Openbaring 2 : 1- 11

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 3. De engel van de gemeente.

Openbaring Bijbellezing door Dato Steenhuis,
10 februari 2002

Lezen: Openbaring 2:1-11

Er zijn heel veel elementen die we eigenlijk zouden moeten benoemen in dit kleine stukje uit Openb. 2. Het is het boek Openbaring, Openbaring van Jezus Christus. God onthult Wie de Here Jezus is en Hij wil u en mij laten meegenieten. Hij wil u vertellen hoe geweldig de Here Jezus is. Misschien hebt u ooit kennis met Hem gemaakt en ja, weet u dat de Here Jezus voor schuldige en voor zondige mensen aan een kruis wilde sterven en dat een ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. Dat is eigenlijk het mooiste wat je jezelf kunt toewensen. Eeuwig leven. Hoe het ook gaat, wat het ook is, wat het ook brengt, eeuwig leven, leven uit God, leven bij God. Het is het prachtige van het evangelie dat een ieder die wil komen ook mag komen. De enige voorwaarde is dat u met uw schuld gaat, dat u met uw prut, met uw narigheid, met uw verkeerdheid bij God komt. Deze dingen ook beleid, erkent, voor God uitspreekt. En, ja, de Here God zegt: “Er is maar één mogelijkheid. Geloof in de Here Jezus”. En dat geloven in de Here Jezus wordt dan vandaag misschien wel onder kritiek gegooid, maar dat is de eenvoudige maar ook de eenduidige oplossing: geloven in de Here Jezus. Dat is de weg. En als je dat gelooft, dan heb je eeuwig leven. Niet dat krijg je misschien als je daarna nog goed je best doet, dan heb je eeuwig leven. Ik hoop dat we allemaal dat eeuwige leven hebben. Voor u is dit laatste bijbelboek bedoeld dan. Voor mensen die de Heilige Geest hebben ontvangen en die door die Heilige Geest die God in ons gegeven heeft ook deze dingen kunnen begrijpen. Maar er wordt eigenlijk nog een voorwaarde aan vast geknoopt en wel de voorwaarde dat u ook van plan mag zijn, wilt zijn om voor de Here Jezus te gaan. Om voor Hem te leven, om voor Hem te dienen, om voor Hem te strijden, om knecht te zijn. Nu is dat niet helemaal ons grote doel. Het liefst willen we baas zijn in eigen leven. We willen eigenlijk onafhankelijk zijn, we laten ons niet zo makkelijk knechten. Wij worden ook daartoe aangezet he. De eenvoudigste werknemer vandaag is belangrijker dan de directeur. Ik bedoel de hele wereld staat bijna op z’n kop. Ik begrijp het wel dat iedereen ongelofelijk waardevol is, maar van knechtverhouding willen we eigenlijk niet meer horen. De directeur moet spreken van: “Ik heb een aantal collega’s”, he, dat is inclusief de jongste bediende. Zo gaat dat ongeveer he, het is niet meer van vroeger. Geen, ja, hoog en laag situatie, het is allemaal van hetzelfde niveau. Toch moeten we leren dat het bij God anders is en dat zal vanmiddag denk ik uit de verf komen hoop ik.
De bijbel deelt het laatste bijbelboek in in drie stukken. Hoofdst. 1 dat was het eerste stuk. De hoofdst. 2 en 3, waar we nu mee bezig zijn, dat is het tweede stuk en de hoofdst. 4 t/m 22, heel lang, dat is het derde stuk. Zo zegt de bijbel dat zelf: Hetgeen gij gezien hebt, hetgeen is, hoofdst. 2 en 3, en hetgeen na dezen geschieden zal, want zo begint het derde stuk, en zo beginnen ook de woorden van hoofdst. 4. Ik heb het niet bedacht, dat staat al heel lang in uw bijbel. En het eind van hoofdst. 1 liet zien dat de Here Jezus tussen de kandelaren wandelt en dat Hij zeven sterren in Zijn rechterhand heeft en die zeven kandelaren dat zijn zeven gemeenten en die zeven sterren dat zijn engelen van die zeven gemeenten en toen heb ik gezegd: “Over die engel van de gemeenten ga ik de volgende keer wel iets zeggen”. Dat is ook het thema van vanmiddag. Daar begin ik ook mee.
De bengel van de gemeente, heel oud grapje hoor, dus duizend keer verteld, weet iedereen te vinden, maar de engel van de gemeente is wat moeilijker. Wie zou daarmee bedoeld zijn. Nou, als je dat aan kinderen vraagt dan zeggen ze: “Dat is onze dominee”, anderen zeggen: “Dat is de scriba”, weet je wel, de secretaris, “dat zal hem dan moeten zijn”. Maar wie is dan de engel van de gemeente en, wordt alleen die ene bedoeld, man, groepje. Ik wil u een paar kenmerken noemen van een engel, want ik denk dat de bijbel zichzelf altijd gaat verklaren. Misschien wilt u met mij opslaan Ps. 103 en daarna Jesaja. Psalm 103 aan het eind, vs 19: “De Here heeft Zijn troon in de hemel gevestigd. Zijn koningschap heerst over alles”, en nu komt wat ik bedoel, “Looft de Here gij Zijn engelen”, en die worden nader aangeduid, die worden omschreven, “Gij krachtige helden, die Zijn woord volvoert, luisterend naar de klank van Zijn woord. Looft de Here al Zijn heerscharen. Gij Zijn dienaren die Zijn wil volbrengt”, en dan, “Looft de Here, al Zijn werken aan alle plaatsen van Zijn heerschappij. Looft de Here mijn ziel”. Het gaat mij om wat er van die engelen staat: Krachtige helden die Zijn woord volvoeren, luisterend naar de klank van Zijn woord. En ik dank dat je onder de heerscharen eveneens diezelfde engelen moet verstaan. Dienaren die Gods wil volbrengen. Nou, laat dat eens op je inwerken en je vraagt je af wat zou dan een engel van de gemeente zijn. Zou de schrift afwijken van wat er ooit gezegd is? Nee, er is altijd harmonie tussen het Oude en het Nieuwe, tussen het Eerste Testament en het Tweede Testament. En als in het NT in Openb. 2 sprake is van een engel van de gemeente is dat niet zomaar een postbusnummer. Dan is dat duidelijk in de gemeente iemand of zijn het die die kenmerkende dingen van een engel vertonen. Nou, op een andere plek staat dat het dienende geesten zijn. Ja, u voelt al, “Om zijn knechten te tonen hetgeen weldra geschieden moet”, zo begon Openb. 1, zo begon het boek Openb. zelfs. Maar dienende geesten. Maar ook krachtige helden die luisteren naar wat God heeft gezegd en die dit ook volbrengen. Krachtige helden luisterend naar het geklank van Gods woord en kennelijk wezens die Gods wil volbrengen. Hier kom je al bij een behoorlijke selectie uit. Zo van ja, als je dit nu plakt op de gemeente, op de broeders en zusters, op de gelovigen, wie zal dan zeggen: “Ja, ik ben nog steeds in beeld”. Zijn die er? Waarschijnlijk niet. Misschien zeggen we nu allemaal al: “De lat ligt nu al te hoog voor ons”. Want wie is dan een krachtige held als het om het woord van God gaat. Zijn we niet allemaal van die bangerds, van die mensen die hard wegrennen, die niet voor de Here leven. Wel een grote mond hebben als Petrus, maar als het even dichter bijkomt dan zeggen we al heel snel: “Ik ken Hem niet”, of zoiets he. Ik bedoel, we hebben die voorbeelden in de bijbel. Toch staat dit er. Van u en mij wordt eigenlijk verlangd dat wij dienaren willen zijn, dat we krachtig zullen zijn, dat we luisteren naar wat God heeft gezegd en dat we Zijn wil doen. Looft de Here gij Zijn engelen. Schrijf aan de engel van de gemeente te. Daar komt nog een flink stuk bij. Jesaja, hoofdst. 6. U kent dat waarschijnlijk uit Jesaja. Als ik het lees dan zegt u: “O ja, o ja, dat heb ik vaker gehoord”. “In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon. En zijn zomen vulden de tempel. Serafs”, dat zijn engelen. Engelen worden in twee categorieën genoemd in de bijbel, niet mannetje en vrouwtje, maar serafs en cherubs. Serafijnen, Statenvertaling, en cherubijnen. Hier zijn het de serafs. Als het om de troon van God gaat, bij de tabernakel, gaat het om de cherubs zullen we ontdekken in dit laatste bijbelboek. Maar even over de serafs. “Serafs stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels. Met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, met twee vloog hij. En de één riep de ander toe: “Heilig, heilig, heilig is de Here der heerscharen. De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol.” En de dorpelposten beefden van het luide roepen. En het huis werd vervuld met rook. Toen zei ik”, dat is Jesaja, “”Wee mij, ik ga ten onder want ik ben een man onrein van lippen en woon temidden van een volk dat onrein van lippen is en mijn ogen hebben de Koning, de Here der heerscharen gezien.”Maar één van de serafs”, van die engelen dus, “vloog naar mij toe met een gloeiende kool die hij met een tang van het altaar genomen had, raakte mijn mond daarmee aan en zei: “Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt, nu is uw ongerechtigheid geweken en uw zonden verzoend.” Daarop hoorde ik de stem des Heren die zei: “Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan?” en ik zei: “Hier ben ik, zend mij, ik wil graag een knecht zijn.”” Dat is mijn vertaling. Maar waar het mij nu om gaat, broeders, zusters, is de volgende opmerking dat hier engelen omschreven worden in een hele bijzondere setting. Ze zijn vlak bij de troon. Ze hebben besef van Wie daar op de troon zit, want ze zeggen, ze roepen dat elkaar toe. Dus jij zeg tegen mij: “Heilig”, en ik roep terug: “Heilig”, en dat flitst zo over en weer: “Heilig, heilig, heilig is de Here”. De hele zaak is van de heerlijkheid van de Here vol. Ze hebben bovendien besef van, ja, wat het altaar is, want als Jesaja roept: “Ik ben een man onrein van lippen en woon temidden van een volk dat onrein van lippen is”, dan gaat één van die serafs naar het altaar, neemt een tang, een gloeiende kool, en raakt de lippen van Jesaja aan. Kennelijk besef van het altaar, van reiniging van dat wat op het altaar is gebeurd. En mijn laatste opmerking is, in verbinding met Jes. 6: In het NT staat: “Dit zei Jesaja toen hij Zijn heerlijkheid zag”, Joh. 12. Dit stukje, uit Jesaja, wordt in het NT expliciet, dus zonder vraagtekens, op de Here Jezus geplakt. Jesaja zag kennelijk Zijn glorie, Zijn heerlijkheid. En nu kom ik bij die engel van de gemeente terug. Een engel van de gemeente dat is dus iemand die een krachtige held is. Dat is een dienaar, een bode des Heren. Iemand die je, laat ik maar zeggen, een boodschap kunt laten doen. Dat is iemand die luistert naar het geklank van Gods woord. Die ook Gods wil volbrengt. Nou, dat is al een hele mond vol, maar Jes. 6 gaat daar nog ver boven uit. Dat is iemand die besef heeft van de glorie van de Here Jezus, dat durf ik nu echt te stellen, want in Joh. 12 wordt dit gebeuren, dit tafereel van Jes. 6 op de Here Jezus van toepassing verklaard. Ineens zie je dat serafijnen kennelijk besef hebben van de glorie van de Here Jezus en zeggen: “Hij is zo geweldig, Hij is zo hoog, Hij is zo groot, heilig, heilig, heilig is de Here”. En alles beeft. En bovendien hebben zij besef van wat op het altaar is gebeurd. Nou, als je dit allemaal op een rij zet en je zegt dan opnieuw: “Wie is dan de engel van de gemeente?” Dan kom je tot de volgende opsomming, en die is niet eens compleet. Ja, het toch wel een dienaar, een knecht. Het is iemand die luistert, het is iemand die doet, het is iemand die weet Wie de Here Jezus is, die ook eerbied heeft voor de Here Jezus, zich ook in die zin uitlaat, dit ook zegt en bovendien iemand die weet wat daar op het altaar is gebeurd. Zou de engel even willen gaan staan vanmiddag? U blijft allemaal zitten. De enige die staat ben ik toevallig en ik ga graag naast u zitten. Want wie zou aan deze kwalificaties voldoen. Niet één. Schrijf aan de engel van de gemeente, zal ik eens Veenendaal invullen? Waar komt die brief dan? “O”, zegt de ene kerk, “bij ons natuurlijk”. En de andere kerk zegt: “Ja, logisch, wij toch.” De naam van een kerk? U voelt aan dat het daarover niet gaat. Het gaat kennelijk over wat anders. En de Here Jezus, u ziet Hem nu lopen tussen de kandelaren, die kandelaren zijn die zeven gemeenten he, Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatire, Sardis, Filadelfia, Laodicae, Hij wandelt daar tussen de kandelaren en Hij heeft in Zijn rechterhand die zeven sterren en Hij, Hij beoordeelt, Hij weegt, Hij bekijkt. Dit heeft op mijzelf lieve mensen een diepe, diepe indruk gemaakt. En ik heb me afgevraagd: Dato, zijn er bij jou sporen van zo’n engel te zien. En nu is het voor jullie heel makkelijk om te zeggen: “Ja, ik zie dat bij jou wel hoor, ja, ja. Ja, je bent een…”, nou ja. Maar u kent mij ook niet verder dan misschien dat plaatje daar bij de koffie. Een paar die weten iets meer. Maar iedereen die wat verder duikt, en u zou dat aan Hennie kunnen vragen, die zegt: “Nou, hij heeft ook wel eens momenten dat hij niet op die engel lijkt. Niet veel momenten natuurlijk, maar wel een aantal”. Nee, maar ik wil gewoon naast u gaan zitten en ik wil zo gewoon vertellen dat de gemeente grote, grote behoefte heeft aan deze, deze mensen. Wij, wij hebben andere normen he, van ja, je moet toch teksten uit je hoofd kennen. Je moet dogmatische dingen kunnen oplepelen. Je moet, ja, de verklaring en de taal en je moet dit en dat allemaal kunnen weten. Dat zijnde mensen. Maar hier gaat het om een engel van de gemeente. Ik wou dat ze er waren. Weet je waarom? Dat zijn nu precies de representanten van de Here Jezus. Dan wordt op datzelfde moment de openbaring van de Here Jezus Christus op aarde een feit. Want dat is nu precies wat er gebeurt. Want als jij en ik hieraan voldoen, ja dan laten we de Here Jezus zien. Dan kunnen ze in ons de Here Jezus zien. Dan kunnen ze ontdekken Wie Hij is. Nu, het boek Openbaring, openbaring van Jezus Christus, de onthulling van de Here Jezus, in wat je gezien hebt Johannes, dat prachtige visioen, dat schitterende beeld en wat straks gaat komen, wat na dezen geschieden zal, openbaring van Jezus Christus. Maar ook in hetgeen is. Dat betekent dat jij en ik vandaag aan de beurt zijn om de Here Jezus te openbaren. Dat bedoelt de bijbel hier. En dat openbaren van de Here Jezus dat etaleren van onze Here dat krijgt een soort norm. Dan moet je je ergens aan relateren, dat moet je je ergens mee kunnen vergelijken. Er moet ergens een norm zijn. Nou die norm wordt hier onmiddellijk zeer hoog neergezet. Daarom zei ik: “De lat hangt gelijk behoorlijk hoog”. Dat staat hier.
Als we dat gehad hebben dan komt het weer bij Hem terecht: Dit zegt Hij Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die tussen de zeven gouden kandelaren wandelt. Dat is dus de Here Jezus zelf. Iedere keer komt in die zeven blokjes, die zeven stukjes over de gemeente, een gemeente, komt iets van Openb. 1 terug. In Openb. 1 kregen we dus dat complete beeld en in Openb. 2 en 3 komt steeds een heel klein stukje van dat schitterende terug. Bij elke gemeente een stukje. En dat stukje van vandaag is, althans wat Efeze betreft, dat is dat Hij tussen de gouden kandelaren wandelt en dat Hij de zeven sterren in Zijn hand houdt. Bij Smyrna, waar we ook van lazen: Dit zegt de Eerste, de Laatste, Die dood geweest is en levend geworden is. Dat is dus ook uit datzelfde stuk, uit Openb 1. Steeds komt een stukje van die glorie van de Here Jezus, die schitterende uitstraling van Hem, komt terug in deze zeven gemeenten.
En van Efeze wordt gezegd dat daar nog heel veel goeds is. Ik weet niet of u ooit de gedachte gehoord hebt dat in Openb. 2 en 3 dus bij Efeze, Smyrna, een soort profetische lijn van de hele kerkgeschiedenis te vinden is. Misschien zegt u dat is voor mij een brug te ver. Eh, dat kan, maar er zitten hier ook mensen die graag studeren, die graag wroeten, doorvorsen, doordenken, die zeggen: “Ja, dat zou ik toch wel graag willen weten”. Je kunt in de zeven gemeenten die hier genoemd worden precies de hele kerkgeschiedenis terug vinden, tot en met vandaag. Misschien is het even wennen, maar het begint in Efeze, dat is de eerste afwijking. De tweede afwijking is, ja, de tijd van lijden en van moeite, van vervolging en van druk. Smyrna, verdrukking van 10 dagen. Er is ook een verdrukking geweest in die tijd in Klein-Azië van 10 jaar, merkwaardig genoeg. Ze hebben er onder geleden. Dan krijg je Pergamus, een soort mix van geloof en wereld. Dan krijg je Thyatire, regelrechte afgoderij geïntroduceerd, de Baälsdienst, Izebel die haar kans….. En dan krijg je Sardis, een soort herleving, maar dat is ook weer op een soort dode vorm uitgelopen: “Gij hebt de naam van dat gij leeft maar gij zijt dood”. Dan krijg je weer een opwekking, Filadelfia. En dan krijg je uiteindelijk de Here Jezus die buiten staat, Laodicea. Het is alsof je de hele lijn zo in één keer aangereikt krijgt. Het is nu te veel, maar u koopt toch een bandje, dus u hoort het nog wel 12 keer. Nou, ik hoop het eigenlijk niet.
Maar er is nog een lijn, en dat geef ik voor de studenten die nu nog niet tevreden zijn, die nu nog verder willen spitten. En dat is namelijk dat er een parallel is tussen de koningshuizen uit het OT, tussen de dynastieën en Openb. 2 en 3, en die is ook interessant. En dat betekent dat het met Salomo en David begint weet je wel, maar dat het langzaam maar zeker helemaal een soort teloorgang is geworden. Uiteindelijk is alles wat met het koningshuis te maken heeft ook weggevaagd. Nou dat gaat ook helemaal terug. Ook die parallel is niet zo moeilijk want als hier sprake is bij Thyatire bijvoorbeeld van een vrouw Izebel, dan moet je toch naar het OT en dan moet je toch het koningshuis van Achab bestuderen, want Izebel was de vrouw van Achab. En dan kom je vanzelf eigenlijk bij een soort ijkpunt uit. Dan kun je in elk geval terug en je kunt verder. Dat zijn duidelijke lijnen: De schrift. Dat zeg ik als een tussenzin voor u.
Ik wil me beperken tot Openb 21 en 3 in de zin dat die zeven gemeenten er alle zeven toen waren. En dat de situatie die hier gegeven wordt er toen was. En dat dit bedoeld is als een stuk informatie maar ook als een stuk, eh, reparatie, hoe moet ik het zeggen, een soort hergroepering in die tijd. Openbaring van Jezus Christus.
Efeze, bij jullie is alles nog heel, heel erg goed. Er zijn nog geweldige dingen. Jullie haten de werken van de Nicolaïeten, dat is een heel moeilijk verhaal hoor, Nicolaïeten die komen we nog een paar keer tegen. Waarschijnlijk, het woord betekent iets van verheffers van het volk. Sommigen denken daarbij aan een soort democratisch beginsel in de kerk. Zo van ja, nou ja, de meerderheid beslist, alsof dat de norm dan zou worden. Eh, sensitivity training hebben we een aantal jaren terug geïntroduceerd gekregen en de meerderheid van de groep, nou dat was het dan ongeveer en dus zijn we langzaam maar zeker gezakt want de meerderheid van de groep gaat steeds naar beneden. Gaat nooit omhoog, het peil zakt alleen maar. Nu, dat zou dus dit kunnen betekenen. Verheffers van het volk. Dat betekent dat democratie zijn entree heeft gedaan in de gemeente, in de kerk en dat daardoor in feite de teloorgang is ingezet. Nou toen haatten ze de werken van de Nicolaïeten nog. Dat is een zeer acceptabele uitleg. Of dat de enige mogelijkheid is dat laat ik los, ik durf mijn hand daar niet voor in vuur te zetten, omdat het vaag is. Maar in elk geval dit is een behoorlijke indicatie. Dus er was van alles goed in Efeze. Maar de eerste liefde was er niet meer. Ik heb in Efeze rondgestapt nu, een antieke stad die helemaal opgegraven is vrijwel, en je verbaast je over wat er toen in die tijd is geweest. De tijd dat Johannes daar heeft gewerkt, gewoond, van daar uit is hij namelijk verbannen naar Pathmos. Hij kende die omgeving, hij kende ook die andere gemeenten, waarschijnlijk heel goed, hij heeft daar rondgereisd. Efeze. Maar elke, elke situatie daar is bijna afgodisch. Ik kan me voorstellen dat ze daar, een beetje, ja, het hoofd in de schoot gingen leggen, dat ze uiteindelijk dachten: Moet het allemaal zo zwaar, moet je overal tegen zijn. Kun je niet ergens voor zijn. Ja, dat kan, maar voor de Here Jezus dat kwam niet over. Tegen al die andere dingen daar is heel moeilijk. Hun liefde was, ja, minder geworden. Als ik vandaag zeg dat Hennie alles nog goed doet, de was, de keuken, eh, schoonmaak eh, nou ja, reparatie, weet ik veel allemaal. Dan kan er een hele lijst komen en die is best te schrijven voor haar, van dingen die ze allemaal goed doet. Als dat het enige is, je voelt aan, dan is de echte, echte eh, vonk er niet meer. En daar ging om. Liefde, weet je waarom dit nu zo erg is, omdat dit nu precies dat is wat God in je hart heeft gegeven. De bijbel maakt duidelijk dat toen je tot geloof kwam in de Here Jezus, dat op dat moment de liefde van God in je hart is uitgestort. Deelgenoot van de goddelijke natuur geworden. Gaat ver he? Mag ik dan zeggen dat ik God ben? Zeg ik niet. Maar de liefde van God, God is Liefde, die liefde van God is in mijn hart uitgestort. Door die Heilige Geest die in mij woont en die van mijn lichaam Zijn tempel heeft gemaakt. God is Liefde, God woont in je. En als liefde niet meer aanwezig is betekent dat dat de Heilige Geest uitgeblust is. Dat staat niet hier, dat staat in de brief aan de Efeziërs bijvoorbeeld. Maar wat doet de Heilige Geest dan bij jou. Stel je voor, ja maar ik ga nog steeds x per zondag naar de dienst, x per zondag naar de dienst. Ik ben ook nog geabonneerd op en ik heb nog een hele rij donaties, ginds, links, voor, achter. Ik weet allemaal precies hoe het gaat. En ik ben meelevend hoor. Ja zeker als er iemand vraagt om mee te helpen verhuizen dan ben ik er met mijn aanhangertje. En als iemand gaat behangen dan zeg ik, dat kan ik beter niet doen want ik hang alle banen scheef. Maar ik ga wel inzepen hoor, ik ben er echt. Jawel er is van alles. En als er gevraagd wordt om de hand uit de mouw te steken zijn er toch nog wel velen die willen helpen. Maar hoe is het met uw hart? Hoe is het met je liefde? Wordt met liefde alleen een soort vertaling, een soort vertaalslag gemaakt naar praktisch hulpbetoon, dienstbaar zijn. Is dat, ja natuurlijk is dat in de wereld zo. En als je al geeft dan wil je ook graag wat terug. Dan is het ook nog vragende liefde. Eisende liefde bijna. Graaiende, nou dat durf je niet te zeggen maar dat komt er wel heel dicht bij he, dat komt toch bijna om het hoekje. Wat is er nog over van die goddelijke liefde die alleen maar geeft, die alleen maar uitdeelt, die alleen maar bukt, die alleen maar zichzelf wegcijfert. Is dat niet het grote probleem tussen man en vrouw vandaag. Is dat niet het probleem waardoor huwelijken kapot gaan. Doordat mensen geëmancipeerd willen zijn, of vrouwen geëmancipeerd willen zijn omdat die man, alleen maar graaien alleen, omdat ze alleen maar nemen, alleen maar claimen. Van die goddelijke liefde is niets meer te vinden. Nou ja, ik ga natuurlijk weer te ver. Ik wil alleen mijzelf hier bij insluiten. Het gaat niet over jou, het gaat over ons, het gaat over mij. En de vraag is of die goddelijke liefde er nog wel is. En waarom is dat nu zo belangrijk. Nou, ja, dan zal de ander gewoon super, super gelukkig zijn. Ik roep dat zo vaak met Ef. 5 in de hand. Als de man echt inhoud geeft aan de goddelijke opdracht, zijn rol werkelijk vervult, zichzelf wegcijfert, zichzelf met de dood geeft, haar liefheeft, haar koestert, haar voedt, nou dan heeft die vrouw het super. Dat is geweldig. Dan roept ze niet om een ander. En zeker niet om Leefbaar Nederland. Sorry hoor, je hebt toch genoeg, je hebt toch alles. Maar omdat die mannen het laten afweten komt er een soort, ja, roep naar iets anders, iets alternatiefs. En dat wordt vandaag aangeboden, in kleur. En er zijn enorme lessen te leren. Maar is dat dan liefde van God? Nee, heeft er niets mee te maken.
Ik wil zo graag helder hebben dat Efeze faalde in het openbaar maken van de liefde van God. En dus faalde ze in het openbaar maken van de Here Jezus. Hoe zouden de mensen van vandaag de liefde van de Here Jezus kunnen ontdekken. Nou, niet in onze vrome taal op zondagmiddag. Dat kan alleen als ik laat zien in de praktijk van mijn leven dat ik mijzelf wegcijfer. Dat ik over me heen laat fietsen, dat ik me plat laat walsen. Ja, en dan gaan ze op m’n tenen staan en dan blijf ik bleren: ‘Au, au, maak dat je…” nou ja, andere taal, nettere taal aan mij, maar het komt op hetzelfde neer. Waar zij die mensen die vandaag nog echte liefde etaleren.
Ik ben tot bekering gekomen door een oude zuster en haar man, maar die zuster heeft waarschijnlijk het merendeel gedaan, en ik heb daar zo vaak iets over willen zeggen. Ik heb dat ook wel eens gedaan. Ik doe dat ook wel eens keer op een, ja, spreekbeurt. Ze heet Marie. Ze is al lang bij de Here Jezus. Ik krijg nog een brok in de keel als ik daar aan denk. Ik was al lang full time in het werk van de Here toen ging ik daar nog regelmatig een keer naar toe. Als ik het echt niet meer wist ging ik daar een uurtje zitten. En je hoeft alleen maar goeie morgen te zeggen en de rest dat kwam als een warme deken over je. Liefde, overgegevenheid, zichzelf wegcijferend, echt dienen, en maar praten over de Here Jezus. En haar man, een hele simpele man, kon maar één ding denk ik goed, dat was op een klein trekharmonicaatje, zo’n ding, ja u kent ze nu allemaal van het huwelijk van prins Willem en Maxima, maar het was een ander soort hoor. Daar zat alleen maar iets van een walsritme in: hoempapa, hoempapa. En alle liederen van Johannes de Heer en psalmen allemaal één ritme, het paste wel, het paste toch wel hoor, komt best goed, het ging daar…, echt, maar ze zongen van de Here Jezus. Het was verkwikkend. Daar heb ik de liefde van God gezien. Echt, en jaren later heb ik gedacht, dit had je moeten inlijsten of daar moet je maar eens een boekje over schrijven. Misschien doe ik dat nog eens een keer. Super. En dit trekt. Toen oom Harmen, dat was die man, een hersenbloeding kreeg, toen dacht hij, ja nou kan ik niets meer voor u doen Here Jezus, maar ik wil nog zo graag verder, geef me maar een rolstoel. Nou, die kwam, zo ging dat ook ongeveer hoor, zat dus niet in het pakket van Amicon of van een ziekenfonds, maar hij kwam wel. En dan gaat hij met dat gekke ding nog bij de brievenbussen langs. Komt bij de dominee zijn brievenbus en duwt daar en blaadje in, een evangelieblaadje. De dominee zegt: “Zal ik het meenemen?” “Ja zeker, want u moet ook tot bekering komen.” “Ja, maar weet u wel wie ben, ik ben de nieuwe dominee hier op het dorp.” “O ja, ja maar dat zegt me niets”, zegt oom Harmen, “je moet ook tot bekering komen”, een beetje plat hoor, zo ging dat. “Mijn Marie heeft lekkere koffie”, zei hij, dat is de taal die hij bezigde, weet je wel, helemaal geen gedram, geen getheologiseer of zo, gewoon: “Kom maar”, ja, ja ja, “We wonen daar en daar, moet u eens doen.” Nou zegt de dominee: “Misschien kom ik wel een keer langs. Ik heb ook nog een hond. Die hond moet ook uitgelaten worden.” Mooie smoes. Het heeft misschien drie dagen geduurd en hij was er hoor, want hij was ook al aangestoken. En hij kwam er elke dag. Niet voor pastorale bezoeken, maar wel voor pastorale bezoeken als u begrijpt wat ik bedoel. Precies het omgekeerde. En als ik de begrafenis gedaan heb, ik mocht dat doen, en ik zie al die mensen zitten van hoog tot laag. Van het kasteel, waar nu dat mooie schrijftafeltje gevonden is, stond er toen ook al. Nou, van dat kasteel, toen waren er nog eigenaars, in Slochteren, Fraelemaborgh. Ze zaten er allemaal. Er was een meneer in een enorme auto, voor mij, super, misschien wel geleast, weet ik ook niet. Ik zeg: “In welke relatie stond u nu tot deze?” “Ik heb daar de liefde van God gezien.” Ziet u, dat is het. Ze openbaarden de Here Jezus. Ze lieten zien Wie Hij was. Is dat nu moeilijk? Ach, welnee. Zij hielp andere vrouwen in het ter wereld brengen van kinderen en die mensen waren soms arm. Zij zei, en ze waren ook straatarm, “Het is al betaald hoor, het is al betaald.” En ze zegt tegen Harm: “Ik heb geen zin aan spek vandaag”. In een papiertje voor die kraamvrouw. Zo ging dat. Niet van die hompen, dat kon helemaal niet. Maar wel van die stukken, snap je. En iedereen wist, het hele dorp: Ze hebben de Here lief. En nu vertel ik dit met trots omdat dat de liefde van God was. De liefde van de Here Jezus. En nu kunt u het een stom verhaal vinden, dat mag. U mag het een emotioneel verhaal vinden, kan me ook niets schelen. U mag zeggen: “Ja dat stond vroeger ook op scheurkalenderblaadjes. Aan de achterkant dan he, aan de voorkant stond nog een beetje meditatie. Aan de achterkant mocht zo’n verhaal. Nu ik wou dat dit soort verhalen vandaag bestonden want dat is nu precies wat hier bedoeld wordt. We trekken dit onmiddellijk in de theologie, in de uitleg van het woord van God en we weten niet meer wat het hart daarin doet.
Hier staat dat je van alles kunt doen, en heel goed in de leer kunt zijn, ontzettend rechtzinnig kunt zijn. En dat je misschien die apostelen die kwamen en dat waren valse apostelen, die zeiden dat ze apostelen waren, maar dat waren ze helemaal niet. En ze hebben ze daar ontmaskerd. Ja, maar dat konden ze, hu hu, we zullen dat eventjes heel snel helder maken. Apostelen ontmaskeren. En in Smyrna kwamen dus mensen binnen die zeiden dat ze Joden waren en het ook niet waren. Die aanvallen die waren er op de gemeente. Dat hadden ze nog door. Maar de motor van binnen was niet het ontmaskeren van een valse apostel. De motor van binnen was liefde.
En ik wil het heel helder hebben. De openbaring van Jezus Christus is liefde. Niet lief doen, niet alleen maar lief doen voor jezelf, een beetje graaien, een beetje nemen, maar dat is de uitstraling, dat is de uitdeling van liefde.
De Here Jezus zegt in Joh. 15, prachtige rede van de Here Jezus in die bovenzaal, de laatste woorden van de Here Jezus. Over de voetwassing is gesproken, Joh. 13. Joh. 14, het huis van de Vader met den vele woningen, de Heilige Geest, de Vader en Ik zullen bij je komen, zullen woning bij je maken. Prachtige dingen. Joh. 15, daar wordt eigenlijk een soort definitie gegeven van een christelijke geloofsgemeenschap. Daar vind u zeven punten, dat ga ik niet noemen, dat is een flinke excurs, een flinke uitweg, maar een paar dingen. De Here Jezus zegt: “Daaraan zullen allen weten dat u Mijn discipelen bent.” Waaraan? Dat gij liefde hebt onder elkaar. En Hij zegt, merkwaardig genoeg, “Houdt er goed rekening mee, stellig is het zo, dat u dan, ja, verdragen moet, lijden. En dat is de tweede gemeente. Het is alsof die woorden van de Here Jezus, daar op de geloofsgemeenschap voor Hem geplakt, alsof die woorden hier terugkomen. Aan de ene kant is dat gebrek aan liefde. En daardoor zegt de Here Jezus: “Maar als dat echt niet verandert, ja dan blijft er feitelijk niets over, dan gaat die kandelaar ook weg.” Dan kun je duizend keer recht in de leer zijn, maar uiteindelijk is het geen kandelaar meer, is het geen lichtdrager meer, laat het niets meer zien. Dan zijn het studeerkamergelovigen geworden. Geleerden die alleen maar recht in de leer zijn. Een soort van farizeeërs die precies wisten hoe het moest, exact. En de Here Jezus zegt zelfs: “Ze hebben nog gelijk ook, maar ze doen het niet.” Nou, dat is het probleem. “Doet wel wat ze zeggen maar doet hun werken niet na.” Met andere woorden: Jullie moeten wel luisteren, want ze hebben best goede dingen. Het ontmaskeren van valse apostelen al een hele klus zijn vandaag. Het ontmaskeren van mensen die zeggen dat ze Joden zijn maar het niet zijn, een synagoge van de satan, om die mensen te ontmaskeren dat is al een hele klus. Mensen die binnendringen, die de gelovige niet spaart, die de kudde niet zullen sparen. Vreemde wolven zullen bij u binnenkomen. Die zullen de kudde niet sparen. Ze zijn binnengekomen, in enorme aantallen. En vandaag, het stikt ervan, echt het is bijna niet meer te tellen. En wie ziet ze nog. Ja, dan moet je toch wel de schrift kennen. Ja, ja, inderdaad, daar dogma voor nodig, daar heb je een behoorlijk stuk onderbouw voor nodig. Absoluut nodig. en ik hoop dat mensen ook gaan studeren. Maar om licht te verspreiden is liefde nodig. Nou zitten we. Wat is nu het belangrijkste. Recht in de leer zonder liefde?. Maar ik ben bijna geneigd om te zeggen: “Ik heb liever liefde dan recht in de leer.” Ik weet dat dat gevaarlijk is want als je geen kennis hebt dan zijn er ook geen afbakingen meer, zijn er geen palen meer en zijn er geen normen meer. Dat is heel link. Dus zelf denk: Alstublieft Here schenk ons een combinatie van die twee. Begrijpt u, openbaring van Jezus Christus. Was de Here Jezus recht in de leer? Ja, nou en of. Wist Hij wat Hij zei? Ook precies. Maar hoe ging hij dan om. Nou, kijkt u maar, Joh. 8. Een op overspel betrapte vrouw. Eh, Mozes zegt: “Zulk een moet gestenigd worden, en U?” Nou, je ziet die grijns he? Die grijns gaat bijna tot aan de oren. En nu, nu even opletten. Als Hij zegt: “Ook stenigen”, nou waar blijft Hij dan met Zijn verhaal van genade. En als Hij zegt: “Niet stenigen”, dan heeft Hij de wet verlaten. Hij zat lekker klem. En nu krijg je het prachtige: “Wie van u zonder zonde is werpe de eerste steen.” En hij schreef hun namen in het zand. En die oudste die zei: “Hoh”? Hij zei niets, kijkt om zich heen en denkt: Ik moet maken dat ik weg kom want mijn naam was in het zand geschreven. Volgend het boek Jeremia kun je dat zeggen. Namen die van de Here afweken werden in het zand geschreven. Dat heeft de Here Jezus toen gedaan. De oudste zag als eerste natuurlijk zijn naam en die liep weg en toen de tweede en derde, vierde, ze liepen allemaal weg. “Waar zijn ze, heeft niemand u veroordeeld? Ik doe het ook niet”. Mooi he, liefde. Heeft die vrouw begrepen dat ze fout zat? Ja, maar ik heb niet zo’n oplossing, ik ben niet zo. Zo taktisch, zo liefdevol. Dat is het geheim. En ik wil dit zo kwijt lieve mensen want dit staat hier in dit laatste bijbelboek om de openbaring van Jezus Christus vandaag mogelijk te maken.
Het tweede aspekt, het Smyrna aspekt is misschien nog wel moeilijker. De Eerste, de Laatste Die dood geweest is en levend geworden, Die vertelt aan de mensen in Smyrna: Jullie krijgen het moeilijk. Daar komt een verdrukking, en in die verdrukking zou je wel eens in de gevangenis gegooid kunnen worden. En die zal ook mensen doden. Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens.
Smyrna: Van hen staat niet dat ze iets niet goed deden. In Efeze, eerste stukje van Openb. 2, staat nog: “Ik heb tegen u”. Maar van Smyrna staat niets. Niets dat tegen zou zijn. Maar misschien proef je tussen de regels door de angst voor het lijden. Ik wel. Onze kerkvaders hebben geroepen dat het bloed van de martelaren het zaad van de kerk is geweest. En eigenlijk weten we stuk voor stuk dat dat waar is. En we gaan er allemaal met een gigantische boog omheen. En we zijn heel blij dat we vandaag geen martelaar meer hoeven zijn in die zin dat we niet meer op de brandstapel hoeven en dat we niet, ja, onze goederen verbeurd verklaard krijgen. Dat dat allemaal weg is en zo. Ik heb natuurlijk gelezen van martelaren en van mensen die in bepaalde tijden veel, veel hebben moeten lijden. En nu staat hier wees getrouw tot de dood. Wie zegt dat. Ik ben de Eerste en de Laatste Die dood geweest is en weer levend geworden. Wie zegt het? De Here Jezus Die Zelf verworpen werd. Die Zelf verguisd werd. Die Zelf in de dood is gegaan. De Eerste en de Laatste is diezelfde weg gegaan. Hoort u het in Joh. 15. Wat zijn de kenmerken van die gemeenteclub? Liefde, er zijn nog vijf anderen maar die laat ik even los, liefde en vervolging. “Ze hebben dit aan het groene hout gedaan, ze zullen het ook aan het dorre doen. Ze hebben Mij vervolgd, ze zullen ook u vervolgen.” En hier Smyrna. Hou vol. Dat is een openbaring van Jezus Christus. Wie heeft liefde geëtaleerd tot op de bodem? De Here Jezus. Wie liet zien dat vervolging een gewone zaak was en dat Hij dat accepteerde omdat Gods plan dwars door de dood heen tot glorie kwam? De Here Jezus. Openbaring van Jezus Christus betekent dat het u met zo zal vergaan. Dat het ons net zo zal vergaan. En dan kun je makkelijk roepen in een tijd van rust en in een tijd van vrede: “Het gaat goed en ik verlang niet naar gevangenis.” Maar ik weet wel dat de gevangenistijd in China een hele zegenrijke tijd is geweest voor de gemeente. Met alle gruwelijkheid die daarbij hoort. En u weet zelfs dat in het oosten, de z.g. Oostbloklanden, dat de gevangenistijd een hele zegenrijke tijd is geweest. Dat weten we maar wij willen er niet meer aan. Vind u het gek dat de kerk bijna dor is, dat er geen toeloop is, geen groei is. Verplaatsing van voorraad kennen we genoeg. Ik bedoel van de ene club gaan naar de andere club dat is geen aanwas van buiten naar binnen. Dat is gewoon van de ene club die zegt: “Ja, ik krijg daar niets meer ik ga naar die.” dat kennen we, dat noemen we dan relitoerisme. Maar goed, dat is tot daaraan toe. Maar echte bekering vanuit de goot, vanuit, vanaf nul, zal ik dat zomaar eens zeggen, vanuit de duisternis tot het wonderbare Licht. En als er mensen tot bekering komen, dan moet je zeggen: “Ja, ze waren eigenlijk al helemaal vertrouwd met de taal. Ze kenden de bijbel. Ze geloofden ook dat de bijbel waar is. Ze geloofden ook dat er maar één oplossing is, de Here Jezus. Alleen ze hadden dit nooit naar zich toe, naar zichzelf getrokken en daar moet je ze een hand bij helpen”. En dat gebeurt ook gelukkig. en ze komen in de vrijheid, komen in de blijheid. En we zeggen: “Er is iemand tot bekering gekomen”. Ja zeker is iemand in de vrijheid gekomen. Maar kun je nu echt zeggen dat zo iemand uit de duisternis, in de zin van uit de wereld, ineens bij het geloof komt. Ja, wel en nee, maar u voelt mijn twijfel. Hoe komt dat dan. Nu, dat komt omdat wij dat lijden schuwen. En ik ga daarin weer naast je zitten. Ik ga niet hier staan en zeggen: “Nou, jongens we moeten nu maar bidden dat we vervolging krijgen.” Maar zou het anders zijn vandaag. Is de society van vandaag, is die voor de Here Jezus of tegen de Here Jezus. Antwoord tegen de Here Jezus, radicaal. En de duivel is machtiger dan ooit. Hij heeft bijna alles onder zijn controle. En hij probeert alle, alle zeilen bij te trekken. En of het nu door wetgeving komt of door algemene opinie komt laat ik even los, maar het is gewoon een feit. En we zeggen bijna niets. Het is met ons precies als die mensen die op straat, laat ik maar zeggen, geweld zien, geweld op straat, en ze bellen niet eens 112 he, dat zijn die spotjes voor de televisie. Dat doe je niet. Je gaat je hand niet branden aan koud water zeg je. We doen gewoon niets. Die, ja die apathie die zou je eigenlijk moeten verafschuwen. Daar zou je eigenlijk van moeten zeggen: “Dit kan niet, dit mag niet”. Nu staat hier, mensen die dit wel doen, die zullen de kroon des levens krijgen. Die opmerking komt nog een keer voor in de bijbel. Ik weet niet of u de brief van Jakobus kent. Jakobus is een broer van Judas. Niet Judas Iskariot. En Jakobus heeft een vader en een moeder, dat zult u zich waarschijnlijk wel kunnen indenken. En ik weet ook nog hoe ze heten. De vader van Jakobus heet Jozef en de moeder van Jakobus die heet Maria. Valt er al een Eurootje? Ja, Nazareth dus, precies. En Judas, die ook een brief heeft geschreven aan jou, die zegt: “Ik ben de broer van Jakobus, ik hoor bij hem”. En die zijn samen opgegroeid in dat huis met een timmermanswerkplaats daar achter. En die hebben samen in één kamer geknikkerd, aannemende dat ze toen knikkers hadden. Die hebben toen met blokjes gegooid. Ze hebben toen gespeeld, ze hebben toen gewerkt. Ze hebben toen samen de synagoge bezocht. Ze hebben samen gegeten, gedronken, geslapen. Die broers die zeggen aanvankelijk: “Dat is het niet hoor”. Die geloofden niet volgens Joh. 7. En het is alsof er bij het kruis een soort schakelaar is omgegaan in hun leven. En als Jakobus het heeft over, mag ik het zeggen, zijn speelkameraad, zijn tafelgenoot, zijn werkcollega, dan heeft hij het over, schrikt u niet, de Here der heerlijkheid. Heel, heel subtiel. Hij zegt niet: “Het is Jezus en ik heb met Hem geknikkerd”, toch, gevoetbald of… De Here der heerlijkheid. En die Jakobus, en Judas, even een tussenzin, Judas zegt: “Ik ben een broer van Jakobus, ik denk er net zo over”, prachtig is dat schitterend is dat, die broers zijn tot geloof gekomen, en die zeggen, Jakobus: “Houdt het voor enkel vreugde als er grote beproevingen zijn”. Nu zijn er in Jak. 1 twee soorten beproevingen. De een leid tot de dood en de andere leid tot de kroon des levens. En die kroon des levens is precies de beproeving die hier genoemd wordt. Ze hebben het gezien. Weet je Wie die beproeving op Zich nam en van Wie ze wisten: Hij heeft nu de kroon des levens. Nou, dat is de Here Jezus. Hij is het, Hij heeft laten zien door Zich zo op te offeren, door Zich zo weg te cijferen, dat Hij uiteindelijk in de troon is, in de glorie van God. De engelen hebben het gezegd: “Hij is nu in de troon van God”. Hij is daar nu, in glorie, Hij komt terug, ook in glorie. Maar Hij is daar nu in heerlijkheid, de Here Jezus. Weet u wat er gebeurt als wij lijden moeten verdragen? Dat de Here Jezus openbaar wordt. En daar zou ik zo graag over door willen praten. Dat wij eindelijk zo ver komen dat we dit stuk uit het laatste bijbelboek, hetgeen nu is, wij zijn nu aan de beurt. Straks krijgen we het over wat er allemaal nog komt he, in de toekomst. Weet je wel, toekomstige dingen. Bij hoofdst. 4 begint dat al. Maar dit stukje daartussen, hoofdst. 2 en 3, dat betekent dat het nu inhoud moet krijgen, dat het nu gezicht moet krijgen in de gemeente. Schrijf aan de engel van de gemeente. Dit zegt de Geest tot de gemeenten. De gemeente, jij en ik vormen samen de Gemeente. Ik heb het niet over een kerkelijke structuur. Ik heb het over gelovigen die aan elkaar vast zitten door de band die de Heilige Geest is. En we zijn aan elkaar gekluisterd, we horen bij elkaar en wij mogen samen de Here Jezus laten zien. We mogen Hem vertonen. Hoe? Liefde en het lijden niet uit de weg gaan. En beide dingen zijn razend moeilijk. Want liefde, dan kom je jezelf tegen, ik zit in de weg. En bij lijden, ik zit in de weg. Begrijpt u, het is precies hetzelfde. De bottle neck is weer die oude Dato die dat helemaal niet wil. Petrus heb ik al genoemd. Hij riep wel maar hij gaf niet thuis toen het er echt op aan kwam. En zo gaat het ons waarschijnlijk ook. Ja, wij pakken het handiger in. Als er morgenvroeg iets is dan kun je soms, als je handig bent, het onderwerp ineens van carnaval verleggen naar Salt Lake City of zo, eh, dan ben je heel handig he, dat is minder kwalijk misschien, weet ik niet hoor, of het echt minder kwalijk is. Maar, ik denk het wel ja dat het minder kwalijk is. Maar we kunnen naar Pim Fortuyn morgenochtend he, genoeg over te zeggen. Ik gooi zo maar een paar kreten. We zijn zo handig. Maar wie gaat nou zeggen dat er maar Eén een gouden medaille heeft verdiend, dat is de Here Jezus. Wie gaat nu zeggen: “Ik wil niet een soort carnavaleske toestand met wagens en zuiperij en zo, ik wil de Here Jezus, het gaat me om Hem”. Het gaat uiteindelijk om Hem. En de gemeente mag vandaag de Here Jezus op de schouders nemen, ze mag Hem vertonen, ze mag voor Hem gaan en ze mag de Here Jezus op alle mogelijke manieren neerzetten. Hoe? Liefde, lijden. U had die beide dingen niet uitgekozen en toch staat het er. Dit hoort bij de Here Jezus en u ziet het bij Hem. Kijk dan naar het kruis. Wat zie je daar? Liefde en lijden. Is Hij het kruis uit de weg gegaan? Nee, die om de vreugde die voor Hem lag, de kroon des levens, heeft Hij de schande niet geacht en heeft Hij het kruis verdragen, de Here Jezus. Voor wie deed Hij het? Voor jou? Voor mij? voor Zijn God in de eerste plaats. Hij heeft het laten zien toen. “En nu”, zegt de Here Jezus, “En nu ben Ik de inspecteur-generaal en Ik beoordeel de gemeente eigenlijk op deze punten”. Niet de punten van heeft u wel de goeie vertaling, zing je wel de goeie liederen, heb je wel de goeie kleren aan, heb je wel, nou ja, je kent ze wel. Maar deze punten, en die zijn behoorlijk scherp. En we zouden eigenlijk tegen de Here Jezus moeten zeggen: “Here Jezus, we houden van U, want de liefde die U aan mij hebt gegeven, ja die is gewoon zichtbaar geworden aan het kruis. En het lijden wat u eigenlijk aan ons geeft, wat we zouden mogen, zouden moeten meemaken, dat hebt u ook volmaakt aan het kruis geopenbaard.” En daarom zegt Paulus dat het een eer is om te roemen in de verdrukkingen. Ik roem ook in de verdrukkingen, ik ben niet zo ver, ik ben ook niet zo’n held. Maar ik zou zo graag voor de Here Jezus willen gaan en samen met u willen vragen: “Here openbaart U Uzelf aan ons meer en meer en laat U zien Wie U bent en laat ons hier op aarde een beetje van deze dingen uitstralen”. Gevolg, zaal wordt te klein en collectezakken gevuld. Amen.