzalem helemaal vertreden zal zijn door de volkeren. dat is ook niet voor het eerst. U weet dat Nebucadnezar als eerste Jeruzalem heeft vertreden, de tempel heeft verwoest en alles heeft stuk geslagen. Ook toen is de tempel en is Jeruzalem in de handen van volkeren, in de handen van heidenen gegeven. Dat was de tijd waarin Daniël en zijn vrienden in Babel zaten, Ezechiël bij de ballingen zat ergens in een vluchtelingenkamp bij de rivier de Kebar en er een profeet Jeremia was tot het einde toe, tot het laatste toe, om daar toch nog in die stad te profeteren. Zeventig jaren later mocht een klein deel terug keren, sorry, mochten de twee stammen terugkeren, dat er maar een klein deel terug kwam is hun eigen fout c.q. hun eigen keuze. Maar de twee stammen mochten toen terugkeren naar Jeruzalem en mochten beginnen met de herbouw van de tempel. U vind dat in Ezra en later in Nehemia. Het ging niet zo goed in die tijd. Het ging zelfs heel slecht, want het duurde niet zolang of al die mensen die teruggekeerd waren die werden bang. Die kropen in hun schulp en die stopten met de arbeid aan de tempel, gingen aan hun eigen weldoortimmerde huizen, tekst uit Haggaï maar het slaat op die tijd, die gingen bouwen aan hun eigen weldoortimmerde huizen. Maar het huis van God lieten ze aan hun lot over. In die tijd traden er twee profeten op: Haggaï en Zacharia. En in het boek Zacharia vindt u eigenlijk een hele precieze omschrijving van wat er toen daar gebeurde. Ik moet dit even kwijt omdat Openb. 11 direkt aansluit bij Zach. 4 en 3 en 6, bijna bij het hele boek. Ik zal het proberen te schetsen.
Zacharia heeft in zijn prachtige schitterende profetische weergave gesproken over de priester. dat was in die tijd een zekere meneer Jozua. Zo heette die man. Dat is niet de Jozua die Israël vroeger een keer in het land heeft gebracht maar een Jozua die veel en veel later heeft geleefd en die hogepriester was. Maar die hogepriester Jozua, een soort voorganger dus, iemand die voorop ging en die in de herbouw van de tempel toch een hele bijzondere plaats had, een hele bijzondere rol had, die Jozua die durfd niet meer. Waarom durfde hij niet meer. Nou, Zacharia maakt dat haarfijn helder. want Jozua die keek een beetje naar binnen en die zei, wat een broeder vanmiddag in de bidstond zei, we hebben vanmiddag een kleine bidstond hier altijd, hier ergens in een zijhokje, en toen zei een broeder: “Als we naar onszelf kijken Here, dan hebben we geen been om op te staan.” U wel waarschijnlijk, nee, ook niet he. Als we naar onszelf kijken: Here God, wie kan bestaan. Wie van u zonder zonde is…. We weten allemaal dat dat niet kan. Nu, Jozua was met vuile kleren bekleed. Dat is het onderwerp in dat boek Zacharia. Die hogepriester Jozua zag er helemaal niet brandschoon uit, nog sterker, hij was smerig, hij had vuile kleren aan. En hij was gewoon niet geschikt zou je zeggen, om het werk van de Here te doen. Nou, een soort beklemmend gevoel. Ik denk dat iedereen dit gevoel kent. Je wilt iets doen voor de Here. Je wilt de buruvrouw iets vertellen van de Here Jezus. Of je wilt iemand meenemen naar een dienst, nar een kerk. Of je wilt een blaadje uitdelen. Je wilt iets doen voor de Here Jezus en dan komt er zo’n stemmetje van binnen, of van buiten, en dat zegt: “Jij, houd jij nu maar je mond. Want gisteren ging het helemaal niet goed met je. Nu wil je de vrome Hein of de vrome tante uithangen”, ik weet niet hoe ik het zeggen moet, “maar het klopt helemaal niet met je. Het zit helemaal niet goed met je. Er zit van alles mis. Jouw denken is verward en je denkt aan verkeerde dingen.” O ja, ja dat is ook zo. Nee, laat ik mij maar stil houden. En 90% van de gemeente houdt zich inmiddels stil. en die 10%, daarvan zeggen sommigen nog: “Die hebben een plaat voor hun kop, want als zij dat niet hadden dan waren zij ook wel stil.” begrijpt u het verhaal. Moet ik nu gaan zitten. De duivel zal zeggen: “Nou, graag.” Maar er is een Ander die in dit boek Zacharia vertelt van: “Doe uit hem die vuile kleren en trekt hem een statiegewaad aan. Dat is de priester, blijf er af met je tengels” Sorry hoor, mijn vertaling van wat daar staat. De Engel des heren, de Here Jezus zelf zegt: “k heb hem als een brandhout uit het vuur gerukt en jij blijft er af.” En ineens staat Zacharia [Moet Jozua zijn] niet meer in zijn vuile kleren maar in een statiegewaad. Dat gebeurde daar. en Zacharia de profeet komt bij Jozua op bezoek en zegt: “Moet je eens luisteren, ik heb je gezien in je vuile kleren. Je zag er helemaal niet zo florissant uit man. Wit weggetrokken.” Zou Jozua gezegd hebben: “Ja, je hebt gelijk.” Maar Zacharia zegt: ‘Ik zag je ook nog in andere kleren. In een statiegewaard. Schitterend man, prachtig. De Here legde een steen voor je neer en jij moest die steen gaan neerleggen. De herbouw van de tempel.” Nou, dat moet een bemoediging voor Jozua geweest zijn. Dat hij toch voor God gezien werd alsof hij een statiegewaad aan had. Alsof hij nooit gezondigd had. Alsof hij er schitterend voor stond. Zo ziet God jou ook hoor. Als de duivel influistert van: “Hou jij je nu maar stil want jij hebt geen been om op te staan. Jij moet je maar stil houden en jij met je verkeerde gedachten, met je verkeerde routes, met je verkeerde beslissingen, jij moet je maar stil houden.” Dan zegt er een Ander, die zegt: “Maar Ik heb voor hem betaald, Ik heb voor haar betaald. Ik heb alles vereffend wat er te vereffenen viel en voor Mij is het allemaal glad en schitterend.” Jozua de hogepriester. Dat is Zach. 3. Zach. 4 vertelt u over een Zerubbabel, de zoon van Sealthiël. Nou, moeilijk woord, ik ben al blij dat ik dat zonder stotteren achter elkaar zeggen kan. Maar goed, Zerubbabel een zoon van Sealthiël. En die was landvoogd en die krijgt ook de opdracht om aan de slag te gaan. Je moet je dus voorstellen: Ze zijn terug uit Babel, ze zijn terug uit de verstrooiing, ze mogen gaan bouwen. De politiek is tegen, de hele goegemeente is tegen, alles is tegen, niemand wil het. en zelf schrompelen ze ineen, ze durven niet meer, ze kunnen niet meer, ze zijn helemaal weggezakt, ze doen eigenlijk niets meer. En in die tijd komt die profeet op bezoe, Zacharia, die zegt: “Jozua, aan de slag. Niet kijken naar je vuile kleren want die zijn uit. En Zerubbabel, aan de slag. Niet kijken naar wat jij allemaal niet kunt want de Here God doet het. “Niet door kracht, niet door geweld, maar door Mijn Geest” spreekt de Here.” hoort u het.” Nou, die mensen die krijgen me daar even een injectie van Zacharia van grote omvang. Die krijgen een soort impuls van en nu aan de slag en geen excuus meer. En die beide mannen worden genoemd, wat in Openb. 11 staat: Deze twee zijn de olijfbomen, de twee kandelaren. Daar komt dit vandaan. En dat verband dat moet er zijn want anders dan snap je niet waar hier in Openb. 11 sprake van is. In die tijd werden er dus twee neergezet, een priester en een koning. Ja hij was niet echt koning, hij was landvoogd, maar toch een priester en een koning. en die priester en koning die moseten samen echt de kar gaan trekken, die moesten zelf daar het voortouw nemen om daar te vertellen en om daar te tonen waar de Here zou gaan wonen en wat er zou gaan komen. Niet kijken naar de omstandigheid. Niet kijken naar het feit dat ze daar maar onder de druk van de volkeren terug waren. want de volkeren, de heidense koningen bleven baas in Jeruzalem. En ze hebben dat ook getoond, ze hebben dat ook laten zien. Maar toch, in die tijd overeind blijven en toch getuigen van, ja, van hun geloof in de Here Jezus zouden wij vandaag zeggen, maar dat hadden ze natuurlijk niet. Overeind blijven om daar voor God een bijzonder getuigenis te vormen. Ik hoop dat u dit verhaal naleest in uw bijbeltje. U doet er maar twee of drie ochtenden over, maar doe het alsjeblieft. Probeer dit eens op te nemen in het OT. En probeer eens te lezen dat deze twee mannen olijfbomen genoemd worden. en nu moet u zich even iets inbeelden. Twee olijfbomen, ze worden daar torenhoog neergezet. Die ene is dan die priester Jozua en die ander is dan die landvoogd Zerubbabel en die laten, omdat ze olijfbomen zijn, hun olijfolie, dat is het beeld, daar in Zacharia, door een soort buis stromen naar en bak, naar een vergaarbak, een soort olievat, zo zou je het misschien mogen zeggen. En uit dat verzamelpunt, zo’n olievat kwamen toevoerbuizen naar een kandelaar. En die kandelaar brandde bij de gratie van die twee olijfbomen. Het was een soort permanent circuit. Dus die olijfbomen zorgden voor de olie, diemolie kwam in een vergaarbak, die vergaarbak distribueerde naar de zeven lampen en die lampen die gingen branden. En zolang er olie bleef, bleef er ook licht. Dat zegt de Here daar. Een heel mooi beeld. Weet u warom de Gemeente vandaag vergeleken wordt met een kandelaar. Ja, nu weet u het misschien. U hebt de Heilige Geest in uzelf. U bent zo’n olijfboom, toch. Durft u te zeggen: “Ja als ik naar mezelf kijk en naar mijn vuile kleren”. Ik heb het dus niet over ons kloffie, dit is behoorlijk schoon hoor, maar ik heb het over het innerlijk van ons. Is het dan niet vaak zo dat je beschaamd staat, dat je mischien wel zegt: “Nou, laat ik me maar stil houden, ik ga wel naar de dienst, ik ga wel naar de kerk, ik ga wel naar de gemeente, maar nou eigenlijk…” Nou ja, dan komt er weer een verhaal, maar je doet in elk geval niets meer. Je bent monddood geraakt, daardoor. De Here wil je, en wil mij, als een heel bijzonder instrument neerzetten. Jij hebt olie in jezelf. Door de Heilige Geest die in je is ben je een soort bron. En dat kleine beetje olie van ons dat wordt een licht, dat wordt iets bijzonders, dat wordt een kandelaar waardoor de Here Jezus gaat schitteren, waardoor Hij gaat stralen. Dat is de opzet.
Nu komt er in de toekomst een hele moeilijke tijd zegt Openb. 11. Een tijd dat Jeruzalem vertreden zal zijn door de volkeren. En uit alles blijkt dat dat een hele moeilijke tijd gaat worden voor Israël. Ze hebben het nu al moeilijk, maar ze hebben dan toch het gezag, min of meer, over heel Jeruzalem. Ook al claimt een bepaalde groep het gezag over Oost-Jeruzalem, feitelijk is het gezag nu in handen van Israël. Maar er komt een tijd dat dat niet meer zo is. Er komt een tijd dat de volkeren, de heidenen, de stad zullen vertreden. En dat spoort met de profetiën uit het OT. Dat spoort met het boek Daniël, hoofdst. 9; 10; 11, ja het wordt een heleboel huiswerk van de week. Nou, het hoeft ook allemaal niet in één dag he. U neemt een dag vrij en gaat de profetiën lezen. Dan. 9; 10; 11 en 12. Dat spoort met Zacharia, hetzelfde boek Zacharia, maar dan met hoofdst. 12 en hoofdst. 13 en hoofdst. 14. Het staat er allemaal precies. Echt waar. Ik heb het niet bedacht, het is er. En dat zijn echt niet de enige plaatsen. er staat dat er een tijd gaat komen dat Jeruzalem vertreden zal worden door mensen, zelfs uit Nederland. Nou, vroeger dacht ik dat dat niet kon, nu denk ik: Het is bijna zo ver. Dat is een enorm verschil aan het worden. een resolutie in New York aangenomen, kan er best toe leiden dat ook onze militairen, die al gereed staan, want dat zijn ze nu mee bezig he, er moet toch een enorme macht gereed staan he, helemaal bewapend, helemaal toegerust, die moeten in drie kwartier eigenlijk in Bagdad kunnen zitten, dat is wat vandaag gebeurt he, dat moet allemaal klaar zijn. Dus één knopje in New York omgezet en in Schiphol of, weet ik veel, Soesterberg, daar draaien de motoren van onze vliegtuigen. En ze gaan. Waar gaan ze naar toe. Naar het Midden-Oosten. Ze gaan zich legeren in de vlakte van Meggido, Harmaggedon, ik kom er op terug, hoofdst. 16, maar het staat er. En ze gaan Jeruzalem binnen, ze gaan Jeruzalem vertreden. Wie doen dat. Alleen de Nederlanders. Nee, met name Europa. Misschien wel in NATO/NAVO-verband, dan zal Amerika ook een duit in de zak doen, in elk geval, ze gaan. En het wordt voor, ja, voor Israël, voor het volk van God een hele moeilijke tijd. Ze hebben geen enkel stukje verweer, ze hebben niets. Alle moed ontzinkt, er blijft niets over. Ze kunnen niet meer vertrouwen op wat ze zelf kunnen, dat is ook voorbij. Nu nog denken ze: Nou, laat ze maar komen in Irak, wij hebben het antwoord. Of laat ze maar komen uit, we weten wat we moeten zeggen. Maar dan hebben ze geen antwoord meer. De bijbel zegt het. 42 maanden lang, 3½ jaar, 1260 dagen lang, stond in Openb. 11 he, die beide termen he, 42 maanden, 3½ jaar of 1260 dagen lang, ook 3½ jaar. Het gaat om 3½ jaar grote druk in Jeruzalem. een buitengewone ellendige toestand daar. Dat staat hier, dat gaat komen. Dat moet nog komen, dat zijn de dingen na nu. Ja, dat is best angstig. Als u dan toch bidt, bid dan alstublieft dat er velen in Israël tot bekering zullen komen en de Here Jezus, de Messias, die toevallig ook Joshua, Jezus heet, dat ze de Here Jezus leren kennen als hun Heiland en als hun Verlosser. Want dat betekent dat ze voor die tijd bij Hem zullen zijn. Maar als ze zich niet naar de Here Jezus wenden komen zij in een enorme druktijd terecht. Dat wordt de grote verdrukking genoemd. Die 3½ jaar lieve broeders en zusters komt niet zomaar uit de lucht vallen, dat komt uit het boek Daniël. Aha, daarom huiswerk uit Dan. 9? Ja, daarom huiswerk uit Dan. 9 want in Dan. 9 staat dat er nog een keer 3½ jaar gaat komen. Staat dat er zo? Nou, het staat er iets anders, er staat in Daniël, bijvoorbeeld hoofdst. 12: Tijd, tijden en een halve tijd. Daar heb je het weer he. Tijd, 1 jaar, tijden, 2, dat is 3 en een ½ tijd, 1260 dagen, 42 maanden. Tijd, tijden en een halve tijd. Het gaat komen. En het boek Daniël maakt scherp dat dat een hele zware druktijd zal zijn. Dat noemen wij de grote verdrukking. En die grote verdrukking valt in een periode van 7 jaar, altijd zo. Mijn verjaardag valt ook in een periode van 7 jaar zal iemand wel zeggen. Nou, u mag het zo zeggen, klopt natuurlijk altijd, maar ik bedoel het een beetje anders. In het boek Daniël staat dat er nog een periode van 7 jaar komt. Een periode die nog niet geweest is. Ik weet best dat dat even slikken is voor mensen die dit nog nooit hebben gehoord, die denken: Ja, ja, ja, he, hij goochelt met getallen en zo. Nou, dat is niet zo. Het is niet een soort goochelshow. Dan moet u op een andere zender afstemmen. Maar toch zegt de bijbel dat er tijden zijn. En wij moeten op de tijden letten, en op de tekenen van de tijden. en die tijden worden in Dan. 9 heel scherp neergezet. En er komt een periode van 7 jaar. En de helft van die periode van 7 jaar dan gebeurt er iets. Dan wordt een hele nieuwe vreselijke afgodische dienst in Jeruzalem ingevoerd. Daar zal een afgodsbeeld in Jeruzalem staan. We komen er op terug hoor, in dit boek Openbaring ook, veelvuldig. Maar dit is een soort voorzet een soort voorontvouwing. En u en ik krijgen nu zicht op wat er dan gaat komen. In die tijd is de hele stad onder controle van de heidenen, van de volkeren. Er is een tempel volgens Openb. 11. Maar de voorhof, waar het altaar stond en het wasvat stond, de voorhof die is aan de heidenen gegeven, om die te vertreden. Natuurlijk kan God niet vertreden worden door de heidenen en kan Zijn Eigen woonplaats nooit, nooit, maar dan ook nooit zover verlaagd worden dat ze dat onder zich of onder hun controle plaatsen, dat kan niet. Maar toch, een vreselijke tijd. De tempel, die blijft even voor God staan, dat was hoofdst. 11:1, daarom heb ik dat de vorige keer er bij genomen. Hoofdst. 11:2 zegt dat de voorhof van die tempel wel terdege vertreden zal worden. Dus, laat ik maar zeggen, het eerste stuk, u herinnert zich dat he, als u een tabernakel- of tempelplaatje hebt, daar is een soort voorhof en ja, daar stond het altaar, het koperen brandofferaltaar. En daar stond het koperen wasvat en dan kreeg je de eigenlijke gebouwen met het heilige en daarachter het heilige der heiligen. Dat was eigenlijk de indeling. Nu, het heilige en het heilige der heiligen blijft hier even los, dat komt in de volgende hoofdstukken nog. Maar het eerste stuk, het publieke stuk zal ik maar zeggen, waar iedereen nog, ja, komen kon, waar iedereen nog ingang had, want je mocht er nog naar binnen, in het heilige mocht niet iedereen naar binnen, maar in de voorhof mocht iedereen nog naar binnen, en daar zouden de heidenen de zaak gaan vertreden.
En in die tijd zegt Open. 11, zullen er twee getuigen zijn. Nu heb ik, ik weet niet hoe vaak horen zeggen of gelezen dat dat waarschijnlijk Mozes en Elia zouden zijn. Nou, ik wil u niet iets ontnemen, maar dat is niet zo. Uit niets blijkt dat dat zo is. Als u een indicatie wilt van twee namen, want dat gaat u dan zoeken, dan zult u op z’n minst Jozua en Zerubbabel moeten noemen. Want dat is het meest waarschijnlijke. Die worden expliciet de olijfbomen genoemd . Dus als u dan toch namen wilt dan zult u ze die namen moeten geven. Maar ik begrijp u wel en ik begrijp ook iedereen wel die dit zegt. Omdat er vuur uit hun mond komt en dat zou dan op Elia duiden. Of er is geen water, er zal droogte zijn. En water zal in bloed veranderd worden, dus dat is precies wat Mozes gedaan heeft in de oude tijd. Of wat Elia gedaan heeft in zijn tijd. Dit zijn dus eigenlijk Mozes en Elia die dan terug komen uit de heerlijkheid en die daar als getuigen van God optreden en dan weer zouden gedood worden en daarna naar de Here zouden gaan. Het gaat er niet om om namen te hebben. Het gaat er om dat in die er twee getuigen zullen zijn. Maar die worden twee olijfbomen genoemd. En ik denk veel eerder aan dat koning-priesterschap. De één is een priester en de ander is een soort landvoogd, regeerder, bestuurder, dat koning-priester element. En ik dank dat ik daar alle recht voor heb. En die hebben daar getuigd. En als iemand hen schade wilde toebrengen dan kwam er vuur uit hun mond. Dat is bij Elia ook nooit gebeurd en dat is bij Mozes ook nooit gebeurd, dus ook in die zin ligt er geen link. Er is wel vuur uit de hemel gekomen maar nooit vuur uit hun mond gekomen.
En er komt een beest uit de afgrond en uiteindelijk verslind dat beest deze twee getuigen, als hun getuigenis voleindigd is, als hun tijd geweest is. Daar in die tijd zullen er dus twee getuigen vertellen van de Here Jezus. En zij zullen op een buitengewone manier daar staan als een getuigenis voor de Here, om dat prachtige van de Here te etaleren. Maar daar is een geweldige tegenstander. Een beest uit de afgrond. Dat moet u niet verwarren met een beest uit de zee, Open. 13. U mag dat ook niet verwarren met een beest uit de aarde, Open. 13. U mag dat ook niet verwarren met een beest uit de hemel, Open. 12. Dit is Open. 11. Dit is een beest uit de afgrond. Dat betekent dat de afgrond waar we het de vorige keer over hadden, sorry, was niet de vorige keer, was de keer daarvoor, 9:1 en 2, dat beest uit de afgrond is alle demonische machten. Alle machten en krachten van de duisternis, eigenlijk binnen in een beest geduwd, in een soort behuizing geduwd, en de kracht daarvan zal zich keren tegen die twee gezalfden. En zij sterven tijdens hun getuigen. Ze blijven op de straten van Jeruzalem liggen. Nou, en die krijgt in die tijd een benaming van Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd is. je kunt er gewoon niet onderuit welke stad het is. Het is gewoon echt Jeruzalem. en het is bovendien zo verworden dat het gelijk is aan Egypte en gelijk is aan Sodom. Dat betekent: De zonde slaat op een gigantische manier toe. Daar sterven zij, daar hebben zij getuigd, daar hebben zij gesproken, en daar zijn zij gestorven. Ze worden niet begraven. Dat is in het Oosten gewoon dezelfde dag of hooguit een dag later, maar dat wordt niet toegestaan. En zij worden daar, ja, gelaten. En alle camera’s, dat is mijn vertaling, zijn toevallig in Jeruzalem. Waarom, nou als de Nederlande soldaten daar zijn dan is de NOS of de NOB daar ook. En als de Britse soldaten daar zijn dan is de BBC daar ook. En als de Amerikaanse soldaten daar zijn dan is de Amerikaanse omroep daar ook. En ze zijn er allemaal, alle cameraploegen zijn meegestuurd, iedereen ziet het. In de huiskamers van de Nederlandse burgers wordt door iedereen gezien: En nu zijn ze eindelijk tot zwijgen gebracht. Dat is maar goed ook, want die schopten overal, overal tegen, waren het nergens mee eens, wilden alleen maar andere kleuren inbrengen. Dat is de tijd die we hier de grote verdrukking noemen, een vreselijke tijd.
Na 3½ dag gaan ze weer overeind staan. En er komt een stem uit de hemel: “Kom”. En ze klimmen naar de hemel in een laddertje die ze toevallig in hun bagage hadden. Welnee, in een wolk. En ik heb dat al eerder geroepen he, alles wat naar de hemel gaat, gaat in de wolk naar de hemel. In een wolk gaan ze rechtstreeks…. En de camera’s zien het en ze registreren. Het wordt feilloos geregistreerd.
Openb. 11, het geeft u een schets van wat er in de toekomst in Jeruzalem gaat gebeuren. Hoe de stad van God, de stad van de grote Koning, het Sion van de Heilige Israëls, dat zijn benamingen die in de bijbel te vinden zijn, hoe die stad vertreden wordt, hoe die stad een vreselijke afgodische situatie zal kennen. En hoe daar in die tijd getuigen zullen optreden om te vertellen van hun Here. En op het moment dat God het wil gaan die mensen echt naar de Here Jezus toe. Dat is de toekomst, dat is wat er gaat gebeuren.
Nu vandaag. Ik heb die hele inleiding in feite nodig om u iets te vertellen en dat voelt u. We kunnen duizend keer roepen dat het zo erg nog niet is. Nou, gelukkig niet nee. Als het gaat om de lijfelijke situatie, ik bedoel wat je lichaam betreft, wat vervolging betreft, en wat aardbevingen en wat toestanden betreft zitten we gewoon heel gemakkelijk in Nederland. En we kunnen een samenkomst beleggen hier in dit gebouw en er is eigenlijk niets wat in de weg gelegd wordt. Maar gaat het vandaag wel om de Here Jezus. En staan er vandaag nog getuigen op. Zal ik, het een anders zeggen. Als de bijbel zegt in 2 Pet. 1, dat jij en ik een heilig priesterschap zijn, iets verderop, twee teksten of drie teksten verder, dat jij en ik een koninklijk priesterschap zijn, wat maken wij daarvan. Als wij vandaag aangesproken worden door Petrus, dat we een apart gezet gezelschap zijn, heel uniek, dat we voor God apart gezet zijn. Heilig priesterschap, dat is dienst naar God toe, dienst naar Hem toe. Lofprijzing, aanbidding, grootmaking van de Here Jezus. Niet alleen vragen: “Here wilt u ons bewaren en helpen morgen want het is weer maandag, het is weer wasdag en we zitten weer met…” Alstublieft, bid maar voor alles waarvan u denkt dat er gebeden moet worden. Maar het gaat me erom dat u lofprijzend, dat u eerbrengend, dat u God prijzend hier aanwezig bent, want dat wil de duivel verhinderen. U mag hele lijsten vragen aan de Here, u vraagt maar. “U krijgt toch geen antwoord”, zegt de duivel, “dus u vraagt maar, maakt toch niet uit, vraag maar.” Maar een lofprijzend gezelschap, een eerbrengend gezelschap hier op aarde, dat is uniek. dat bestaat helemaal niet. En de Here God troont op de lofzangen. Hij is niet zomaar Iemand, Hij troont daar waar de trompetten klinken. Dat was de voorhof, waar het altaar stond, daar is het offer in al zijn glorie zichtbaar, daar is de liefelijkheid van het offer, daar is het wasvat, het woord van God. Dat terrein, het terrein van het offer, het terrein van de lofprijzing, het terrein van het woord van God, dat terrein wordt aangevallen. Ja dan, in die tijd zal die voorhof vertreden zijn, zal er helemaal geen centimeter, geen vierkante centimeter meer voor anderen zijn, vertreden. Maar nu dan, is die voorhof vandaag dan niet het doelwit van de aanvallen van zo’n beest uit de afgrond. Zou de demonische kracht en de demonische macht vandaag het niet gemunt hebben op dat terrein waar u de Here prijst, waar u Hem groot maakt. Waar u ziet wie de Here Jezus is. Waar u het offer bekijkt en waar u bewonderend stamelt: “Here Jezus, U bent geweldig, U bent groots, en U bent heerlijk, U bent majesteit.” En waar het woord van God kracht heeft, war het wasvat staat, waar de reinigende kracht van het woord van God ervaren wordt. Dat terrein, ja dat terrein, dat is u en mijn leven, dat is dat wat wij samen beleven, dat is vandaag ook doelwit van de aanvallen van een beest uit de afgrond. En daar staan we dan. En we zeggen niets en we doen niets. Blijf zitten waar je zit en verroer je niet. Nou, dat kan niet. Dat kan echt niet. Er moet wat gebeuren. Als deze twee getuigen in die tijd, waarin het nog veel en veel erger zal zijn dan vandaag, zo staan, zo spreken, dan is de opdracht die u en ik hebben vandaag precies zo. En ik ben er echt van overtuigd dat we het niet meer snappen. De christenen zijn in slaap gesukkeld, zijn in slaap gebracht, slaappillen. En de christenen zijn, ja, voortschrijdende, ja, hoe moet ik het zeggen, schrompelaars, helemaal verschrompeld, en een beetje de koers kwijt. En ze worden heen en weer geschud door van alles. En als onze voormannen in Amsterdam op de universiteit dingen schrijven zoals recentelijk, ja. Dan zeggen we: “Ja, die man heeft al eerder een boek geschreven, dat klopte niet, en toen nog een boek en toen nog een boek en zo.” Maar voorlopig is dat weer discussiestuk numero 1 in heel veel catechesekringen, stom genoeg. Maar wat doen we dan. Komt er dan vuur, ja, kan ik dan vuur uit mijn mond laten komen. Nee, onze strijd is nooit tegen vlees en bloed, nooit. het gaat nooit om mensen. Het kan nooit gaan om iemand. Maar het is wel een strijd tegen overheden, tegen boosheden, tegen machten in de hemelse gewesten, tegen zo’n beest uit de afgrond. En dat gaat maar door. En waar is het uiteindelijk om begonnen bij dat beest uit de afgrond. Om de verlaging van de Here Jezus en om te voorkomen dat de Here Jezus wordt geprezen en verheerlijkt. En nu eerlijk zijn. Hoeveel tijd in uw leven, in uw gebedsleven, laat ik dat zo maar eens zeggen, is er voor lofprijzing. Ik bid ook voor mijn kinderen, voor mijn kleinkinderen en voor, nou ja, dat lijstje. Ik bedoel het niet negatief maar gewoon. Je hebt namen, je hebt gebeurtenissen, je hebt mensen. Maar echte lofprijzing. Ik heb vanmorgen gesproken over Ps. 45: Mijn hart trilt van blijde woorden. Ik draag mijn gedicht een koning voor. Ik kan me niet meer inhouden. Maar als de Here Jezus nu eens zo voor je zou staan, vanmiddag, zou je recht in je ogen kijken en zou zeggen: “Ik heb voor jou aan het kruis van Golgotha Mijn leven gegeven.” Wat ga je dan zeggen. Here, mijn fiets is niet in orde. Ongeveer he, ik bedoel het niet naar of zo. Maar dat is toch ongeveer waar het dan weer terecht komt he. Weer van: Ja, ik mis iets of er is iets krom in mijn omgeving. Maar ga je dan zeggen: “Here Jezus, ik ben zo geweldig blij met U, ik wil u eren en ik wil U nu een nieuw lied gaan zingen.” Ja, u bent geen tekstdichter, ik weet het wel, en u schrijft ook niet, u bent ook geen poëet, u hebt al moeite met de rijmelaarijtjes van Sinterklaas, dus ik snap het allemaal best. Maar zou u dan de Here Jezus iets kunnen zeggen, zou u Hem iets kunnen vertellen, iets willen vertellen. Hennie zei vanmorgen: “Ik weet wat ik Hem ga zeggen: Here Jezus, U bent de liefste. U bent de allermooiste.” En we hebben samen in de auto dat liedje gezongen, een heel oud liedje. Ik weet niet eens in welke bundel het staat maar dat maakt niet uit. Maar de Here Jezus iets zeggen. Weet je, de duivel is allang de voorhof binnengekomen. Daar waar wij lofprijzing zouden moeten doen en daar waar het offer in al zijn glorie, in al zijn schittering neergezet zou moeten zijn, waar alles schittert en waar alles gaat om de Here Jezus en waar het woord van God, wasvat, in zijn reinigende kracht aanwezig is, daar lijkt de vijand al vertredend aanwezig te zijn.
Twee getuigen. Aan de ene kant een dienst naar God toe, een heilig priesterschap, Hem prijzen. En aan de andere kant een koninklijk priesterschap. Dat is naar buiten toe, dat is naar de mensen toe. Om de grote daden of de grote deugden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht. Dat is naar buiten toe, lofprijzend en getuigend. Daar stonden ze die twee. En ze hebben geroepen, ze hebben getuigd, en dat getuigenis is gehoord. Ook in de hemel.
Er komt een moment dat die twee getuigen hun getuigenis gehad hebben, dat hun tijd, nu zeg ik het heel cru, maar ik bedoel het niet zo raar, er op zit, en ze gaan naar de Here. “Kom hierheen op.” Nou, daar gaan ze. Hoe gaan ze dan verder. O, ze gaan verder met lofprijzen, dat kan toch haast niet anders he. Ze gaan Hem eren en ze gaan Hem vertellen. En ze gaan niet meer praten over al die verschrikkelijke negatieve dingen die daar in de voorhof zijn gebeurd maar ze gaan vertellen wat vroeger is gebeurd op het kruis van Golgotha.
Hier vinden we twee getuigen in een hele moeilijke tijd die nog toekomstig is. Een tijd van grote verdrukking. Een tijd die 42 maanden duurt, 3½ jaar, 1260 dagen, een tijd, tijden en een halve tijd. Dat is die bijzondere druktijd die hier omschreven wordt. En in die tijd getuigen deze twee mannen. En jij en ik zijn vandaag aan de beurt. Dat is gewoon zo. En u kunt duizend keer zegen dat het nog niet de grote verdrukking is, ik zeg met u amen, dat is waar. Want als het de grote verdrukking zou zijn zou Jeruzalem op dit moment gewoon plat gelopen zijn door alle volkeren, en dat is niet zo, dat komt nog. Maar hoe gaan wij dan om met deze dingen.
Nu, als dit gebeurd is, komt er een aardbeving, een soort eindafrekening, en daar kom ik later op terug, want de details hiervan komen ook nog in allerlei kleurrijkheid. U krijgt het echt helder aan het eind van dit laatste bijbelboek. Maar hoe dan ook, een zevende engel gaat blazen en dan ineens is daar een groot geroep, luide stemmen: “Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan Zijn Gezalfde. En Hij zal als Koning heersen tot in alle eeuwigheden.” De Here Jezus komt. Zijn regering komt, Zijn heerschappij komt, Zijn eer en Zijn glorie komt. Vierentwintig oudsten die voor de Here zitten op de tronen die gaan gelijk op hun knieën en gaan gelijk in aanbidding, wonderbare dingen zeggen: “Wij danken u Here God.” Dat is de derde keer dat de oudsten neervallen en aanbidden. Eerste keer hoofdst. 5; tweede keer hoofdst. 7; derde keer hoofdst. 11, hun tronen, weer een aanbiddingsdienst, het blijft een aanbiddingsdienst. Lieve broeders en zusters, over wat er daarna in de hemel gaat komen ga ik de volgende keer met u praten als u wilt, als ik het kan, de Here het vergunt, want dat bedoel ik eigenlijk. Maar ik ga u nu alvast zeggen: “Zodra dit glorieuze zichtbaar wordt dan houden de oudsten het ook niet meer en ze gaan God prijzen.” En ik heb u in het begin van deze series gezegd dat wij die oudsten zijn daar in de hemel. Dat we onszelf daar in die tronen mogen zien zitten. En dat we dan gewoon lofprijzend in de hemel verder gaan. Daarom zie ik zopas: “Wat gaan ze daar in de hemel doen. Lofprijzing. Weer verder met eer brengen aan de Here Jezus.”
Openbaring van Jezus Christus. Ineens een luide stem: “En toch is Hij Koning. Toch is Hij de Here.” Ook al hebben de volkeren ogenschijnlijk alle macht. Ook al kunnen ze getuigen doden. Ook al kunnen ze van alles uitdenken. Toch is Hij de Here. Toch is Hij de Heerser. En het is zo belangrijk voor gelovigen om vandaag te zeggen: “En het kabinet in Den Haag, dat is niet het eind. Wat ze in Washington, c.q. New York beslissen, dat is ook niet het eind. Wat ze in Brussel of in Straatsburg allemaal overleggen, dat is ook niet het eind.” En de gelovige kijkt verder. De gelovige weet meer. De gelovige kan vandaag vertellen: Ja maar, er is een Koning. en die Koning is niemand minder dan de Here Jezus die Zijn leven voor mij heeft gegeven. En die mij zo ongelofelijk liefhad dat Hij niet wilde dat ik verloren zou gaan maar dat ik voor altijd bij Hem zou zijn. Weet u dat de Here Jezus veel meer is dan Iemand, zomaar uit de straat. Dat Hij veel en veel groter is dan wij vermoeden. Dat Hij groter is dan mensen van Galilea, dan mensen in Jeruzalem, dan groten der aarde, groter is dan de allerhoogsten en de allerrijksten. De Here Jezus, Hij schittert en Hij troont overal bovenuit.
Twee getuigen zullen in de toekomst zeggen: “En Hij is het, en de satanische machten niet.” En wat jij en ik vandaag moeten, c.q. mogen doen is: Hij is het. Wat is ons hoogste doel. Carrière, vooruitgang, nou ja, welstand, is dat het. Het breekt je bij de handen af. Dat weet iedereen al te vertellen die wat ouder is, want er zijn altijd al debacles geweest. Het hoogste is toch de Here Jezus. En als Hij niet meet numero één is in je leven, wie is het dan. En als het in onze levens niet meer gaat om Hem. Als het in onze tijd niet meer gaat om Hem, wie heeft dan de tijd en wie heeft dan de plek ingenomen. Ik hoop dat je opnieuw gaat zeggen vandaag: “Ik zal niet één van die twee getuigen zijn.” Maar de Here Jezus zegt wel tegen jou; “En gij zult mijn getuigen zijn.” Jij en ik zijn vandaag in de voorhof neergezet om van die dingen te getuigen die vroeger in de voorhof stonden. Nog een keer. Dat is het altaar, het kruis van de Here Jezus. Dat is het offer op het altaar, de Here Jezus aan dat kruis. Dat is het wasvat, de reinigende kracht van het water, of anders met Ef. 5, de wassing des waters door het woord. Dat is wat wij vandaag hebben. En temidden daarvan staan we. En we hebben deze geweldige belangrijke dingen in onze handen, in onze harten gekregen. En u denkt misschien met Jozua die hogepriester uit Zacharia: Ja, het is allemaal niet zo goed met me. Ik faal vaak. Klopt, niet omdat ik het weet, maar omdat ik mezelf ken. En misschien schaam je je wel. Maar de Here zegt: “Ik zie je in een statiegewaad.” En misschien denk je wel: Ja, maar als ik nu die en die opleiding heb en dat en dat vermogen heb, dat en dat stukje gave zou hebben dan… “Nee”, zegt de Here tegen Zerubbabel, “niet door geweld, niet door kracht, maar door Mijn Geest.” Daar heb je het. Het werk van de Here Jezus en de Geest van Christus in u, dat is het geheim. En als die beide dingen ons vandaag niet gaan motiveren dan wordt het niets, echt niet, dan kun je er wel mee stoppen. Maar als die dingen wel gaan gebeuren, dan staan we ook vandaag, dan zijn we bijna onaantastbaar. Waarom, omdat het niet meer om ons gaat. “En dan zou je geld en goed kunnen nemen”, zei Luther vroeger al een keer he, “Neem geld en goed ons af”, hij ging nog verder, “delf vrouw en kinderen het graf”, dat ging heel ver he, 31 oktober, dat ging heel ver. “Maar we erven koninkrijken.” Je kunt ons niet aantasten. Wij zijn onaantastbaar. Dat is wat hier staat. En ook al zou het lijken dat de overwinnaar toch, laat ik maar zeggen, zegeviert, dan ineens: “Kom hier op”, en iedereen staat verbaasd. Iedereen staat na te kijken en geeft God de eer. Uiteindelijk komt het daar op neer. De Here zegene u en mij in alles, amen.