Openbaring 6

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

8. Oordelen van God komen echt.

Openbaring Bijbellezing door Dato Steenhuis,
21 april 2002.

Lezen: Openbaring 6.

We gaan verder met dit prachtige bijbelboek en we proberen de draad weer op te pakken. Nu, ik hoop dat ik kan volstaan met de opmerking dat in hoofdst. 4 en hoofdst. 5 de gelovigen die nu op aarde zijn in de hemel gezien worden. Dat probeerde ik duidelijk te maken in elk geval. Ik hoop dat dat gelukt is. De Gemeente is niet meer hier op aarde. Het gaat nu om de dingen na nu, na dezen zo staat in de bijbel. Ik zal u tonen hetgeen na dezen geschieden moet. Wat er na onze periode gaat gebeuren. En ik heb geschetst, proberen uit te leggen, dat de Gemeente dan op tronen zit in de hemel, rondom de troon. Dat ze de Here Jezus daar omringen. Dat ze hun kronen geven aan de Here Jezus, dat ze het nieuwe lied zingen in de hemel. Dat allemaal een citer hebben, allemaal een harp hebben om daar de Here te prijzen. Om op alle mogelijke manier lof te brengen aan de Here Jezus. Zo eindigde hoofdst. 5. En we hebben eigenlijk gezegd: “Super, een geweldige toekomst, een schitterend vooruitzicht voor wie gelooft. Een prachtige toekomst in de hemel, samen rondom de Here Jezus. Beter kun je jezelf niet toewensen. Dit is je van het.”
We hebben ook gezien dat er een boekrol was in de hand van Hem die op de troon zat. En dat er niemand waardig was om de boekrol te nemen dan het Lam. En het Lam heeft de boekrol genomen uit de hand van Hem die op de troon zit. En alleen het Lam bleek waardig te zijn om de boekrol te nemen en om die zegels te verbreken.
We hebben ook al gezegd dat de boekrol niet moet worden gezien als rol van Gods toorn maar als de rol van Gods zegen. Dat er toorn verbonden is bij deze boekrol, dat zit hem in het verbreken van de zegels. Maar pas als alle zegels helemaal los zijn dan kan de zegen van God, waarover Hij besluiten, waarover Hij raadsbesluiten heeft genomen, dan kan die zegen van God pas worden ontrold, onthuld. Het verbreken van de zegels brengt oordeel met zich mee. De zegenende rol zelf is ook aan het eind van dit bijbelboek een rol van zegen als daar een stroom van zegen vloeit uit Jeruzalem. En overal waar die stroom komt daar is herstel, daar is zegen. Het geboomte des levens in het midden daarvan en aan weerskanten daarvan. En alles, alles ademt opnieuw de zegen van de Here God in.
En nu is het zover dat het Lam die boekrol nam de zegels gaat verbreken. Bij het verbreken van de zegels komen de cherubijnen in actie. Het dier zegt, het eerste dier zegt: “kom”, en het tweede dier, het derde dier. We hebben die vier levende wezens, die vier dieren gezien in hoofdst. 4 en in hoofdst. 5. En we hebben gezegd dat de term dieren toch wel een hele slechte vertaling is. Levende wezens, want het gaat om cherubijnen, het gaat om engelen die met de troon van God annex zijn, die altijd in relatie staan tot de troon van God. Daarom was op het verzoendeksel ook iets van cherubijnen aangebracht. Daarom was in de tempel van Salomo het hele plafond vol met cherubijnen en waren ook cherubijnen uitgebeeld die met vleugels naar elkaar toestonden, waaronder de ark geschoven werd. Kortom. Cherubijnen staan altijd in verbinding met de troon van God. Het OT zegt daarvan, sprekend over de Here: Hij die op de cherubs troont.
Nu, het Lam is de enige die de zegels verbreken kan en dat gebeurt nu, hoofdst. 6. Nou, je houd je hart vast. We hebben het samen gelezen. Nu moet u hoofdst. 6 en 7 zien als een soort intro op de rest. Dat is ingewikkeld, daar kan ik ook niet zoveel aan doen. In hoofdst. 6 en 7 krijg je een overzicht, niet in detail maar globaal, van wat er later nog gaat komen. Dat is heel belangrijk, dat komt heel vaak voor. Ook het vallen van Babylon is al ver voordat het in detail omschreven wordt, aangegeven. Het nieuwe Jeruzalem wordt ook eerst aangeduid en later helemaal omschreven en in detail uitgewerkt. Dat is een heel bekend terugkerend gebeuren in dit laatste bijbelboek. Dat er iets aangeduid wordt en later komen daar nadere informaties over. Dat is hier ook zo.
Zeven zegels waren aan die boekrol gegeven en ze zullen alle zeven verbroken moeten worden. In ons hoofdstuk van vanavond gaan er al zes open. Maar bij het openen van het zevende zegel, in hoofdst. 8, dan blijken er ineens weer zeven subzegels te zijn. Een beetje moeilijk woord, maar goed. Nog weer een verdeling in zeven. En als je dan aan het eind bent, van de subzegels, dan krijg je weer een nieuw zevental, dus de detaillering. Alleen al dat duidt erop dat je dan pas bij de details terecht komt. Dat duidt er gewoon op. Dat zevende zegel gaat dus alle details geven van wat we hier verder hebben en dat wordt èn in zeven en nog een keer in zeven uiteen gegeven. Dus alleen al de idee van een zegel en dan weer een zevental en dan nog een keer een zevental duidt erop dat je dan inderdaad bij de nadere detaillering bent aangekomen. En zo mag je het ook begrijpen. En nu gaat het vanavond over die eerste zes zegels, een flink stuk, een behoorlijk stuk overzicht. Bijna alles, of misschien moet je zelfs zeggen alles wordt in grote trekken aan ons getoond. Want dit is voor ons bedoeld. Dit hele boek is gegeven aan gelovigen. Nog preciezer, aan mensen die niet alleen geloven maar ook willen gaan voor de Here Jezus. Die categorie, deze groep krijgt van de Here Zelf informatie. En die informatie is niet in de eerste plaats bedoeld om je toe te rusten voor, laat ik maar zeggen, je rol hier in de stad, zo van en nu ben ik de man met de glazen bol of de vrouw met de glazen bol en nu zal ik eens precies vertellen wat er met jou gaat gebeuren, een soort kermisattractie. Dat is het zeker niet. We hebben al eerder gezegd: “Al deze dingen zijn niet voor ons bedoeld in de zin van wij kunnen er mee pronken maar die zijn bedoeld om het zicht op de Here Jezus te verlevendigen, te versterken, om helder zicht te krijgen op onze Heiland.” En dat zal ook vanavond gebeuren hoop ik.
Het eerste zegel wordt verbroken en het eerste dier of één van die cherubijnen, één van die levende wezens zegt: “Kom”, en er komt een wit paard. Iedereen die het boek Openb. ooit gelezen heeft, die heeft ook Openb. 19 gelezen natuurlijk, en die zegt: “Oh, ja, wit paard, Openb. 6, Openb. 19, kan niet anders, is hetzelfde.” Nee. In Openb. 19 daar komt de Here Jezus uit de hemel. Dan is Hij inderdaad de Ruiter op het witte paard. Zo wordt Hij voorgesteld. En dan volgt de hemelse schare ook op paarden. Hier gaat het om een duiding. Als de oordelen van God komen zal er iemand zijn die koninklijke macht heeft, die enorme invloed heeft. Die, zoals hier staat, een boog heeft en een kroon heeft, die overwinnende uittrekt en die bezig is om te overwinnen. Dat betekent dat er een machtsblok zal zijn. In de tijd dat deze oordelen losbarsten is er een machtsblok van grote omvang. Zo wordt het hier geduid. Als u dit wilt weten moet u even wachten tot Openb. 13, want daar worden de nadere informaties over dit gegeven. Daar heb je het weer, hier alleen maar: In die tijd, de tijd van oordelen, de tijd van grote nood, grote verdrukking, is er een machtsblok, is er iemand die een zwaard [dit moet m.i. boog zijn i.p.v. zwaard, de Ruiter uit Openb. 19 heeft een zwaard.] heeft, die een kroon heeft, dat betekent dus kennelijk gezag en macht. En die bovendien uitgaat overwinnende en om te overwinnen. Zo van niets is voor hem veilig en hij is de grote machthebber. En nu blijkt uit Openb. 13 dat dat het Romeinse rijk is, dat dat het beest uit de zee is. Ja, nu goochel je weer met een paar termen: Romeinse rijk, beest uit de zee. Dat moet je dan maar helder maken. Nu, wil ik ook graag helder maken. Even geduld. Nog een keer terug komen om die informatie mee te nemen. Is erg belangrijk, zeker voor de Europeanen van vandaag. Maar als je nu vandaag om je heen kijkt, dan zie je dat dat machtsblok van Europa zich aan het ontwikkelen is op een gigantische manier. En je bent stekeblind als je het niet ziet. En het is ook nog merkwaardig dat dat machtsblok zichzelf al duidt als een soort machtsblok met een lemen voet. Zo is heel merkwaardig, op een conferentie in Nice een paar weken terug, dan valt die term. Nou het is alsof je het boek Daniël gewoon op dit moment op je schoot geworpen krijgt alsof dat moment iemand zegt: “Zie je wel, dat stond er al.” Stomme eenden, als je dan toch tegen de schrift in wilt gaat, dan moet je die dingen maar niet citeren. Maar ze doen het wel, want ze kennen de schrift niet. Het is heel merkwaardig, dat machtsblok komt nu van de grond. En uw Euro’tje komt er aan en die is van ons allemaal. Nou, het is bijna zover. Alles wordt gebundeld. Er komt een machtsblok En dat machtsblok bemoeit zich met het Midden-oosten, nu al, en dat wordt alleen maar sterker. Hier staat dat er in die tijd van oordelen een machtsblok is, een koninklijke machthebber is, die geweldige invloed heeft.
Het tweede zegel wordt verbroken en de tweede cherub zegt: “Kom”. En dan komt er iemand die op een rossig paard zit en die wordt kennelijk macht gegeven om de vrede van de aarde weg te nemen. Er staat niet dat er weer een koning komt, maar de vrede wordt van de aarde weggenomen. En dat betekent dat in die tijd geen vrede aanwezig is. Aanvankelijk zal men een soort euforische stemming hebben van: Vrede, vrede en geen gevaar. Maar een haastig verderf zal hen overkomen, he, zo zegt de schrift dat. In die tijd van die machthebber, in de tijd van die koning, in de tijd van een man die regeert, zal de vrede van de aarde worden weggenomen. Eén en al oorlog, één en al onvrede. Eigenlijk dat wat de mens ten diepste is, hatelijk en elkaar hatend, Tit. 3. Dat is de natuurlijke, de eigen situatie. Dat gaat dan gebeuren, vrede van de aarde weg.
Derde zegel wordt verbroken. Het derde dier of de derde cherubs zegt: “Kom”. En er komt een zwart paard die er kennelijk voor zorgt, een invloed die er kennelijk toe leidt, dat er schaarste is op een gigantische manier. We kunnen ons dat niet indenken met een vleesberg door de BSE en een boterberg door weet ik veel wat voor andere dingen en een kaasberg en, nou ja, ook wel een ijsberg en Holterberg en Nijverdalse berg, er zijn vele bergen. Maar ik bedoel eigenlijk, er is nu overvloed, gewoon aan alle kanten. Maar dan is er kennelijk schaarste. Alleen, er wordt bij gezegd, de olie en de wijn vallen daarbuiten. Ik wil het gewoon even zeggen, het gaat over gerst en over tarwe. Nu geert is ook bij ons het eerste van de nieuwe oogst he, de gerstenoogst. Tarwe is ook vrij vlug. Maar olie en wijn, dus de druivenoogst en de olijvenoogst is helemaal aan het eind van het seizoen. Daarom is er hier onderscheid. Er is wel schaarste, maar er komt kennelijk herstel. Dat zit er in opgesloten. Uiteindelijk zal de olie en de wijn er weer kunnen zijn.
Het vierde dier zegt: “Kom”. En een vaal paard komt, de dood. En de dood komt op alle mogelijke manieren naar je toe. Door oorlog, maar ook door de zwarte dood en of u dat nu aids noemt of een andere besmetting noemt laat dat maar los, of door natuurlijke situaties, natuurrampen en misschien wel wilde dieren etc. Hoe ook, er is van alles.
Het vijfde zegel wordt verbroken en er zijn martelaren.
En het zesde zegel wordt verbroken en er is in de natuur van alles mis. Aardbeving en grote rampen. Het is alsof alles, alles op instorten staat, alsof alles, alles tegen elkaar botst. Dat staat hier.
Dan ben je heel vlug door hoofdst. 6 heen. We voelen wel dat dit maar heel globaal is en dat die aardbevingen uitgewerkt worden en dat die dood uitgewerkt wordt en dat die schaarste uitgewerkt wordt en dat die martelaren uitgewerkt…… Die martelaren zie je terug in Openb. 11 bijv., waar die twee getuigen gedood worden. M.a.w., dat wordt allemaal nog uitgewerkt. Het gaat er hier om dat u en ik een overzicht krijgen van wat er daar dan gaat gebeuren. Maar ook wat het effect is van deze oordelen. Het effect is dat die mensen zullen zeggen: “Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons, want wie kan bestaan, wie kan bestaan als de toorn van God en de toorn van het Lam gaan komen.”
Dit is een boodschap die er niet meer zo ingaat, dat is niet zo appetijtelijk. Als je vandaag een beetje negatief bent, een beetje depri bent, over oordelen en over moeilijke tijden praat, dan ben je niet getapt, dat kan niet. En dus gaan de predikers ook al heel vlug over naar een soort goed geolied verhaal, het liefst doorspekt met wat grapjes, een beetje entertainment-achtig, leren we allemaal van de Amerikanen en ja, dan komt het over he, dat komt over. Wij zijn bovendien, misschien door de historie, een beetje in een bepaald hoekje gekomen. Want we hebben zo vaak gehoord van mensen die zondag aan zondag een, laat ik maar zeggen, flinke preek kregen, flink onderuit de zak, omdat nu zo maar eens te zeggen. En het oordeel van God, en de toorn van God en de heiligheid van God, nou, daar ging die. En daar kwam je weer onder en je kwam er gebukt uit, geslagen bijna en je had de hele week nodig om weer een klein beetje op verhaal te komen en dan kwam je zondag weer en dan kreeg je weer zo’n verhaal. En wij vonden dat maar niets. Dat hebben we afgeschaft. Ik ga even te algemeen wat zeggen hoor. En deze dingen die zijn langzaam maar zeker verdwenen op een aantal plaatsen na natuurlijk. En die plaatsen die kennen we. We weten dat precies te duiden, we weten exact waar deze mensen nu vandaag leven. En we hebben daar in de plaats gekregen een prediking van: God is liefde, God is genade, God is barmhartig en God wil het goede voor je. En als jij een beetje in de collectezak doet, ik overdrijf niet hoor, dan gaat het je goed in je business, dan gaat het je goed in je gezondheid, en je kunt zelfs een stukje gezondheid kopen, stuur maar geld op je krijgt een certificaat, plak je aan de binnenkant van je deur, ik overdrijf niet, en jij zit goed, jij bent eigenlijk degene die schuilt achter je eigen collectegeld, want daar komt het dan ongeveer op neer. Dat gaat er in als koek. En we hebben een prediking gekregen van: Het goede dat zit in jezelf, dat moet je alleen nog ontwikkelen. En wat je in je hart hebt, wat je je voorhoud dat krijg je, dus je moet erop gericht zijn, je moet positief zijn. En miljoenen luisteren, kijken naar RTL5, Nederland, andere zenders in het buitenland. Ik wil niet te scherp worden maar ik wil het gewoon zeggen: “Lieve mensen we worden ingepakt door de moderne mens die vandaag zegt dat de kracht van het positieve denken, van Vincent Peale, dat is de oplossing, dat is het.” En hele horden, horden kijken, luisteren. Ja, het is geweldig, dit is het. Nu dat is het niet. Ik wil niet schoppen, maar ik wil u alleen maar zeggen dat dat het niet is. Ik begrijp wel dat de pendulewerking ongeveer zo is, als je in die hoek zit van de zware oordeel toestanden en toespraken, ja dan sla je door naar de andere kant. Dat is altijd zo. Die evenwichtige situatie is nergens, dus we lopen altijd gevaar van doorschieten, ofwel naar de ene, ofwel naar de andere kant. Nu, we zijn nu weer aan de andere kant. Paulus heeft, toen hij predikte, ook in Europa, zijn eerste toespraak in Europa was, dat God een dag bepaald had waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid gaat oordelen door een Man die Hij daartoe heeft bestemd. Helemaal niet God is liefde, God is goed, oordeel. En hij heeft op een andere plaats gezegd; “Wij dan, wetende de schrik van de Here, overreden de mensen: Laat u met God verzoenen”, oordeel. Iedere keer heeft hij het daarover. Leest u de brieven aan de Tessalonicensen maar en met name de 2e brief. Dat liegt er niet om. Heel scherp, veel scherper dan wij vandaag durven zeggen. Hij zegt zelfs: ‘Als je de liefde tot de waarheid, waardoor je had kunnen behouden worden, niet hebt aanvaard, dan is het foute boel met je. God zend je een geest van de dwaling om de leugen te geloven.” Nou dat durven we niet eens meer te zeggen. Zover gaat hij. We zijn de preek over het oordeel kwijt. De toorn van God wordt niet meer gepredikt, het oordeel van God is weg. Natuurlijk kunt u zeggen: “Ja, maar bij ons is dit heel anders.” Nou, dank God dan alsjeblieft en hou dat vol en bid daarvoor dat dat blijft. Ik bedoel dus niet uw gemeente, uw groep, ik weet daar niets van, maar ik wil in het algemeen deze dingen kwijt. De Here heeft u en mij deze dingen laten zien om te duiden, de toorn van God en de toorn van het Lam zullen komen, en wie kan dan bestaan. Er komt een moment dat de groten, de oversten, alle leiders, maar ook alle slaven, zullen zeggen: “Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons.” Want wie kan bestaan als de toorn van God komt. Antwoord: Als je gelooft in de Here Jezus. Weet je, als je de toorn van God wel een plaats geeft, en op hetzelfde moment gaat vertellen dat de Here Jezus de toorn van God wilde dragen en in onze plaats in de duisternis wilde zijn, in de drie uren van donkerheid, de schuld, de straf wilde dragen die wij hadden moeten dragen, dan kun je alleen maar zeggen: “Ik een schuilplaats zoeken in een berg of in een hol of onder een heuvel of onder een berg, welnee, ik ben in de schuilplaats van de Allerhoogste gaan zitten, en ik vernacht in de schaduw van de Almachtige. Ik mag bij het kruis van de Here Jezus schuilen, achter het bloed van de Here Jezus voor de toorn van God.” Of, zoals een lied dat zegt: “De toorn die op ons was, is op Hem aangelopen.” Dat zijn geweldig dingen. En het is alsof de Heilige Geest u en mij meeneemt naar die verschrikkelijke tijd, naar die grote verdrukking, naar die grote nood, hier nog in globale zin geschetst. Maar het uiteindelijke resultaat is dat mensen panisch zijn, dat ze bang zijn en ze zeggen: “O, hoe…” En jij en ik weten dat. En als je dit nu weet, ga je dan van de Here Jezus vertellen of hou je nog steeds je mond, toch, daar komt het dan op neer. Als je nu echt weet dat de enige mogelijkheid is om uit de toorn van God gered te worden, het geloof in de Here Jezus is, en je weet als mensen zich niet bekeren, dat ze met die toorn van God te maken krijgen, dan ga je dat toch zeggen. Ik kan me niet meer voorstellen dat we ons stil houden. Ik weet, op dat moment dan ga je weer drammerig zijn, ja, je moet die mensen niet bang maken. En als je ze bang gaat maken dan vertel je ze van de Here Jezus, nou dat mag niet meer. Dat is een methode die vandaag niet meer mag. Je mag helemaal niet meer over Jezus praten, over geloof. En dan moet je ongeveer een soort debat aangaan met het Mohammedanisme of met het Boeddhisme of met het Hindoeïsme, ja, op voet van gelijkheid, ik bedoel, zo, dat mag nog. Maar voor de rest moet je niet discriminerende dingen zeggen over anderen. Maar nu even heel eerlijk. De laatste preek over de oordelen van God, over de toorn van God, hoe lang is dat geleden dan? Ik ben bang dat ook in evangelische kring we dit kwijt zijn of kwijt aan het raken zijn, laat ik me maar voorzichtig uitdrukken. Dat langzaam maar zeker dat hele element van toorn van God en de toorn van het Lam, dat dat weg gaat. Weet je waarom de Here Jezus gekomen is, snap je dat niet dan? Snap je dan niet dat de Here Jezus zag dat jij en ik echt zouden gaan roepen: “Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons.” Dat we uiteindelijk zouden zeggen: “O, wie kan bestaan.” Het is alsof ik Ruben hoor roepen, weet je wel, bij de geschiedenis van Jozef, “De knaap is weg, de knaap is weg, en ik, ik, waar moet ik heen”, dat is zo’n prachtig voorbeeld uit het OT. Zo van, alle hoop is vervlogen, ik heb geen enkele uitweg meer. Nou, zo ongeveer, weet je wel. Als je Hem niet hebt, dan ben je weg, dan heb je niets, dan heb je helemaal niets. Het is alsof de Heilige Geest je helder wilt maken dat: Omdat jij in die verschrikkelijke toestand was, is de Here Jezus naar hier gekomen om die toorn van God te dragen. Wie de Zoon heeft, heeft het leven. Wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet. De toorn van God blijft, blijft op hem. Dat is gewoon de schrift citeren. We moeten dus echt een prediking krijgen war de toorn van God en de toorn van het Lam zichtbaar wordt. En dan moet je niet zeggen: “Ja, zo’n God wil ik niet.” Diezelfde God die niet anders kan, vanwege onze ontrouw, vanwege onze schuld, vanwege onze zonden, onze overtreding, omdat wij het verknald hebben, omdat wij het verknoeid hebben en de verkeerde route gingen, om die reden zitten we met die prut, zitten we met de aardbeving, zitten we met de ziekte, zitten we met alle spanningen in deze wereld. En nu heeft God daar alles aan willen doen door Zelf nota bene de straf daarvoor te dragen. En het enige wat Hij vraagt is: “Geloof je dat?” En dan zegt u: “Ja, nou, nee hoor, dat geloof ik niet.” Alleen als de toorn komt dan zegt u: “Ja, maar zo’n God wil ik niet.” Dat zeg je alleen tweeduizend jaar te laat. Zo’n God wil ik niet, zo’n God die Zichzelf gaf op het kruis van Golgotha, zo’n God wil ik niet. Tweeduizend jaar later roepen mensen: “Ja, zo’n God wil ik niet.” Het is zo krom als een hoepel. Ze hebben ook geen poot om op te staan om dat nu maar even heel plat te zeggen. Alleen, krijg dit maar eens overgebracht, breng dit maar eens aan het verstand of aan het hart. Dat is al heel moeilijk. Maar toch, zo staat het er, zo ligt het er. En dit is eigenlijk super. Super dat God zichzelf gaf, dat God zelf die straf, die toorn, die verschrikkingen wilde dragen om jou en mij vrij te maken, om ons voor eeuwig gelukkig te maken, om ons echt in de blijdschap van Hemzelf te brengen. Dat heeft God willen doen. En daarom zou je geneigd zijn om te zeggen van: “Dit overzicht van, ja dit eindigt in een soort catastrofe van bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons.” En iedereen zegt dat dan, want de toorn van God is gekomen. Nou, en wie kan bestaan? Het antwoord weet je. Als de toorn van God komt kan inderdaad niemand bestaan. De enigen die bestaan zijn zij die geloofd hebben in het geweldige werk van de Here Jezus.