Openbaring 20 : 1 – 6

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

24. Het duizendjarig rijk.

Openbaring Bijbellezing door Dato Steenhuis,
16 maart 2003.

Lezen: Openbaring 20:1-6

Het duizendjarig vrederijk. Daar gaat het dan over. Staat er boven, in deze vertaling, misschien in uw vertaling ook. Daarover is veel te doen. Wanneer is dit begonnen, komt dit nog, hoe moet je dit lezen. Is dit iets van een aanduiding van groot aantal jaren, een bepaalde tijd, is het expliciet duizend jaar, enfin, daar gaat hij. Je voelt het eigenlijk op je af komen. Ik hoor bij de categorie mensen die geloven dat het duizendjarig vrederijk nog komt. Bovendien geloof ik, en ik heb daar geen enkele twijfel over, dat het inderdaad duizend jaren zullen zijn. Mensen die dit geloven werden al heel vroeg in de kerkgeschiedenis chiliast genoemd. Sjiliast zei iemand gisteravond tegen mij, maar ik denk och, ook goed. Vroeger, als je chiliast werd en je was voorganger in een kerk, dominee, dan liep je grote risico’s dat je je baan kwijt raakte, dat je uit de kerk werd gezet. Dat is niet één keer gebeurd, dat is heel vaak gebeurd. En daarom was ik wel eens ondeugend als ik in calvinistische kring kwam, want daar gebeurde dit, en ik vroeg heel voorzichtig of ze wel eens een chiliast gezien hadden. Nou, niemand zegt dan wat, dat hoort niet zo. En dan zeg je…., nou, ze hebben de bloemen vandaag weggelaten hier, die staan er niet, ze hebben dus eigenlijk alle aandacht op die chiliast willen laten vallen. Nou, daar staat er dus een nu. Ik wil zo graag duidelijk maken dat het woord chiliast vroeger een beladen woord was. Nu niet meer zo, echt niet, want er zijn ook in alle reformatorische kringen, in vele reformatorische kringen echt verlangende harten naar onderzoek, naar verdieping, en ook is daar een grote vraag naar informatie over dat duizendjarig vrederijk. Ik weet dat omdat ik deverse conferenties mag bezoeken of contacten mag hebben. Ook met mensen die, laat ik maar zeggen, in het geheim nog, conferenties beleggen over ditzelfde onderwerp. Er is dus veel te doen vandaag. Hier gaat het, in Openb. 20, over het duizendjarig vrederijk. Een periode van regeren door onze Here Jezus. een periode die duizend jaren gaat duren. Een periode waarin Hij in de troon is, Hij de Here der heren, de Koning der koningen. Hij die op het witte paard zat en naar de aarde is gekomen. We hadden dat in hoofdst. 19. Hij komt naar beneden en Hij komt hier op aarde om te gaan heersen.
De satan zal gebonden zijn. Daar zit veelal de moeilijkheid. Hoe moet je dit zien. Is de satan tot op zekere hoogte vandaag ook niet gebonden. Een soort hond aan een ketting. Hij blaft wel en hij doet van alles, maar hij kan toch niet alles, zoiets. Hoe gaat dat in zijn werk als de satan gebonden is. En waarom laat God hem dan nog weer los. Als hij dan één keer in een put van afgrond zit, nou laat hem dan alsjeblieft en haal hem er nooit meer uit. Hij moet toch weer voor een korte tijd losgelaten worden. We krijgen dat nog in deze overwegingen over dit laatste bijbelboek. Stof genoeg om je suf te prakkiseren. Nou, dat wens ik je niet toe. Ik hoop dat de lofprijzing in je hart komt en dat er aanbidding zal zijn en grootmaking van onze Here voor de vele dingen dingen die Hij heeft willen geven. Maar er zijn ook hele belangrijke dingen hier in dit stukje te vinden.
Een engel gaat naar beneden en die heeft een sleutel van de put van de afgrond, pakt de duivel, stopt hem er in. U kunt niet over zijn identiteit twijfelen, want dat is de duivel, de satan de oude slang, de draak, alle namen worden genoemd. Zo van: Van welke kant je het ook bekijkt, het is steeds diezelfde. En die gaat opnieuw in een put. Daar is hij uitgekropen, nu zeg ik het maar heel even plastisch, in hoofdst. 9:1: En de vijfde engel blies de bazuin en ik zag een ster uit de hemel op aarde gevallen. En haar werd de sleutel van de put des afgronds gegeven en ze opende de put des afgronds. En er steeg rook op uit de put als de rook van een grote oven. En de zon en het zwerk werden verduisterd door de rook van de put. en dan komen die sprinkhanen. In die put wordt de duivel nu gestopt. En hij wordt verzegeld, met andere woorden, hij kan er niet meer uit. Dan gaat de Here Jezus regeren. Je zou willen dat de Here dit vandaag nog regelde. Waarschijnlijk was dan de conferentie op de Azoren ook afgelopen. Dat was dan gelijk tot een einde gekomen, tot een goed einde, dat vind ik wat moeilijk. Ik geloof wel als God handelt dat dat een goed handelen is, dus zal het ook een goed einde zijn. Maar je wordt bijna bang van vandaag. tenminste, zo gaat het mij. Er komt zoveel naar je toe en je hoort zoveel dingen en je vraagt je af: Is dit de weg van de Here of is het puur machtswellusterij van bepaalde mensen. En soms denk ik dat het dat alleen maar is. En dat komt rechtstreeks van de duivel. Israël, uw sympathie, veronderstel ik, heeft zwaar weer te verduren. U zit zich te koesteren in een heerlijk voorjaarszonnetje, u hebt een wat andere neuskleur gekregen zie ik. Maar zij zitten zich helemaal niet te koesteren. Ik bedoel, ze hebben misschien ook goed weer, dat weet ik niet eens, letterlijk. Maar ze zitten met de enorme dreiging die om hen heen zich eigenlijk aan het ontwikkelen is. Als meneer Bush vrede aanbiedt aan de Palestijnen, dan gaat dat altijd ten koste van Israël. En dat gebeurt nu. Want Bush moet support hebben, hij gaat met de collectezak rond, nu zeg ik het maar met mijn eigen woorden, en dus moet er wat gebeuren. Maar Irak ziet achter elke Amerikaan een zionist. Zo zeggen ze het letterlijk. Met andere woorden, wat die Amerikanen doen is erg, maar achter elke Amerikaan zit een zionist, zit een soort Israël-man, en daar, daar gaat het om. En ik geloof ook dat het echt zo is. De bijbel heeft voorzegd dat alle volkeren, zeker de landen die al in het boek Daniël genoemd worden, en dat is Irak, dat is Iran, dat de Balkan, dat is Europa, dat zeker die landen zich in die tijd zullen mengen in een enorme strijd rondom Jeruzalem. En ik vind, dat je nu vandaag, die strijd kunt ruiken. Dus of meneer Bush nu wel of niet aanvalt, die strijd is al te ruiken, en die strijd gaat komen. Onder het bewind van Saddam Hoessein zullen ze optrekken? Nou misschien is er dan een ander daar. Maar ze gaan wel. En de bijbel voorzegt dat die strijd hevig is. Zach. 12 zegt dat al die landen er zullen zijn en dat ze die lastige steen, Jeruzalem, zullen gaan tillen, zullen moeten. En als ze hem tillen, hebben ze gelijk een behoorlijke snee in hun hand. Ze zullen zich deerlijk verwonden zegt de bijbel. Israël heeft enorme druk te verduren en de komst van de Here Jezus hier op aarde is aanstaande, we hadden dat.
En dan komt hij hier opnieuw om te lijden, nog een keer de Via Dolorosa, de lijdensweg te gaan? Amen voor toen, maar dit gaat niet nog een keer. Ik wil zo graag helder maken broeders en zusters, lieve vrienden, dat het gaat om de komst van de Here Jezus en om de glorie van de Here Jezus. Hoe je het ook bekijkt, wat er ook gaat gebeuren, welke strijd je ook waarneemt en hoe je het ook beweegt, het gaat altijd om de Here Jezus. De duivel wil niet dat de Here Jezus Koning wordt. Hij weet heel goed, dat als Hij Koning wordt, wordt Hij Koning in Jeruzalem. Dus, moet Jeruzalem weg. Hij weet heel goed, als er een volk rondom de Here Jezus zal staan om Hem te bejubelen, dan is het het Joodse volk. Dus, moet het Joodse volk weg. Dat is altijd de insteek en dat zal zo blijven, iedere keer hetzelfde. Ik wil je graag herinneren aan twee voorbeelden uit de bijbel uit het OT. Er zijn in het OT twee mensen die een ring gekregen hebben. In het NT één. Die ene in het NT is de verloren zoon, ik zal je gelijk op weg helpen. En die twee uit het OT zijn de moeite van het bestuderen waard. Ik houd nog even de spanning er in he. Ja, nee hoor, flauw. Het is gewoon Jozef in het boek Genesis en het is Mordechai in het boek Esther. Ik begin bij de laatste.
Als er een merkwaardig bijbelboek zou moeten worden gekozen, als je dus zou moeten kiezen, je zou een SMS’je moeten sturen, naar wie weet ik ook niet, maar je zou een SMS’je moeten sturen van wie je dan koos, wat je dan het merkwaardigste bijbelboek zou vinden, dan denk ik dat je bij het boek Esther uit komt. De Naam van God komt niet eens voor in dat boek. Sommigen zeggen: “Dat hoort helemaal niet bij de bijbel. Hoe kun je nu een bijbelboek hebben waar het woord God niet voorkomt.” Nou, daar. Het is alsof God de grote afwezige is. En daar ontwikkeld zich iets. Dit verhaal dat speelt in Irak en in Iran zo u wilt. Waarschijnlijk Irak, dat is ook al merkwaardig, interessant in elk geval. En daar waren mensen in de burcht Susan, een soort zomerverblijf van de koningen uit die tijd. En daar hadden zij, ja, van alles. Koningin Vasthi ik afgezet. Ik zal nu het verhaal niet kunnen vertellen, maar u mag het zelf lezen. En als u gaat beginnen met lezen, leest u het uit. Dus als u het doe, begin dan vanavond op tijd, want anders, als u om elf uur begint, dan krijgt u te weinig slaap misschien. want het wordt zo spannend dat, nou ja, u hebt het allang een keer gelezen, toch. Nou, ik zou willen dat u het opnieuw ging lezen. Koningin Vasthi wordt afgezet, ik wil wel een keer gaan praten over wat dat betekent, Esther wordt koningin, op een hele rare methode, niet mijn methode, maar goed, het staat wel in de bijbel. En dan krijg je het bijzondere verhaal dat daar een Mordechai is, een Joodse man, die woont daar in de burcht Susan, dat is een stad. En er zijn twee hovelingen van de koning die denken: Weet je wat, wij willen zelf de baas zijn, het is altijd hetzelfde verhaal, en die plegen een aanslag. Maar Mordechai komt er achter en waarschuwt. Die beide hovelingen worden gearresteerd en het blijkt juist te zijn, ze waren inderdaad van plan om die koning om zeep te helpen. Mordechai, hij is een oom van Esther, maar dat weet niemand aan dat hof. In diezelfde tijd wordt een meneer Haman een beetje baas, hij komt boven drijven. Zal ik het anders zeggen: “Hij heeft zich naar boven gewurmd.” En hij wordt zodanig baas, dat de koning van plan is om alles bijna in zijn handen te geven. En hij voelt zich geweldig. Hij is de grote jongen. Iedereen moet buigen voor Haman. Maar Haman heeft één grote, één grote actie in zich, en dat is: haat tegen de Joden. Is dat nieuw, dat is helemaal niet nieuw. En hij denkt: Nee, dat volk, dat zint me niet. En wat gebeurt er nu, iedereen buigt op straat. hallo meneer Haman, wat kan ik voor u doen. Kopje thee meneer Haman, sigaartje meneer Haman. Iedereen buigt als een knipmes. En daar is die ene man, die komt hij tegen, dat is die Mordechai, die denkt: hij kan voor mij de boom in. Sorry hoor, dat zal hij wel niet zo gezegd hebben. Maar hij doet net alsof die man niet bestaat, hij buigt niet. Nou, nu heb je 100.000 mensen en 99.999 buigen voor je. Dan moet je toch een keer tevreden zijn of niet. Tjonge jonge 99.999 buigen als een knipmes. Maar die ene, die ene doet het niet. Nou, hij vreet zich helemaal op. Hij wordt helemaal….. Tjonge, en dat is een Jood, jazeker, en hij moet er aan. En, alleen die man, natuurlijk niet, zijn hele volk. Het hele volk moet er aan. En hij smeed snode plannen om het hele volk om zeep te helpen. En daar is hij heel ver mee, heel ver mee. En wie heeft die snode plannen door. Dat is diezelfde Jood Mordechai. Die heeft dat door. En wat doet hij. Hij loopt luid jammerend door de burcht Susan, zo van: We gaan er aan, we gaan er aan, een listige aanslag tegen ons volk. Nou ja, daar wordt het nog erger van. Die Jood Mordechai moet weg. Haman heeft het zo voor elkaar, dat hij alle macht heeft gekregen. Hij heeft een soort ring gekregen van de koning, waar hij bevelen mee kan uitvaardigen, weet je wel, een soort zegelring, waar je, ja je handtekening kunt plaatsen in een lak, de vorm van een lakzegel. Hij zegt tegen zijn vrienden: “Weet je wat je doen moet”, hij zegt tegen zijn vrienden: “Weet je, het zint me niet he, die ene man.” “Weet je wat je doen moet”, zeggen die vrienden, “je moet een paal van 25m in je tuin zetten en daar moet je die Mordechai aan spietsen.” Zo van: Op die paal met de man, in één keer dood. Gewoon even de koning vragen, regel je toch even, jij met je invloed en jij met je macht. Hij denkt: Ja, dat is ook zo. Nou, paal laat hij alvast door zijn timmerman klaarmaken, staat die er al vast. En dan komt er een hele merkwaardige nacht. Hoe het kan weet ik niet. Mordechai weet dat dit plan er ligt. Esther weet dat zij een keer water bij de wijn moet doen, nee, dat ze een keer met het water voor de dokter moet komen, dat ze een keer kleur zal moeten bekennen. Mordechai slaapt niet, Esther slaapt niet, Haman niet vanwege: morgen is die Mordechai bij mij op die paal gespietst. Die slaapt ook niet. En de koning slaapt ook niet. Hele merkwaardige nacht, niemand slaapt. Een nacht waarin niemand slapen kan. De koning zegt tegen zijn bedienden, omdat hij niet slapen kan: “Zet RTL4 eens op”, sorry hoor, hadden ze die toen, nee dus. Nou, wat dan “Lees eens wat voor uit mijn eigen werk”, zegt de koning. Waarschijnlijk is het zo goed vertaald. In het verhaal van Asterix en Obelisk is het al steeds iemand die voordraagt uit eigen werk, nou, dat kon die koning ook. Ja, nee, een beetje subtieler he. Hij zegt: “Welke grote daden heb ik gedaan. Dus lees eens wat voor over mijn overwinningen en over mijn grote daden en…”, nou daar waren hele boeken van. Maar er werd ook gelezen dat er een aanslag tegen de koning was gepleegd. En de koning vraagt op dat moment: “Wie is die man?” Mordechai. “En wat heeft hij als beloning, heeft hij een lintje gekregen?” “Nee, nee hebben we gekregen.” O ja, nou alsnog. De koning die beslist dat die man eer moet krijgen. Op dat moment komt Haman binnen. Enfin, u kent het verhaal he. Wat zal men de man doen aan wie de koning eer wil bewijzen. Een schitterende omkering, echt waar. Die Haman die komt om die Mordechai op die paal te spietsen, vraagt toestemming van de koning om dat te mogen doen, en de koning zegt: “Moet je eens luisteren, er is één man in mijn rijk aan wie eer moet worden bewezen. en wat zal ik dan doen.” Nou Haman denkt: Dat ben ik natuurlijk. Eigenwijze man. Ja toch, er is toch maar één man aan wie de koning eer wil bewijzen. Nou, koninklijk paard, koninklijk kleed, koninklijke wagen, hele stad in rep en roer, iedereen roept, eerbied. Doe dat aan Mordechai. Nou moet je nagaan. Staat die paal in zijn tuin, Mordechai moet op die paal en in plaats van op die paal zit hij morgen op die wagen. En Haman loopt voor die wagen. Hij is het, hij is het. Jazeker, het is alsof in één nacht alles omgedraaid wordt. God komt in het boek niet voor, God achter de schermen, zal ik het anders zeggen, technisch, God achter de knoppen, volledig. Haman komt op die paal, Mordechai krijgt een ring. En aan de Joden is grote vreugde gegeven. Het Poerim- of Purimfeest is toen ontstaan. Het lot werd geworpen. Een geweldige ontknoping. En die Mordechai schittert, gouden diadeem, mooie kleren, prachtig. De hele stad juicht. Joden zijn in alle, alle staten van enthousiasme, het is geweldig. God heeft in één nacht alles omgedraaid. Van een enorm debacle, ondergang, werkelijk ondergang van alle joden, zover was het, die wet was uitgevaardigd, is de zaak omgedraaid. Waarom dit verhaal. Er is maar Eén die voor de grote tegenstander niet heeft gebogen. Wie is die Ene, mijn Heiland. Iedereen heeft een knieval gemaakt voor die jodenhater, iedereen. Mooi verpakt of minder mooi verpakt, de geweldige dingen van de duivel zijn boven komen drijven. Er is maar Eén die zijn snode plannen door had. En hij, die tegenstander dacht: En nu heb ik Hem. Nu spiets ik Hem aan een paal, het kruis van Golgotha. En juist daar heeft God precies de knop omgedraaid. Daar war hij dacht dat hij het won, heeft hij het echt verloren. Het boek Esther is een heel mooi boek. Dat is de illustratie, vanuit Irak gezien, over de eindtijd. Daar wordt je koud van, daar werd ik koud van. Ik denk: Here hoe is dit mogelijk, hoe heb ik dit nooit gezien. Waarom snapte ik dat dan niet. Waarom kreeg ik dat niet aangereikt. Nu gaat het hier over de Here Jezus die gaat heersen. De haat tegen de Joden was enorm. Alle volkeren opgetrokken, in de richting van Jeruzalem gegaan. Iedereen slaags met die stad. Strijd, moeite, spanning, ongelofelijke toestand. Alles is daar gebeurd, en het volk zal er aan gaan. En op een bepaald moment draait de Here God Zelf de knop om, echt 180° anders. En dan komt Hij, ineens, van de paal af, mag ik dat zo eens zeggen, komt terug, en Hij, de ring aan Zijn vinger, de Koning der koningen de Here der heren, Hij gaat regeren. En vreugde, vreugde, vreugde, louter vreugde, daar in Jeruzalem. Het hele boek Esther, echt onvoorstelbare glorie, onvoorstelbare heerlijkheid voor de Here Jezus.
Tweede voorbeeld, Jozef. Je kent het verhaal van Jozef uit je hoofd denk ik. Ik ook, ik wist er alles van. Ik zal je eerlijk mijn verhaal vertellen. Ik hield van bijbelse geschiedenis, en nu was er een onderwijzer, hoofdonderwijzer die ongelofelijk boeiend kon vertellen, vond ik, en ik kende alle geschiedenissen. En ik kom in een hele kleine samenkomst van een stel armetierige broeders, ik vond het maar niets, het zingen was waardeloos en het gebouw leek nergens op en enfin. Alles wat maar menselijk gesproken negatief kan zijn dat was ook negatief, vond ik. en dan gaat een broeder staan en zegt: “Ik wil u iets vertellen uit het verhaal van Jozef.” Nou, ik denk: Nou, hij moet mij wat vertellen over Jozef. Dat weet ik allang. Dat weet ik allang toch, daar weet ik alles van. Dat verhaal heb ik gehoord, dat ken ik. En hij vertelde dat Jozef verkocht werd door zijn broers, voor zilverlingen, en zei: “Dat is met de Here Jezus ook gebeurd he.” Ja, de Here Jezus was de Koning. Droom van schoven, aardse dingen, droom van sterren, hemelse dingen. Alles boog. Nou, ik weet nog dat ik kippenvel kreeg. Die broeder was nog maar nauwelijks begonnen met zijn verhaal over Jozef of ik was helemaal van slag. Waarom, omdat ik nooit begrepen had dat het verhaal van Jozef te maken had met de Here Jezus. Verkocht, door de broers verworpen. Ja, door Israël verkocht voor zilverstukken. Door de broers verworpen, in de put gegooid, ik kan wel doorgaan. Ik ga niet zo ver, maar Jozef is in de handen van de Romeinen, sorry, van de Egyptenaren, van de volkeren terecht gekomen. De Here Jezus, in de handen van de volkeren. Daar heeft hij alleen maar goed gedaan. Maar weer hebben ook de volkeren, hoe ook, hem onschuldig veroordeeld. Ook Pilatus deed dat. Hij zit in de gevangenis en u kent het verhaal van de schenker en de bakker. U weet precies hoe het ging. Hij is er uit gekomen en, ja op Gods tijd. Dan draait God die knop om en dan wordt alles anders. De Egyptenaren delen in zijn glorie. En Jozef heeft al een bruid, heeft een vrouw en heeft zelfs kinderen en er is een heel speciale relatie daar in Egypte. En dan komt de hongersnood, die grote verdrukking. Even in beeld he, ik bedoel type, schilderij, uitbeelding. Totdat de broers gedwongen worden en zeggen: “Ja, we moeten toch he.” “Dacht je dat we ooit voor jou zouden buigen”, hadden ze gezegd toen Jozef zijn droom verteld had. En wat doen ze. En dan komt die ontknoping: Ik ben Jozef. Om jullie in het leven te behouden is God deze route met mij gegaan. Een hele emotionele ontknoping. ik weet nog hoe ik huilde omdat ik dat nooit gezien had. en ik kan er nog om janken dat in het OT, in het boek Genesis, zo’n verhaal staat, zo precies op de Here Jezus passend, dat ik denk: Hoe is dat nu mogelijk, hoe kan dat. en wat gebeurt er. Jozef heeft een ring aan zijn vinger, heeft koninklijke bevoegdheid. En Israël, de broers, worden gezegend. Om jullie in het leven te behouden, heeft God mij voor jullie uitgestuurd en ik ben er om voor jullie te zorgen.
U hebt nu twee geschiedenissen. Slecht twee in het OT hebben een ring gekregen. En ik heb ze allebei nu genoemd. En ze gaan allebei over Israël, over het oude volk van God. De ene in de druk, bijna ten onder, maar God keert het om. En de ander in buigen voor de koning in eerbiedig erkennen, en dat zeggen ze ook tegen elkaar. “Het is omdat wij onze broer verkocht hebben, omdat. We hebben het gejammer van hem gehoord en we hebben onze oren toegestopt. Het is onze eigen schuld.” Jozef zou het dan niet kunnen verstaan vanwege het taalprobleem. Nou, hij verstond het heel goed, dat snap je, want hij had dezelfde taal geleerd, uit hetzelfde nest.
Ik hoop dat je die beide beelden nu eens oppakt, en dat je nu, vanavond, gaat zeggen: “O, dus Jozef en Mordechai, beide beelden, schilderijen van de Here Jezus. Van Hem Die gaat regeren, van Hem Die alle macht heeft, van Hem Die alle glorie heeft.” Zoals Jozef eer kreeg, oh, alles juichte voor Jozef. Zoals Mordechai alle eer kreeg, alles juichte voor die Mordechai. Beiden met een ring aan hun vinger. Beiden met koninklijke waardigheid. Beiden zodanig bezig dat de hele stad juicht. Dat is nu precies heet beeld uit het OT van de komende regering van de Here Jezus.
Hij komt uit de hemel. Die volkeren die Jeruzalem bedreigen worden overwonnen. De Here Jezus gaat regeren. Er worden tronen neergezet, en dan gaat de Here Jezus in Jeruzalem wonen, in Jeruzalem heersen. ik weet niet of je je dat allemaal kunt realiseren in één keer, waarschijnlijk niet. Daar is zoveel over te zeggen, je zou dus het hele boek Ezechiël toch eens een keer weer moeten lezen. Moeilijk hoor, maar begin dan eens bij hoofdst. 40, misschien bij 43, waar de glorie van God uit de hemel komt en waar de glorie van God daar in Jeruzalem landt en waar de stad opnieuw vervuld wordt met de glorie van God. Ook al zou je daar beginnen, dan zie je daarna, van 43 t.m. 48 een geweldige ontplooiing van wat er in die tijd gaat gebeuren. Nu, dat is het duizendjarig vrederijk. Dan is de koning daar. Dan is de glorie van God daar. De hele stad is vol, vol van heerlijkheid, vol van glorie. Zoals in Egypte iedereen vol was van Jozef. zoals in Susan iedereen vol was van Mordechai, zo is dan iedereen vol van de Here der heren, de Koning der koningen. hij komt, de Here Jezus, Hij komt zelf, Hij komt daar in Jeruzalem. Hij gaat daar wonen, Hij gaat daar tronen, Hij heeft daar Zijn verblijf. en als Salomo een ivoren troon heeft, kan niet meer vanwege de milieutoestand van vandaag, maar goed, toen kon het nog, maar met goud beslagen. En je denkt: Nou, dat had dan ook geen ivoor hoeven zijn, had net zo goed een soort hout kunnen zijn zondermeer. Als je dan toch al ivoor hebt en je gaat dat met goud beslaan, ja, dan zie je van het ivoor ook niets meer, het is toch gebeurd. En de Here Jezus zegt: “Meer dan Salomo is hier.”
De Here Jezus gaat regeren in Jeruzalem. Ik zei de vorige keer dat Hij niet de lijdensweg gaat, nog een keer, om te lijden. Hij gaat wel, misschien, al die stopplaatsen nog een keer weer langs. Misschien al die staties die je in de Rooms Katholieke traditie terug vindt, in alle kathedralen vrijwel. Misschien kom je daar allemaal toch weer te staan, dat je, o ja, daar gebeurde dit, daar gebeurde dat, daar gebeurde dat. Misschien raakt het je nog. Misschien heeft het nog iets te zeggen voor je. Hoe dan ook, de Here Jezus wordt geëerd en geprezen, en Hij regeert.
Wie regeren met Hem. Allen die deel hebben aan de eerste opstanding. Dat is een moeilijke. Wie hebben allemaal deel aan de eerste opstanding. er is namelijk een verschil. Mensen die zeggen: “Ja, er komt een soort eindpunt, een soort jongste dag. Dan is het gewoon over en uit. Dan is het gewoon sluiten.” Die hebben ongelijk, alleen al op grond van het stukje van vanavond: De overige doden werden niet weer levend. Dus er is kennelijk verschil Of je dat nu voor of tijdens of na het duizendjarig vrederijk situeert, of voor, of tijdens of na de grote verdrukking is me even om het even nog. Ja, het is me niet om even, maar om de discussie niet al te scherp te krijgen, maar wel duidelijk te krijgen, dat er verschil is. En alleen al dat zou voldoende opening moeten bieden voor een goed gesprek. Er over nadenken, er is verschil. En dat verschil is heel nadrukkelijk, ook in dit hoofdstuk. Als je de Here Jezus Christus kent als je Heiland, als je Verlosser, dan komt er een moment dat Hij de doden in Christus eerst zal laten opstaan, he, 1 Tess. 4, mooi hoofdstuk is dat. De doden in Christus zullen eerst opstaan. Onze geliefden, allen die ons voorgingen en die geloofden in de Here Jezus, die zullen als zegt: “Kom”, eerst opstaan. Met een bevelend roepen, met de stem van een aartsengel. en wij die leven zullen veranderd worden. Stel, hebben we vaker gesteld, stel dat dat vanavond zou gebeuren, ineens alle doden in Christus, misschien uw dierbaren, uw geliefden, uw ouders, misschien uw kinderen, ze zullen eerst opstaan. De doden in Christus zullen opstaan. Waar komen ze vandaan. Uit het paradijs, daar zijn ze nu, horen nu onuitsprekelijke woorden, schitteren daar, zijn in de nabijheid van de Here, ontbonden en met Christus, verre weg het beste. Daar zijn ze nu. Opstaan zullen ze. En wij, levenden zullen veranderd worden samen met hen. Want we zijn nog nooit ontslapen, we zijn nog nooit in die zin, laat ik maar zeggen, gestorven. Maar we worden veranderd. Vanavond misschien in één keer veranderd, hoop je. Nou ja, ik hoopte dat vroeger ook wel eens, maar dan had het te maken met nou ja, ik heb niet zo’n zin aan maandag dus laten we vanavond…… Er is natuurlijk iets waar je tegenop ziet of zo of… Maar dat is in feite eigen belang. Ik wil graag van dat probleem af, ik snap dat. Maar we zullen veranderd worden, we gaan naar de Here. Als je de Here Jezus kent ga je mee. Als je de Here Jezus niet kent, dan zit je hier alleen in de zaal als dat over een paar minuutjes gaat gebeuren. Nou, mijn bijbel ligt hier nog. Zou je dan nog een kans hebben. Nou, misschien wel, misschien niet. Waarschijnlijk niet, denk ik, maar misschien is dat te hard, misschien is dat te cru. Ik wil graag duidelijk maken dat het nu de tijd is, nu, vandaag. Je moet niet zeuren, je moet er niet omheen draaien, het nis nu de tijd, nu de dag van Gods genade. Niemand kan zeggen of dat morgen nog zo is. Daarom moet je hem vandaag pakken, niet [er] omheen. Wij gaan weg. De doden in Christus en wij veranderd. Nou we zijn helemaal weg. Ineens in Veenendaal knap opgeschoond. Nog meer huizen in de verkoop voor de makelaars onder ons. Ik weet niet wie ze dan in de verkoop geven. Dat weet ik ook niet precies. Hoe het zit weet ik ook niet. Ik weet ook niets van de vraagprijs. In elk geval, de gelovigen zijn weg, zijn echt vertrokken. Is dat de eerste opstanding. Ja. De overige doden werden niet weder levend. Wie zijn dan die overige doden. Nou, dat zijn al die mensen die niet geloofden. Die ook ontsliepen, die ook heen gingen, maar die niet geloofden. Waar zijn die dan. Nou, ik heb een goed voorbeeld, Luk. 16, dat is die rijke man, die zegt: “Ik lijdt pijn in deze vlam, zit helemaal fout, zit niet goed, waarschuw mijn broers, alsjeblieft doe wat.” En een bekende evangelist die zei, titel voor zijn toespraak: “Bidstond in de hel.” Ja, zo had hij het genoemd. Ja beetje moeilijk natuurlijk, even slikken, maar hij bedoelde eigenlijk te zeggen van: O Abraham, doe wat. Weet u, hij bad als het ware, weet je wel, dus doe iets met mijn broers. Die man had goed door dat het helemaal niet goed zat met hem. Maar hij blijft nog. Wij gaan de Here tegemoet en de gelovigen gaan van tussen de doden uit, letterlijk he, van tussen de doden uit. De eersteling Christus en dan van tussen de doden uit gaan de gelovigen de Here tegemoet in de lucht. En ze zullen door de Here Jezus in het huis van de Vader worden gebracht. Ze zullen door de Here Jezus binnen gebracht worden. De overige doden, dus die rijke man, blijft zitten. Zou hij de enige zijn. Ik laat dat maar los. Maar van één weet ik het zeker. Die blijven nog achter. En de ongelovige mensen die nog leven. Ja, die blijven ook achter. Ja, die zijn dan niet in het dodenrijk, dat niet, die leven nog steeds in Veenendaal en omgeving. Misschien hebben ze nog te maken me vogelpest. Sorry, iets plastisch voor vandaag, maar zorg genoeg hoor, enorme zorg. Ze blijven hier. Dat wordt een hele moeilijk tijd dan, als de Gemeente weg is. De bijbel voorzegt dat dan de weerhouder weg is. En dat betekent dat de duivel vrij spel krijgt en dat hij behoorlijk fanatiek wordt. En er gaat heel veel mis daarna. Toch komen er in die tijd nog veel mensen tot bekering ook. Grote schare die niemand tellen kan. Maar er zijn ook in die tijd martelaren. mensen die vanwege hun geloof, vanwege hun geloof in God de Schepper, toch het met de dood moeten bekopen. En die mensen zijn gestorven vanwege hun geloofsuiting. En nu zegt de bijbel, die worden ook weer levend. Die horen ook nog bij die eerste opstanding. Horen die dan ook bij de Gemeente. Dat hoort u mij niet zeggen. Dat heb ik niet gezegd. De Gemeente wordt de Here tegemoet gevoerd in de lucht, zal in het huis van de Vader zijn. Maar als het gaat om de regering van de Here Jezus, het glorierijke binnenkomen in Jeruzalem van de Here Jezus, dan worden ook de doden in Christus, ja, en de gelovigen die nu veranderd worden, en de martelaren, die worden daar bij gevoegd. Daar wordt een groot geheel van gemaakt. Niet om dan te zeggen: “Dat zijn allemaal precies dezelfden”, maar daar wordt één gezelschap van gemaakt en dat gezelschap is rondom de Here Jezus als Hij gaat regeren. Ja, dat zijn die martelaren. Nog even geduld en je zult met Christus heersen, je zult met Christus regeren. En wij ook. En we zijn als priesters van God en van Christus. Er is een priesterdienst voor God en er is een priesterdienst van God. Voor God in de richting van, dat is vandaag. Als je nu lofoffers mag brengen in de richting van de Here God, je mag Hem prijzen, je mag Hem groot maken, je mag jubelen, dat is priesterdienst. ik hoop dat je een priester bent. Principieel ben je een priester. Zuster, broeder, wie je ook bent, als je gelooft in de Here Jezus, ben je een priester. Dat is het ambt aller gelovigen. Priesterschap, het algemeen priesterschap. Je bent een priester, priester om offers te brengen, in Gods nabijheid te komen en met eer en met hulde en met lofprijzing naar Hem toe te gaan. Dat is priesterschap vandaag. Maar er komt een moment dat je priester bent van God uit. Dat je met de zegen van God naar beneden komt. Priesters van God uit. Met de zegen van God naar de mensen toe. Daarom zal in die tijd de zegenstroom er zijn vanuit het heiligdom. En overal waar die zegenstroom komt daar is heling, Ezechiël, Zacharia, Joh. 7. Van God uit, met brood en wijn. Van God uit met de zegen van God komen naar mensen die op dat moment op aarde zijn. Nou, dat is in elk geval Israël. Die zullen als eerste de zegen ervaren. In het Koningsdal kwam Melchizedek Abraham tegemoet. Ja, dat is dezelfde lokatie waar Absolom voor zich een klein standbeeldje heeft gemaakt. Hij dacht: Ze doen het na mijn sterven toch niet voor mij, dus ik doe het zelf maar van te voren. Ik snap dat, dat is ongeveer de mens eigen. Absolom heeft daar in het Koningsdal voor zichzelf een standbeeld gemaakt. Maar daar kwam Melchizedek met brood en wijn. En onze Hogepriester is een Hogepriester naar de ordening, moeilijk woord hoor, ik weet het wel, naar de ordening van Melchizedek. Niet naar de ordening van Aäron, dan was Hij gestorven, maar naar de ordening van Melchizedek. En Hij komt met brood en wijn uit de hemel, en jij en ik komen met Hem. Hij gaat regeren in Jeruzalem. Mordechai in de wagen, Jozef, geschitterd. Dus schitterend, heerlijk, bejubeld, zegen, zegen, zegen. En jij en ik zijn bij Hem en met Hem en we komen met Hem met de zegen van God. Wat een taak he, dan. Ga ik dan weer naar Veenendaal en omgeving. Is de A30 dan net klaar, is het kruispunt daar bij Ede ook klaar, heb je dat gezeur niet meer van die 70 en met die flits. Ja ja, vorige week zondagavond, ik zag hem net op tijd. Ik kwam er langs. Is dat dan al…., sorry hoor, tussenzin. Is dat dan voorbij, is alle, alle, alle moeite en alle hobbel dan over. Nee, zo gaan we niet terug. Wij gaan niet terug naar onze lokaties, wij gaan niet naar onze buren en vertellen hen met bravoure dat we toch gelijk gehad hebben. Dat willen we wel, want zo zitten we wel in elkaar, nu, maar dat wil je dan niet meer, want zo ben je dan niet meer. Je bent namelijk anders. De Here heeft je hart vervuld en je gaat meer trots als een pauw hier even je veren laten zien. Het is de Here Jezus. En u gaat met de zegen van de Here komen. En die zegen vloeit vanuit Jeruzalem. Waarom, nou omdat Hij daar is, omdat de Here Jezus daar regeert. Of de volkeren dat leuk vinden, natuurlijk niet. Die hadden andere lokaties, daar zaten ze zelf, maar dat ging toch niet goed. Daar in Jeruzalem gaat het gebeuren. En ze gaan elk jaar, van jaar tot jaar, naar Jeruzalem om daar een feest te vieren, het loofhuttenfeest. Nu kan ik ook nog een heel verhaal over [houden], maar dat weet je zelf hoe dat gaat, hoe dat in zijn werk zit, en ander komt dat nog wel een keer. Maar in elk geval, ze gaan van jaar tot jaar naar Jeruzalem om daar het loofhuttenfeest te vieren. en ze nemen een geschenkje mee, toch. Als je dan bij de Koning komt moet je ook een bokje meenemen. Sorry, mijn verhaal, maar dat was vroeger zo. Niet een blind paard of een blinde koe of een kreupel kalfje. Nederland komt met een geschenk voor de Koning. En als zij buigen is er zegen van God uit, vanuit het heiligdom, van God uit zegen voor de mensen. Zou je niet verlangen naar die tijd. Koe en berin samen, panter en bokje samen. Geen verderf, alleen maar zegen. Het zuchten van de schepping, ziekte, problemen, zorgen: weg. Openbaring van de zonen Gods. De hele schepping zucht en is in barensnood tot nu toe en wacht op de openbaring van de Zone Gods. We komen, en het zuchten van de schepping is voorbij, zegen. En de duivel verleidt niet eens meer. En we worden ouder dan Methusalah. Methusalah was 969, en je wordt 1000 jaar, ja. Hoe het zit met de tandarts en met de arts weet ik ook niet, maar waarschijnlijk zijn ze werkeloos. In elk geval hebben de begrafenisondernemers een hele slechte tijd. Sorry hoor, soms moet je het even relativeren om het helder te krijgen, om het te snappen. Wat een dag zal dat zijn. En om wie gaat het dan. Gaat het dan om Dato, gaat het dan om ons, want wij waren zo goed. O, welnee, het gaat om Hem, het gaat om Hem, Hij regeert, Hij regeert en wij flitsen alleen maar. Hij is het, weet je wel. heb je wel eens een plaatje gezien dat iemand achter iemand stond en zei….., ik vind dat zo’n mooi plaatje, want ik denk altijd aan de Here Jezus. Ik ga achter Hem staan en: “Hij is het, ja Hij is het, Hij is het.” Hij is het, het gaat om Hem, het gaat echt alleen om Hem.
En als je dit nu een beetje door krijgt voor de toekomst, hoe gaat het dan deze week. Nou, ik dank dat je naar God toe zegt: “Here God, ik wil U zo graag prijzen.” En dat je van God uit ook met iets van God Zelf terug komt naar mensen toe. Is toch zo. Waarom zegt de Here Jezus: “Stromen van levend water zullen uit je binnenste vloeien.” Dit zei Hij van de Geest, die in Hem geloven zouden, ontvangen zouden. Nu toch, waarom is de kerk zo dor. Waarom is jouw leven zo dor. Als je niet naar binnen gaat met lofprijzing, kun je ook niet naar buiten komen met zegen. Moeilijk he. Het is noch simpel, nee, simpel is het niet, maar het is wel de waarheid. Ik ben er echt van overtuigd als wij naar binnen gaan met zegen voor God, sorry hoor, we kunnen niets toevoegen aan Zijn glorie, maar wij kunnen wel Hem eren, Hem hulde brengen. Maar dan zullen wij, van God uit, met de zegen van God, mogen terug keren. je gelaat schittert, je gelaat straalt, zoals Mozes straalde als hij bij de Here God geweest was. Nu, je gaat anders kijken. En morgenvroeg vragen ze: Heb jij die wedstrijd gewonnen 1 tegen 100, ja, jackpot, ja, lottoweekend, ja, weekendmiljonair, ik heb ze allemaal. Ik heb de Here Jezus, ik heb de Here Jezus, en ik weet het, Hij is van mij en ik ben van Hem, en ik wil me zo verheugen. En ik wil Hem eigenlijk nu al eren zoals Hij straks eer gaat krijgen. De Here zegen jullie allemaal.