Openbaring 18

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

21. Gevallen is het grote Babylon.

Openbaring Bijbellezing door Dato Steenhuis,
2 februari 2003.

Lezen: Openbaring 18:1-8; 18:20-19:5

De vorige keer, en de meesten van u waren er, hebben wij over die vrouw nagedacht, hoofdst. 17, die op een scharlaken rood beest zat. We hebben dat beest proberen te schilderen. Ik bedoel dan uit te leggen wat je onder dat beest moet verstaan. En we hebben ook over die vrouw gepraat. Nu, nog een keer de herhaling. Als het straks gaat om het nieuwe Jeruzalem, dan is dat een stad. Maar op hetzelfde moment is dat de bruid van het Lam, dan is dat een vrouw. Een vrouw en een stad in de positieve zin. Straks, dat komt nog, na deze hoofdstukken. Het hoeft u niet te verbazen dat ook de duivel ja, daar een soort duplicaat van gemaakt heeft, een soort na-aperij van gemaakt heeft, en ook een stad en een vrouw heeft gecreëerd. Die vrouw zagen we in hoofdst. 17 op het politieke beest. M.a.w. annex aan de politiek zit daar een vrouw die door de politiek gedragen wordt maar die uiteindelijk ook door de politiek zal worden verworpen. Maar goed, die vrouw wordt door de politiek gedragen en doet van alles. En iedereen doet mee. Een godsdienstig stelsel zonder de Here Jezus. Dat klinkt misschien gek, maar dat is vandaag al best proefbaar, merkbaar. Je ziet het om je heen, je hoort het. Mededelingen over: Ja, ik wil wel gelovig zijn, ik voel me ook wel een gelovige, maar Jezus heb ik niet nodig. Zo ongeveer. Dat komt nu al heel sterk op. Dat gaat verder. Er wordt steeds minder over de Here Jezus gepraat en steeds meer over wat mensen kunnen en wat mensen allemaal doen.
Nu in hoofdst. 18 gaat het over en stad. Een stad waarin de hele wereldeconomie verweven zit. En het is alsof dat valse, bijna religieuze, godsdienstige, te maken heeft met economie. In het boek Daniël is al sprake van een vreemde god, een god der vestingen. Met stukken grond en zo, met bouwpercelen of kavels, hoe je dat ook noemen wilt. Die god zal worden gediend. En we zijn er niet zo ver meer vandaan. Iedereen praat over: Wat levert het op. Wat schuift het. Dat waren aanvankelijk een beetje ludieke spotjes en zo, wat schuift het. Maar vandaag is dat niet meer zo ludiek. Iedereen vecht zich kapot voor de laatste penningen. Nu is er een brief, heb ik net gehoord in het nieuws hier naar toe komend, rijdend, een brief van de vakbond naar de informateur, die verder misschien helemaal geen invloed heeft. Maar je moet wel even onze eisen weten he, denk er goed om, want wij gaan…. Dat gaat door. Alles is bijna gerelateerd aan economie. Als de beurs in New York naar beneden keldert, dan keldert de beurs in Amsterdam en in Frankfurt en in Londen in Parijs en dan keldert ook de economie in Nederland. Alles zit aan elkaar vast bijna. En als meneer Bush een verkeerde uitspraak doet over Irak, dan hebt u misschien weer een flink verlies geleden vanwege uw investering in aandelen. Nou ja, ik zal maar niet over mezelf praten, maar u snapt het ongeveer. Het is ongelofelijk complex aan het worden. Het is bijna niet meer uit elkaar te rafelen. Wat moet je dan doen, waar moet je dan nog iets doen, wat zou je kunnen doen. De economie staat op scherp. En nu staat in hoofdst. 18 van onze bijbel, Openb. 18, dat de economie op een bepaald moment in één klap in elkaar kletst, in één keer helemaal onderuit gaat. Dat is de val van Babylon. Dus dan is het niet alleen een soort vrouw, met emoties en met gevoel, want daar duidt een vrouw dan op. Maar dan is het ook een stad. En dat heeft weer te maken met huizen, met leven, met economie, met huishouden. De economische, de staatshuishouding kom je hier nadrukkelijk tegen. En ook die stad stort in, blijft niets van over. En, om het nu maar helemaal compleet te maken, cultuur en alles wat daarmee te maken heeft, is hier ook in verweven. Alle citherspelers, fluitspelers, harpspelers, iedereen die enige kunst beoefent, ook die kunst, cultuur, dus dat hele blok van cultuur en kunst, zo hoog verheven, is ook hoog verheven, denk ik op zich, maar dat zit hier ook in verpakt. Dat zit hier in. Want als die stad instort als die economie werkelijk, werkelijk instort, dan blijft ook van kunst en cultuur helemaal niets over. Geen fluitspelers meer. Het is alsof het hele economische klimaat in één hoofdstuk geschetst wordt. En dat verbaast ons. En de Here zegt, dat geloof in economie afgodisch is en dat het bezig zijn met de economie en met het welzijn van jezelf in feite afgoderij is. En dat gaat heel ver. En niet iedereen neemt dat zomaar klakkeloos over. Hoeft ook niet, maar probeert u het eens te lezen. Probeert u eens te ontdekken wat hier staat. We zijn niet zo ver meer van deze dingen af. Het bekruipt ons bijna. Misschien moet ik nog duidelijker zijn, het bespringt ons bijna. En alles wordt er een beetje aan opgeofferd. Wat levert het op, wat schuift het. De gelovigen die in die tijd op aarde leven, die krijgen de opdracht om daar weg te gaan. Nog een keer voor alle helderheid. U die gelooft in de Here Jezus, ik hoop dat u daar echt allemaal bij bent, dat kan, dat kan, u kunt er echt allemaal bij zijn, u kunt allemaal geloven in de Here Jezus, als u dat zelf wilt dan kan dat, dan hoort u bij de gemeente, dan hoort u bij het lichaam van Christus. Door de Heilige Geest aan elkaar gesmeed. Dan hoort u bij Hem die het Hoofd is, want u bent van dat Hoofd het lichaam. Eén met Hem. En dat lichaam van Christus gaat hier vandaan, gaat naar de Here Jezus, gaat naar het huis van de Vader, gaat naar de meest heerlijke zegening die maar denkbaar is. Het lichaam van Christus blijft hier niet, wordt opgenomen, wordt weggehaald. Wanneer, nou we hebben al een paar tijden genoemd, een week geleden hadden we ook al een datum, misschien vandaag. Dat zou kunnen vandaag. Maar we gaan naar de Here Jezus. De Gemeente wordt van hier gehaald. We geloven dat rots- en rotsvast en dragen dat ook uit. De Gemeente blijft hier niet, de Gemeente wordt opgenomen. Hoort hier ook niet. Ze hoort daar waar de Here Jezus is. Ze zijn hier wel in de wereld, maar niet meer van die wereld. Ze zijn hier wel, maar ze zijn hier vreemdelingen, ze zijn hier bijwoners. Ze horen in een hele andere situatie, het huis van de Vader met de vele woningen. Daar gaan we naar toe. Maar als de Gemeente weggehaald wordt, misschien vandaag, gaat het leven op aarde door. Wordt er toch nog een kabinet geformeerd, laat ik dat nu zo maar eens zeggen. Gaan ze toch sleutelen aan PvdA-CDA samen. Wat het oplevert, ik weet het niet. Maar het gaat door. Gaan dan alle kamerleden ook hier gewoon blijven. Nou ja, als ze gelovig zijn niet, dan zijn ze weg. Hebben de anderen weer geluk, want dan kunnen ze hun plekje innemen. Zo gaat het he. In elk geval wil ik helder hebben dat de Gemeente, iedereen die bij de Here Jezus hoort, weg gaat. En of ze nu van die huize of van die huize zijn of van die club zijn, als ze geloven in de Here Jezus, dan gaan ze weg, gaan ze echt weg. Maar op aarde gaat het leven verder. En op aarde zullen er hele snelle ontwikkelingen zijn. Wat we hier zien in Openb. 17 en 18 krijgt een gigantische impact dan. Nu kun je contouren zien, je kunt iets waarnemen, maar dan, dan wordt het ineens zichtbaar, voelbaar, je kunt het beetpakken. Zo ver is het dan. Want alle remmen zijn los. De mens der wetteloosheid gaat zich openbaren en hij gaat met bedrieglijke tekenen, wonderen, misschien wel economische wonderen, misschoen wel een upgrading van de beurzen in de hele wereld, weet ik het. Alles gaat in één keer met verbazing iets zien: Oh ja, maar dit is het he, dit is het. En ze gaan een godsdienst maken van een vreemde god, ik citeer opnieuw Daniël, die de vaderen niet gekend hebben. De lieveling der vrouwen die wordt niet geëerd. Dus wat ooit een soort verwachting was in Israël dat wordt met voeten getreden. Dat is helemaal weg. Ze gaan een hele nieuwe koers, een koers die rechtstreeks leidt tot heerschappij van de tegenstander. De eerste drie jaar, drie en een half jaar, zal het redelijk gaan, zal het misschien wel aangenaam zijn voor mensen, daarna komt er een omslag. Dan komt de tirannie, de heerschappij van een despoot die alleen maar aan zichzelf denkt en die, ja met zichzelf bezig is. Grote verdrukking, het wordt heel moeilijk. Bovendien zegt de Here: “En nu is het genoeg.” Dan komen die oordelen waar over we spraken in hoofdst. 16, stukje 17, stukje 18, dan komen de oordelen. God gaat ingrijpen. Het wordt anders, het wordt heel anders. En misschien is er aanvankelijk iets van een juichstemming geweest. Nou, die juichstemming slaat om in verbijstering. Of ze zich bekeren, voor een deel, staat in de bijbel, bekeren ze zich niet. Ze gaan gewoon door. Het moet vreselijk zijn. In die tijd is er ook godsdienst.
Nou, één daar is vanuit het, ja het ontwaken van Israël en het opnieuw ontstaan van Israël in geestelijke zin een boodschap, een verkondiging, 144.000 gaan als boodschappers de wereld in. Gaan vertellen, gaan vertellen en gaan uitdragen. Er komen mensen tot bekering. In die tijd komen mensen tot bekering. Zelfs heel veel, een schare die niemand tellen kan, grote schare. Dat betekent dat er gelovigen zijn, na dat u en ik weg zijn. Bovendien zal er ook godsdienst zijn in andere zin. Want tegenover deze ontwikkeling zegt de duivel ook een religieus systeem te hebben. En dat betekent dat politiek en een vorm van godsdienst aan elkaar gesmeed worden en dat economie daar aan gekluisterd zit. Nog een keer, dat hoeft voor u niet zo vreemd te zijn, want vroeger, vroeger was dat ook al zo. De tijd van koning Nebukadnezar, was godsdienst en politiek één en was economie gewoon drijfveer. En dat komt terug, dat komt allemaal terug. En nu zegt hoofdst. 18 van onze bijbel, van ons bijbelboek, dat ook die economie zal instorten. Soms hebben we daar al een voorproefje van en soms merken we er niet zo veel van. In elk geval gebeurt het. Maar de gelovigen die op dat moment op aarde zijn, dus die grote schare die niemand tellen kan, Israël, tot bekering, tot ja, tot inkeer gekomen, in elk geval de 144.000, die worden opgeroepen om daar uit te gaan: Vertrekt, vertrekt vandaar, maak dat je daar weg komt. Doe daarin niet mee, ga niet mee. Die oproep is heel helder en ik zou willen dat we dit een klein beetje gingen begrijpen. Want tegenover de economie van vandaag en van dan, staat een andere economie, Gods economie, en die is echt heel anders. Het is wel eens gezegd dat wat wij 1e pers. noemen, ik, is in Gods taalkunde, letterkunde zo u wilt, 3e pers. Wat wij als 3e pers. aanmerken, hij, dat is Gods letterkunde 1e pers. Dus precies omgekeerd. Maar, als het gaat om economie, het thema: Wat levert het op, is altijd het drijfveer thema. Het moet wat opleveren. Je mag wel investeren, maar het moet wat opleveren. En als de gemeente Veenendaal ergens in investeert en dat loopt een keer fout, in een bepaalde stichting, ik las het in de krant, in Tubbergen nota bene, het komt overal terecht, ja, dan heb je problemen in de gemeenteraad, want dat levert niets op. Een voorbeeldje, maar u hebt er duizend van. Hij die rijk was is om onzentwille arm geworden, om ons die arm waren rijk te maken. Wat levert het op, de dood van de Here Jezus. Hij verkocht alles wat Hij had. En nu kunt u zeggen: “Ja, maar de principes van economie gaan ook daar op, want wat levert het op. Nou, een schare die niemand tellen kan. Of een groep rondom de Here Jezus. Of Israël terug in Jeruzalem.” Klopt, maar God heeft alles gegeven. En we kunnen ons niet indenken dat Gods principe op het kruis van Golgotha ten hoogste zichtbaar is geworden. Als ik bedenk Wie de Here Jezus is, als ik bedenk dat Hij de Here der heren is, de Koning der koningen is, de Allerhoogste, als ik bedenk dat Hij de Schepper is, dat Hij de eigenaar is van alle dingen, en als ik bedenk dat Hij in een kribbetje lag, dan is het al te veel voor mij. Ik kan me niet indenken dat Hij Die de Allerhoogste is, de Allereerste is, dat Hij zo klein wilde zijn. Maar als je dan bovendien bedenkt dat Hij na een 30-tal jaren, 30-33 jaren, gewandeld te hebben, goed gedaan te hebben, aan een kruis sterft, en niemand nog, bijna niemand nog naar Hem uitkijkt, een paar vrouwen nog en een paar discipelen, dan wordt het mij te groot. Ik kan er niet bij. En als ik dan ook bedenk dat Hij daar stierf, dat Hij in de dood wilde gaan, dat Hij zich wilde laten doorsteken, maar dat Hij ook werkelijk alle pijn en alle moeite van mijn schuld en mijn zondelast wilde dragen, dan wordt het mij te groot. Dan kan ik daar niet bij. Dan zou ik wel willen zingen: Hoe groot zijt Gij, mijn Heer en God. Hoe groot bent U. God gaf Zichzelf, helemaal, ten diepste, om jou gelukkig te maken. Niet om er Zelf, sorry, in de eerste plaats beter van te worden, maar om jou en mij gelukkig te maken. Om jou en mij voor Zich te winnen en je eindeloze vreugde te bieden. En ik hoop zo dat niemand hier zegt: “dat hoef ik niet. Die economie van God, ja, nee.” Dat hoor je vandaag: Nou, ik hoef niet iemand die voor mij betaalt. Ik doe ik zelf wel. Alsof jij je schuld zou kunnen vereffenen. Ik wil niet iemand die voor mij in de bres springt, ik ben zelf mans genoeg. Alsof wij dat zouden kunnen, alsof we iets zouden kunnen. Helemaal niets. Ik hoop zo dat je gaat begrijpen dat de economie van God heel anders is dan onze economie. En dat de economie van de mens ineen stort. Want ze zitten alleen maar aan zichzelf te denken. En liefde zoekt zichzelf niet. Liefde geeft, liefde bukt, liefde deelt uit, liefde gaat heel ver. Dat is wat 1 Kor. 13 zegt bijvoorbeeld, maar dat zegt ook de bijbel op andere plekken. Liefde gaat zover dat je gewoon elkaar, elkaar wilt helpen, maar jezelf wilt wegcijferen. Daarom wordt van een man gevraagd, in Ef. 5, dat hij zichzelf in de dood gaat geven en dat hij zijn vrouw lief heeft en koestert. Nou, dat betekent dat je er niet meer bent, dat het niet meer om jouw bevrediging gaat, om jouw claim of om jouw, nou ja, ik heb al wat termen laten vallen, maar ik bedoel, het gaat niet om jezelf, het gaat om die ander. Dat is precies wat de Here bedoelt, dat is Gods economie. Dat is heel anders. En die andere economie blijft. Dat blijft, en dat zal schitteren en dat zal zichtbaar zijn. Maar de economie van de mensen stort in, valt uiteen, blijft niets van over. En het geloof in de economie is zo sterk vandaag, dat ik alleen maar wil zeggen: “Dit is nu precies wat Daniël zei”, voor de derde keer een citaat: ‘Ja de God der vestingen die wordt vereerd.” De economie. Dus je krijgt een politieke ontwikkeling, een Europa, hersteld, gezien als een beest met een verschrikkelijk gezicht. En op dat beest een vrouw, een valse bruid, grote hoer, kan alle kanten op kan ook met iedereen mee, kan ook met alle winden mee. En in dat kader kennelijk een stad waarvan iedereen profiteert en waar de kooplieden rijk van geworden zijn en waar de fluitspelers hun subsidie aan te danken hebben, ik zeg het nu maar eens even zo, en waar de kunstenaars ook mee verder kunnen. Iedereen profiteerde, totdat dat allemaal weg gaat. En de Here gooit het bij wijze van, in de zee, en het wordt als een molensteen in de zee geworpen en er blijft niets van over. Dat betekent: Al de vastigheden die je hier op aarde kunt bezitten, gaan weg. Er blijft niets van over. Nou, Luther had dat waarschijnlijk al een beetje begrepen: Neem goud en zilver, of goud en goed ons af. Hij ging nog verder: Delf vrouw en kinderen het graf, maar wij erven koninkrijken. We hebben wat anders, we hebben een heel ander terrein, een hele andere route. En ik zou zo graag over willen brengen dat die andere route nu al zichtbaar moet zijn. En dat we daarom misschien opgeroepen mogen worden om niet te kijken naar wat voor hier op aarde te vinden is, maar dat we mogen kijken naar de schatten in de hemel die niet verouderen, waar geen dief is en waar geen mot is, geen roest invreet, waar niets is dat verteert en waar de Here Jezus zelf de ontwerper van is.
Nou, genoeg daarover. We vinden dat al een beetje terug en daarom is dat ook een waarschuwing voor ons, we vonden dat al een beetje terug in hoofdst. 3 van Openb. We hadden het over Laodicea, heel lang geleden. Maar in Laodicea wordt gezegd dat ze rijk zijn en verrijkt zijn en aan geen ding gebrek hebben. En er wordt als oplossing aangeboden: Ik raad u aan van Mij te kopen goud dat in het vuur beproeft is en ogenzalf en witte kleren. Het is alsof de economie daar om het hoekje komt kijken. Heb ik niet zo benadrukt toen, ik heb het wat anders uitgelegd. Je kunt het ook in geestelijke zin zeggen: Bij ons zijn alle gaven, bij ons is alles in orde, rijk en verrijkt. Ja we hebben het meest fundamentele geloof, we hebben echt het ouderwetse, de oude paden gaan wij bewandelen. Dat kan ook. Maar Laodicea was in de oude tijd ook een stad waar heel veel handel gedreven werd. Daar waren die kooplieden in kleren en in goud. En ook ogenzalf, want ze hadden daar een medicijn ontwikkeld, dat was heel goed voor de oogproblematiek. Dat hadden ze toen, echt letterlijk. En het water van Hierapolis, stroomde naar Laodycea. En die, dat heb ik toen gezegd, en die oorspronkelijk warme bronnen met geneeskrachtige elementen, die waren zover weggezakt en zover afgekoeld dat het daar lauw was. Nou, daarom begrepen ze heel goed, als Johannes schrijft: Waart u maar koud, of warm. Als je koud was, dan was er nog iets te drinken. Als je warm was, dan had het nog geneeskrachtige kracht, invloed kunnen hebben. Maar wat ze daar kregen was alleen maar een lauw stroompje. Daar kon je helemaal niets mee. Dat was letterlijk zo, toen. Maar er was ook letterlijk handel. Ze hadden het goed voor elkaar. Heet was een bloeiende handelsstad en het staat in de geschiedenisboekjes dat die stad Laodicea een keer verwoest is, maar dat ze zoveel geld, zoveel mogelijkheden hadden van zichzelf, dat ze in no time die stad weer overeind hadden, konden ze zelf, hadden ze helemaal geen subsidie van Rome voor nodig, hele sterke stad. Economisch perfect, zat heel goed in elkaar. Maar ze waren arm. Ja, naar de wereld waren ze rijk. Ze hadden het goed voor elkaar. En er staat Iemand aan de deur Die zegt: “En jullie zijn arm, jullie zeggen dat je rijk bent, en dat je aan geen ding gebrek hebt, maar in feite ben je arm, want Ik sta buiten.” De Here stond buiten. Nou, dat is daar een prachtige, laat ik zeggen, etalage van wat God bedoelt. Je kunt namelijk rijk zijn en ongelofelijk arm zijn. Rijk aan goederen, aan bezittingen, en je kunt alle kaarten zetten op de economie, ondertussen ben je voor de eeuwigheid ongelofelijk arm, want wat heb je, wat kun je meenemen. Er is een hele oude uitdrukking: In een doodshemd zijn geen zakken. Zo van: Wat kun je nog. De Farao’s hebben gedacht: We nemen het wel mee, want als we straks in een ander leven komen dan hebben we tenminste nog een zakcentje. Nou, die hebben hun graven laten volgieten met goud. Het heeft niet zolang geduurd hoor, want ze hebben dat andere leven nog niet bereikt of er waren al een paar rovers. Dat is allemaal weggekaapt, er is niets van over. Maar jij dan en ik dan, wij dan. Laodicea wordt als waarschuwing voor ons neerzet. Ik raad u aan van Mij te kopen goud. Wat moest je daarvoor betalen, voor dat goud van de Here Jezus. Wat moet je ervoor betalen dat God je ziet in Hem, dat God je ziet bekleed met goud, alsof je puur goud bent. Wat moet je daarvoor betalen, nou. Wat moet je betalen voor die witte kleren, die schitterende kleren, die prachtige kleren, glinsterend wit, zoals geen voller wit kan maken. Wat moet je daarvoor betalen, nou. Ogenzalf was vreselijk duur vroeger. Want het werd daar gecreëerd, het was een soort geneesmiddel en ja, dat werd gigantisch verkocht. Dat werd over de hele wereld verhandeld, toen, Laodicea. En nu staat er Een aan de deur en die zegt: “Koop van Mij ogenzalf.” Wat moet je daarvoor betalen. Niks. Het enige wat Hij daarvoor vraagt is: Je moet de deur open doen. Mag ik het anders zeggen: “Je moet geloven.” Is dat nu zo moeilijk. Die economie, in Laodicea zag je al, die tweedeling he, weet je wel, rijk verrijkt, geen ding gebrek, handel, hup, hup, hup. Maar Iemand staat aan de deur, een soort Koopman, en die zegt: “ik raad u aan van mij te kopen.” Niet: Jullie moeten gaan verkopen en geld verdienen, nee koop nu eens wat van Mij. Nou, die economie is in Openb. 18 terug te vinden. Van alle wereldeconomie blijft niets over. Ik ben geen econoom in de volle zin, ik heb wel wat gestudeerd in die richting, maar ik kan niet zeggen dat ik econoom ben, ik weet niet alles, maar ik weet wel dit: Dat er van alle stelsels die hier op aarde neergezet worden, niets overblijft. Het wordt als een molensteen in de zee geworpen. Gevallen, gevallen.
En waarom nu die godsdienst er in. Nu, omdat mensen daar veel meer geloof in hechten dan, nou ja, u zegt het misschien ook: liever één vogel in de hand dan tien in…. Zie je wel, dat is de wereldeconomie. Want u hebt liever dat ene kleine eurootje dan alle toezeggingen van straks. Zo bent u, zo worden in elk geval wij aangesproken. Zouden we niet durven zeggen: “Here, hier is het.” Moet je dan niet met Paulus zeggen: Wat winst voor mij was heb ik om Christus wil schade en drek geacht en ik acht het nog voor vuilnis. Moet je dan niet zeggen: “Here hier is het.” Bedoel ik dan de collecte aan te bevelen. Ik heb bewust niet over de collecte gepraat. De collecte is al geweest, echt, het gaat mij niet om uw zakgeld. Het gaat mij om uw hart. Zou u uw hart aan de Here willen geven en werkelijk willen zeggen: “Here, met die economie van U, daar kunnen we verder mee.” Want die economie van deze wereld, dar blijft niets van over. Alles gaat weg, al onze stelsels, al onze zekerheden. Ze staan nu al een beetje te wankelen, en de economie gaat slecht en dus gaan de alarmbellen al rinkelen. Het gaat helemaal niet zo goed, maar dat gaat nog erger worden. Nu, dat is wat hier staat: Economie, cultuur, kunst, alles is in elkaar verstopt, zit in elkaar verweven, en dat is gekoppeld aan een vreemde God. Dat is een soort religie geworden. Een God die de vaderen niet gekend hebben krijg in deze tijd gezicht. En dat is het omgekeerde van wat God liet zien op het kruis van Golgotha.
Nou, als dat dan gebeurd is, als dat gevallen, gevallen er geweest is dan krijgen we een jubellied in de hemel en dan gaan de oudsten zich voor de vierde keer laten horen. U weet het nog, we hebben dat al een paar keer gezegd. De oudsten hebben zich voor het eerst laten horen in Openb. 5. Ze zijn geknield, ze hebben aangebeden, ze hebben het Lam geprezen. Ze hebben zich voor de tweede keer laten horen in hoofdst. 7, toen de grote schare die niemand tellen kan binnen kwam. Toen ineens bogen ze zich. Ze hebben zich opnieuw laten horen in hoofdst. 11, toen de Koning de heerschappij ging aanvaarden. En ze hebben zich voor de vierde keer nu laten horen in hoofdst. 19 het begin, toen gingen de oudsten aanbidden. Al die elementen waar de mensen zo op vertrouwen, waar de mensen op gaan staan, waar ze eigenlijk, ja, een bouwwerk van maken. Nou, bouwwerk, nog een keer terug, voorbeeldje, Gen 11, Babel. Wat is het bouwwerk van Babel± toren tot aan de hemel. Nou, stabieler kan niet. Wat is de eerste koning in de bijbel, Gen. 10± Nimrod, koning, geweldig jager, begin van zijn koninkrijk, Babel. Nou, Babel in het OT is Babylon in het NT. Babel, Hebreeuws, Babylon, Grieks. Maar in elk geval, dat gaat door, dat hele verhaal dat gaat door. Maar bouwwerken, dat is stabiel, daar houden we ons aan vast. Toen heeft God de spraakverwarring gegeven. Ze zijn uit elkaar gespetterd, bleef ook niets over. En nu, in de toekomst gaat er echt niets overblijven. Het enige wat wel overblijft is een lofzang aan onze God. En daar wordt in de hemel dan een soort jubellied aangeheven. Als dit gebeurd is, als elk vals element er uit is, als de valse godsdienst, de economie waar de mensen zo aan vast houden, waar ze zo op staan, en waar ze eigenlijk hun welvaart aan te danken hebben. En dat zeggen ze ook tegen elkaar, “Wij zijn rijk geworden, wat is onze lading, wat, hoe moeten we nu verder, hoe moeten we nu verder.” Alle schepen en handelaars en iedereen is helemaal verbijsterd. Alles waar mensen hun vastigheid op gezet hebben is dan weg. En ik weet niet waar jij je vastigheid op zet, vandaag, op je baan, je carrière, je gezondheid, nou het is ongelofelijk broos. Daar kom je echt achter, weet je misschien al lang. Je baan is niet meer zeker, je vastigheid is niet meer zeker. En als je al gedacht had veel geld te verdienen langs die route of langs die route. We hebben een paar vrienden die hebben wat geld via, via, via, geïnvesteerd in. Nou, ze zijn allang het geld kwijt en ze hebben nooit één cent gezien, het is gewoon oplichterij geweest. En ze hadden al niets, ze hadden het nog geleend ook, weet je wel. Zo gaan mensen de boot in. Nu kun je duizend keer zeggen: “Had je toch kunnen weten.” Ja, ja, ja, daar help je ze nu ook niet meer mee. Je moet ze nu misschien anders helpen. Misschien moet je nu zeggen waar kan ik je mee helpen. Ik wil zo graag vertellen dat alle vastigheid van mensen wegvalt, dat er niets, maar dan ook niets overblijft. Dat is bijna het eind van de oordelen. Hiermee zijn de eindoordelen bijna afgerond. Dan komt de Here Jezus, dan komt Hij met Zijn zegen. Moet je daarvoor betalen, nee. Ik zou zo graag willen dat je nu al vast mee gaat zingen, dat je gaat zeggen, Mozes,: Het paard en zijn ruiters stortte Hij in de zee. Het eerste lied in de bijbel. De koning en alles wat hij tot zijn beschikking heeft, dat is weg, dat is echt verdwenen. Het laatste lied in de bijbel is het lied van Mozes en lied van het Lam zei ik. Maar hier wordt opnieuw geprezen, hier wordt God geprezen, Die dit oordeel heeft geveld. Die dit vonnis velde en die dit oordeel heeft laten voltrekken. Dat staat hier. En ze hebben in de hemel halleluja geroepen, halleluja amen, halleluja, de Here zij geprezen.
Als je dit nu ziet. Als je nu ziet dat alle vastigheid van mensen daarop uitloopt dat het ten onder gaat, dat er geen spetter overblijft, wat ga je dan vandaag zeggen. Ja, ja, daar moeten we toch wat aan doen. Nou, alsof wij wat te doen hebben. Weet je, in die tijd leven wij. Dat is best broos, dat is best moeilijk. En misschien moet je wel de vraag stellen: Wat moet ik dan, hoe moet het dan verder. Nou, dat zijn vragen die ik niet allemaal kan beantwoorden. Hoef ik ook niet. Maar we moeten daar niet mee annex zijn. Als de gelovigen in die tijd de oproep krijgen: Maak dat je daar weg komt, zorg dat je daar niet bij bent, want je gaat mee in de sleur naar beneden. Vertrek, vertrek vandaar. Hoe moet je dat vandaag zeggen. Hoe moet dat vandaag zeggen. Blijf maar zitten? Ik hoop dat je wijsheid hebt, om wat je hebt, voor de Here te beheren, voor de Here te beleggen. Voor de Here, voor de Here echt als een rentmeester bezig te zijn. En de rest, laat maar aan Hem over. Maar we moeten de vastigheid niet daar zoeken. De vastigheid is, nou eigenlijk in dat oude gezangvers te vinden: Ik heb de vaste grond gevonden, waarin mijn anker eeuwig hecht. Dat is het bloed en de wonden van de Here Jezus. Dat is de vastigheid. Daar, daar is houvast, daar is vastigheid.
Openb. 18 laat u scherp, heel scherp zien waar de vastigheid van deze wereld op uit loopt, maar laat u ook zien dat er Iemand anders is, het Lam in de troon. En Hij wordt geprezen, en Hij wordt verheerlijkt, het Lam wat Zichzelf gaf, het Lam dat alles, alles gaf om jou en mij voor altijd vrij te kopen. Dat is Gods economie. En ik ben er zo blij mee dat de Here mij heeft willen vrijkopen en dat Hij mij, om niet, gratis, dat leven uit God heeft aangeboden. Ik hoef er niets voor te doen. Ik mag het aannemen. Het is een geschenk, het is een gave van God. Het is Gods genade, God liefde, Gods zegen, en het is allemaal zomaar. Ik ellendig mens, wie kan mij verlossen. Nou, niemand minder dan de Here Jezus. En Hij doet het, Hij wil het, en Hij zal het doen. En we moeten ons nu eens een keer gaan concentreren op dat geweldige plan van God in plaats van op de constructies van onder uit, van de aarde uit, een toren waarvan het topje tot aan de hemel reikt. Dat is Babel, maar dat gaat weg, daar blijft niets van over. Het enige dat over blijft is de Here Jezus, en jij en ik samen met Hem in heerlijkheid, amen.