Openbaring 4 en 5

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 7. Rondleiding in de hemel.

Openbaring Bijbellezing door Dato Steenhuis,
7 april 2002.

Lezen: Openbaring 4 en 5

U wordt uitgenodigd om in de hemel rond te kijken. Daarom plakken we als titel wel eens het woord excursie hierboven. Een excursie in de hemel. Ik denk als je in de letterlijke zin een uitnodiging zou krijgen om een excursie mee te maken naar de hemel, je vooraan in de rij zou staan. Ik wel. Niet omdat ik altijd haantje de voorste ben, dat was wel een beetje zo, maar ik wil zo graag in de hemel rondkijken. En vroeger heb ik gebeden: Here geef mij 5 minuten voor de hemel, 5 minuten. Maar nu denk ik anders: Here ik wil graag meer tijd om in de hemel rond te kijken. En toch is het u en mij vergund om een klein beetje van de hemel te proeven. En dat maakt het laatste bijbelboek mooi maar op hetzelfde moment heel moeilijk, want het is toch een stuk emotie, het is een stuk van je hart en dat kun je moeilijk overbrengen. Sommige mensen zijn helemaal niet emotioneel en vinden ook eigenlijk dat je als prediker niet emotioneel mag zijn. Ik trek me van opmerkingen niet zoveel aan maar toch. Ik hoop dat uw hart meekomt. De hele bijbel is bedoeld voor de gelovige, dat probeer ik elke keer te zeggen, het laatste bijbelboek hoort daar ook bij, is gewoon bedoeld voor mensen de Here Jezus Christus al hebben leren kennen als hun Heiland en als hun Verlosser. We mogen dus gewoon zeggen: ‘Het is bedoeld voor een christen.” Een christen is iemand die gelooft in de Here Jezus, die voor zijn of haar schuld aan het kruis gestorven is, maar die bovendien van Gods de Heilige Geest gekregen heeft om de dingen van God ook een beetje te snappen. Dat is echt de bedoeling van de komst van de Heilige Geest in jou. Geestelijke dingen die met het geestelijk verstand begrepen kunnen worden, betekent dat de dingen die de Here God aan ons meedeelt, deze geestelijke dingen, die zijn met het geestelijk verstand, door de Heilige Geest gegeven verstand te begrijpen. Ik hoop dat we daarover helderheid hebben en dat je allemaal durft zeggen: ‘Ik ben een kind van God. Ik weet mijn schuld is weg, mijn zonden zijn vergeven.”
Het laatste bijbelboek bestaat uit 3 delen. Het 1e deel is hoofdst. 1, het 2e deel zijn de hoofdst. 2 en 3 en het 3e en laatste deel van dit laatste bijbelboek, het langste deel, dat zijn de hoofdst. 4 t/m 22, dat is een heel stuk. En dat begint met de opmerking dat we nu mededelingen krijgen omtrent de dingen die na dezen zullen geschieden. We hebben het nu, vanmiddag en verder als we over Openbaring gaan denken en praten, over de dingen die na nu gebeuren. En nu, dat is de tijd waarin de Gemeente hier op aarde is, dat waren de hoofdstukken 2 en 3. De tijd waarop nu gezegd wordt: “Ja, we zijn een getuigenis voor de Here Jezus hier op aarde.” Maar er komt een moment dat die Gemeente weggaat. Daar werd net gezegd in de inleiding: “Er zijn zoveel gelovigen, christenen, die van die opname van de Gemeente eigenlijk niets weten.” Dat begrijp ik ook een beetje want ik ben ook jaren gewoon niet op de hoogte geweest van deze dingen. En als je het leert zien is het een soort schok. En dan probeer je die dingen te delen en op hetzelfde moment krijg je een lawine van teksten over je heen van kritiek soms, soms nog goed bedoeld hoor, helemaal niet negatief alleen, maar ja, dit kan niet, dit is te breed, dat is te smal. En om dan overeind te blijven als je zelf pas dit soort dingen ziet, dat is niet zo gemakkelijk, soms is het heel moeilijk. Toch kan deze studie van vanmiddag je helpen.
Stel je nu eens voor dat de Here zou zeggen: “Kom eens eventjes in de hemel.” We zouden meegaan, we zouden meewillen. U bent niet meer bang om God te ontmoeten? Dat is al een moeilijke vraag. Vroeger dacht ik: Ik durf niet, want God is zo heilig, Hij kan die zonde van mij toch niet over het hoofd zien. Nu mag ik zeggen: “Die zonde van mij is weg want de Here Jezus heeft daarvoor aan het kruis van Golgotha Zijn leven willen geven.” Toch? Ja, we zeggen niets natuurlijk want in een preek zeg je niets. Toch? Ja, he, he, we komen in Amerikaanse toestanden. Nou dat wil ik niet hoor, ik wil gewoon heel fijn en heel Veenendaals bezig zijn. Maar het is zo geweldig dat je de Here Jezus mag kennen als je Heiland en dat je echt mag zeggen: “Mijn schuld is weg”, en dat je dus ook niet bang bent om bij God te komen. Want als de Here God je uit wil nodigen om in de hemel te komen en je ziet Hem, ja, zou je dan bang zijn of zou je dan niet bang zijn. Nou, ik zou niet bang zijn, ik zou echt graag willen dat ik de Here God kon bedanken voor Zijn werk, voor wat de Here Jezus aan het kruis heeft gedaan, voor Wie Hij is en voor wat Hij heeft gedaan en nog doet.
Na deze dingen. Een deur geopend in de hemel. Als er een deur in de hemel open is, is er altijd iets bijzonders aan de hand. We komen dat nog een aantal keren tegen in ditzelfde bijbelboek, maar Stefanus zag het al, weet u wel, toen hij als martelaar daar even buiten Jeruzalem gestenigd werd. Cornelius zag iets, een deur geopend in de hemel, toen hij op het dak was. Nou ja, dak, hij zag een deur. Petrus zag de hemel opengaan en die viervoetige dieren naar zich toe komen op een laken. Sta op Petrus, slacht en eet. Als er een hemeldeur open is komt er altijd iets bijzonders van de Here Jezus uit de verf. Het is alsof gezegd wordt: ‘Even bij de les blijven” he. Een deur gaat open in de hemel, even opletten. Een deur open in de hemel. Als God zijn hemel, die in het boek Deuteronomium, in het OT, al Gods rijke schatkamer genoemd wordt, als er een deur opengaat in die rijke schatkamer, nou, dan wil je wel even kijken. Als er nu al belangstelling is voor die enorme kroon die op de baar of op de kist van de Queen Mum ligt in Londen, ja, dat wordt geweldig bewaakt want dat is één van de aller kostbaarste diamantgebeuren die maar denkbaar is, ze houden daar al de wacht. Maar nu gaat de hemel open.
En daar is een stem die Johannes al eerder had gehoord die zegt: “Klim hierheen op en Ik zal u tonen wat na dezen geschieden moet.” Klim hierheen op, kom naar boven. Het is niet zo dat de hemel ineens helemaal naar beneden zakt, dat er een soort deputaatschap vanuit de hemel naar beneden zakt en Johannes gewoon op zijn stoel blijft zitten en zegt: “Kom jongen, ik zal het wel even voor je uitstallen.” Zo is het niet. Johannes moest er dus kennelijk wat voor doen. Nou, dat vind ik ook wel een beetje. Niet om de hemel te verdienen maar wel om een stukje inspanning, een stukje energie steken in de dingen van de Here.
En Ik zal u tonen wat na nu gaat gebeuren. En terstond was hij in vervoering des Geestes. Zo lazen we dit. En dat vervoerd worden door de Heilige Geest dat weten we eigenlijk niet zo goed te duiden. Ik kom uit een reformatorische groep en daar werd over de Heilige Geest vrijwel nooit gesproken, alleen met Pinksteren. Daarna kwam ik in een evangelische groep en daar werd soms iets over de Heilige Geest gezegd, maar meestal in de trant van: onder de leiding van de Heilige Geest. Wat dat dan precies was dat moest je ook maar raden, maar dat kwam dan nog voor. Maar de Heilige Geest is voor velen een soort, ja, ik heb het wel eens vergeleken met een soort reservewiel in je auto. Je hoopt eigenlijk dat je het zonder kunt doen. Als je nog een keer zoiets nodig hebt dan is het mooi dat dat er is. Maar om nu te zeggen: “Het is een reëel iets”, nee. Altijd als iets ondergesneeuwd wordt dan krijg je een reactie aan de andere kant. Het is niet verwonderlijk dat omstreeks 1900 er een beweging ontstond waar het misschien wel uitsluitend ging over de Heilige Geest, het ontstaan van de Pinksterbeweging. Geen gekat hoor, maar gewoon feit he, gewoon als geschiedenispunt. Het is gewoon gebeurd. En daarvan is door verschillenden wel eens gezegd: ‘Misschien is die beweging wel de onbetaalde rekening van de kerk.” en ik kan alleen maar amen zeggen want het is waar. Juist omdat er nooit over of nauwelijks over gesproken werd krijg je dus een overaccent aan de andere kant. En nu zeg je: “Ja, maar zoals zij het daar doen, nee, dat wil ik niet. Ik wil niet in dit soort bewegingen. Niet alleen maar over de Heilige Geest praten, zweverig doen.” Nou, ben ik ook niet voor. Maar dat betekent niet dat de Heilige Geest er ook niet zou zijn. De Heilige Geest is er wel terdege. En als God de Heilige Geest in jou woont, als God de Heilige Geest van jouw lichaam Zijn tempel heeft gemaakt, zou je dan iets van Hem mogen verwachten of is dat een soort, nog een keer, reservewiel in de kofferbak van je auto waar je ook niets mee doet. Wat doet de Heilige geest in onze levens. Nu ik kan er een heel verhaal over vertellen en er is heel, heel veel over te zeggen, want in he NT wordt heel veel over de Heilige Geest gesproken. En nu is Johannes in vervoering des Geestes. Als ik dat gewoon zeg: ‘Hij wordt door de Heilige Geest meegenomen.” Maar kan de Heilige Geest jou dan meekrijgen, of denk je: ja dan moet ik eerst mijn tanden poetsen, even wachten. Of: ja, ik heb altijd ‘s morgens om half zes mijn stille tijd en als de Heilige geest om half twaalf ‘s morgens iets doet, sorry, ja, ja dan kan ik er ook niets aan doen. Dan zit ik aan de telefoon. Kan de Heilige Geest ons nog meekrijgen, vervoering des Geestes. En ik vind dat je die vraag wel moet durven beantwoorden. Niet om een bepaalde beweging of om een bepaalde stroming, ook niet om excessen van welke aard dan ook, laat ik dat maar niet benoemen, maar louter om het feit dat de Heilige Geest je wilt vullen en dat de Heilige Geest je hart en je denken wilt beheersen en je mee wilt nemen, zelfs soms tegen jezelf in. Dat wil de Heilige Geest. Daarvan ben ik diep en diep overtuigd. En waar brengt de Heilige Geest je dan? Bij de Here Jezus. Ik had het voorrecht, dat is, ja, het voorrecht van iemand die veel spreekt dat ik in Ommen een studie mocht houden in een evangelische gemeente over Joh. 16, over het werk van de Heilige Geest en het werk van de Trooster. Ja dat, nou dat prop je er weer eens een keer goed in he, dan ga je weer een keer studeren en weer een keer doordenken over zo’n onderwerp en dat blijft natuurlijk hangen. De Heilige Geest, Hij zal het uit het Mijne nemen en zal het u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken. Dat doet de Heilige Geest. En als de Heilige Geest u meekrijgt vanmiddag, waar kom je dan uit? Nou, niet bij Dato, ook niet bij de Maranathagedachte, dan kom je uit bij de Here Jezus zelf, want daar gaat het om. Jouw en mijn hart moeten in beweging komen, er moet een soort transportatie zijn. En dat is niet zo wonderlijk. Ik zou dat wel willen illustreren aan de hand van Ez. 1, waar de wagen van God, het voertuig van God, waardoor je in vervoering komt, om dat eens te plaatsen hier in deze geschiedenis. U zult versteld staan van de overeenkomsten, versteld. U zult ineens ontdekken dat die Cherubijnen, die vier dieren die hier genoemd worden, ze zijn vier dieren hier, jammer genoeg hoor, dat is jammer, een vertaling van weet ik veel hoeveel jaren terug. Vier levende wezens, dat is veel beter. Het zijn geen dieren. En die vier levende wezens stralen iets uit, die hebben iets. Wat hebben ze dan. Nou het blijken de Cherubijnen te zijn uit het boek Ezechiël. Echt waar, staat er gewoon. En ze hebben ogen en alle kenmerken van Ez. 1, van ogen, een rad in een rad in een rad en vuur en laaiend vuur en vleugels en “Heilig, heilig, heilig”, alle kenmerken, tot en met de kenmerkende dingen van de troon van God en een lazuurstenen troon en op die troon een Mensenzoon en Wie is dat? Dat blijkt de Here der heren te zijn. Alles daar. Ik weet dat het moeilijk is, want u vond het altijd al een moeilijk bijbelboek, ik zal ook niet zeggen dat het een makkelijk bijbelboek is, maar weer hebben we misschien gedacht: Nou ja, dat is voer voor hobbyisten en voor theologen maar dat is niet voor de gewone gelovige. Jammer genoeg blijkt hieruit dat u deze dingen al een beetje had kunnen kennen. Maar ook daar, in die wagen, vervoering, wegvoering. Opname van de gemeente, wegvoering, precies hetzelfde woord, opname, weggevoerd, weggenomen. De Here Jezus, hoe ging Hij? Ja, Hij werd weggevoerd, Hij ging ineens naar de hemel en een wolk onttrok Hem aan hun oog, Hand. 1. O ja? Maar Ezechiël zegt dat dat de wolk van heerlijkheid, de wolk van Sjechina was, dat Hij dus zo in die wagen van God is weggegaan. Hoe weet ik dat. Nou, dat weet ik omdat de bijbel zegt: Zoals Hij is heengegaan, zo komt Hij ook terug. En ik weet precies hoe Hij terugkomt want dat staat heel precies in de bijbel. En ik weet dus ook hoe Hij heengegaan is. Die wagen van God, in wolken opgenomen, de Here tegemoet in de lucht. Dat staat er van de gelovigen, dat staat er van u en van mij, dat is diezelfde wagen, dat is diezelfde glorie, dat is diezelfde vervoering. Gods transportsysteem is uniek te noemen. En je hoeft geen kaartje meer te kopen, je hoeft ook geen strippenkaart te hebben. Het enige wat je moet weten: de kaartjes zijn betaald, toen, toen de Here Jezus zei: “Het is volbracht.” Het is fantastisch. In vervoering des geestes.
Johannes is weg. Hij komt in de hemel en hij ziet in de hemel een troon. Dat is de eerste ontdekking die hij doet, een troon in de hemel. Misschien is dat ook onze eerste ontdekking. Aha, en toch had alles een besluit. Wij denken dat de Here God van losse dingen aan elkaar hangt en dat het allemaal toevalligheden zijn. Toevallig heeft ons dit getroffen of toevallig heeft ons dat niet getroffen, weet je wel, zo kun je alle kanten op. Maar de eerste ontdekking die je doet is dat er dan toch een troon was, dat er dan toch kennelijk gezag was, dat er dan toch leiding was, dat er geheerst werd, dat er geregeerd werd. Democratie is vreemd aan de schrift, aan de bijbel. Theocratie is niet vreemd aan de schrift.
Er is Iemand in de troon. Dat is het tweede. Niet alleen dat er een troon is, dat er geregeerd wordt, maar ook dat er Iemand in die troon is. En die Iemand was op die troon gezeten. En die erop gezeten was, was van aanzien de diamant en Sardius gelijk. Ik weet niet hoe ik dat vertalen moet. Als ik Openb. 21 lees: En ik zie het Nieuwe Jeruzalem van God uit de hemel komen, komt nog een keer, dan ineens blijkt het de heerlijkheid van God te hebben: En haar lichtglans is als de diamant. Dezelfde uitdrukking. De diamant die hier voor God gebruikt wordt, wordt straks ook voor jou en voor mij gebruikt als we van God uit de hemel komen. Maar hier is het God Zelf Die omschreven wordt. De diamant en Sardius gelijk. Eén en al schittering van welke kant je het ook bekijkt. Al die vlakjes, u bent misschien ook wel eens in een diamantslijperij geweest. U hebt u ook horen voorlichten, laten voorlichten hoe dat allemaal gaat en hoe daar vlakjes komen en wat dat allemaal voorstelt en hoe je aan een soort prijs komt voor welk diamantje dan ook. En ik kan me voorstellen dat ze in London een extra paar soldaten hebben neergezet want zoiets is ongelofelijk kostbaar. Daar, de diamant, aan alle kanten lichtschittering, kleur, pracht, kostbaarheid. Wie is dat? Ja, dat is God zelf, Hij zit in de troon. En nu hoop ik dat u mij kunt volgen. Het is alsof er steeds ingezoomd wordt, alsof je eerst een heel breed gebeuren krijgt. Daar ga ik nog even mee door om dat zo breed mogelijk neer te zetten en daarna versmalt zich alles. Eerst nog de diamant, de sardius. En rondom de troon was nog een regenboog. Dat betekent datr Gods trouw, Gods beloften, Gods toezeggingen onmiddellijk verbonden zijn met die troon. En als de Here God tegen u gezegd heeft: “Ik zal je niet begeven en Ik zal je niet verlaten, ook niet in je ouderdom, Ik zal je nooit, nooit vergeten, Ik blijf je dragen, Ik blijf je tillen”, dan is dat zo. En zodra je in de hemel komt zie je de troon, maar je ziet op hetzelfde moment Gods verbond, Gods toezegging: Ik zal het doen Ik maak het waar. Smaragd, een boog, een regenboog rondom de troon.
En er zijn vierentwintig tronen en op die tronen zitten vierentwintig oudsten in witte kleren met gouden kronen op hun hoofden. Vierentwintig tronen rondom die troon. Wie zijn dat die vierentwintig oudsten. Dat is misschien de meest klemmende vraag voor iedereen die, ja, dit boek bestudeert. En ik ga u niet alle mogelijkheden opsommen. Het getal vierentwintig vraagt een beetje om twee maal twaalf. Misschien vind u het wat gekunsteld maar toch, ik denk niet dat ik dat zo moeilijk maak. Als het nieuwe Jeruzalem van God uit de hemel komt, nog een keer terug bij Openb. 21, dan heeft het twaalf poorten, op twaalf namen van de stammen van Israël en twaalf fundamenten onder de muur en daarop de twaalf namen van de apostelen van het Lam. Je legt normaal eerst een fundament en dan ga je bouwen. Nou, het fundament is kennelijk toch van de apostelen. Het is niet het begin bij Israël, maar toch is Israël het middel van God geweest waardoor de Here Jezus hier op aarde kwam en het heil is ook voor u en voor mij uit de Joden. Zij zijn het geweest die vanuit Jeruzalem hebben verteld dat de Here Jezus was opgestaan. Twee maal twaalf. Twaalf apostelen van het Lam, twaalf stammen van Israël of twaalf namen, zo u wilt, van de aartsvaders. Vierentwintig, daar zitten ze. Maar die apostelen, die, ja, dat zijn natuurlijk Paulus en Petrus en Jakobus en… Maar als u uw bijbeltje leest dan denkt u: ja, maar er waren misschien wel meer apostelen. Ja er zijn meer die apostelen genoemd worden. Als u echt scherp leest dan denkt u: Ja, maar dat houd bij twaalf nog niet op. Klopt. Ik zeg niet dat ze er nu nog zijn, dat bedoel ik niet, maar ik wil wel zeggen dat er wel meer kunnen zijn in de bijbelse zin van het woord. Hoe dan ook, twaalf om twaalf. En die daar zijn, zijn in het wit gestoken ne hebben schitterende gouden kronen op hun hoofd. Ik ga het nu gewoon kort door de bocht zeggen: De Gemeente is weggegaan, is opgenomen, en Johannes heeft het voorrecht om die Gemeente, eigenlijk ook om zichzelf, te zien in een troon bij de troon. Ik roep al een hele tijd dat u op moet houden met de idee dat u misschien wel tevreden zult zijn als een dorpelwachter bij de tent. Een soort slaaf die de voeten wast van al die heiligen die daar binnenkomen. Ik vind uw genegenheid mooi, ik vind het fantastisch als u dat zo zegt, maar het klopt niet. U bent bestemd voor de troon. Nog preciezer, u heerst met Christus. U zit in de troon. U en ik, de verheerlijkte heiligen zijn daar. Zo worden we hier voorgesteld. Je houd het eigenlijk niet voor mogelijk dat je hier, laat maar zeggen, op een krakkemikkerige manier binnenkwam, waardoor weet ik niet, maar het rammelde een beetje misschien, fiets, auto, misschien gehoorapparaat, bij wijze van, maar er zou van alles kunnen mankeren aan ons. En dan, in de troon, in de troon bij de troon. Ja, in de troon bij de troon rondom de Here Jezus, verheerlijkt. Fotootje maken he, want als je dan toch een excursie maakt, dan moet je je fototoestel wel meenemen, video, digitaal alstublieft. Nou, u doet maar. Maar ga het dan eens een keer fotograferen. Kijk dan eens naar dit plaatje. En laat dat eens een keer op onze netvliezen komen. En laat dat plaatje dan eens doordringen in ons hart en in ons denken. En laat dat dan een gevolg hebben: Here Jezus, ik ben geen armoedzaaier in de hemel. Door Uw werk, door Uw werk, Here Jezus, hoor ik bij U, ben ik bij U, ben ik aan U verbonden, hoor ik bij dat koninkrijk van priesters. Heersend met U, in de troon, bestemd voor de troon. Niet meer zeggen van ach Here, als we nu maar eens mochten weten dat onze zonden vergeven waren. Nu dan sta je nog hier in Veenendaal en dan zeg je: “He”, op z’n hoogst, “he, he, mijn zonden zijn vergeven.” Maar je bent nog steeds in Veenendaal, toch. Terwijl de Here bedoeld: Nee, helemaal niet alleen je zonden vergeven, Ik wil ook bij jou wonen, maar Ik wil ook dat jij bij Mij woont. Dat je daar bent waar Ik ben. Daar heb Ik jou bedoeld. Die plaats heb ik jou gegeven. En die plaats laat de duivel graag aan kritiek onderworpen worden. En dat betekent dat je ontzettend voorzichtig moet zijn. Durft u zichzelf een beetje te feliciteren, misschien een beetje zo van: Ben ik het wel echt. Nou, doe dat dan, maar dank de Here voor het geweldige dat u daar mag zitten met witte kleren aan en gouden kronen op uw hoofd.
Die troon zelf, daar ziet u ook één en al glorie, bliksemstralen, stemmen, donderslagen, vurige fakkels, dat zijn die zeven Geesten Gods. Heb ik het al over gehad toen we over hoofdst. 1 hebben gesproken, die zijn daar voor de troon, altijd is de kandelaar daar bij de troon te vinden. Voor de troon was de glazen zee. Het is één en al schittering, het is één en al kristal. En daar waren ook die vier levende wezens. Ik heb al geduid wat ik daarmee bedoel. Die vier dieren komen we straks regelmatig tegen in dit laatste bijbelboek. Maar dat zijn dus geen dieren, het zijn wezens, levende wezens. En het zijn nog intelligente wezens ook. U moet ze dus niet vergelijken zoals hier met een leeuw en zo. Daarom zijn hier de termen dieren gevallen, omdat ze ergens mee geannexeerd worden, verbonden worden, omdat ze aan elkaar geklonken worden. En dat is een beetje jammer omdat we daardoor het idee hebben: Dar zijn dus wat dieren in de hemel. En dan hoor je soms de vraag ook: Komen er ook dieren in de hemel. Antwoord, nee. Antwoord, ja, zeggen ze dan als kritiek, want in Openb. 4 staat er zijn ook dieren in de hemel. Nou, ik wil zo graag helder hebben dat het hier niet gaat om dieren die wij zo duiden, maar dat het hier gaat om wezens die karakters laten zien, die typerende dingen van bepaalde dieren laten zien. En die zijn weer typerend voor de vier evangeliën. Dat is een hele mond vol en dat is best moeilijk maar het is wel heel boeiend. Die dieren zijn daar. En die zijn vol ogen van voren en van achteren, Ez. 1. Een leeuw, een rund, een arend en een mens. Ook dat is Ez. 1. Echt, u komt erachter dat het om de cherubijnen gaat, de cherubs gaat, die altijd bij de troon van God horen. En ze hebben zes vleugels, dat is ook al niet nieuw, dat wist u misschien al uit Jes. 6 waar de engelen gezien worden, de serafijnen, die met twee vliegen en met twee bedekken ze hun gezicht en met twee bedekken ze hun voeten, ook zes vleugels. En ook daar, in Jes. 6, riepen ze: “Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige, die was die is en die komt. Dat betekent dat alles daar één en al heiligheid uitademt. Alles is daar heiligheid. En je zou gewoon heel bang zijn om daar te naderen. Ik begrijpt dat, nog een keer. En toch, als de Here Jezus u nu meeneemt. Een tijdje terug heb ik hier over Hebr. 10 gesproken en dat verbonden met 2 Tess. 2. Ja, moeilijk. Hebr. 10: Laten we naderen, laten we in het heilige der heilige komen. En dat heb ik verbonden met de bijeen vergadering tot Hem. En ik heb gezegd: “Dat woord komt maar twee keer voor in het NT, het Griekse woord episunagoge. Dat staat in 2 Tess. 2: Wij bidden u broeders met het oog op de komst van de Here Jezus en onze bijeen vergadering tot Hem. Dat woord bijeen vergadering tot Hem. Datzelfde woord staat in Hebr. 10: Laten we de onderlinge bijeenkomst. Ja dat is het. Niet de angst van ik mag niet een samenkomst missen want dan krijg ik op m’n kop. De bijeen vergadering tot Hem. Nu wat je hier op aarde kunt beleven. In je stille tijd, niet alleen op zondagochtend, dat zou heel arm zijn voor u en voor de Here Jezus. Het is niet gekoppeld aan half tien of tien uur he, ook wel, maar het gaat veel verder natuurlijk. Want als u morgenvroeg tijd hebt voor de Here, dan kan het ook he. Maar die bijeen vergadering tot Hem krijgt een climax als wij naar Hem gebracht worden, als we naar Hem gaan. En omdat Hij meegaat, Hijzelf komt ons halen. Ik was er vroeger zo blij mee. Ik heb dat wel eens gezegd. Ik durf dat niet zo goed, een hoge stoep op, drempelvrees. Dat is moeilijk voor een verkoper, ik was toen een jongetje, ik moest verkopen, ik was vertegenwoordiger. En ja, als je dan bang bent voor de hoge stoep dan heb je een probleem. Zeker voor de bullebak van de directeur, die lag meestal vooraan, ik zal maar niet zeggen wie ik daarmee bedoel. Maar dat was niet zo makkelijk. De Here heeft mijn angst, ook daar, weggenomen. Maar ik wil zo graag helder hebben dat ik ook bang was om naar de Here te gaan. En ik heb vroeger altijd het gevoel gehad: Als er nu maar iemand uit het huis kwam die mij kent. Dat iemand dan naar buiten kwam en zei: “ah, leuk, fijn dat je er bent”, weet je wel. Nou, dan was alle angst in één keer weg, want dan had ik een intro. Nou ja, ik zal wel stom zijn geweest, maar zo zat ik een beetje in elkaar. Nu, zo gebeurt het wel als het om de hemel gaat. De Here Jezus zegt: “Ik kom, Ikzelf, ik stuur niet een engel”, en Hij kent mij, Hij zegt: ‘Ik heb voor jou betaald Dato, jouw probleem is weg.” Super he, dan heb je een intro en Hij brengt je binnen. Dat is in Hebr. 10 ook zo. We hebben een grote Priester over het huis, laten we dan toetreden, samen met die grote Priester. Die neemt ons mee naar binnen. Dat is hier op aarde al zo. En als het om de hemel gaat dan komt de Here Jezus. Hij zegt: ‘Ik zelf kom en Ik zal u brengen waar Ikzelf ben, waar Ik plaats bereid heb. Ik kom weer en Ik zal U brengen waar Ikzelf ben.” Hij komt zelf. Hij introduceert ons in de hemel want anders waren we door de heiligheid die daar heerst waarschijnlijk echt afgeschrokken en durfden we geen stap meer te doen. En nu zegt de Here Jezus: “Ik kom.” U hoeft voor die heiligheid niet bang te zijn, maar dat doet aan de andere kant niets af van het feit dat de Here heilig is en dat we die heiligheid ook moeten belijden en dat we daarin ook durven zeggen: “Dat is de Here, zo is onze Here”. Nu, heilig, heilig. En als de dieren, als die vier levende wezens met heerlijkheid en dankzegging en eer zullen brengen dan zullen de oudsten zich neerwerpen voor Hem. Dat doen ze later ook en dan gaan ze hun kronen aan Hem geven. Ze hebben allemaal een gouden kroon op hun hoofd en die geven ze dan aan de Here Jezus, aan het Lam, dat blijkt. Eigenlijk moet ik weer een heel, heel lang verhaal vertellen. Ik heb dat al een paar keer gedaan. En soms denk ik dat u het allemaal allang weet en dat u gewoon niet op een herhaling zit te wachten. Het lange verhaal kan ik niet zo kort vertellen, maar ik doe het wel heel kort en als u het niet snapt dan hoop ik dat u vanmiddag na de dienst zegt: “Dato, ik snap het niet.” Het verhaal is als volgt:
Jij bent een gelovige omdat God in Zijn genade naar jou is toegekomen. En als je tot bekering gekomen bent zeg je met mij: “Uit genade ben ik behouden. Niet uit mezelf, het is een geschenk van God.” Het is Gods gave, toch, ik heb het niet gepakt, Hij heeft het gedaan. Ben ik behouden om mijn werken, ben ik behouden omdat ik het daarna zo goed deed, omdat ik zo’n goede christen was, omdat ik zoveel stille tijd hield? Nee. Ik ben behouden omdat God in Zijn genade Zich met mij bemoeide. Hij heeft het gedaan. Ik kom in de hemel omdat ik geloof in de Here Jezus. Niet omdat ik een goede christen ben. Vanaf het moment dat je dat aan elkaar gaat koppelen ben je nooit meer een dag zeker van je eeuwig heil. Want dan denk je: Ik heb het vandaag niet zo goed gedaan dus….. Je komt in de hemel omdat je gelooft. Houd vast he, houd vol. U komt in de hemel omdat u gelooft. Niet omdat u gewerkt hebt, omdat u gelooft. En toch wordt u uitgenodigd om te werken. Van u wordt verwacht dat u voor de Here Jezus werkt, dat u voor Hem leeft. En voor dat stukje krijgt u loon. Dat is discipelschap. Daar krijgt u een kroon voor. Voorts is voor mij weggelegd, wat zegt Paulus, voorts is voor mij weggelegd de kroon der gerechtigheid die de rechtvaardige Rechter mij in die dag geven zal. U krijgt er een kroon voor. Loon hoort bij discipelschap. Bij wie u geweest bent voor de Here Jezus. Niet wie u bent in Christus maar wie u bent voor Christus.
U krijgt een kroon. Wanneer krijgt u die. Nou, zodra u binnenkomt in de hemel, ik mag dat zeggen want het staat zo in de bijbel, dan is daar de rechterstoel van Christus waarvoor u openbaar wordt. Dan krijgt u uitbetaald, direkt. Het is alsof je, laat ik maar zeggen, in het vreemde land komt en daar ineens uit het vliegtuig stapt, we hebben net al gezegd dat dat een heel bijzonder vliegtuig is, maar u stapt uit en u krijgt onmiddellijk een soort screening, een soort test, en daar blijkt wat u voor de Here Jezus geweest bent uw lange jaren door. En u krijgt daar beloning voor. Voor al die dingen die nooit zijn opgevallen, maar toch waardevol bleken, krijgt u daar beloning. En al die blabla verhalen van u die vallen daar echt weg want daar blijft geen spetter van over, daar. En die preken van Dato, dat zegt niets. Wat Dato in de praktijk van zijn leven liet zien dat zegt wel wat. Het zit hem dus niet in de veelheid van woorden, zo zei de Here Jezus dat ook al bij de farizeeërs, het zit hem in het hart. Maar daar krijgt u beloning. U krijgt een kroon. En ik weet er een paar die daar een gigantische kroon krijgen en die met die kroon in de hemel schitteren. Maar wat doe ze dan. Als ze Hem zien, de Here Jezus zien, dan zeggen ze: “Die is voor U Here.” Zo ongeveer gaat dat. Misschien aarzelt u een seconde, maar na één seconde weet u het zeker. Hij heeft het gedaan, want niet ik heb het gedaan, Hij heeft het in mij gedaan. Aha, toch is de beloning voor u, maar de kroon is voor de Here Jezus. Dat gaat gebeuren. En het is een geweldige lofprijzing in de hemel dat de Here Jezus alle, alle glorie gaat krijgen.
En dan wordt de camera nog scherper gesteld. In de rechterhand van Hem die op de troon zat. Weet je, dan kom je al bij de troon uit, en bij Die Die op de troon zit uit. En in de rechterhand zien we een boek. En dat boek is verzegeld met zeven zegels. Een sterke engel met luider stem roepend: “Wie is waardig de boekrol te nemen.” Nou ja, Johannes denkt natuurlijk: O, in zo’n hemel, zat, zat van die mensen die dat zouden kunnen. Niks niet één.
De discussie barst los. Over welke boekrol gaat het hier. Nu wordt de bijbel ook de boekrol genoemd. In de rol des boeks is van Mij geschreven, Ps. 40 bijv. Sommigen zeggen: “Aha dat is de bijbel. Twee, maar misschien is het wel de koopakte. Want het is een heel verbreide mening, dat God recht zou hebben op de hele aarde, dat Hij die aarde gekocht zou hebben. Zoals Jeremia een soort verzegelde koopakte had. Zoiets moet het dan zijn, verzegelde koopakte. Ik geloof het niet. Bij het verbreken van de zegels, zullen we ontdekken in hoofdst. 6 en 7 en zo, komen er oordelen. Maar het is niet het boek van Gods oordelen, het is het boek van Gods zegeningen. Ik weet niet hoe u over de Here God denkt. Misschien nog wel een beetje in de boemansfeer. Altijd vingertje omhoog, altijd het rode potloodje. Zou u nu vanmiddag eens durven zeggen: “Here God, U bent van plan geweest om de hele wereld met Uw zegen te vullen. En dat wilde U. En dat hebt U opgetekend, dat hebt U vastgelegd. Dat is niet ineens een soort suggestie aan het eind van de rit, dit hebt U gewoon vastgelegd, dit hebt U laten verzegelen.” De boekrol die hier bedoeld is, is de boekrol van Gods zegeningen. Hij wil zo graag Zijn volle hart, Zijn volle liefde, Zijn volle emotie tonen. Maar omdat er van alles mis ging is bij het losmaken van die zegening er steeds oordeel. Dus zo’n rol is helemaal verzegeld en die rol kun je pas inkijken als de laatste zegel verbroken is. Eerder zie je er niets van. En als die zegel verbroken wordt, de laatste van die zeven zegels, dan is ook de zegentijd aangebroken. Dan komt ook de Here Jezus met Zijn zegen. Het is het boek van Gods zegeningen. En ze roepen in de hemel: “Wie is waardig de boekrol te nemen en zijn zegels te verbreken.” Niet één meld zich. En Johannes weent. Niemand, niemand van al die verheerlijkte lieden, niemand van die engelen? Wie kan de zegen van God brengen. En dan komt er één die zegt: “Ween niet, de Leeuw van Juda, die kan het.” Ik wil het gewoon zeggen, een beetje hedendaags. Het overleg in Brussel of de vredesmissie van meneer Powell brengt geen zegen. Kan wel een wapenstilstand tot gevolg hebben, dat zou kunnen. Maar niemand. De VN, onze goede bedoelingen, onze tulpenactie, ik bedoel dat niet negatief of zo, gewoon wat er allemaal leeft, wat er allemaal zou kunnen komen, wat er zou kunnen gebeuren. Kan het zegen brengen? Als je in het licht van de hemel deze dingen bekijkt kun je alleen maar zeggen: ‘Here, niemand, er is niemand.” Toen ik dat voor het eerst zag heb ik ook geweend. Ik dacht: Here het is gewoon geklets. Het is allemaal gewoon gerommel in de marge, het is marginaal gedoe. Dat betekent dus dat alle conferenties en de hele wereld over vrede en over welzijn en over we moeten het in de hand houden en we moeten het anders doen, weet je wel. Al dat gepraat waar onze cultuur, onze tijd zo vol van is, waar ze bol van staat, brengt in feite niets. Ontmoedigt je dat dan niet? Geeft je dat dan niet het gevoel van alsjeblieft zeg, ah. Ik heb soms het idee van laten we die conferenties maar afblazen. Ja ik heb niets af te blazen, ik kan wel zeggen: “Stop ermee”, maar meneer Powell is onderweg en meneer Bush vind ook dat hij daar heen moet gaan. En die is er ook nog en in Europa gaan ze ook toeteren en die gaan flink toeteren en die willen ook nog gehoord worden, want als Europa niet gehoord wordt, zegt meneer Melkert, dan zijn we aan het schofferen en dan is Europa eigenlijk een soort, ja, rode kaart uitgedeeld. Zo zeggen ze dat vandaag voor de radio, vandaag. Stel je voor. Eigenwijze mannekes. Niet om Hem. Maar kom je er niet achter dat niemand, maar dan ook niemand in staat is de boekrol te nemen en de zegels te verbreken. En dat er echt niemand is die de zegen van God kan brengen. En laat dat alstublieft doordringen tot onze harten, tot onze gewetens. En laten we belijden: Here Jezus, U bent de enige Die zegen van God brengen kan. U bent de enige die dat wat God geven wil ook echt realiseren kan. U bent de enige. En dat gebeurde. Ineens is daar de Leeuw van Juda, de Overwinnaar, Hij is er de Leeuw van Juda. En het is alsof de camera opnieuw inzoomt. En wat zie je dan. Een Lam staan als geslacht. Zelfs het verkleinwoord is gebruikt in de Griekse taal: het Lammetje. Het Lammetje, dat is het. En dat is het gigantische geheim en het grote, grote getuigenis. De Here Jezus, Hij is het in het midden van de troon en van de vier dieren. Het is alsof je dan ineens al die andere dingen, al die dingen daar omheen niet meer ziet. Alsof ineens alleen het Lammetje nog naar voren komt. En dat gebeurt hier. En dat is nu precies wat ik zo graag aan u zou willen meedelen. Als je goed kijkt dan zie je het heel breed en als je beter kijkt, dan zie je alleen het Lam. Uiteindelijk blijft alleen de Here Jezus over. En als ze Hem zien dan buigen ze voor Hem, dan bejubelen ze Hem, dan gaan ze hun citers pakken. Misschien bent u a-muzikaal, maar dan ineens hebt u een citer in uw hand en dan gaat u tokkelen. Ik kan het niet op zo’n snaarinstrument. En u gaat zingen, u gaat het nieuwe lied zingen. U gaat zeggen: “Here Jezus, U bent het, U bent de enige.”
De excursie in de hemel loopt uiteindelijk uit op een heel cruciaal punt namelijk: Hij is de Enige die de zegen van God brengen kan. En Hij doet het ook. En die Enige die dat kan is het Lammetje. Ik begrijp nu een beetje waarom Abraham vroeger zei: “God zal Zichzelf een Lam ten brandoffer voorzien mijn zoon.” Bij Izaäk, samen daar op die berg. Ik begrijp een beetje waarom de Here God in Egypte zei toen het geweld daar losbarstte en het daar zo, zo moeilijk was: “Jullie moeten een lammetje in huis nemen. Een gaaf éénjarig lammetje. En jullie moeten dat lammetje gaan bekijken drie lang.” En die drie dagen van dikke duisternis, van diepe donkerheid in Egypte, dat zijn dezelfde drie dagen als waarin Israël dat lammetje bekeek of er een gebrek aan was. En ze hebben daar na drie dagen het lammetje geslacht. En daar stonden ze, met hun lendenen omgord. Ze hadden zo van die lange kleren aan, een soort riem om hun middel, staf in de hand, reisvaardig. En ze hebben het lammetje samen gegeten. Het mag niet meer van stichting lekker dier. Maar ik wil u vertellen dat dat Gods instructie is. Het lammetje. Hij is de enige. Als Johannes de Here Jezus ziet zegt hij: “Zie het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemt.” en in de hemel zien we ineens het Lammetje. Die Man in de troon blijkt ineens het Lammetje te zijn. Die zo verheven is, de diamant, de Sardius gelijk, blijkt ineens het Lammetje te zijn. Ineens gaat alle aandacht naar de Here Jezus. Naar Zijn werk op het kruis. Dat is al lang geleden gebeurd. En we kijken daar met z’n allen terug en we bejubelen Hem, we bezingen Hem. We gaan een nieuw lied zingen en we gaan het ja, met de snaren van ons bestaan begeleiden. Wat u ook hebt, hoe u ook bent, u zult Hem prijzen, u zult Hem eren. Een geweldig moment van lofprijzing in de hemel. Dat is wat hier staat. en de vier dieren zeggen: “Amen.” Ja, precies, die kijken neer zoals de cherubijnen, weet je wel, ook al bij de ark van het verbond neerkijken op dat wat op het verzoendeksel is gebeurd, zo zeggen ze daar amen. En de oudsten, u en ik, wij vallen neer en aanbidden.
En mijn vraag is eigenlijk: Hoe lang is het geleden dat u voor de Here Jezus neerviel. Hier staat niet iets van achterover vallen. Hier staat voorover vallen, neervallen, naar Hem toe. Hulde brengen, Hem eren en zeggen: “Here Jezus, wij danken U, wij prijzen U.”
Nu kunt u zeggen: “Ja, maar ik ben nu nog niet in de hemel. Als ik in de hemel kom dan doe ik dat vast. Dan ga ik gegarandeerd met die hele meute mee, dan val ik ook voor Hem.” Is niet het gemeente zijn ook, is niet het bij elkaar komen als gelovigen ook, dat we de Here Jezus prijzen, dat we Hem eren, dat we Hem alle hulde brengen die maar denkbaar is. En dan gaat het niet om het feit of ik nu kick krijg, of ik daar nu ja, iets in beleef. Vandaag is alles: Ja, ik moet er een goed gevoel bij hebben. Dat is onze tijd, dat hoort een beetje bij ons, de beleving, het goede gevoel. Nu, zou de Here er een goed gevoel bij hebben als Hij jou ziet. Zou dat niet de reden zijn waarom onze stille tijd zo minimaal is. Omdat we eigenlijk niet aan lofprijzing toekomen. Ja, u schuift dat naar de samenkomst, u schuift dat naar zondag. En als er een gemeente is waar een blok lofprijzing is dan vind u het misschien wel heel mooi. Er zijn ook gemeenten waar dat helemaal niet is. Maar hoe doet u het maandag dan en dinsdag. Zou de Here Jezus blij met u zijn als u op maandag- of op dinsdagmorgen uw knieën buigt en zegt: “Here Jezus, ik wil U graag huldigen. Ik weet niet precies wat ik zeggen moet maar ik wil U huldigen, want U bent het waardig. U bent waardig. Here Jezus, U deed het werk op het kruis, U bent de Enige. En de enige bron van zegen dat bent U zelf. En de enige die Gods zegen brengen kan hier op aarde dat bent U Here Jezus.” Dit belijden, dit uitspreken, dit lofbrengen naar de Here toe is zo belangrijk. De Here wil met Openb. 4 en 5 u deze dingen vertellen. Daarvan ben ik overtuigd. U hebt een kleine excursie in de hemel gehad. En u bent bij de troon uitgekomen. En u bent bij Hem uitgekomen die op de troon zit. En het bleek de Here Jezus te zijn. Het bleek mijn Heiland te zijn. Hij zit daar en ik buig mij voor Hem. We kunnen ons niet meer permitteren dat we aan onszelf denken of aan ons gelijk denken, het gaat om Hem. De Heilige Geest wil je meenemen. Hij zal Mij verheerlijken. Dat zei de Here Jezus van de Heilige Geest. Als de Heilige Geest je meekrijgt, als je in vervoering komt middels de Heilige Geest, nou dan kun je echt op de lofprijzing wachten. Moet het dan anders in onze kerk. Heb ik niets over te zeggen. Dat is natuurlijk makkelijk, maar ik wil wel aangeven wat hier staat. Dit is wat er straks gaat gebeuren. En als we nu durven zeggen: ‘Waar twee of drie in de Naam van de Here Jezus bij elkaar zijn daar is Hij in het midden.” Hoe zou het dan moeten. Nou, net zo natuurlijk. Dan heb je toch een schitterend stukje blauwdruk, een stukje informatie hoe het dan vandaag moet. Ja, maar dan zullen we onze liturgie wel moeten aanpassen.” Daar heb ik niets mee te maken. Sorry he, makkelijk he. Maar ik wil toch u aan het denken hebben dat dit de richting is. Dit is de richting van lofprijzing van eerbrengen aan de Here Jezus.