Openbaring 1 : 9 – 20

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 2. Als Dood en toch levend.

Openbaring Bijbellezing door Dato Steenhuis,
27 januari 2002

Lezen: Openbaring 1:9-20

Het laatste bijbelboek gaat in zijn geheel over de Here Jezus. Het is de openbaring van Jezus Christus. Vorige keer zei ik God doet een boek open over de Here Jezus. God onthult wie de Here Jezus is. En toen zei ik: “Misschien is het zinnig om gewoon op het puntje van je stoel te gaan zitten”. Ik bedoel dat natuurlijk niet letterlijk, maar gewoon om zo bij de les te zijn, omdat God openbaart Wie de Here Jezus is. En ik weet zeker uit mijn eigen ervaring dat als God zo wil tonen Wie de Here Jezus is, er iemand bezig is om dat te verhinderen. Te druk, te moeilijk, te zwaar, te lang, te moe, vul maar in. Er is altijd wel een excuus. En het gaat ook niet om mij, het gaat niet om ons, het gaat om de Here Jezus. Het gaat om de Christus der schriften. God laat zien Wie Hij is. En we zijn er heel schoorvoetend mee begonnen de vorige keer. Bandje kunt u nog krijgen als u er niet was.
En nu gaat het verder in hoofdst. 1. Johannes is degene die als een soort secretaris als een soort weergever mag noteren, en hij doet dat. En hij is om die reden kennelijk in gevangenschap op het eiland Pathmos. De ongewijde geschiedenis vertelt dat Johannes, degene die ook de evangeliën heeft geschreven, die samen met Jakobus, dat waren immers broers, en de zonen Boanerges, de zonen van de donder, zo werden ze genoemd, het waren dus niet van die lievertjes. Mooi he, dat God ook zulke mensen gebruikt. U hebt dus echt een kans. Ja, als Paulus de grootste van alle zondaren is en Johannes zo’n bijnaam heeft dan denkt u, dan is er ook nog een mogelijkheid voor mij. Nou die is er echt. Maar Johannes is ook uit Jeruzalem verdreven, kennelijk, dat is natuurlijk gebeurd, ja onder druk van. Johannes moet ongeveer 90 jaar zijn geweest vermoed men, een oude broeder. Een oudste, zo noemt hij zichzelf in zijn brieven. En hij is uiteindelijk in Efeze terecht gekomen. Dat zegt de ongewijde geschiedenis. Ik kan dat nu niet bewijzen, maar de geschiedenis vertelt dat. en daar heeft hij gewerkt, daar heeft hij ook gesproken, daar heeft hij gediend. En daar is hij zelfs met Maria, de vrouw van Jozef de timmerman, de Here Jezus is immers geboren uit de maagd Maria, en Maria zou bij hem zijn geweest daar in Efeze zegt diezelfde ongewijde geschiedenis. Maakt niet uit, maar aannemelijk is het wel, omdat Johannes naat Pathmos is verbannen en Pathmos ligt niet zover van Efeze. Een uurtje of 4-5 varen nu met een motorboot, misschien vroeger wat langer. Maar in elk geval, dat is best te doen. En Efeze was een soort hoofdstad van het Romeinse gebeuren, van Romeinse rijk in tijd. Dat Romeinse rijk was er al bij de geboorte van de Here Jezus, he, keizer Augustus kon iets bevelen. Was er ook toen de Here jezus stierf, Pilatus kon als gouverneur iets zeggen. En die Romeinse bezetters waren er nog een paar honderd jaar lang. En om de reden van vervolging en van druk in Efeze is Johannes naar Pathmos verbannen. Nu is dat nu een heel mooi toeristisch eiland, je kunt er goed toeven, het is heel aardig om er te zijn, ik weet iets van ervaring. Maar het is dus toen toch een soort, ja, verbanningsoord geweest. Lastige lui moesten dan daar maar tot bezinning komen. Zo is het gegaan. Johannes is op het eiland Pathmos eerst waarschijnlijk ook nog vastgezet geweest in een soort grot en vanuit die grot heeft hij toch een klein beetje zee gezien en heeft hij deze dingen mogen opschrijven.
Johannes, deelgenoot in de verdrukking. Zo begint hij dus he. Deelgenoot in de verdrukking, dus dat duidt erop dat het gewoon onder gigantische druk geweest is. Maar hij is ook deelgenoot in het Koninkrijk. En in de volharding in Jezus. Het hele boek is bedoeld voor slaven, voor dienstknechten. Voor mensen die dus niet zo gauw een soort vut-toestand kennen, geestelijk, maar mensen die aktief zijn, die slaven zijn, die in de verdrukking niet af laten weten en die ook een stuk volharding, een stuk doorzettingsvermogen laten zien. Nu wil ik u niet diskwalificren en ik wil u ook niet kwalificeren, ik wil alleen maar zeggen: Als je echt groeien wilt in de dingen van de Here Jezus moet je ook een keer je tanden op elkaar zetten. Je moet je er ook een keer in durven bijten. Want er is een beetje een gevoel over mij gekomen van de laatste jaren van: Het moet niet al te zwaar zijn en het moet een beetje makkelijk zijn, het moet een beetje ja, hapklaar zijn. Nou ja, bijna hondenvoer zo, weet je wel, je kunt het gewoon, klaar, uit het pak gewoon even in het bakje gooien. Nu dat is met de geestelijke dingen niet zo. Je geestelijke spijsvertering wil ook best iets doen. En dat werk van Gods Geest in, ja, de Heilige Geest die in ons werkt, wil ook graag duidelijk maken wat het betekent. En stel nu dat u duizend vragen meer hebt na het bestuderen van Openbaring dan daarvoor, dat kan, dan mag u de Heilige Geest vragen of Hij dat duidelijk wil maken. Joh. 14 zegt dat de Heilige Geest helder zal maken, duidelijk zal maken wat we nog niet begrijpen. Dus we zijn gewoon, laat ik maar zeggen, in een positie gezet van er iets voor doen en er iets aan doen. Nou Johannes is daar om het woord van God en om het getuigenis van Jezus. Dat getuigenis van de Here Jezus is niet alleen de plaatselijke kerk. Dat is denk ik in de aller, allereeste plaats het openbaar maken van Hem. Dat doet God middels dit hele boek aan jou en aan mij. Hij wil aan ons, de gelovigen van nu, degene die nu geloofd heeft in het volbrachte werk van de Here Jezus, die leven uit God heeft, aan hen wil de Heilige Geest duidelijk maken Wie de Here Jezus is. Maar ook wij zijn hier op aarde om het getuigenis van Jezus. Niet om de carriere van Dato, om onze eigen eer te zoeken, maar we zijn hier voor Hem. U en ik zijn hier op aarde achtergebleven, niet zomaar, niet om te freewheelen. Niet om leidzaam af te wachten wat allemaal over ons heen gestort wordt maar om te getuigen van de Here Jezus. En getuigen van de Here Jezus is niet alleen praten over Hem, dat is ook leven met Hem en leven voor Hem. Ook al zou u daarbij geen woord zeggen, dan nog. Een getuigenis van de Here Jezus, een stuk charima, een stuk uitstraling over en van de Here Jezus hier op aarde. Daarom zijn we hier. Dus echt niet in een soort wachtkamerfunctie maar echt in een werkkamerfunctie. U en ik worden geroepen om te getuigen van de Here Jezus.
En nu was Johannes daar op het eiland Pathmos en hij kwam in vervoering des Geestes op de dag des Heren. En nu komt de grote moeilijkheid. We storten ons gelijk in alle moeite. Dat vervoering des Geestes dat krijgen we nog wel mee denk ik. En de vraag die zich dan opdringt is: Zou de Heilige Geest jou en mij vandaag nog in beweging kunnen krijgen. In vervoering kunnen krijgen. Nou ja, nu hoor ik het al he, nu begint het te kraken hierboven. Moeten we dan naar Toronto, moeten we dan dit, moeten we dan zus. Ja daar gaat ie. Daar gaan onmiddellijk, ja, daar gaan allerlei signaaltjes, allerlei associaties verschillende kanten op en u gaat zich afvragen: Waar ben ik in vredesnaam beland. Zit ik wel goed hier in de aula van deze school. Nu, u zit goed. U zit goed, want ik wil niet een kleur van mensen maar ik wil wel de vraag beantwoord zien, en ik kan dat toch niet beoordelen hoor, maar ik wil zo graag de vraag beantwoord zien in onze eigen levens of wij nog wel in vervoering des Geestes kunnen komen. Want als de Heilige Geest er is, is gekomen, ja toch, toen we tot geloof kwamen, toen we tot bekering kwamen, toen we geloofden in het volbrachte werk van de Here Jezus, toen we dat werk van de Here Jezus omarmden, naar ons toe haalden is de Heilige Geest, de Heilige Geest van de beloften in ons gaan wonen. De bijbel zegt het: Ef. 1:13, Het evangelie van je
behoudenis horen, het evangelie van je behoudenis aannemen en de verzegeling met de Heilige Geest komt. Dat doet God. Die Heilige Geest is er. Nu kun je die Heilige Geest bedroeven, je kunt Hem uitblussen en je kunt Hem ook voluit Zijn gang laten gaan. Vervulod worden met. Nou ja, Pinksteren. Het is nog geen Pinksterdag maar het is een soort Pinksterpreek. Niet aan een bepaalde gemeente met die naam denken want de Gemeente is ontstaan op de Pinksterdag dus als u bij de Gemeente hoort, en daar hoort u toch als u gelooft, dan hoort u bij die Pinkstergemeente. Dat is duidelijk, dat is bijbels. En nu wil de Heilige Geest ons in beweging brengen. Maar dat moet jij wel toestaan. Je kunt de Heilige Geest stilzetten. Je kunt Hem bedroeven. Je kunt Hem dus uitblussen. Dat is onze verantwoordelijkheid. U mag nooit God de schuld geven dat er niets gebeurt in onze levens als gelovigen. U mag u wel de vraag stellen: “Here ben ik het waardoor de Heilige Geest niet werken kan”. Ik ben er zeker van dat de Here, ook vanmiddag, in deze dienst, ruim zegenen wil. Ik bid dat ook heel vaak. Ik wijs nu naar dat plekje, want we hebben daar een bidstond aan de andere kant van die muur vooraf aan deze dienst. De Heilige Geest wil zegenen. De vraag is alleen of er bij mij een verhindering is waardoor die zegen niet doorkomt. Ik bid ook voor u, of er bij u misschien geen verhindering is waardoor die zegen van God niet doorkomt. Maar dat die zegen er is en dat God die zegen gevenwil, dat staat voor mij vast. Zo is de Here. Hij heeft de Here Jezus gegeven, het mooiste wat Hij had, het schitterende van het kruis van Golgotha, en Hij wil ons met Hem alle dingen schenken. We hebben dus geen excuus. Als er geen zegen komt is de verhindering hier, bij mij of bij u. In beweging komen, in vervoering des Geestes komen is niet specifiek voor, hoe moet ik het zeggen, specifiek voor Johannes geweest. Voorrecht, dat woord zocht ik, een specifiek voorrecht voor Johannes. Maar het is duidelijk wat Gods Geest doen wil. Ook in jouw en mijn leven vandaag. Wij moeten dat ook willen en we mogen ons er naar uitstrekken. En ik heb natuurlijk genoeg meegemaakt de laatste jaren over allerlei uitingen. Ja en dan kun je weer puntje 1 en puntje 12 pakken en je kunt daar weer van alles aan vast hangen. Maar de vraag is of ik mij nog uitstrek naar de vervoering des Geestes. En die vraag mag u niet zomaar naast u neerleggen. Want als dat wel gebeurt, dan gebeurt er ook iets in uw leven, gebeurt er ook iets in uw omgeving. Dat kan niet anders. Ik bedoel u niet onder een bepaalde bankschroef te leggen en nu de schroef maar verder aandraaien maar ik wil wel graag dat we eerlijk zijn. Johannes was daar in vervoering des Geestes.
En nu staat er bij: Op de dag des Heren. Daarover is ik weet niet hoeveel discussie. Er zijn hele kasten vol met boeken geschreven over dit laatste bijbelboek en ik kan u alle commentaren niet doorgeven. Doe ik ook niet. De discussie gaat eigenlijk hierom: Is de dag des Heren de dag die wij vandaag beleven als zondag. Dat is toch de dag des Heren. Of is de dag des Heren, zoals dat weleens in Joël staat bijvoorbeeld, die dag des Heren met alle oordelen en met alle zorg en met alle moeiten die er nog zullen komen voor, ja, in de eindtijd. Nou, de meeste uitleggers zeggen: Die dag des Heren hier, in Openb. 1, dat is natuurlijk, Johannes kwam in vervoering des Geestes, op die dag des Heren, en hij zag als het ware die hele situatie van straks. Dat is een hele aannemeljke verklaring. En toch ben ik het daar niet mee eens. Eigenwijs, I’m sorry. Ik wil niet eigenwijs zijn, ik wil zo graag zo dicht mogelijk bij de schrift blijven. Ik houd nog steeds vol dat het hier ging om de dag waarop Johannes daar in z’n eentje op Pathmos zat en dacht: waar twee of drie in Mijn Naam samen zijn daar ben Ik in het midden. En ik zit hier alleen, ik ben hier alleen en ik heb helemaal niets. Ik ben verstoten van die Gemeente daar in Efeze waar hij gediend heeft, waarion hij gewerkt heeft. En al zou het niet Efeze zijn geweest dan was het een andere gemeente. Maar hij is daar alleen en de Here zegt: “Nou, Ik ben er toch, ook bij jou, Ik openbaar Mijzelf aan jou”. En dat had de Here Jezus gezegd: “Als je Mijn wil doen wilt”, Joh. 14:21, “Als je Mijn geboden hebt en bewaart dan zal Ik Mijzelf aan jou openbaren”. Dat is hier de dag des Heren. Die uitdrukking “des Heren” komt maar 2x voor in het NT voor zover ik op dit moment weet en dat is “het avondmaal des Heren”, 1 Kor. 11, en “de dag des Heren”. Het is dus kennelijk een specifieke dag die aan de Here Jezus toebehoort zoals ook het avondmaal specifiek voor Hem bedoeld is. Het is het avondmaal van de Here. Het is van Hem. Die uitdrukking is hier bedoeld. En Johannes is daar op die dag en de Heilige Geest krijgt hem als het ware in beweging. Nog een keer: Daar moet je voor open staan maar de Heilige Geest wil dat graag, wil dat ook gaan doen. En nu ziet Johannes op die dag des Heren de meest mooie dingen. En hij hoort een stem, een luide stem als van een bazuin die tot hem spreekt.
Bazuingeluid. Daar valt ook wel weer een klein Eurootje want u en ik weten dat middels bazuingeluid heel veel gebeurt. Studeert u maar eens op Num. 10. Num 10: De zilveren trompetten. Bazuingeluid waardoor het hele volk van God bij de ingang van de tent der samenkomst werd geroepen. Dat is een hele bijzondere uitdrukking. En als u in 1 Tess. 4 leest dat met de bazuin Gods de stem er is: Kom, opname, weggaan. Waar worden we dan gebracht? Nu even heel plat gezegd, bij de ingang van de tent der samenkomst. Nou dat is dus in het OT al terug te vinden. De bazuinen werden gebruikt om het hele volk, ofwel de vorsten, dan was het een ander geluid, ofwel de bazuin werd gebruikt om in beweging te komen, om als militair apparaat te gaan optreden. Bazuingeluid. Iedere keer de bazuin. Maar ook bazuingeluid met jubeldag. Als het erfdeel weer terugkwam ook al was je in armelijke doen geraakt. Het jubelgfeest, het jubeljaar. Maar zelfs 1x per jaar een hele bijzondere dag. Het feest van het geklank. Dan werden de bazuinen geblazen. Nu we kennen onze liederen: “Eens als de bazuinen klinken”, en we kennen “Als het bazuingeschal des Heren klinkt en Jezus komst is daar”. We zijn op de hoogte misschien van deze dingen. Maar ook één van de psalmen zegt: “Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort”. Het bazuingeluid, het geluid van God. God roept je. Nu Johannes hoort hier op Pathmos achter zich een stem, een stem als van een bazuin. Dat betekent dus niet dat het een soort fluisterend ietsie pietsie is geweest, misschien een soort bevlieging, maar er was een heel krachtig duidelijk geluid. En Die heeft gezegd: “Hetgeen je ziet schrijf dat in een boek en zend dat aan de zeven gemeenten die…”. Het getal zeven was al eerder gevallen, vs 4, maar daar werden de namen niet genoemd. Hier komen de namen. Die namen van die zeven gemeenten daar in Klein-Azië. Er waren meer gemeenten in Klein-Azië. We hebben daarnet een soort rondtocht gemaakt. Net, oktober, dus een paar maanden terug. Maar in elk geval, als u daar rondreist dan komt u ook bij Kolosse uit bijvoorbeeld. Dat is ook één van die gemeenten, die ligt daar ook, en die wordt dus niet genoemd, terwijl er absoluut een gemeente was, want dat staat in de bijbel. Het gaat om een getal. Het gaat om het nvolledige, complete getal zeven. En die zeven gemeenten worden hier geduid. Dat zijn de zeven gemeenten die daar toen aanwezig waren. Nog precieser, Johannes zit op Pathmos, vlakbij Klein-Azië. Hij krijgt iets te zien, hij krijgt iets te horen, mag dat gaan opschrijven en mag dat als een soort verzamelwerk, als een boek, als een soort compleet pakket naar al die zeven gemeenten sturen. Zijn hart was daar, hij werkte daar. Tot voor kort werkte hij in Efeze, één van die gemeenten, neem ik aan, maar ik neem ook aan dat dat waar is. In elk geval hij mag dat rondsturen. Het is dus wat anders dan een brief van Paulus aan de gemeente te Efeze. Dit is een boek voor Efeze, voor Smyrna. Dat wat Smyrna te lezen kreeg, dat kreeg Efeze ook te lezen. Het foute van Thyatire dat lazen ze in Laodicea ook , weet je wel, ze krijgen het hele pakket. Ze krijgen allemaal het hele pakket. Dat is een boek. Het geheel wordt naar deze gemeenten gestuurd.
En als hij deze stem hoort, Johannes, dan draait hij zich om om de stem te zien. Hij heeft dus die stem gehoord en bij een stem hoort iets, hoort iemand, en hij draait zich dan om. En wat hij dan ziet dat is ongelofelijk. U moet zich voorstellen dat Johannes aan de boezem van de Here Jezus heeft gelegen, aan de maaltijd bijvoorbeeld. Dat hij heel dicht bij de Here Jezus is. En als hijzelf schrijft dan heeft hij het over de apostel door de Here Jezus geliefd. Die Jezus, dien Jezus liefhad. Hij zegt dus niet dat hij de Here Jezus liefheeft maar dat de Here Jezus hem zo lief heeft. Ja, zo schrijft hij altijd. Heel mooi, heel teer: de Here Jezus houdt van mij. En hij was bij de Here Jezus. Petrus ging goed in de fout daar vlak voor het kruis. Johannes stond bij het kruis. Petrus was bitter en in tranen, bitter bedroefd en in tranen ergens anders. Johannes stond daar nog bij Maria, bij die paar vrouwen die nog over waren. En de Here Jezus kan nog zeggen tegen Maria: “Vrouw, zie uw zoon” en “Zoon, Johannes”, ja, Hij heeft niet meer kunnen wijzen he maar Hij heeft wel kunnen kijken, “Zoon zie uw moeder”. Johannes is het die gelooft. Ook toen het graf leeg was. Johannes, en nooit heeft hij Hem gezien zoals hij Hem hier gezien had. Altijd heeft hij nog iets van de Mens Christus Jezus gezien. En dat laatste, ja, dat is geweest bij de Olijfberg toen Hij naar de hemel ging, toen Hij opvoer. Dat heeft Johannes meegmaakt. Hij stond er pal bovenop. Hij heeft gezien dat de Here Jezus al zegenend zo naar de hemel ging. En nu, nu zit hij klem. En nu mag hij zien Wie de Here Jezus is.
Nu hoop ik dat u met mij even wilt kijken naar het boek Daniël. Dat is heel belangrijk. Ook voor het vervolg van dit bijbelboek. Dan. 7:9: “Terwijl ik bleef toekijken werden tronen opgesteld.” En dan moet u even op de omschrijving letten die we nu gaan lezen, het gaat mij niet om die tronen maar het gaat me om Hem Die daarop zit. “En een Oude van dagen zette zich neder. Zijn kleed was wit als sneeuw en Zijn hoofdhaar blank als wol. Zijn troon bestond uit vuurvlammen de raderen daarvan uit laaiend vuur. En een stroom van vuur welde op en vloeide voor Hem uit. Duizend maal duizenden dienden Hem en tieduizend maal tienduizenden stonden voor Hem. De vierschaar zette zich neder en boeken werden geopend”. Vs.13: “Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels”, opnieuw letten op de omschrijving, “kwam Iemand gelijk een Mensenzoon. Hij begaf zich tot de Oude van dagen en men leidde Hem voor Deze. En Hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht. En alle natiën en volken en talen dienden Hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij die niet zal vergaan. En Zijn koningschap is één dat onverderfelijk is.” Probeert u Die Oude van dagen en Die Mensenzoon, die hier als twee aparten genoemd worden, probeert u dat beeld even vast te houden. Dan gaan we terug naar Openb. 1, dan gaan we die omschrijving nog een keer lezen: “En toen ik mij omkeerde”, vs 12 aan het eind, “zag ik zeven gouden kandelaren, temidden van de kandelaren iemand als eens Mensenzoon.” U herinnert zich nog Dan. 7: Met de wolken des hemels kwam een Mensenzoon bij de Oude van dagen, “Bekleed met een tot de voeten reikend gewaad, aan de borsten omgord met een gouden gordel”, let op, “Zijn hoofd en Zijn haren waren wit als witte wol”, Herinnert u zich nog de omschrijvingen van de Oude van dagen in Dan. 7, “als sneeuw en Zijn ogen als een vuurvlam. Zijn voeten waren gelijk koperbrons als in een oven”, vuur welde op, vuur welde op, als in de oven, “gloeiend gemaakt. Zijn stem was als het geluid van vele wateren.” Ik wil er dit van zeggen, en dat is heel erg belangrijk. De Here Jezus stond voor Kajafas. U weet het he, Hij was in Gethsemane gearresteerd, ze hadden Hem meegenomen en ze hebben geprobeerd om tegen de Here Jezus een beschuldiging in te brengen. En, nou ja, de een zei dit en de ander zei dat, weet je wel, tempel afbreken en in drie dagen weer opbouwen, en die hadden weer wat anders. Maar hun getuigenis was nooit eenduidig. Platgezegd, de rechter kon daar niets mee, ze kwamen er niet mee uit de voeten. En toen, heldere ingeving of zo, toen vroeg de hogepriester: “Bent U dan de Christus, de Zoon van God”. En dan zegt de Here Jezus: “Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien komen”. Nou die man is gelijk helemaal onthutst. Scheurt zijn kleren zegt de bijbel. Nou, of dat het hogepriesterlijke kleed geweest is of een ander pak dat weet ik ook niet maar in elk geval, hij scheurt zie en hij zegt: “Wat hebben we nog voor getuigen nodig”. Zo van: Al die kleine niemandalletjes, ze hadden er al niets aan, maar, we hebben er ook niet meer aan want we hebben nu zelf gehoord. Hij heeft zichzelf God gelijk gemaakt. Hoe wist hij dat? Hoe wist die hogepriester nu dat Iemand die zei dat Hij de Mensenzoon was dat dat God zelf was. Die conclusie trok hij. Dat is gewoon te lezen in het Evangelie. Nu die conclusie trok die hogepriester destijds omdat hij Dan. 7 had. En Dan. 7 zei, dat die Mensenzoon niet zomaar Iemand is, een afstammeling van een mens, weet je wel, een uitvloeisel van een menselijk paar. Maar dat die Mensenzoon hoort bij Iemand die alle macht heeft, die alle gezag krijgt, die de Koning der koningen is, die de Here der heren is, die langzaam maar zeker alles maar dan ook alles vullend aanwezig zal zijn. En die Mensenzoon die wordt met de wolken des hemels naar de Oude van dagen gebracht. Mag ik het nog een keer zeggen: Toen de Here Jezus naar de Hemel ging, op de dag van de hemelvaart, op de olijfberg, daar stond Johannes ook bij, weet je wel, hij heeft Hem zien gaan, en Hij zegende hen, volgens Luk. 24, maar Hij vertrok. En een wolk onttrok Hem aan hun ogen, de wolk der heerlijkheid, de wolk van God, de wolk Sjechina, die de tempel vulde, die de tabernakel vulde. De Heerlijkheid van God onttrok Hem. En daar is de Here Jezus weggegaan. En waar is Hij nu gebeleven? Ja, dat weten we niet. Ja, we weten het wel. Dan. 7 zegt: “Daar komt Hij, zie Hem komen met de wolken, de wolk des hemels”. Dat is precies de Sjechina in Dan. 7. En Hij komt met de wolk en Hij komt bij de Oude van dagen. Daar zit Iemand op een troon, omgeven door engelen. Eén en al vuur, laaiend vuur, tienduizend maal tienduizenden, duizend maal duizenden. Nou ja, dat is me een spektakel, een omgeving, nauwelijks te omschrijven, en dan komt Hij, Hij komt bij de Oude van dagen. Nu hebben wij bij oude van dagen allemaal iets van aftands. Ja, zoiets, grijs haar, ja dat liedje zegt niet zoveel meer, en je kon vroeger geen haar wit of zwart maken maar dat kan tegenwoordig wel. Maar we hebben bij ons een beetje het idee van ja dan zijn ze bijna afgeschreven. O.k. ze mogen dan nog wel blijven, we bergen ze dan op in een bepaald huis, sorry voor mijn kreten, maar ik wil daar even iets van zeggen. Maar bij God is dat precies anders. Grijsheid is een sierlijke kroon en wordt in de weg van de gerechtigheid verkregen. Dat is heel andere taal hoor. En bij de Oude van dagen gaat het niet om Iemand die aftands is, die bijna Zijn tijd gehad heeft, maar daar gaat het om de Wijsheid Zelf. Hij Die is en die was en Die zit daar. En Die Mensenzoon wordt bij die Oude van dagen gebracht, in Dan. 7, en krijgt uit de handen van de Oude van dagen alle macht, alle gezag, alle kracht. En Die Mensenzoon gaat heersen zegt Dan. 7. En waarom leg ik daar nu de nadruk op. Omdat Johannes hier, ineens, hij draait zich om, en hij ziet Hem, daar is de Mensenzoon, daar had hij misschien nog een beetje een voorstelling van. Maar dat is op hetzelfde moment ook de Oude van dagen. En nu heeft hij het even niet meer. Hoe kan dat nou. Hoe kun je nu de Here Jezus zien gaan, de Mens Christus Jezus, de Zoon van God. Opgestaan, opgevaren, in een wolk weggevoerd, naar God gegaan. En de engelen zeggen: “Ja maar Hij komt ook terug hoor, Hij komt in grote kracht en in grote heerlijkheid komt Hij terug hoor”, zo hebben ze daar gestaan die engelen. Ze hebben verteld hoe Hij terug komt. Nou, dan weten we ook ongeveer hoe Hij weggegaan is. Maar nu komt de Here Jezus, en Johannes ziet Hem. En hij komt onder de complete, complete verwondering van het feit dat de Here Jezus niet alleen de Mensenzoon is maar dat Hij ook God zelf is. Want de omschrijvingen van de Oude van dagen en de Mensenzoon vloeien in Openb. 1 helemaal in elkaar over. Het gaat om Dezelfde. God doet een boekje open over de Here Jezus: Ik zal jullie laten zien Wie Hij is. Ik zal jullie laten zien hoe mooi Hij is, hoe groot Hij is. Ik zal jullie vertellen, prachtige dingen van Hem. Nou, het ene is nog mooier dan het andere. Het ene wordt nog grootser dan het andere. God laat zien Wie de Here Jezus is. En Johannes ziet Hem. En hij ziet Hem nu, in deze context, van dit boek, wandelend tussen die zeven kandelaren. Nou, later staat dat die zeven kandelaren gewoon zeven gemeenten, dus elke kandelaar staat voor een gemeente, en de Here Jezus wandelt ertussen. De inspecteur-generaal, mag ik dat zo zeggen, wandelt, proeft, weegt, kijkt, beoordeelt. Dat is wat hier staat. De grote Here des hemels. De grote en de machtrige heerser over het hele heelal, de Heer ook van de gemeenten, het Hoofd van het lichaam, wandelt tussen de kandelaren. Als jij vandaag samen met anderen gemeente wilt zijn en kandelaren wilt zijn dan kijkt de Here Jezus, en Hij beoordeelt. Hij is Degene Die alles ziet.
Ik ga nog één stapje verder. Ik hoop niet dat u het mij kwalijk neemt. Maar de Here Jezus komt in deze samenstelling als de Priester-Koning naar beneden. Dat zult u ontdekken hoor. Maar de priester in het OT ging één keer per dag het heilige binnen om de lampen te verzorgen van de kandelaar. Daar was een kandelaar, er was maar één kandelaar in de tabernakel, er was ook maar één kandelaar in de tempel. En de hogepriester had tot taak om de lampen te verzorgen, zelfs ‘s nachts. Volgens Lev. 24 deed de hogepriester dat ‘s nachts. ‘s Nachts ging de hogepriester, als iedereen al sliep, en alle lampjes gedoofd waren, was er één tent waarin het lampje niet uitging. Dat was de tent van God. Dat is op zich al prachtig hoor. Dat er één tent is waar het licht nooit uit gaat. en daar kun jij terecht. Dat is mooi he, ook ‘s nachts. Maar goed, dan ging de hogepriester van de avond
tot de morgen de lampen verzorgen. En er staat zelfs in de bijbel hoe hij dat deed: met gouden scharen en met gouden snuiters. Afijn, zelfs het gereedschap wordt genoemd. Weer een detail waarvan u zegt: “Wat moet ik daar nu mee”. Nou ja, het gaat erom dat u iets gaat proeven van wat de Here Jezus aan het doen is. Hij wandelt tussen de kandelaren. En Hij zegt, ik lop even vooruit he, naar de volgende keer, Efeze, “Jullie walmen een beetje, mag Ik een beetje, mag Ik even”, zo ongeveer he. Dus niet pffft. Voorzichtig he, mooi he, dat is zo teer, zo kostbaar. De Here Jezus wandelt tussen de kandelaren. Hij ziet het, Hij beoordeelt het, Hij weegt het, Hij ziet of ze helder branden. En het kinderliedje zegt of het helder licht geeft of ook bijna niet he. Een van die kinderliedjes zegt dat: “Jezus zegt dat Hij, hier van ons verwacht, zijn dat wij als kaarsjes branden in de nacht”. En dat laten we onze kinderen zingen, maar laat u de Here Jezus ook toe in uw eigen hart, in uw eigen leven om te zeggen: “Zal Ik een beetje van dat walmende spul wegknippen?” Of zeggen we: “Oh nee Here Jezus we lezen de Telegraaf wel”. Sorry hoor voor een kreet, zomaar een losse, maar bij wijze van, we willen gewoon in onze eigen bedoening blijven en voor de rest.
Toen Johannes de Here Jezus zag toen was hij nergens meer. Als dood aan Zijn voeten. Hij had de Here Jezus gezien, hij had van de Here Jezus gehoord. En ik durf te zeggen dat hij intens van de Here Jezus heeft gehouden. En nu ziet hij Hem zoals Hij eigenlijk is en hij weet niet waar hij het zoeken moet.
Stel nu eens dat je het verlangen zou hebben om te zeggen: “Here Jezus, ik wil U zo graag een keer zo zien”. Dan hebt u in elk geval een omschrijving. En probeert u zich daar nu eens op te richten de komende dagen. En probeer nu dat stukje gewoon te lezen. Zou de Here Jezus zichzelf nog zo willen tonen? Ja. In elk geval hebt u al een omschrijving. En het is in mijn eigen leven gebeurd, ik zou niet weten waarom het in uw leven niet gebeurt. Dat je ineens ziet Wie Hij is. Nou dan kun je door de grond zakken. Niet dat je bang bent, je kunt alleen maar aan Zijn knieën terecht komen, aan Zijn voeten. Je kunt alleen maar in volle verwondering, in bewondering zeggen: “Here Jezus Wie bent U toch”. En Hij zegt: ‘Ik ben de Eerste, de Oude van dagen en de laatste, de Mensenzoon, de Levende, Ik ben dood geweest”, dat het om Hem gaat is uit het woordgebruik ook al duidelijk, “Ik ben dood geweest en zie Ik ben levend tot in alle eeuwigheden”. En Hij, de Here jezus heeft de sleutels, de ingang en het beheer over dood en over dodenrijk, komen we later op terug hoor, die termen komen allemaal terug.
En Hij heeft in zijn rechterhand zeven sterren, dat zijn de engelen van de zeven gemeenten, ook daarover de volgende keer, want dan gaat het over die engelen van de gemeenten, wie dat dan wel is. Dat willen we toch graag weten toch he? Eén van ons zal dus toch de engel van de gemeente….. Ik hoop dat u mij begrijpt. Onderwep van de volgende keer, heel belangrijk.
Maar nu gaat het me om het volgende. De Here Jezus is daar en Johannes ligt als dood aan Zijn voeten. Hij is compleet overrompeld en Hij legt Zijn rechterhand op Johannes. Hij zegt: ‘Wees maar niet bang, Ik ben er”. Er is een lied dat zegt dat we zullen buigen voor die majesteit. Er komt een moment dat we Hem zullen zien zoals Hij is en dat we nergens blijven. De oudsten in Openb. 5 vallen neer als Hem zien zoals Hij is, dan buigen ze. Als ze zien wat Hij doet, Openb. 7, dan buigen ze. Als ze zien wat Hij gaat doen hier op aarde, dan buigen ze, Openb. 11. En als ze zien wat er strake in het duizendjarig rijk gaat gebeuren en de bruiloft van het Lam, dan buigen ze nog een keer. Vier keer aanbidden die oudsten de Here Jezus. En jij en ik die nu naar de Here Jezus kijken, die nu zeggen: “Oh, dat is dus Die Mensenzoon, en de wolken des hemels, de bazuinen, vuur, engelen, alle, alle dingen, alle kleine en grote attributen staan er omheen en Hij wordt openbaar. Johannes ligt aan Zijn voeten. En hij is eigenlijk onthutst en bang maar de Here Jezus zegt: “Wees nu niet bang”.
Hij legt Zijn rechterhand op Johannes. Mag ik het proberen? De hand die Petrus uit het water trok toen hij wegzonk. De hand die kinderen zegende toen ze bij Hem gebracht werden. De hand, ik sla maar stukjes over, die aan het kruis uitgestrekt was, waar spijkers doorheen zijn geslagen. De hand die er was toen Hij temidden van de discipelen was en zei: “Kijk maar in Mijn handen, zie maar dat Ik het ben”. De hand die boven hen was. Die hand is nu op Johannes. En de Here jezus wil jou gewoon aanraken. Dat noemen we ook een anraking des Geestes. Hij wil jou zo dicht bijbrengen, zo blij maken, zo gelukkig maken dat je ervaart: Hij is er en Hij is Het. Hij is de Enige, de Alfa en de Omega. Hij is alles. Hij die alle macht heeft in hemel en op aarde. Hij legt Zijn rechterhand op jou en zegt tegen jou vanmiddag: “Ik hou van je, Ik werkte voor je en Ik ben er nog voor je en Ik zal er voor je zijn”. Zouden we dan niet blij de komende dagen in kunnen gaan en zeggen wat zou ons kunnen gebeuren? Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn. Bijvoorbeeld he, één van de teksten. Wat zal ons dan kunnen gebeuren? Niets toch. Alles, alles is anders. De Here Jezus laat zien Wie Hij is. Openbaring van Jezus Christus. Johannes moet een zucht van verlichting hebben geslaagd. Oh, deze dag, deze zondag, ik dacht nog wel dat ik de hele dag alleen zou zijn. En dat alles tegen was en dat dat Romeinse gezag, weet je wel, in Efeze, de Romeinse bezetter, dat die allemaal tegen mij waren en dat ze tegen mijn volk waren. Nou hier staat, even dat hele boek doorgespit, die Romeinse bezetter, “Ik zal je later wel eens even precies uit de doeken doen hoe Ik dat zie”. Echt waar hoor, Openb. 13 en Openb. 17. Heel precies. “En hoe ze met dat volk der Joden zijn omgegaan, Ik zal het je laten zien hoor”. En Openb. 7 en in Openb. 14. “Ik zal het precies uit de doeken doen. Ik zal ook laten zien wat er met datzelfde volk van Israël gaat gebeuren in de toekomst”. Johannes heeft onthutst moeten reageren: O, geweldig, op deze dag, de dag waarin ik dacht alleen te zijn, komt de Here Jezus, openbaart zichzelf aan mij en laat zien wat er in de toekomst gaat gebeuren. Nou ik denk dat als u Johannes was geweest dat u had gezegd: “Nou Here, zegt u het maar, ik schrijf wel, ik schrijf wel en U hoeft niet zo vlug te praten Here Jezus want ik heb tijd genoeg om naar U te luisteren”. Want hoe langer Hij spreekt, hoe meer je van Hem ziet, begrijpt u, praktisch. De Here Jezus is mooi, Hij is schitterend, Hij is verheven, Hij is boven alle, alle, alle eer en alle glorie en alle menselijke macht verheven en de Here Jezus wil zich aan jou openbaren. En dit is dat laatte bijbekboek. Ja en dan zeggen wij natuurlijk dat het moeilijk is. Dat heeft de duivel ons ingefluisterd. We mogen best ons best doen om er echt van te genieten en de Here wil je daarin heel bijzonder zegenen. Mag ik nog een keer zeggen wat ik de vorige keer zei? Zalig hij die leest en zij die horen de woorden van de profetie van dit boek. Dat is die zegen die God heeft willen verbinden aan het bezig zijn met dit boek. En daarom zijn we hiermee begonnen. De Here zegene u allemaal en wil u allemaal laten genieten in de dienst voor en van de Here Jezus.