Romeinen 1 : 1 – 7

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 1. Geroepenen van Jezus Christus.

Bijbellezing over de brief van Paulus aan de Romeinen,
door Dato Steenhuis, 07 januari 2007

Romeinen 1 vers 1 – 7 Ik hoop dat u geniet in 2007. En ik hoop ook dat de Heer geniet in 2007. Als Hij geniet hebt u het goed. En ik hoop ook van harte dat het een jaar voor Hem zal zijn. Het is al een jaar van Hem – het jaar des Heeren, van de Here – maar ik hoop ook dat het een jaar vóór Hem is.We gaan een nieuw onderwerp in. In het nieuwe jaar – hadden we afgesproken – gaan we ons bezighouden met de brief aan de Romeinen. En dat heeft een bepaalde achtergrond. In de brief aan de Romeinen worden heel, heel veel onderwerpen aangekaart. Als je het hebt over de huidige situatie in de wereld van vandaag, dan val je bijna altijd terug op die brief aan de Romeinen. Of het nu over afgoderij gaat, over homofilie gaat, het komt overal hier terug. Of het nu gaat over het enorme arrogante, hoogmoedige gedrag van moraalridders: de Romeinenbrief. Als je het wilt hebben over de kwestie Israël: de Romeinenbrief. Als je het wilt hebben over de overheid, hoe sta je daar in: de Romeinenbrief. Hoe je tot geloof kunt komen? Deze brief. Hoe je gerechtvaardigd voor God kunt staan? Deze brief. Hoe je in de zegen van de Here kunt groeien en daarin kunt genieten? Het is deze brief. Enorme aantallen onderwerpen komen heel successievelijk in deze brief naar voren. Maar er is een wat andere invalshoek ook. Destijds is in Rome een gemeente ontstaan op het moment dat het Romeinse Rijk nog helemaal intact was. Dat bestond toen. U weet misschien als u ooit op dit soort bijeenkomsten geweest bent dat er vier wereldrijken achtereenvolgens zijn geweest volgens het boek Daniël. Dat is het Babelse rijk (of het Babylonische Rijk of Irak), daarna Iran, daarna Griekenland-Macedonië en daarna het Romeinse Rijk met Rome als hoofdstad. Dat Romeinse Rijk was er nog in de dagen van de Here Jezus. Keizer Augustus kon een bevel uitvaardigen dat de hele aarde of de hele club moest worden ingeschreven; dat deed hij gewoon. Pilatus, die de Here Jezus heeft veroordeeld, was een Romeinse gouverneur. Als Paulus in hoger beroep wil, omdat hij denkt dat dit zo moet, dan beroept hij zich op de keizer. Zo heet dat in die tijd. Kortom: het Romeinse Rijk is er nog honderden jaren geweest ook na het ontstaan van de Gmeente.Daarna is het wat afgebrokkeld. Maar in die tijd was er ook een gemeente in Rome. En die gemeente in Rome stond behoorlijk onder druk. En het hoeft u niet te verbazen als we zeggen dat het Romeinse Rijk er wás, er een hele tijd niet is geweest (of nauwelijks is geweest) en dat het Rijk ook terug komt. Wás, niet is en zijn zal. Wij, vandaag, leven in de tijd dat het Romeinse Rijk – dat zal wel helder worden in de loop van de avonden – aan het opkomen is. U en ik zijn al gewend aan de euro; ook al rekent u zich suf om alles ook weer om te rekenen naar guldens. U hebt ze niet meer. Tenminste niet in klinkende munt, want dat is waardeloos gebleken. Wij leven in de tijd dat Europa gigantisch vormen heeft aangenomen en dat krijgt nog een flinke staart. Dat terugkomende Romeinse Rijk, ís er al! De toekomst ís al begonnen. En we vragen ons af hoe een gemeente in die situatie overeind blijft. Toen een gemeente in Rome in de druk van toen en vandaag in overdrachtelijke zin, óók een gemeente – u en ik samen – in de druk van de tijd. Hetzelfde Romeinse Rijk is nu weer terug. Dát is de insteek. En dan zult u hele frappante dingen zien. Ik hoop dat de Here genade geeft om die hele bijzondere dingen ook uit de verf te laten komen. Het begint nog niet zo, maar dat is wel de lijn die ingezet wordt bij deze. We gaan vanavond Romeinen 1 vers 1 tot en met vers 7 lezen. Een klein stukje. Alleen maar de inleiding. Dat wil ook niet zeggen dat we elke avond slechts 7 verzen zouden doen, dat ligt een beetje aan het onderwerp. Maar vanavond:Romeinen 1 vers 1 tot en met 7.1] Paulus, een dienstknecht van Christus Jezus, een geroepen apostel, afgezonderd tot de verkondiging van het evangelie van God
2] dat Hij tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige schriften
3] Het Evangelie van God – aangaande zijn Zoon, gesproten uit het geslacht van David naar het vlees,
4] naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht,
5] Jezus Christus, onze Here – door wie wij genade en het apostelschap ontvangen hebben om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken voor zijn naam onder al de heidenen,
6] tot welke ook gij behoort, geroepenen van Jezus Christus –
7] aan alle geliefden Gods, geroepen heiligen, die te Rome zijn: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.Een gemeente in Rome, niet door Paulus ontstaan, niet door de dienst van Paulus. Hij was er nog niet geweest, dat blijkt uit de rest van de tekst. Of dat gekomen is door Cornelius of soldaten van Cornelius die het evangelie hebben gehoord van Petrus – want daar was toen een Italiaanse bende een soort bataljon of een groep soldaten die uit Italië kwamen en die zijn weer afgelost of teruggegaan – of zíj het evangelie hebben meegenomen is niet helemaal duidelijk. In elk geval: er was daar een gemeente. En Paulus heeft zich een en andermaal voorgenomen om daar heen te gaan. Hij wilde zo graag een zegen van de Here brengen aan de gelovigen daar. Dat was tot op dit moment nog niet gebeurd. En nu komt hij met een brief. Een zegenbrief. Die zegenbrief is ook voor jou en voor mij heel bijzonder. En hij noemt de gelovigen daar: “geroepen heiligen”. Nou dat is best een mond vol. Dat wordt later uitgewerkt. Ik zal het u alvast lezen:Romeinen 8 vers 29,30
29] Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen;
30] en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.U voelt dat is een enorme lading in hoofdstuk 8, maar het gaat mij nu om de term dat ze “geroepenen” zijn. Geroepenen van onze Here Jezus Christus. Geroepenen, ook geroepen heiligen. En Paulus noemt zichzelf een bedienaar, een apostel, een gezondene, een apart gezette, om dit geweldige uit de doeken te doen. Maar dit geweldige is op hetzelfde moment ook heel geweldig voor óns. Een gemeente in de druk van de politieke arena van toen met heel veel gedoe en ook enorme strijd. De parallellen zijn echt talrijk. Maar de eerste vraag voor ons allemaal is of we er deel aan hebben of dat we dit alleen maar zien als ja, een brief. En je kunt een brief ter harte nemen, je kunt een brief lezen, je kunt een brief terzijde leggen, je kunt van alles met een brief gaan doen. Maar de vraag is natuurlijk: Wat doe je met zo’n brief en wat zegt zo’n brief je? De bijbel zegt in deze brief – deze brief aan de Romeinen – dat mensen die de Here Jezus hebben leren kennen als hun Heiland en als hun Verlosser, écht gerechtvaardigd zijn. “Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God, door onze Here Jezus Christus.”, Romeinen 5 vers 1. Rechtens vrij van de zonden. Dat betekent dat er geen wet meer is, geen rechtszitting meer kan zijn, waardoor wij veroordeeld zouden kunnen worden. Er is geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn (deze brief). Kun je dat nazeggen? Nou niet om dat klassikaal laat ik maar zeggen, op te dreunen zoals we dat vroeger moesten met een bepaald rijtje; een tafel van 8 of een tafel van 5. Maar gewoon: Is dit ook voor jou? Is dit jouw getuigenis? Rechtens vrij van de zonde. Ik weet: mijn schuld is weg, mijn zonden zijn vergeven. Ik wéét het! Waarom weet je dat? Omdat de Here Jezus voor schuldige en voor zondige mensen op aarde kwam. En Hij vraagt: “Geloof je dat? Heb je dit aanvaard? Heb je dit naar je toegehaald? Heb je hier dankjewel voor gezegd?” Is dat ooit gebeurd? En als dat níét gebeurd is, laat dat dan vanavond gebeuren! Ga niet naar huis met het idee van: “Nou ja, dat weet ik niet zo precies…” Echt, geloof in de Here Jezus en je zúlt behouden worden! Maar uit wat Paulus hier schrijft, blijkt dat dit nog veel meer betekent. Namelijk dat God jou gekend heeft. Nou, daar kan ik mij iets bij voorstellen. Dat Hij mij kende, dat Hij mij zag, dat Hij wist waar ik woonde, dat Hij wist hoe ik in elkaar zat. Tenslotte is Hij de Schepper. Dat Hij mij kende dat snap ik een beetje. Maar dat Hij mij bestémd heeft, om aan het beeld van de Here Jezus gelijkvormig te zijn?! Nou, dan komt er een hele lawine over je heen van: “O! God heeft mij dus bestemd!” Of: “Ja, maar als God mij dus niet bestemd heeft tot behoudenis, ja, dan kan ik praten wat ik wil, dan kan ik ook doen wat ik wil, maar ik kom er tóch nooit! Ik red het niet, ik kom er niet, want ik ben niet uitverkoren, ik ben niet bestemd!” De bijbel zegt in deze hele speciale brief: God heeft gekend, God heeft bestemd, om aan het beeld van Gods Zoon gelijkvormig te zijn. Niet voor jou, maar voor Hem. Opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen. Opdat Hij torenhoog zou gaan schitteren in dat gezelschap. En die Hij bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen. Er is een moment gekomen dat de roep, de stem van God, mij heeft bereikt. Hoe is dat gegaan? Nou, misschien wel psalmen zingend in de nacht; psalm 42, we hoorden dat net. In de ziekenkamer, of misschien wel door het gebed van oma, of misschien wel door dat liedje van de zondagschool, of door een boek, of door een evangelieblaadje. Ik weet het niet. Ik weet het echt niet. Maar jij weet het wel. Toch? “Ja en nee. Ik weet het ook niet. Het is eigenlijk altijd wel zo geweest.” O, ja dan wordt het een beetje moeilijk. “Ja, ik wás al gelovig. Ik ben als gelovige geboren!” O, ja. Onvoorstelbaar hoor, maar wacht maar even. Het gaat vanavond wel niet zo diep, maar het komt er uit. Dit bijzondere hoofdstuk is ook in deze brief vervat. Iedereen die hier is, mist of derft de heerlijkheid van God. Komt er niet aan te pas. Dat moet je leren. Dus als iemand zegt: “Ik ben zo geboren”, dan moet je zeggen: “O, foute boel man! Dan kom je tóch tekort. Je redt het niet.” Er komt een moment dat de Here echt tegen je zegt: “Moet je eens luisteren, je kunt wel denken dat altijd al zo geleefd hebt, maar dat is niet zo.” Wees dankbaar voor je ouders hé! Wees dankbaar dat ze je leerden bidden. Wees dankbaar dat ze je uit de bijbel voorlazen. Wees dankbaar dat ze je meenamen naar samenkomsten. Wees dankbaar voor vele, vele, vele, vele dingen. Maar dat is géén garantie. Nog sterker: er moet nog iets gebeuren en dat is geloven! Er moet een moment zijn geweest in jouw leven dat je de roepstem van de Here God hebt gehoord. Is dat iets spectaculairs? Nou, in sommige gevallen wel. Sommigen zijn uit de diepste diepte, uit de troep en de ellende van hun leven ineens, plotseling in hun kraag gevat; en de Here heeft ze bij wijze van spreken zomaar beetgepakt en gezegd: “En nú!!!” En er zijn ook mensen die hebben God een beetje uitgedaagd: “Here God, áls U bestaat dan….” Nou, dan komt er een heel verhaal gewoon, want dan moet er iets gebeuren. Nou, dat is ook gebeurd. Er zijn ook mensen die dit getuigenis hebben. Er zijn ook mensen die zeggen: “Nou, ik heb eigenlijk nooit iets spectaculairs meegemaakt, nooit. Het is allemaal heel gewoon gegaan.” Maar er is toch een moment gekomen dat je zei: “Here God…” (het komt vanzelf verderop in deze brief) “Here God, ik heb gezondigd. Ik ben een zondaar en ik kan niet eens anders. Wat ik wel wil dat doe ik niet en wat ik niet wil dat doe ik wel”, weet je wel. Een soort conflict, een soort innerlijke strijd in jezelf, waar je helemaal niet uitkomt. Deze brief. En dan is er ineens bevrijding! Gerechtvaardigd op grond van geloof! Zo is er geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn! En de Heilige Geest als onderpand, als een geweldige zegen van God, ín jou! Deze brief. Ik hoop dat het een hele bijzondere ervaring wordt voor je. Maar er moet wel een moment komen dat je de Here Jezus leert kennen. De roepstem van God horen. Daar moet je oren voor hebben. En als je stókdoof bent, kun je nóg horen! Want het heeft ook met je hart te maken. Zou je willen? Als dat zo is, blijf dan alsjeblieft achter vanavond en laten we dan maar gaan bidden. Je kunt het krijgen. Het is een bijzondere genade van God dat we de Here Jezus kunnen leren kennen. Je mag, vanaf dat moment mag je zeggen: “Ik hoor ook bij die geroepenen. God heeft mij geroepen.” “Adam, waar ben je?” Je zou eigenlijk allemaal je eigen naam moeten scanderen: “Dato waar ben je?” Nou, ik kan makkelijk zeggen: “Op een podium, ergens in Het Trefpunt in Veenendaal.” Maar ik bedoel eigenlijk: “Waar zit je?” Heeft de Here dan belang bij mij? Ja, Hij heeft belang bij mij. Hij wil zo graag dat ik gelukkig ben. Hij wil zo graag dat ik behouden word. Hij wil zo graag dat ik heel bijzonder ben. En Hij zal je uit de doeken wat voor zegen allemaal voor jou klaarligt; geweldig. En Paulus zegt: “En ik ben een apostel, een gezondene van God, apart gezet om een heel bijzonder verhaal te vertellen”. Hij noemt zichzelf een geroepen apostel, een dienstknecht van Jezus Christus. Eerst dienstknecht en daarna geroepen apostel. Hij wil dienen. Hij wil knecht zijn. Iedereen die de Here Jezus heeft leren kennen, zal ook beseffen dat de Here Jezus, de Here is, de Koning is, de Gebieder is. En dat wij in feite alleen maar knechtjes zijn. Hij de Herder en wij de onderherdertjes. Soms herdershonden, maar goed, in elk geval ónder de Herder. Altijd een knecht. Dienstbaar. Op Hem, op onze Here Jezus gericht. Maar Paulus heeft het evangelie in een heel bijzonder daglicht mogen stellen. En dat is het eerste wat ik eigenlijk met jullie delen wil. Het Evangelie van God aangaande Zijn Zoon. Er is in de bijbel – ook in deze brief aan de Romeinen – sprake van een Eeuwig Evangelie. Nog een paar zinnen verder in deze brief en je zult ontdekken dat mensen uit de schepping, uit de werken van de Here, Zijn grootheid kunnen leren kennen. Ik denk dat dit precies hetzelfde is als in het boek Openbaring waar het Eeuwig Evangelie klinkt. En als u daar een voorbeeld van wilt, dan hebt u een heel bijbelboek in het Oude Testament van iemand die op zo’n manier gelovig werd. Job. Nergens staat dat Job met Mozes gepraat heeft of met Abraham. Of dat er een profeet bij Job geweest is. Uit alles blijkt dat Job vroom was, Godvrezend was – week ook van het kwaad – en hij heeft geen boeken. Hij heeft geen bijbel gehad. Niets. En toch gelovig. Nog sterker: heel bijzonder gelovig, vroom. En Job heeft de Here leren kennen uit Zijn werken. En als de Here met Job spreekt, dan gaat de Here ook niet zeggen: “Dat had je kunnen lezen” of “Dat had je in boek A of in boek 15 moeten lezen.” Niets. “Job, Ik wil eens met je spreken over sneeuw en over de krokodil. En Ik wil met je praten over het paard. En ik wil met je praten over de sneeuw en over het ontbieden van de dageraad.” De dingen die je gewoon kunt waarnemen. Kan dat vandaag nog? Ja. Komt het nog voor dat er mensen daardoor tot bekering komen? Ja. Is dat ook in Nederland zo? Dat is een hele moeilijke. Ik kan natuurlijk niet roepen: “Nee dat kan niet”; want dat kan wél. De Here zegt: “Dat kan wél.” Maar in het algemeen zou er in Nederland een ander geluid ook te horen moeten zijn. Minstens een ander geluid óók te horen moeten zijn. Het Eeuwig Evangelie blijft, dat is gewoon niet weg te denken. Ik vergeet nooit meer dat er ergens in het zuiden van ons land – daar zit een nogal groot bedrijf gevestigd – en daar was een doctor, doctor zo en zo bezig met een computer te ontwikkelen samen met een stelletje ingenieurs. Een computer die ook kon ruiken. Dat was de opdracht. Daar hebben ze aan gesleuteld, daar hebben ze over gedacht en daar hebben ze mee gewerkt. Ze hebben allerlei proeven gedaan. Van alles gedaan om zo’n computer voor mekaar te krijgen die ook zou kunnen ruiken. De vrouw van deze zeer geleerde heer kwam op bijbelstudies, die hebben wij daar leren kennen. “Mijn man,” zei zij, “is niet gelovig.” Toen hij acht of negen jaar aan dat project gesleuteld had, heeft hij een eindrapport geschreven, zijn baas ingelicht en gezegd: “Dit kan niet.” En op hetzelfde moment wist hij dat hij fout zat. Want God bestaat! Uit Zijn werk, langs een enorme omweg, maar ineens komt hij tot de conclusie: “Hoe dit kan weet ik niet, maar God bestaat.” Dat is zijn redding geweest. Hij heeft de Here Jezus leren kennen. Waarom? Uit Gods werken. Het feit dat jij simpele dingen kunt opsnuiven, kunt ruiken en dat zelfs een bepaalde reuk van thuis van vroeger – wat ook – ergens in je geheugen is opgeslagen en dat je vijftig jaar later nog precies dezelfde reuk kunt herproduceren, terug kunt roepen. Geweldige dingen. Gods werk, in jou. Het Eeuwig Evangelie, het is er nog steeds. Dat is ook in Zambia en in Kenia en ergens in Rusland, het is er overal. Daarom heeft geen mens ook enige verontschuldiging, dat is de taal van deze brief en daar komen nog wel aan toe. Maar er is niemand die meer zeggen kan: “Ja, maar ja, God heeft ons niet bereikt. We hebben geen bijbeltje, er is nooit een zendeling geweest. Er is nooit iemand met een vliegtuigje over onze stam gevlogen met een hele parachute vol met bijbeltjes gedropt ofzo, dat is nooit gebeurd! Dus, ja, Here God, U kunt wel wat zeggen, maar wij konden er toch ook niets aan doen!!” Nou zegt de bijbel: “Jawel, want je had die bloemetjes wel.” Geldt dat ook voor de Nederlanders? Ja, dat willen ze heel graag, die zeggen: “We gaan niet naar de kerk, we gaan naar het bos. Want de bossen en de bomen zijn veel leuker dan de bloemetjes. En ik praat gewoon tegen boom A en boom C.” Dat kan. Misschien wordt het tijd dat je eens naar een psychiater gaat, maar goed. Het kan wel. Feit is, dat die bloemen wel terdege iets zeggen. Volgens Psalm 19, is het een taal. Niet een taal van woorden, maar het is wel een taal. Het is wel een taal! En je kunt nooit maar dan ook nooit ontkennen dat er een soort stempeltje van God op elk bloemetje staat: “made by God”, zoiets staat er dan op. Niet “made in China”, dat is vandaag – en Korea enzo, dat is helemaal in. Maar dit is door God gemaakt. God heeft dit gedaan. Het is het Eeuwig Evangelie. Ik hoop dat in de gebouwen waar we zijn, waar jij komt ook een ander evangelie klinkt. Er is een tweede evangelie in het Nieuwe Testament, en dat wordt genoemd: het Evangelie van het Koninkrijk. Johannes de Doper: “De koning komt er aan! De Koning komt eraan! Zorg dat je klaar bent! Kom, bekeer je! Kom!” Nou, daar stond hij bij de Jordaan. Horden uit Jeruzalem en weet ik veel waar vandaan. Ze kwamen naar Johannes de Doper en ze hebben zich laten dopen. Ze hebben zich bekeerd en ze hebben gewacht op de komende Koning. En Johannes de Doper zei: “Ik ben de voorloper, ik ben een soort heraut.” Dat is het Evangelie van het Koninkrijk. Dat is ook een evangelie. En dat evangelie zal nog een keer verkondigd worden. Daar kom ik op terug, daar mag u mij aan houden. Als wij weg zijn – ik bedoel niet uit deze zaal vertrokken zijn, maar als we naar de Heer zijn gegaan – als de opname van de Gemeente heeft plaatsgehad, dan klinkt datzelfde evangelie opnieuw: “De Koning komt! De Koning komt! De Koning komt eraan! Hij komt! Hij komt! Hij komt!” Het Evangelie van het Koninkrijk. Maar nu zegt Paulus dat er nog een derde evangelie is. Hier, in ons stukje, zelfs in onze tekst van vanavond. En dat is het Evangelie van God aangaande Zijn Zoon. Ik mag u zeggen dat Paulus daar hele, hele bijzondere dingen van schrijft. En ik wil u vertellen dat dit Evangelie van God aangaande Zijn Zoon te maken heeft met een gigantisch plan van God om de Here Jezus het centrum te laten zijn van een heel bijzonder gezelschap. Misschien klinkt het u bekend in de oren en misschien hebt u dit vaker gehoord. Dat zou kunnen. Daarom – ik las het al voor – God heeft gekend, God heeft bestemd, God heeft geroepen; maar God heeft bestemd, jou en mij bestemt, tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon. Waarom? Opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broederen. Dat betekend dat onze redding niet eens primair vanwege onze zonden is, maar dat de redding primair een plan van God is. Een hele duidelijke bedoeling heeft om de Here Jezus te laten schitteren. Het Evangelie van God aangaande Zijn Zoon. Om die Zoon te laten schitteren. Om die Zoon een plaats te geven in de eeuwigheid. Niet alleen – “het is niet goed dat de mens alleen is”, sorry voor die tekst die ik zomaar uit Genesis pluk – maar om die Zoon te laten vergezellen van heel bijzonder gezelschap verheerlijkte lieden. Nou, dat is dus pak één. Is dat onze kleding? Natuurlijk niet. Dat zijn de klederen van het heil, dat is de mantel van de gerechtigheid, dat is dát wat God je geeft, heel bijzonder aan jou geeft, om aan het beeld van Hem gelijkvormig te zijn. Waardoor Hij in dat gezelschap torenhoog gaat schitteren. Dat is het plan van God. En dat Evangelie van God aangaande Zijn Zoon is hét onderwerp van Paulus. Daar heeft Hij het over. Daarom worden die brieven wel eens “moeilijke brieven” genoemd. Nou, ze zijn ook niet zo makkelijk, maar dat is een heel bijzonder onderwerp. Ik zal dat met een simpel voorbeeld duidelijk maken. Als de verloren zoon terugkomt van ver weg geweest. Zijn vader ziet hem. Hij zegt tegen zijn vader: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. Ik ben niet meer waard uw zoon te heten.” Hij had nog meer willen zeggen “maak mij als één van uw huurlingen”. Maar dat lukt de man niet meer, want de vader die… gelijk de mond gesnoerd. Prachtig hé? Dat de Vader jou de mond snoert! Je kunt niet eens zeggen: “maak mij maar als één van uw huurlingen.” Daar krijg je niet eens de kans voor. En wat gebeurd er dan? “Haalt het beste kleed!” Nou, dat heb ik wel eens genoemd, ook wel eens in Veenendaal genoemd: dat is de dienst van Paulus. “Doe de ring aan zijn vinger!” Dat is de dienst van Petrus. “Doe schoenen aan zijn voeten!” Dat is de dienst van de apostel Johannes. “En slacht het gemeste kalf!” Dat zijn de evangeliën. Het is alsof het hele Nieuwe Testament in één keer naar je toegegooid wordt. Hier heb je het! Een compleet pakket aan zegeningen. Maar hét beste kleed: God ziet je vanaf nu ín Christus. Het Eeuwig Evangelie van God ín Zijn Zoon. Aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig geworden. In Hem. Aangenaam in Hem. Buitengewoon gezegend in Hem. Geweldig rijk in Hem. Een enorm pakket aan zegeningen krijg je zomaar toegegooid. Dat is het Evangelie van God aangaande Zijn Zoon. Daarover heeft Paulus het nu. En als hij dan – niet in deze brief maar in de brief aan de Efeziërs – daarover praat, dan zegt hij: “Ik bid elke dag (ik dank ook voor jullie, maar ik bid ook) dat de Geest van Wijsheid en van Openbaring jullie gaat vertellen welke zegeningen jullie allemaal te pakken gekregen hebt. Dat je eindelijk ogen krijgt voor het enorme vergezicht.” Dat is veel meer dan schulddelging. Dat is veel meer dan vergeving van je zonden. Daar waren wij al gelukkig mee: mijn schuld weg, mijn zonden voor altijd vergeven. God zegt: “Nee, dat moet ook, want Ik had al een plan met jou vóór er zonde was. Ik wilde al dat je bij de Here Jezus zou zijn voordat Adam en Eva de fout ingingen. Dat dit zondeprobleem opgelost moest worden, jazeker, dat moest ook opgelost worden. Maar Ik had al dit soort gedachten over jou voordat er überhaupt iets misging!” Ja, dan duizelt het ons en dan beginnen wij natuurlijk te redeneren. Zeker hier in de omgeving. Dan beginnen we gelijk van: “O ja, nou ja, dus de Here God heeft mij uitgekozen om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn en de buurman misschien wel niet. Dus dan heeft de Here God de buurman uitgekozen om verloren te gaan.” Weet je wel, dit soort redenaties. U kent ze allemaal, u hoort ze altijd. En dan wordt er een mooie tekst aangeplakt: “Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb ik gehaat.” Nou, daar ben je mooi klaar mee, met die tekst. Weet u dat die tekst over Jakob en Ezau in Maleachi staat? Dat is het laatste bijbelboek van het Oude Testament! Weet u dat? Het laatste bijbelboek: “Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat.” Staat dat in Genesis waar het verhaal van Jakob en Ezau te vinden is? Nooit een keer! Daar vindt u het niet. En de Here God zegt ook niet dat Hij Ezau gehaat heeft; dat Hij hem voorbestemd heeft om verloren te gaan. Dat hij had kunnen ploeteren wat hij wilde, hij had zich kunnen bekeren, honderd keer kunnen bekeren, maar hij was tóch verloren gegaan, want hij was Ik heb hem gehaat.” Staat dát er? Nee, dat staat er niet! Het vólk Ezau! Edom, die altijd tegendraads zijn geweest. God zegt: “Daar kan Ik niets mee.” God wil niet dat er één verloren gaat. God wil niet dat er één verloren gaat. Van alle mensen die er nu, hier in de zaal zitten: God wil niet er één verloren gaat. Hij wil dat ze tot behoudenis komen. Je kunt nog “nee” zeggen, dat is het enige. Als je “nee” zegt, dan heb je een probleem. Je moet niet zeggen dat God je niet uitkiest. Dat God je niet wil. Dat God je gewoon laat martelen, of spartelen, of bijvoorbeeld: “Doe maar wat, want je komt er toch niet.” Alsof je een worst voorgehouden krijgt aan een stuk touw, en je kunt rennen wat je wilt maar je komt er toch nooit bij; het is nét altijd te ver, altijd te ver. Dat is de Here God niet. De Here God heeft de wereld lief. Hij wil niet dat de wereld verloren gaat. Hij wil dat de mensen behouden worden. Dat ze de Here Jezus leren kennen als hun Heiland, als hun Verlosser. Maar dat doet niets af van het feit dat God hoe dan ook, ook nog, extra, een gezelschap wil bij de Here Jezus. De Gemeente van God die te Rome is, behoort tot dát gezelschap. De Gemeente van God die hier is, behoort tot dát gezelschap. Het Evangelie van God aangaande Zijn Zoon, is zó verstrekkend, is zó enorm hoog, dat ik je zou willen aanraden om er een poosje over na te denken vanavond en morgen en overmorgen. Want die Zoon, is ook niet zomaar Iemand – zegt Romeinen 1 – die Zoon, is verklaard Gods Zoon te zijn, God Zelf te zijn, door dodenopstanding! God heeft laten zien dat Hij God Zelf is. Hoe dan? Door dodenopstanding. Heeft dat te maken met het dochtertje van Jaïrus? Ja. Heeft dat te maken met Lazarus uit dat graf roepen? Ja. Heeft dat te maken met de jongeling te Naïn? Ja. Daar heeft het óók mee te maken. Maar het heeft vooral te maken met: Hijzelf stond op. Hij had macht Zijn leven af te leggen, en macht om dat ook weer te nemen. Het heeft vooral te maken met Hemzelf. Er zijn 2 uitdrukkingen: Hij is opgewekt – de Here Jezus, nadat Hij het kruis enzo gehad heeft – opgewekt door de majesteit van de Vader of door de heerlijkheid van God opgewekt; God heeft Hem opgewekt uit de doden; God heeft Hem uit de doden teruggeroepen. Maar er is ook in de Schrift – heel concreet – Hij is opgestaan. De Zoon van God stond op in eigen kracht. Zelfs die uitdrukking is al een beetje verbasterd in de liederen: “door ’s Vaders macht” daar is weer een soort verzachtende lijn aan toegevoegd, van “eigenlijk geloven we dat niet zo meer…”. Nou, dit is wél het onderwerp. Dit is wél het onderwerp. Hij, de Here Jezus, verklaard God te zijn, door dodenopstanding. Dat is het bewijs! Daarom is dat niet zomaar iets in 1 Korinthiërs 15, als gezegd wordt dat dit niet kan, dan gaat er een soort fundament verscheurd worden, en daar gaat Paulus héél fel tegenin. De Here Jezus, jouw Heiland, jouw Verlosser, die is door de Geest der Heiligheid, verklaard Gods Zoon te zijn, door dodenopstanding. Je hebt dus een bewijs. Dodenopstanding en je heb het bewijs dat God de Heilige Geest het verklaart. De Heilige Geest verklaart. Aan wie? Aan ons. Aan jou. In ons hart, in ons denken, in ons leven. De Heilige Geest die ín ons kwam nadat we geloofden, nadat we de Here Jezus leerden kennen als Heiland en Verlosser, is de Heilige Geest in ons gaan wonen. En die Heilige Geest in mij verklaard: “Gods Zoon! Dodenopstanding.” Dat zijn buitengewone dingen. Jij en ik die nu horen bij de Gemeente, mogen ons “geroepen heiligen” noemen. Om aan het beeld van onze Here Jezus gelijkvormig te zijn. Om bij Hem te zijn. Om Hem eer en glorie te geven. Om die schitterende zegenplaats mee te krijgen, mee te beleven rondom de Here Jezus en bij de Here Jezus. Gelovigen in het tumult van het politieke leven te Rome, jullie zitten goed! Anderen zeggen: “Jullie zitten goed, want jullie zitten vlak bij de keizer.” Nou, dat was zeker geen plus in die tijd, want ze waren ook het eerst aan de beurt om voor de leeuwen gegooid te worden. Dat gebeurde ook in diezelfde tijd. Ze zaten helemaal niet goed. Maar ze krijgen een brief: “Jullie zitten heel goed, want jullie zijn heel bijzonder. Jullie zijn zeer, zeer rijk en zeer gezegend. En de Here Jezus is jullie Heiland, jullie Verlosser, want Hij is God de Zoon. En God de Zoon is de Erfgenaam van alles. Hij is de Mensenzoon die uiteindelijk als een Koning zal komen.” En wij krijgen dan genade en vrede van God onze Vader toegewenst en van de Here Jezus Christus. Nou, dat is een mooie zin, een volzin aan het begin van de preek. Zo begint het heel vaak: “Genade zij u en Vrede…” U kent het. Ik wil het niet afzwakken, laat maar staan. Dit is het Woord van God en wat het Woord van God zegt dat is waar. Maar jij en ik toegewenst: Genade zij u en Vrede. Er zijn liederen op gebaseerd. Het Woord van God zegt het. Genade zij u en Vrede van God onze Vader. God, onze Vader. En van Jezus Christus, de Here. Wij zijn buitengewone lieden, in een enorme tijd, een moeilijke tijd. Toen en nu. Die parallel wordt wel heel, heel scherp. Toen en nu. We hebben te maken met enorme aanvallen. Ik durf het al bijna niet te noemen maar ik ga er wel recht voor hoor, maar als je het hebt over mannen met mannen. Dan kom ik met Romeinen 1 aan, en dan zeg je: “Ach, Páúlus…pff, Paulus.” Nou, daar gaat ’t ie. Ik probeerde zonet duidelijk te maken dat het de bediening van Paulus was om je het Evangelie van God aangaande Zijn Zoon te vertellen! Zodra je één klein stukje tekst uit Paulus apart haalt, begrijpt u wat ik bedoel? We leven in dezelfde moeilijke tijd. En het is heel moeilijk om de normen en waarden van de Schrift – ik zeg het nu maar een beetje politiek gekleurd – om die overeind te houden. En om onze houding naar onze overheid toe, overeind te houden. En het is ook moeilijk om vandaag te blijven zeggen hoe je dan tot de Here Jezus kunt komen, hoe je in de hemel kunt komen. En als je dan zegt: “Alleen maar door geloof in Hem”, ja dan discrimineer je, dat mag je al niet meer zeggen. Dan ben je al weer over een soort grens gegaan. Deze brief. En als iets zegt over de schepping, over het milieu en hoe dat allemaal moet… Ik geef het u te doen. Het Midden Oosten probleem? Het is deze brief. Deze brief. Al die dingen komen aan de orde. Want het gaat door alles heen, om slechts één Iemand en dat is onze Here Jezus Christus. Ik hoop dat je Hem kent. En ik hoop dat je van Hem houdt. Ik hoop dat je nu tegen Hem zegt: “Here Jezus, U bent wel heel bijzonder. God heeft een plan met U. God heeft een geweldig plan om U een gezelschap van verheerlijkte lieden te geven die om U heen zijn, die allemaal in hetzelfde pak gestoken zijn, die allemaal de klederen van het heil hebben. Verheerlijkt zijn. En die allemaal zó prachtig zijn waarbinnen U heel bijzonder bent.” Als u twintig presidenten op een rij zet – of regeringsleiders, dat is misschien wat logischer – en je ziet een foto in Brussel, of weet ik veel waar, in New York of in Washington, en daar staat onze hooggeachte JPB ook bij. Dat is prachtig. Maar ja, ze zijn allemaal ongeveer gelijk. Ja, we voelen aan, dat is toch de president van Amerika, dat is de regeringsleider van daar, en dat is die van Engeland en die is van Parijs enzo; die voelen we wel een beetje als meer dan dat kleine landje waarin wij wonen en leven. We zijn allemaal gelijk. Maar stel je voor dat je zo’n aantal keizers zou zetten op een rij, of zo’n aantal kerkvorsten. Want die lopen er heel anders bij, niet alleen in Polen hoor, maar ook in andere gebieden. En stel dat je een hele rij van dit soort kerkvorsten, dat die hier zitten. En dan zou er één echt heel concreet uitspringen, die zou er bovenuit steken in alle glorie en veel meer schittering en veel meer majesteit hebben dan al die anderen. Dát valt op. Als je datzelfde aantal gewone mensen op een rij zet vanavond, hier in deze zaal, dan is er eigenlijk niemand die er torenhoog bovenuit steekt. Ja, alleen André, maar die is toevallig een kop groter. Maar ik bedoel niet om zijn kleren of om wie dan ook. Maar de Here Jezus, Hij steekt écht mijlenver boven alle anderen uit. En diezelfde Here Jezus is God, de Zoon. Diezelfde Here Jezus is voor jou aan het kruis gestorven. Diezelfde Here Jezus leeft voor jou; en bidt voor jou; en zorgt ervoor dat jij daar komt. Diezelfde Here Jezus, Hij is steeds voor jou… Hij blijft bij je. Hij wil om je heen zijn. Hij wil je tillen. Hij wil je bewaren. Hij wil je nabij zijn. En diezelfde Here Jezus heeft dienstknechten – “dienstknecht van Jezus Christus” – heeft apostelen uitgestuurd om je dit te vertellen. Om je te bemoedigen. Om je vandaag een hart onder de riem te steken; om je vandaag heel bijzondere zegen aan te reiken. Die zegen wil ik je graag toewensen, voor nu, maar ook voor de komende samenkomsten waarin we het over dit onderwerp gaan hebben. We hebben maar een heel klein stukje inleiding gehad – het Evangelie van God aangaande Zijn Zoon. Ik hoop dat dit blijft hangen: Dat de Here Jezus verklaard is Gods Zoon te zijn, door dodenopstanding; en dat ons genade en vrede wordt toegewenst, omdat we geroepenen zijn, buitengewoon gezegend zijn. Jij en ik, heel bijzonder. De Here zegene ons. Amen.

Ik wil graag een gebed uitspreken:
”Onze God, onze Vader, dank U wel voor Uw plan met de Here Jezus. Dank U wel voor wat U met Hem gaat doen in de toekomst. U laat Hem schitteren. U laat Hem glorie krijgen zoals nog nooit is geweest. En U wilt ons daarin ook een plekje geven. We danken U dat we een brief hebben die daarover gaat. Een brief ook, in de druk van de tijd, in de politieke arena van toen en van nu. We willen U daarom bidden of de brief die toen aan de gelovigen in het Romeinse Rijk werd geschreven, dat die brief die vandaag tot ons komt als tot gelovigen in het Romeinse Rijk; dat we dat gaan pákken, dat we dat gaan snappen. En dat we daar ook onze winst mee zullen doen. Wilt U zo dit Woord heiligen en zegenen? En laat het alstublieft zo mogen zijn dat, door alles heen, onze Here Jezus omhoog gehouden wordt. Nóg groter wordt. Gaandeweg, zó groot, zó verheven is, dat we alleen maar kunnen jubelen en danken en eer brengen aan Hem. We prijzen U dat U dat gaat doen. Amen”