Openbaring 7

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

9. Gods plan met Israël en alle mensen.

Openbaring Bijbellezing door Dato Steenhuis,
5 mei 2002.

Lezen: Openbaring 7

Een vervolgthema is natuurlijk heel mooi, maar het is soms ook heel lastig. Als je hier niet geweest bent en, ja, een paar stukjes mist, dan kan het soms moeilijk zijn om de draad te pakken. Toch hoop ik dat voor iedereen, ook al zou u maar één keer komen, er een draad te vinden is, dat er echt iets is van: O ja, dat is voor mij, en voor ons en voor mijn hart en voor mijn leven bedoeld.
Het gaat in dit laatste bijbelboek over de Here Jezus. In zijn geheel een boek over Hem. Daarom zei ik toen, is dit zo’n boek onderhevig aan kritiek. Omdat de duivel probeert om elke openbaring Van onze Here Jezus weg te nemen. Het boek heet ook zo: Openbaring van de Here Jezus. En die onthulling, want dat is eigenlijk het woord, van de Here Jezus is voor gelovigen bedoeld. Voor mensen bedoeld die de Here Jezus kennen als hun Heiland en als hun Verlosser. En ik hoop echt dat je daarbij bent. Het gaat niet om de club, het gaat niet om de kleur, het gaat niet om de groep, het gaat er om of je leven uit God hebt. Leven uit God. En dat krijg je als je gelooft dat de Here Jezus voor jouw schuld, voor jouw zonden aan het kruis van Golgotha gestorven is. We kunnen praten wat we willen, maar God is heilig en God kan de ene zonde van mij niet over het hoofd zien, Hij kan onmogelijk pardonneren, zomaar. Alleen daar waar de Here Jezus die schuld heeft willen vereffenen, die prijs heeft willen betalen, alleen daar is vrede en alleen daar is vergeving. En van harte hoop ik dat we heel helder hebben dat onze schuld weg is, dat u bij dat gezelschap van gelovigen behoort. Dat brengt je in de hemel. Dat brengt je ook in de Gemeente. Door het geloof in de Here Jezus gaat de heilige Geest in je wonen, door het geloof. De Heilige Geest gaat in je wonen en die Heilige Geest maakt dingen duidelijk die je daarvoor schijnbaar nog nooit heeft gezien.
Nu gaat het in het laatste bijbelboek over een groot aantal onderwerpen. In hoofdst. 4:1 begon het 3e stuk van dit laatste boek en dat 3e stuk heeft te maken met de dingen die na nu gaan komen, na dezen. Dat betekent gewoon: Na onze tijd komt er een andere tijd, dat roept de buurman ook, maar hij bedoelt er waarschijnlijk wat anders mee dan ik, maar goed, na nu betekent na de periode van de gemeente. En dan zit je gelijk midden in de problematiek. O, dus jij beweert dat je de Gemeente een poosje hier nog op aarde hebt, dat die dan weg gaat en dat het leven gewoon door gaat. Hebben we niet geleerd dat het gewoon tot een jongste dag, tot een eindpunt gewoon zo blijft, zoals het nu is. Zie je dan komen de verschillen. En ik heb toen diverse keren gezegd: “U komt in de hemel omdat u gelooft in de Here Jezus. U komt niet in de hemel omdat u gelooft wat ik zeg over de toekomst.” Dat is heel belangrijk. U komt in de hemel, alleen als u gelooft in de Here Jezus. Dus niet uw visie op de toekomst is doorslaggevend maar uw geloof in de Here Jezus is doorslaggevend. En dat wil ik opnieuw helder hebben zodat je niet gaat zeggen: “Ja, maar als je nu bij die club bent dan moet je dit geloven, dan moet je zus en dan moet je zo handelen, moet je dit allemaal zeggen.” Nou, u hoeft niets, u mag zelfs zeggen: “Ik ben het er niet mee eens.” U krijgt even goed uwe kopje koffie aan het eind. Nee, het gaat niet om een mening op te dringen. Het gaat er niet om dat u per se in een bepaald denkkader moet stappen. Dat wil niet zeggen dat we niet een bepaalde mening hebben. Maar dat is wat anders natuurlijk. En die mening willen we ook proberen helder te maken.
De Gemeente is zo’n bijzonder gezelschap dat je daar wel uren over zou kunnen praten. Dat is echt zo. Dar is een heel ander gezelschap dan Israël. En ik wil vanmiddag proberen een paar van die dingen duidelijk te maken.
Het gaat in hoofdst. 7 op zijn minst over een drietal, misschien wel viertal gezelschappen. En dat is voor ons al een beetje moeilijk want wij vegen het liefst alles op één hoop en zeggen: “Nou, dat is het dan, dat is de kerk. Nou, die was er al vroeger bij Adam en die zal er wel blijven totdat de Here Jezus terug komt.” Het woord kerk komt in de bijbel niet voor, gemeente wel. Goed we bedoelen met kerk ook de gemeente, mag je best gebruiken. Maar die kerk bestond helemaal niet vroeger. Er was geen kerk, er was geen gemeente. Die is pas gekomen bij de uitstorting van de Heilige Geest. Natuurlijk was er een getuigenis van God op aarde, maar dat is wat anders. Natuurlijk was er, laat ik maar zeggen, een fakkeldrager voor de Here en van de Here. Dat was Israël, even los van de tijd van Noach en de tijd van voor Noach is na de toerenbouw van Babel toch Abraham geroepen. En in Abraham heeft de Here zich een volk verkoren en dat volk, het volk Israël, heeft jaren, eeuwen hier op aarde het getuigenis van de Here mogen vormen. Hebben dat ook uitgestraald, hebben dat ook getoond. Soms heel positief, Salomo bijvoorbeeld in zijn dagen, soms ook uiterst negatief, als u denkt aan de wegvoering naar Babel en vreselijke andere dingen. Israël heeft, toen de Here Jezus op aarde kwam, gezegd: “Nee, we willen niet dat Hij Koning over ons is, weg met Hem.” Het gaat me niet om de schuldvraag, want de Here Jezus heeft gebeden en heeft gevraagd: “Here, Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” dat is vergeven he. Dus nooit mee zeggen: Want ze krijgen dit omdat ze toen gezegd hebben: “Weg met Hem.” Dat kunt u nooit volhouden. Als de Here Jezus dit bidt, en dit vergeeft, moet u niet de schuld laten staan. Als u weet dat uw schuld weg is door het geloof in de Here Jezus, komt u dan weer terug van, ja, o, ik ben zo schuldig. IS dat niet hetzelfde als iemand die oneindig ondankbaar is voor alle zegeningen. U kunt toch niet iedere keer terugkomen: “O, ik ben zo schuldig”. Uw schuld is vergeven, uw schuld is weg. Ik wou van u wel een huppelende gelovige maken, u mag blijven zitten hoor, geen gezweef en zo, maar gewoon een blij christen, iemand die werkelijk staat in de vergeving van zijn schuld, in de vergeving van zijn zonden. En als God je laat weten: Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, en je zegt daarna: “Ja maar ik weet dat nog zo net niet”, en God zegt dan eigenlijk tegen je: “Maar Ik heb het toch gisteren gezegd, ik meende wat Ik zei.” en als je elke dag opnieuw begint van: Ja maar, ja maar. Maak je God dan niet een beetje tot een leugenaar. Dat wilt u niet, maar dat doet u eigenlijk wel.
Israël is het volk van God geweest en Israël heeft nee gezegd tegen de Here Jezus en de Here Jezus heeft daarvoor gebeden. En Israël is verstrooid, is na het jaar 70 uit Jeruzalem gegaan, de tempel is verwoest en de gemeente is ontstaan op de Pinksterdag. Krijgen we een speciale invulling van de volgende keer, tenminste wat mij betreft, over twee weken dus.
De Gemeente, een heel bijzonder gezelschap. Maar Israël is niet terzijde gesteld. Ja, tijdelijk, maar niet definitief. Weet u, en dat probeer ik ook steeds weer te zeggen, omdat Gods toezeggingen niet gekoppeld zijn aan de praktijk van Israël, maar Gods toezeggingen zijn gekoppeld aan Zijn toezeggingen, aan Hemzelf. God is getrouw, Zijn plannen falen niet. Dat is mooi hoor, want stel je dat Gods toezeggingen ten aanzien van jou gekoppeld waren aan jouw praktijk. Kwam je er dan? Nooit. Waarom kun je blij zijn. Omdat Gods toezeggingen aan jou, gekoppeld zijn aan Hemzelf. En dat is heel, heel essentieel. Maar goed, u zegt: “Ja, yes, de Here Jezus heeft het gedaan en Hij heeft het werk volbracht en Hij is met Zijn bloed ingegaan in de hemel zelf en God heeft mij vergeven en ziet mij in Christus aan. Het is alles weg, het is alles nieuw, het is alles super, het is alles geweldig, het is prachtig, maar moet ik het nu ineens in gaan vullen. En stel dat ik het vandaag niet red en ik zou sterven vandaag, lege handen, is dat zo? Nee zegt de bijbel, want het is niet gekoppeld aan jouw praktijk, het is gekoppeld aan dat wat op het kruis van Golgotha is gebeurd. En daarom kun je blij zijn. Gelukkig, dat is echt super. Maar de toezeggingen van God ten aanzien van Israël zijn eveneens gekoppeld aan Hemzelf en niet aan hun praktijk. Nergens staat dat Israël afgedaan heeft. Nog sterker, hier in dit hoofdstuk begint de Here te zeggen: “Stop eens even met al die oordelen”, want dat hadden we in hoofdst. 6. Die zegels werden verbroken en met het verbreken van de zegels kwamen de golven van oordeel, het één en het ander en nog meer en nog veel meer en dat rolde als het ware over de hele schepping. En ik heb toen gezegd: “Dit is de eerste globale duiding want de details daarvan die krijgt u nog als er zeven bazuinen komen en nog meer details als er zeven schalen komen. Het is alsof de details steeds maar verder gaan, alsof je steeds meer geïnformeerd raakt.” Maar goed, die oordelen kwamen in hoofdst. 6 al. Bij het verbreken van de zegels kwamen de oordeelsgolven los en beukten als het ware op deze schepping. Nu, ik kan me zo voorstellen dat op dat moment Johannes al het gevoel moet hebben: Ja maar, daar blijft niemand over, want als dit doorgaat, wie zal bestaan, wie kan het oordeel van God doorstaan. Dat moet ongeveer zijn gevoel geweest zijn. En de Here God zegt tegen de engelen die verder zullen gaan met de oordelen: “Stop, wacht.” Dat is ons hoofdstuk, hoofdst. 7. En ineens krijg je een soort tussenzin en in die tussenzin zegt de Here: “als je dit door laat rollen, die oordelen blijft er echt niemand over, maar Ik zal je nu laten zien hoe Ik denk over Mijn volk Israël en hoe Ik denk over mensen die in die tijd op aarde leven.” Als de oordelen zouden verder gaan, dan zou inderdaad niemand overblijven. Maar de Here zegt: “Ik zal je eerst tonen dat Ik 144.000 verzegelden heb uit alle stammen van Israël.” Dat wil zeggen, de Here vergeet Zijn oude volk niet, daarvan kun je zeggen: “Ja, de Here God vergeet nooit iemand, dus Hij zal ze ook wel zien ergens.” Nou, nog preciezen, Hij heeft ze apart gezet, met een heel speciaal zegel geduid. De Here God heeft dus gezegd; “Kijk eens, Ik zie ze niet alleen zoals Ik alle schepselen zie, maar Ik duid ze ook, Ik specialiseer ze, Ik ga ze heel bijzonder neerzetten.” En dat zijn die 144.000. Nou ja, daar is natuurlijk enorme discussie over geweest in de loop van de eeuwen die voorbij zijn, wie zijn die 144.000. De mensen van het Wachttorengenootschap, u weet dat wel, de zogenaamde Jehovagetuigen, die hebben de claim gelegd, die hebben de 144.000 in hun boekhouding. Dat zeggen ze en dat leren ze. Ik was in België, in Antwerpen en ik ontmoette een man die bij dat gezelschap hoort, die zegt: “Ik hoor bij de 144.000”, en ik vroeg hem: “Bij welke stam hoor je dan?” Hij zegt: ‘Ik ben gewoon Belg.” Ik zeg: “O, dan moet ik mijn bijbel eens pakken.” Dus ik las hem voor: Uit de stam der Belgen 12.000 verzegelden. Nou, stond er niet, nou ja, zo gaat een discussie in de persoonlijke sfeer een beetje, maar, hij zei dat hij erbij hoorde, want dat hadden ze hem verteld. En alle anderen dan? Ja, als die 144.000 volgeboekt zijn, ja, die horen dan vanzelf bij de grote schare die niemand tellen kan, weet je wel, dus daar was ruimte. Dat leren ze. En anderen leren: Ja, maar dat is de Gemeente. Ja, daar staan wel 12.000 uit die stam en 12.000 uit die stam, maar ja, dat moet je even vergeestelijken en dan kom je vanzelf bij de Gemeente uit. En dat getal 144.000 dat mag je niet eens zo letterlijk nemen, dat moet je als een soort volheidsgetal gaan zien. Nou, daar zitten we. U voelt best dat je dan midden in de discussie komt. En wie wint dan? Ja, dat weet ik ook niet. Ik heb er geen enkele moeite mee broeder en zuster, beste vriend, om hier bij die 144.000, 144.000 te zien, letterlijk, niet eens figuurlijk, letterlijk, en te stellen dat de Here uit alle stammen van Zijn volk 12.000 achter de hand heeft die op het moment dat de Gemeente van hier vertrekt, ja, ineens de fakkel gaan overnemen. Op het moment dat de Gemeente, die hier niet hoort, die hier in den vreemde is, die een thuis heeft in het huis van de Vader met de vele woningen, hier vreemdelingen en bijwoners zijn, dat staat allemaal van u in de bijbel, u hoort hier niet, “Ja maar u hebt een eigen huis…..”, u hoort hier niet, u hoort daar waar de Here Jezus plaats voor u heeft bereid, daar hoort u. En er kom een moment dat de Here Jezus zal zeggen: “Het is zover, kom”, de tijd van verhuizen is aangebroken, en u hebt een erkende verhuizer, echt u komt zonder schade en zonder brokken aan, alles komt over. U zegt: “Ja maar alle potjes en pannetjes blijven toch hier.” Maar wat waardevol blijft en is dat zal aankomen want de Here Jezus zelf zal er voor zorgen. Hij stuurt Zijn verhuiswagen en die verhuiswagen heb ik al een keer geduid in Ez. 1. Nou, dat is een hele mooie hoor, echt. U hebt hier in Veenendaal ook allerlei verhuizers, grote namen, grote containers staan hier en daar, maar die verhuiswagen die staat niet in Veenendaal op dit moment. En dat is een heel buitengewoon gebeuren. U gaat weg, en dan? Ja, dan moet Veenendaal het zonder Gemeente doen. Alle gelovigen zijn hier vandaan. U, als u gelooft in de Here Jezus bent weg. Ja, u denkt dan: Dat kan niet, dat duurt nog veel langer. Nou, o.k., gelooft u dat. Nog een keer, uw zaligheid hangt niet af van uw visie, uw zaligheid hangt af van uw geloof in de Here Jezus. Hadden we afgesproken, gesteld, nog een keer, heel helder. Maar er is duidelijk aan te tonen uit de bijbel dat de Gemeente van hier vertrekt, dat de Gemeente wordt opgenomen, dat de Gemeente gaat naar het huis van de Vader en dat het leven hier gewoon doorgaat. Maar u bent er niet meer, omdat u bij die Gemeente hoort. Dat heb ik niet gerealiseerd, heb ik niet een handtekeningenactie voor gehouden, dat is gekomen omdat u gelooft in de Here Jezus en de Heilige Geest u bij het lichaam van Christus heeft gevoegd. Heb ik niet gedaan, dat is ook niet uw visie op de toekomst, nog een keer voor alle helderheid. Maar dat is leven uit God. En door het leven uit God kwam u bij het lichaam van Christus. Super, ja, u moet kalm blijven natuurlijk, niet al te hard halleluja roepen, nou, roep het dan zachtjes, maar probeer dan eens te denken van ja, dit is zo geweldig, dit is zo uniek, ik hoor bij de Gemeente. Onze namen doen er niet toe. Ik begrijp wel hoe ze ontstaan zijn, ik kan ze ook niet wegnemen, maar ze zijn niet zo belangrijk. Maar de Gemeente gaat weg. Nou, dan zitten de mensen in Veenendaal zonder Kerk. Dat klopt, die is weg. Kerkgebouwen zijn er nog, Kerk is weg. En dan? Hoe moet het dan verder, hoe moet het dan met die arme zielen in Islam-landen die nog nooit van de Here Jezus hebben gehoord, honderdduizenden, miljoenen, misschien wel miljarden. Ja, natuurlijk kunt u zeggen: “Ze hadden kunnen, ze hadden kunnen lezen, ze hadden een bijbel kunnen kopen.” Nou, probeert u dat maar eens. Dat gebeurt natuurlijk niet. Hoe gaat het dan met alle mensen die nog nooit, nog nooit een bijbel in hun handen hebben gekregen. Ik begrijp best dat bepaalde mensen zeggen: “Ja, de Here Jezus kan niet komen voordat aan alle mensen ooit een keer het evangelie is verkondigd op de één of andere manier. En als er nog stammen zijn waar nog nooit van de Here Jezus is verteld, kan de Here Jezus dus niet komen.” Ik begrijp die stelling heel goed en ik ga een heel eind mee, maar om die te koppelen aan de komst van de Here Jezus, van de Gemeente, om de Gemeente naar het huis van de Vader te brengen, dat gaat mij werkelijk te ver. Want, de Here zegt: ‘Weet je, Ik heb al 12.000 uit Juda achter de hand en ook 12.000 uit Issaschar en ook 12.000 uit Zebulon en 12.000 uit Aser en 12.000 uit Nafthali. Ik heb 144.000 verzegelden, apart gezetten, achter de hand, en die, ja maar die gaan er echt eventjes flink tegenaan.” Want die zullen, op dat moment, ineens die fakkel, het licht van de Here verspreiden, die fakkel overnemen. Daarom zijn ze er. En hoe moeilijk u het ook vind, het zijn 12.000 uit twaalf stammen. Dus niet uit de stammen die nu bekend zijn, want dat zijn er maar twee, Juda en Benjamin, en een verdwaalde uit Aser en dan houd het op. Maar uit die andere stammen, die tien stammen die in de diaspora zijn, in de verstrooiing zijn, die weggegaan zijn. Al voor de wegvoering naar Babel in de tijd van Nebucadnezar, zijn de tien stammen al naar Assyrië, naar Nineve gegaan, die kant op. En ze zijn nooit terug gekomen. Ja maar die Falasha’s dan, die Ethiopische Joden. Ze zijn nog aan het zoeken bij welke stam ze horen. En de mensen ui China dan die misschien Joodse trekjes hebben in hun overlevering, of uit India, of uit Scandinavië, uit Engeland misschien. Sommigen zeggen dat het rondom het IJsselmeer moet zijn geweest, de Urkers, jazeker, zo wordt het daar gezegd, want de klederdracht van de Urkers komt overeen met de klederdracht van die mensen van toen. Nee, ik heb het niet bedacht, ‘t is ook niet spottend bedoeld, maar het is gewoon, het is weer een duiding van misschien liggen ze wel daar in Nederland, rondom het IJSSELMEER, Volendam en Edam en nou ja, vul maar wat in, al die bijzondere families. Niemand weet het, maar de Here weet het wel. En de Here zegt dat uit al die stammen 12.000 verzegelden zijn. En dat die 12×12, 144.000 als fakkeldragers, als evangelisten, als boodschappers van God, de wereld vullen, bereiken met de middelen die ze dan hebben. Dus op het moment dat de oordelen losbarsten, het eigenlijk niet meer te houden is, het heel spannend wordt en men denkt: Dit red niemand, hier blijft niemand overeind, komen ineens deze mensen uit het niets naar voren. En de Here zegt: ‘En Ik heb ze nog.” Zoals in de dagen van Elia 7000 mannen hun knieën voor Baäl niet hadden gebogen, zo zijn er ineens 144.000. Nou, dan komen de suggesties van zouden dat dan nu misschien de Messias-belijdende Jood kunnen zijn, weet je wel, die nu de Here Jezus hebben leren kennen en die nu geloven dat de Here Jezus de Messias is, en dat die dus, ja, op dat moment dit gaan doen. Nou die suggestie die snap ik, die ken ik ook wel, maar ik ga niet mee, ik geloof het niet. En waarom niet, omdat ze bij de Gemeente horen. Zoals Paulus, is een Messias-belijdende Jood geweest he. Ik ken er nog een, Petrus. Heb je er nog een, Johannes. Ik heb er nog wel een paar. Die hebben geloofd in de Here Jezus en horen bij de Gemeente. En het is uitgerekend die Messias-belijdende Jood Paulus die zegt: “Ja maar die Gemeente die bestaat uit mensen die de Heilige Geest hebben ontvangen.” En als er vandaag Messias-belijdende Joden zijn, dan hebben ze de Heilige Geest ontvangen. Ik heb ze ontmoet, gelukkig, ik ken er een hele rij. En ze getuigen van de Here Jezus. Ze horen bij de Gemeente. Ik laat het ook los, aan u over, dat moet u maar uitknokken, maar die 144.000 zullen uit Israël komen, uit de stammen van Israël, uit de twaalf stammen, en die zullen op dat moment de fakkel van de Here overdragen en die zullen op een buitengewone manier ingezet worden. Ja, of Europa dat nu wel leuk vind of niet leuk vind doet niet ter zake. Of ze dat allemaal legitiem doen doet ook niet ter zake. De Here zegt: “Ik heb uit die stammen echt de evangelisten.” Betekent dat die ook nog, laat ik maar zeggen uit Moskou, uit China, uit Nicaragua moeten komen voor ze dit gaan doen. Dat staat nergens. Het zou best kunnen dat op hetzelfde moment ineens ergens in de wereld, en dat zou China kunnen zijn, of het zou Ethiopië kunnen zijn, of het zou…., dat ergens ineens zo’n stam opstaat. En ineens, daar gaan ze. Waarom, omdat God een Geest van genade en van gebed uitzend, in hun harten geeft, en zij ineens zien op Hem die doorstoken werd en dan gaan ze echt getuigen van de Here Jezus. Dat gaat dan gebeuren. In de tijd van grote nood, in de tijd van grote ellende ineens dit prachtige getuigenis. En die 144.000 komt u straks weer tegen in ditzelfde laatste bijbelboek. Op het moment dat het beest gaat regeren in Jeruzalem, dat Europa gaat heersen in Jeruzalem, ik voorspel het u, op dat moment zie je die 144.000 rondom het Lam op de berg Sion. Het is alsof het contrast zo scherp getekend wordt. Aan de ene kant een vergoddelijking van politiek, een vergoddelijking van het beest uit de zee en iedereen moet een knieval maken voor het beeld van het beest en als je het niet doet dan kun je niet meer kopen, kun je niet meer verkopen, kun je helemaal niets meer, het getal 666 is daaraan gekoppeld. Op het moment dat dat gebeurt staat op de berg Sion, daar vlakbij, daarnaast, een gezelschap van 144.000 rondom het Lam. Groter contrast kunt u niet bedenken. De Here ziet het zo en daarom komen die 144.000 ook later, in hoofdst. 14:1 weer tegen. Daar zien we ze weer. Dat is niet een ander groepje, dat is dezelfde groep, maar dan rondom het Lam, maar op het moment van het beeld van het beest.
144.000 verzegelden. Mag ik u nu eens zeggen dat u nu verzegeld bent. U bent niet hetzelfde, u zit niet in die categorie die ik net omschreef, maar u bent verzegeld met de Heilige Geest van de belofte, zegt de bijbel. Als je het evangelie van je behoudenis hebt aangehoord en als je dat, ten tweede, hebt aangenomen, ben je verzegeld met de Heilige Geest van de belofte. Jij bent verzegeld. En wij houden ons stil, is dat ongeveer wat we doen. Ik ben een beetje bang dat wij, eh, dat heb ik misschien de vorige keer ook al gezegd, ik weet het niet, als ik het gezegd heb sorry, een beetje een Center Parks gevoel hebben. Heb ik dat gezegd de vorige keer? Weet u wat dat is? U hoort het op de radio elke dag, televisie ook. De filosoof is natuurlijk filosoof en een echte denker, maar als het om een pannekoek met stroop gaat dan weet hij het niet meer. Want hij is natuurlijk filosoof, maar nu even niet want hij is in Center Parks. Telefoontje naar Peter R. De Vries, u kent dat he: Ik heb een goeie tip voor je, een gouden tip man. Maar je bent toch die misdaadverslaggever. Ja, maar nu even niet want ik ben in een Center Park. Meneer Hans van der Togt, u gaat dat rad van fortuin toch draaien en. Ja maar nu even niet want ik ben in Center Parks. U kent die reclame. U kijkt nooit naar de televisie. Nou vergeet het dan, maar daar wordt een soort reclame gemaakt voor: Ja, je bent die, je bent dat, je bent zus, je bent van alles en zo, maar nu even niet. Christenen. Je bent toch een christen? Ja maar nu even niet. Begrijpt u wat ik bedoel met dat Center Parks gevoel. Even niet hoor. We hebben nu toch mei-vakantie. En de mensen hebben steeds vakantie. Het komt mij voor dat de meeste gelovigen langzaam maar zeker wegdutten. En wel christen zijn, maar nu even niet. Straks als de Here komt, ja, dan ben ik erbij he. Natuurlijk, ik heb de polis in mijn binnenzak. Nee, ik neem hem altijd mee hoor, want stel je voor dat er onderweg iets gebeurt he, ik heb hem. Zo ongeveer. Beetje te scherp? Nou ja, vergeef me maar. Ik zou zo graag willen dat je actief werd en dat je blij was en dat je er voor gaat en dat je echt zegt: “Here Jezus, U bent gaaf, U bent uniek, U bent geweldig.” Verzegeld ben je. Om nul te doen, om niks te doen, om met vakantie te gaan, Center Parks, of een andere club. Wat mij betreft uw eigen tuin. Is dat wat wij moeten doen. Of zouden we vandaag wat die 144.000 verzegelden dan gaan doe, zouden we dat vandaag ook moeten soms. Amen, ja, wij zullen vandaag moeten vertellen van de Here Jezus. En als jij je stil houdt wie zegt het dan. Ik hoop dat u het begrijpt. En als ik de politieke programma’s een beetje heb bekeken van voor 15 mei dan denk ik: Nou, er zijn er maar weinig die dit vertellen. Misschien is er vrijwel niets dat dit zo nadrukkelijk vertelt. Dat zal de kerk moeten doen, dat zal de Gemeente moeten doen, dat zal de gelovige moeten doen.
Goed, de Joden zijn geduid, de 144.000 zijn geduid. In diezelfde tijd, zegt Openb. 7, komt er een grote schare die niemand tellen kan. Nou, weer een discussie. Grote schare, o daar horen wij natuurlijk bij. Dat was dus de overloop al van de Jehovah getuigen, weet je wel, die niet meer bij die 144.000 waren die zaten dus al bij die club. En daar zitten we ook allemaal bij. Een grote schare die niemand tellen kan, want ze komen uit elk geslacht en taal en volk en natie. Nou daar is nota bene Nederland bij te rekenen. Zo gaat dat. Antwoord: u bent fout, want dat staat er niet. Waar komen ze vandaan. Uit de grote verdrukking. Komt u uit de grote verdrukking? Kun je niet helemaal volhouden he. Nee, kun je niet volhouden. Ik heb net even opgezocht Dan. 12:1. Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat, en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan tot op die tijd toe. Dat is de grote verdrukking. Een verdrukking, een grote benauwdheid die er niet geweest is sinds er volken bestaan. Die wordt ook in de bijbel genoemd: De verdrukking, de grote. Wij noemen dat meestal gewoon de grote verdrukking, maar het is: De verdrukking, de grote, heel speciaal geduid. Er komt een tijd van ongelofelijke druk. En die is er nu niet. Want u leeft hier nog en u kunt duizend keer zeggen: “Ja, maar in Soedan”, ik weet het, en u kunt zeggen: ‘Ja maar de Palestijnen”, het is zo. Maar is dit de grote verdrukking, komt u uit de grote verdrukking? Mijn antwoord is: Nee. Ik zeg ook niet dat we geen druk kunnen kennen in onze eigen levens, soms heel erg zwaar. Geliefden die heengaan, moeilijke situaties, heel zware tijd, dat kan. Maar de grote verdrukking waarvan je moet zeggen: “En als er geen verkorting van dagen is dan blijft er helemaal niets over”, dat is niet zo. En zeker jij en ik die hier in Nederland wonen kunnen dat niet zeggen vind ik. Wel uw persoonlijke nood, maar niet het collectief. En toch komt er uit die enorme druktijd, uit die grote verdrukking een grote schare die niemand tellen kan. Door wie zijn ze dan bekeerd geworden, aangesproken geworden. Door die 144.000. Die hebben kans gezien om een enorm resultaat op hun getuigenis te krijgen. Ik zou willen dat de kerk dat vandaag ging realiseren. Trouwens, er zijn nog plaatsen in deze wereld waar ongelofelijk veel mensen tot bekering komen hoor. Heel veel, vandaag, hele stammen, hele volkeren bijna. Vergissen we ons alsjeblieft niet. Maar in die tijd, in de tijd van grote nood, als die oordelen zich ontrollen, als die golven van Gods toorn gaan komen, dat is die grote verdrukking, daar blijft niets over als dat niet gestopt wordt, maar in die tijd wordt er gepreekt, wordt er getuigd, worden er figuren als Johannes de Doper gezien. Dat zijn die twee getuigen uit Openb. 11, kom ik later ook op terug, want de details komen allemaal nog, maar goed, die figuren, die personen, die getuigen van de Here Jezus, die hebben het over Hem, over Hem, over Hem, over Hem, en nergens anders over. Die praten niet meer over politiek en ook niet over kerkstructuur, die praten alleen maar over Hem. En dat werkt, dat werkt echt. Praten over kerkstructuur heeft alleen maar scheiding gebracht maar praten over de Here Jezus brengt eenheid, dat kan niet anders. En daarom moeten we dat doen. Maar het merkwaardige is dat kerk langzaam gestopt is met te praten over Hem, en ze is doorgegaan met het praten over kerkstructuur. En dus was de scheiding alleen maar groter. Het accent is volledig verlegd, want de duivel wil niet dat u over Hem praat, dat de kerk over Hem praat. Ze zullen velen bereiken die 144.000. En ze komen tot bekering. En nu wordt die grote schare die niemand tellen kan ineens in beeld gebracht. Voor dat het zover is, duizenden jaren voor dat het zover is, ziet Johannes ineens een enorme massa mensen in de hemel binnenstappen, allemaal met palmtakken in hun handen en witte gewaden. En ze zeggen: “We hebben het te danken aan het Lam.” Nou waar komt dat lied vandaan, van Marlin Jackson geloof ik: O, when the Saint go marching in. Je ziet ze binnenstappen. Stelt u zich nu eens voor dat u in de hemel zit. Stelt u zich eens voor dat er een soort vierdaagse is maar dan met veel meer deelnemers, door niemand te tellen. En dat u op de eretribune zit, vlak naast de commissaris van de Koningin en de burgemeester van Nijmegen, ik noem er maar even een paar, maar goed, dat is in Nijmegen toch zo. En stel dat die wandelaars allemaal binnenkomen en dat ze de commissaris van de Koningin negeren en dat ze de burgemeester van Nijmegen ook negeren, dat ze de marsleider helemaal niet zien staan en dat ze alleen naar jou kijken en zeggen…. Zoiets. Welk gevoel krijg je dan dan. Center Parks gevoel, of wordt je dan zo klein dat je zegt: “Here Jezus.” Stel nu eens dat je in de hemel zit en je ziet zo’n massa mensen binnenkomen. Misschien denk jij: Ik dacht dat alleen mensen van onze kerk behouden zouden worden. Er zijn er kennelijk meer. Er zijn zelfs mensen buiten de kerk behouden. Ze horen niet eens bij de kerk. En ze hebben toch hun gewaden gewassen in het bloed van het Lam. De basis van verlossing, de basis van vergeving van schuld is hetzelfde: Het bloed van het Lam. Hoe kan jouw zonde weg: Het bloed van het Lam. Mijn zonde: Het bloed van het Lam. Hun zonden: Het bloed van het Lam. Ze staan daar in witte gewaden en ze komen binnenstappen en ze zeggen: “De zaligheid is van onze God.” Weet u wat de oudsten dan doen? Nou, ze kunnen het echt niet meer houden, ze zeggen: “Here God U bent groot, U bent…. Oh, wat een genade, een immense genade, niet te meten, niet te tellen, niet af te meten. Een grote schare die niemand tellen kan. Immense genade van U, buitengewoon lieve Here, we prijzen U.” Ja, dat is het werk van de Here Jezus. Ook zij gered door het werk van de Here Jezus. Ook zij verlost door het bloed van een kostbaar, onberispelijk Lam. Dat is de lofprijzing in de hemel. De tweede keer dat de oudsten neervallen, de eerste keer was Openb. 5, tweede keer Openb. 7, nou, ze houden het niet meer, ze vallen voor het Lam neer en ze buigen zich voor de troon en zeggen: “O, geweldig, geweldig, schitterend.” En ze hebben allemaal palmtakken in hun handen. Ik ga niet te ver als ik zeg dat ze het Loofhuttenfeest uitbeelden. Misschien moet u daar even aan wennen, want dat zijn wij niet zo gewend. Misschien bent u wel eens geweest in Israël tijdens het Loofhuttenfeest. Hebt u ze gezien bij de klaagmuur, duizenden, duizenden, duizenden mensen, allemaal met een palmtak in de hand. Ja, allemaal met een palmtak in de hand. Sommigen hebben hem in het plastic. Vinden wij niet zo leuk. Ja, maar dan doe hij het morgen ook nog. Nou, o.k., vergeeft het. Maar goed, maar ze hebben wel een palmtak in hun hand, allemaal. En ze staan daar bij de Here en als de zegen van God wordt uitgesproken daar, dan wordt het dood- en doodstil. Ik heb zelden zo’n grote indrukwekkende stilte meegemaakt dan bij de klaagmuur waar al die duizenden en duizenden mensen stonden en waar de zegen van God werd uitgesproken. Een man voor ons had een gebedskleed bij zich en legde dat over zijn vrouw en over zijn beide kinderen en ik stond er bij te janken en denk: Zo gaat het. De zegen is van onze God. Dat willen ze nu uitdrukken daar. En ze staan niet eens op het tempelplein, ze staan er naast. En er is nog geen tempel, er is nog geen altaar, er is nog geen zicht op de Messias, op de Here Jezus, maar ze drukken het uit. Nu, als die grote schare de hemel binnenstapt hebben ze allemaal een palmtak in de hand. Het is alsof ze het Loofhuttenfeest gaan vieren. Voor mensen die door willen denken: Wat gaat er gebeuren met de massa mensen die in die tijd tot bekering komen. Ze zullen uiteindelijk onder de zegen van het Loofhuttenfeest staan. Ze zullen, ook de leiders, van jaar tot jaar heentrekken om in Jeruzalem het Loofhuttenfeest te vieren. Dat gaat gebeuren, dat is nu precies wat gaat gebeuren. En ze zullen allemaal belijden: De Here is het geweest die Zijn zegen over ons heeft uitgebreid. De Here is het geweest die ons niet aan ons lot heeft overgelaten. De here heeft naar ons gevraagd. De Here heeft ons gezocht en Hij heeft ons gedragen en Hij heft ons op adelaarsvleugelen gedragen en ons tot Zich gebracht. Dat zullen ze allemaal zeggen. Dat mag u nu al zeggen. En daarom heeft een christen dubbele reden om te zeggen: ‘Ik kan de Here prijzen.” U bent verzegeld en u weet, met een palmtakje in de hand: Ik sta onder de bijzondere zorg van God. En, Hij heeft het gedaan. “En ik heb mijn gewaad ook gewassen in het bloed van het Lam.” Wit geworden, ook al zijn uw zonden als karmozijn, rood, niet uitwisbaar en niet uitwasbaar. Wit als witte wol, wit als sneeuw worden die zonden van jou, omdat ze wit worden door het bloed van onze Here Jezus. Dat drukken ze uit. En ze komen uit de grote verdrukking. Kunt u zich voorstellen dat Johannes verbaasd is als hij die oudsten op hun knieën ziet vallen en als hij die oudsten hoort prijzen, lofzeggen aan de Here: “U hebt het gedaan Here, U en het Lam, U en dat verlossingsplan van U.” Dat is de oorzaak, dat is de reden dat deze mensen behouden worden.
In de tijd dat de oordelen zich ontrollen en dat de golven van Gods toorn, nog een keer die term, over alles heen spoelt, in die tijd zijn er 144.000 verzegelden en is er een grote schare die niemand tellen kan. God is getrouw, Zijn plannen falen niet. Wat bent u dan rijk of niet. Ik kan niet anders dan zeggen: “Dan bent u ongelofelijk”, dat is niet goed, “dan bent u gelofelijk rijk.” U bent geweldig rijk, u bent buitengewoon gezegend. U bent zo gigantisch gezegend met zegeningen dat u alleen maar kunt zeggen: “Here Jezus, U bent het, U bent de bron van zegen, U hebt het gedaan en we willen U prijzen.”
Ze zijn daar bij de Here Jezus en ze worden gezien als mensen die Hem dienen voor de troon van God. En ze vereren Hem dag en nacht in Zijn tempel.
Goed dat is het plaatje, dat is het beeld. Duizenden jaren voor dit werkelijk gebeurt is dit al gezien. Maar jij en ik die nu leven uit God hebben en nu verzegeld zijn. Wij die weten dat onze schuld weg is door datzelfde bloed van hetzelfde Lam. Vereert u de Here dag en nacht in Zijn tempel. Ik heb mij dat echt afgevraagd de voorbije dagen. Ik heb vanmorgen gesproken over Ps. 132: David zegt: “Ik zal mijn oogleden geen rust, geen slaap gunnen voordat ik voor U Here een huis gevonden heb. En dat huis dat wil ik zoeken, daar wil ik naartoe.” En ja, dat is het. Voor de Here een plekje vinden. Heeft de Here een plekje in jouw leven. Laat ik het maar heel kort door de bocht zeggen. Is het zo dat de Here Jezus die nergens, nergens Zijn hoofd kan neerleggen, de hele wereld wil Hem niet, ze moeten Hem niet, ze hebben Hem destijds verguisd en dat is nog net zo, maar heeft Hij in jouw hart en in jouw leven, in jouw huis een plekje. Heb je een kamertje voor Hem. Bereid jij een maaltijd voor Hem zoals Martha en Maria dat deden. Is het zo dat de Here Jezus in jouw leven welkom is. Niet alleen als de redder, je hebt Hem nodig, als een soort assurantie-adviseur, eventjes, één keer? Nee toch. Here Jezus, kom in mijn hart, kom in mijn leven. Zoals ze dan Hem zullen vereren dag en nacht en om Hem heen staan en Hem alle glorie en alle eer geven en alle hulde. Iedere keer opnieuw. Dus in die tijd van golven van toorn en oordeel, golven van aanbidding en van grootmaking en van jubel voor Hem die het allemaal heeft gedaan. Maar doet u het nu of denkt u: Nou ja, het is zondagmiddag, half vijf, goeie tijd om nog eens even…… Bovendien het weer was ook niet zo geweldig om in het bos te lopen dus je maakt van de ondeugd dan maar een deugd. U krijgt nog steeds koffie straks. Maar vereert u Hem. Mag ik gewoon vragen of u de Here Jezus prijst. Of u zo blij bent met Hem dat u zegt: “Here Jezus, ik wil u bedanken, ik wil u gewoon eren.” Nou ja, handen omhoog kan niet, pinkstergemeente. Hoeft niet. Blijf maar zitten, maar doe het alsjeblieft. Vanuit je hart, vanuit je intensie: Here Jezus, U bent geweldig, U bent groot, U bent te prijzen. Een gelovige is iemand die hier op aarde is om Hem te prijzen. Dat geloof ik stellig. En dat lofprijzen dat werkt door. Dat gaat ook naar de buren toe. Ja, u zult zeggen: “De isolatie was niet zo goed toen de huizen van ons gebouwd werden en als wij gaan lofprijzen dan horen de buren het gelijk.” Nou, wij horen de buren ook. Maar ik bedoel eigenlijk, uw leven verandert. Dus niet een aantal decibels of zo, maar ik bedoel gewoon je leven, je uitstraling, je hele zijn hier op aarde verandert. Het verandert gewoon. Iets van de her Jezus wordt zichtbaar.
Openb. 7: De oordelen worden even weggeschoven. Openb. 8 gaat weer verder met die oordelen. Het is alsof de Here zegt: “Ik zal je even wat laten zien. Voordat je nu denkt dat alles, maar dan ook alles in één keer weg is, alsjeblieft.” Zou dat niet een bemoediging voor jou zijn, dat zelfs in de druk van onze dagen, want die kan er zijn zoals ik zopas zei, persoonlijke druk, er toch lofprijzing kan zijn Dit is moeilijk he? Ik weet het. Ik vergeet nooit dat een oude dame tegen mij zei: “Mijn man is gestorven vannacht en ik was zo blij, ik was zo blij, en ik heb de Here geprezen en ik durf het niet aan de kinderen te vertellen.” Hadden jullie zo’n slecht huwelijk dan? Dat zouden ze gevraagd hebben. Dat was het niet. Een dag later was de leemte er, de lege plek. Het verdriet kwam wel, maar die onbeschrijfelijke blijdschap, ook in druk. Kan dat, kan Paulus zingen midden in de nacht, met bebloede rug, samen met Silas, het kan. Kan de Here Jezus een lofzang zingen op het moment dat Hij naar Gethsemane gaat, het kan. Zou jij kunnen zingen op het moment dat het heel moeilijk is. Het gaat niet om een feestje bouwen, dat is onzin. Het gaat erom dat je vanuit je hart, vanuit je emotie er lof en eer is en glorie is voor de Here Jezus, kan. Ik zeg niet dat dat altijd makkelijk is maar het kan. De Here zegene ons, amen.