Romeinen 6 : 15 – 23

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 10. Koper, hout en zilver

Bijbellezing over de brief van Paulus aan de Romeinen,
door Dato Steenhuis, 13 mei 2007
Romeinen 6 vers 15 – 23
15] Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet, maar onder de genade zijn? Volstrekt niet!
16] Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?
17] Maar Gode zij dank: gij wáárt slaven der zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is;
18] en, vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de gerechtigheid.
19] Ik zeg dit van menselijk standpunt om de zwakheid van uw vlees. Want gelijk gij uw leden gesteld hebt ten dienste van de onreinheid en van de wetteloosheid tot wetteloosheid, zo stelt nu uw leden ten dienste van de gerechtigheid tot heiliging.
20] Want toen gij slaven waart der zonde, waart gij vrij van de gerechtigheid.
21] Wat voor vrucht had gij toen? Dingen, waarover gij u nu schaamt; immers, het einde daarvan is de dood.
22] Maar thans, vrijgemaakt van de zonde en in de dienst van God gekomen, hebt gij tot vrucht uw heiliging en als einde het eeuwige leven.
23] Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.
Ik weet niet of iedereen er was, de vorige keer. Bas van de Bosch was er niet, en Plonie ook niet; en Joop de Pauw niet en dan houdt het een beetje op. Maar velen waren er wel, de vorige keer. En we hebben samen gesproken over dat hele bijzondere thema van eind hoofdstuk 5 en begin hoofdstuk 6 – dat we van het ene terrein naar het andere terrein zijn gegaan en gekomen. U weet het nog. Wij bevonden ons op het terrein van de zonde en van de dood en we zijn gekomen op het terrein van leven en gerechtigheid. Dat is hele moeilijke taal, dat is helemaal niet zo gemakkelijk en tóch is het heel uniek dat jij je hier, zelf, mag zien op een nieuw terrein, op een nieuw gebied. Slaven van de zonde waren we. We dienden de zonde en we kónden niet eens anders! Je wilde soms wel anders, maar dat lukte niet eens. Je kwam er eigenlijk niet af, iedere keer bleek opnieuw dat die zonde zo’n enorme, zo’n enorme aantrekkingskracht heeft. Nog sterker, een soort wortel in ons is, aanzettend tot zondigen en je komt er nooit vrij van. Hoe kom je ooit van dat probleem af? Er is maar één oplossing en dat is sterven. Bedoelen we dan dat je inderdaad ergens begraven moet worden of dat er rouwklagers rond moeten gaan om dat in de taal van de bijbel – van Prediker 12 – te zegen. Met Christus sterven, dat was de oplossing. Met Hem gekruisigd, met Hem gestorven, met Hem begraven, door de doop tot de dood. Gebracht op de plaats van de dood, maar ook met Hem herrezen, met Hem opgestaan in nieuwheid des levens. Een hele nieuwe situatie, een nieuw terrein zijn we binnengekomen. Dat nieuwe terrein is het terrein waar de Here Jezus gediend wordt, waar de zonde niet meer heerst, waar gezag van Hem heerst en waar gerechtigheid is – Gods gerechtigheid. Gods gerechtigheid. “Wij dan gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God, door onze Here Jezus Christus.”, zo begon hoofdstuk 5. En dat is zo doorgegaan: van het ene terrein op het andere terrein gekomen. Daartussen zit de doop. Dat hadden we de vorige keer, daar ga ik niet nog een keer over praten. Met Hem gekruisigd, met Hem gestorven, met Hem begraven – en in beeld laat de doop dat zien – ten onder gegaan, helemaal weg. Wég maar ook op een nieuw terrein gekomen. Zoals Israël toen ze uit Egypte trokken, door de Schelfzee ging – dat is ook een beeld van de doop, nadrukkelijk niet mijn uitleg maar dat staat in de bijbel – en op een ander terrein kwam, een nieuw gebied kwam. Waar die Farao van vroeger, waar die machthebber van Egypte geen macht had, en ze de Here gingen prijzen en de Here gingen dienen en Hem gingen grootmaken. Een heel nieuw terrein. En ik wil zo graag helder zijn! Lieve mensen, iedereen hier, zou eigenlijk heel helder moeten hebben en heel duidelijk moeten durven zeggen en moeten kunnen zeggen: “Ja, ik ben ook van dat ene terrein op het andere terrein terechtgekomen. Ik was een slaaf van de zonde. Ik diende de zonde. Ik kon ook niet eens anders. Ik wilde mijzelf wel verbeteren! En ik heb net als ik weet niet hoeveel pogingen om van je kilo’s af te komen, iedere keer weer een nieuwe poging gewaagt, maar dat is iedere keer weer mislukt; het is iedere keer weer anders uitgepakt, anders geworden. Maar toen, ja toen kwam die radicale oplossing! Ik ging eraan! En de wet, ja die geldt alleen maar voor mensen die leven. U weet best als ik ik-weet-niet wat uitgespookt heb, en oom agent komt vanavond arresteren en ze komen binnenstappen en ze zeggen tegen Hennie: “Waar is Dato?” en Hennie zegt: “Hij is daar en daar” en ze komen in mijn studeerkamer en ik lig daar op de grond en ik ben gestorven, nemen ze dan een lijk mee? Ja dat is een beetje luguber. Nee, oom agent gaat weg, want: “Ja, we zijn geen begrafenisondernemer.” Ze gaan weg. Ze arresteren geen lijk. Ze hebben ook geen opbergplek in het politiebureau voor lijken. Sorry, raar gezegd, maar ik wil het zo graag helder hebben. Voor jou, dat jij je echt gaat realiseren dat de wet geldt zolang iemand leeft. Het hele wettelijke apparaat stond voor de deur in oom agent, hij had de hele rechtelijke macht achter zich, en dat stopt als degene om wie het gaat sterft. Dat is de taal van Romeinen 6. Ben je gestorven? Met Christus gestorven? Met Christus gekruisigd, met Christus gestorven…Is het zo dat de Here Jezus voor jou en voor jouw schuld álles in orde heeft gemaakt? En dat God je ziet alsof jij, daar aan het kruis, met Christus gekruisigd bent, met Christus gestorven bent en dat je er gewoon niet meer bent? Een nieuwe schepping! Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen! Het is alles anders. Het is geweldig! Een gelovige is een heel bijzonder iemand. Dat roep ik ook wel eens. Als gelovigen hier op aarde rondstappen dan zeggen we: “Dood in zonde en misdaden.” Een dode hond. Taal uit de reformatorische hoek maar ook uit de evangelische hoek. En als iemand – zo’n gelovige – gestorven is, dan zeggen we: “Ja, hij leeft.” Heel merkwaardig spul. Als de mensen leven dan zeggen ze dat ze gestorven zijn, en als ze gestorven zijn zeggen ze dat ze leven. Maar het is wel waar! Het is echt waar. De bijbel zegt dat gelovigen van het ene gebied op het andere gebied, van het ene terrein in het andere terrein zijn gekomen. Niet meer om de zonde te dienen, niet meer om door de wet opgelegde dingen te doen, maar omdat we vrij zijn, omdat we de Here willen dienen en Hem willen grootmaken. Wat was de vrucht die we vroeger hadden? Nou, de vrucht van al ons geploeter, was uiteindelijk: oordeel, dood, onreinheid. Taal uit Romeinen 6 het laatste stukje. En nu worden wij verondersteld opnieuw vrijgemaakt van de zonde, opnieuw vruchten voort te brengen en dat is heiliging. En als einde eeuwig leven. Vrucht vandaag heiliging, en het einde eeuwig leven. Dat stond in ons stukje. Hoe maak je dit nu duidelijk? Hoe krijg je dit helder? Iemand vroeg: “Bent u gedecoreerd? Hebt u ook een lintje gekregen?” De burgemeester is niet langs geweest. Ik had wel verwacht dat hij zou komen maar ik was kennelijk nog niet aan de beurt ofzo. Flauw. Een ander zei: “Is dit het laatste sigaartje? Toen je niet meer ging roken heb je dit..?” Nou ik heb gerookt als een schoorsteen – zo zeggen we dat – maar dat is echt al een groot aantal jaren geleden. Dit is wat anders. Sommigen van jullie weten precies wat ik bedoel. Ik kan me herinneren dat we in Veenendaal een aantal studieavonden hadden over de tabernakel. Dat heb ik gedaan en toen heb ik gezegd: We zouden eigenlijk een speldje moeten maken van een pilaartje uit de voorhof van de tabernakel. Een koperen voetje, een zilveren kop een stukje acaciahout daartussen. Feitelijk geeft dit bijna alles aan. En dat moet niet zo’n klein speldje zijn als nu, dat moet eigenlijk een hele grote zijn. Je komt altijd moeilijk aan de bak bij buren – over je geloof praten is niet zo makkelijk – maar als je zo’n grote speld zou hebben, dan vraagt de buurvrouw morgenochtend: “Zo, zo, rommelmarkt geweest?” “Nee, nee, nee, dat ben ik!” “O ja?” Nou, je begint gelijk over die mooie foto van je, over die schitterende foto, die laatste, dat ben ik! Acaciahout: bikkel, bikkelhard! Niet te bewerken. Er is geen beitel scherp genoeg om een acaciastam te bewerken. Dat is echt waar hoor. Het enige materiaalsoort uit de woestijn dat voorhanden was om een huis voor God te bouwen wat acaciahout. Ander hout was er niet. En het is héél moeilijk te bewerken. De acacia – zei ik al – is bikkel en bikkelhard! Het is heel grillig van vorm, het is van boven één grote warboel, al die takjes door elkaar. Echt, het is een soort doornachtige boom met een enorme kruin en ook nog wat vruchtjes maar dat zijn wel doornachtige vruchtjes. En dan wordt ons – als je een boom in de woestijn wilt laten groeien, wilt laten blijven groeien, nou dan moet je van goeden huize komen, dan zit je behoorlijk stevig in de grond. Een acaciaboom. Van dat materiaal, er was ook geen ander materiaal, is het eerste huis van God gemaakt. En zo’n boom werd dan omgekapt, gehakt, die vielen. Ik geloof stellig dat in het omhakken van een acaciaboom eigenlijk de bekering van jou en van mij zichtbaar is. Daar lig je dan! Eindelijk geveld. Ja, het koste ontzettend veel moeite om iemand van zo’n stam af te krijgen, van zo’n ondergrond vrij te krijgen. En het kost ook veel moeite om van zulk materiaal nog een beetje een rechte plank te maken, want ze zijn grillig van vorm, de acaciaboom. Het zijn niet van die dichte naaldboomachtige recht-toe-recht-aan opgroeiende, oprijzende bomen waar je mooie planken uit kunt maken. Nee, het is allemaal uitwas, het is allemaal grilligheid. Maar van zulke materialen werd destijds het eerste Huis van God gebouwd. Ik vind het een foto van mij. Maar wat gebeurd er dan? Nou, zo’n boom werd gehakt, omgelegd. Daarna geschikt gemaakt om pilaar te zijn en daarna voorzien van een koperen ondergrond. Nu moet u even iets slikken, even aannemen: koper betekent in de bijbel altijd: onaantastbaar voor het vuur. Het koperen brandofferaltaar. Als je vandaag een deur, een koperen deur in een koperen sponning hangt en je doet dat goed zuiver, dan is je brandpreventie super, geweldig. Nog steeds. Onaantastbaar voor het vuur. “Zo is er geen veroordeling voor…” Ja, want de Here Jezus is in het vuur geweest! Hij heeft Zijn leven gegeven. Hij heeft alles gegeven wat Hij te geven had en jij en ik zijn vrij. En aan de bovenkant voorzien van een zilveren kop. Zilver staat in de Bijbel altijd voor de prijs die voor de verzoening is betaald. Als God naar beneden kijkt ziet Hij de prijs die voor de verzoening is betaald. Zoengeld. Aha, dus ik zit tussen koper en zilver gevat? Ja! Op een koperen ondergrond, onaantastbaar voor het vuur. Zal ik het gewoon zeggen? Er is geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn! En van boven gezien: het is de prijs die voor de verzoening is betaald, het werk van de Here Jezus. Zie je wel dat dit een foto van jou is? Zulke pilaartjes werden gebruikt om in de woestijn rechtop te staan. En die hadden één taak maar en dat was het linnen, het witte linnen op te houden. En zij markeerden de plaats waar de Here woonde. Zij lieten zien: dáár is het Huis van de Here. Zij waren de ingang niet, er was maar één ingang bij de Tabernakel. Maar als mensen tegen zo’n gordijn aanliepen… ja, dan kwamen ze als ze doorliepen, altijd bij de ingang uit. Linksom of rechtsom. Een langere of een kortere weg, maar ze kwamen altijd bij de ingang uit. Zal ik het gewoon zeggen? De tuinman in Ethiopië liep tegen het gordijn aan. Hij zag aan hun gedrag, aan hun houding, aan hun leven, daar zit meer achter. En hij is die omheining gaan volgen, komt bij de ingang – er is maar één ingang. In die prachtige witte omheining is maar één kleurrijke ingang, vroeger was dat de ingang om in de voorhof te komen. En als je daar binnenstapte, liep je pardoes tegen het koperen brandofferaltaar aan. Liep je pardoes tegen het offer aan. Liep je pardoes tegen dat wat de priesters daar deden aan. En je stond als het ware midden in de dienst van God. Het eerste wat je echt ontdekt, is Het Offer. Kan ik het duidelijker zeggen? Snapt u een beetje waarom ik nu, vanavond dit kleine speldje weer opgeduikeld heb? Ik wilde wel een hele grote, maar dat is zo opzichtig. Maar zo’n grote geeft meer stof morgenochtend bij de buren dan zo’n kleintje. Van zo’n kleintje zullen ze zeggen: “Is dat je laatste sigaartje?” Zie je, het heeft dus niet goed gewerkt. Nee, het is een beeld, een type, een fotootje, een uitbeelding van wie ik ben. Bikkelhard van mijzelf. Moeilijk te bewerken. Maar omgevallen. Bekeerd. Omgekeerd. Anders. Toen, ja ik diende de woestijn. Ik diende… Maar nu, nu ben ik in dienst van God gekomen. Dat is precies de taal van Romeinen 6 het laatste stuk. Uw vrucht? Heiliging. Dat betekent dat wij, die nu de Here Jezus kennen als onze Heiland en als onze Verlosser, gaan zeggen: “Onze schuld is weg, onze zonden zijn vergeven!” Wij zijn hier in deze wereld neergezet! Ja wij zijn hier in deze wereld ook omgegaan, tot bekering gekomen. We zijn van onze voetstukken gevallen. Iedereen herinnert zich defoto’s of misschien wel de videobandjes van Saddam Hoessein die van zijn voetstuk viel. Dat was een happening van jewelste daar in Bagdad. Maar zo is het met mij ook gegaan. Hoe dan ook. Alleen het heeft de pers niet gehaald, de krant niet gehaald, maar het is wél gebeurd. Je moet een keer van je voetstuk vallen. Je moet een keer van de ondergrond af, ’t oude leven. En dan? Waardeloos? Daar lig je dan? Uitgeteld? Is dat het voorland? Nee. Je moet weer rechtop gezet. Op dezelfde ondergrond geplaatst? Nee. Op een hele nieuwe, koperen ondergrond en van boven af gezien met een zilveren kop voorzien. Met de bedoeling om het witte doek op te houden en te zeggen: “Daar woont de Here.” Zó markeren wij, zo omringen wij de plek waar de Here woont, waar Hij Zijn verblijf heeft. En dat is heiliging. Dat is heiliging. Dat is precies heiliging. Aangeven waar de Here is. Er wordt heel veel gepraat over heiliging. Dan moet je dit niet meer en dan moet je dat niet meer. En denk je: “Daar ben ik nog niet aan toe”, of: “Ik heb alweer verkeerde gedachten gehad”, of: “Ik heb alweer een verkeerde conclusie getrokken”, of: “Ik heb weer verkeerde dingen gezegd.”, misschien wel hele concrete verkeerde dingen gedaan. Volgens Romeinen 7 – dat komt nog hoor, vanavond niet aan de orde – blijft dat ook nog een poosje zo: “Wat ik wel wil, dat doe ik niet en wat ik niet wil, dat doe ik wel.” Zo, je zit in een soort schommeling van: “Ik wilde wel anders, maar het lukte me niet.” Ook na mijn bekering wilde ik het zo goed mogelijk doen en zelfs dat lukt niet. Maar daarover later. Dat komt na nu, na Romeinen 6. Maar vanavond is dit aan de orde: jij en ik op een nieuw terrein gekomen. We waren slaven van de zonde, maar we zijn van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht – zoals Paulus dat heeft mogen uitleggen, de prediking, de uitleg van Gods dienstknecht die toen heeft verteld: “Als je gelooft in de Here Jezus, dan bén je kind van God, dan héb je eeuwig leven. Dan ís het oude voorbij en is het nieuwe gekomen. Niet omdat jij zo goed je best doet, omdat je daarna geen steek laat vallen, maar omdat God je in Christus zo genadig en zo liefdevol is dat Hij niet wil dat jij verloren gaat. Dat is de reden.” En dan moeten we blij mee zijn! En zijn we dan alleen maar gered? Alleen maar behouden en vrij van onze schuld en vrij van onze zonden? Of hebben we nog een opdracht? Nou, dat blijkt dat we nog een opdracht hebben. Ik zal het op een andere manier voorlezen. Uit 1 Petrus 2 vers 9 – ik heb het even opgezocht zopas. Ik weet niet of u even bladeren wilt in uw bijbeltje, maar dat mag.
1 Petrus 2 vers 9 en 10:
9] Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht:
10] u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen.
Een heilige natie. Een bijzonder gezelschap. Om de grote daden te verkondigen van Hem die ons uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. Een heel bijzonder voorbeeld. In de oude dag heeft daar in die woestijn een Tabernakel gestaan. En de mensen hebben dat gezien. Ze hebben misschien op een bepaalde afstand liggen kijken. Maar ze hebben het gezien. En ze hebben zich ook afgevraagd: “Waarom zo’n gordijn? Waarom zo’n omheining?” De Here zei: “Binnen dat terrein, daar woon Ik.” Als de Here het – later in de Bijbel, veel verder, bijvoorbeeld in het boek Ezechiël – heeft over een plaats in de toekomst waar de tempel des Heren zal staan (een geweldig plan van God om in Jeruzalem nog een keer een Tempel te laten herrijzen, of te laten bouwen) dan wordt eerst gesproken van een heilig gebied. Een heel bijzonder terrein. Niet zomaar een locatie. Laten we bedenken: “Nou het kan wel bij de Uithuizermijden, daar woont toch geen hond meer vandaag.” Nee, niet een locatie van ons. God zei: “Ik heb een heilig gebied, en daar wil Ik Mijn Huis bouwen.” Als er uit de hemel een stad komt – het nieuwe Jeruzalem van God uit de hemel – dan heeft die stad een grote en een hoge muur. En je zou zeggen: nou die muur is dan echt niet meer nodig, want in diezelfde tijd zal Jeruzalem dorpsgewijs bewoond worden. Met andere woorden: de inbrekers die zijn er niet meer. De duivel is gebonden in die tijd dus er is helemaal geen criminaliteit meer. En toch heeft die stad die uit de hemel komt een grote en een hoge muur. Een heel bijzonder gebied. Er zitten gaten in die muur, poorten. De poorten staan namen op van de twaalf stammen van Israël. De fundamenten van die muur: de twaalf apostelen van Het Lam. Dat komt uit de hemel. Dat wordt een geweldige manifestatie van glorie, van heerlijkheid, uit de hemel komend. Maar het is wel een apart gebied. Iedere keer blijkt dat de Here wil dat we een apart gebied gaan creëren. Nou ja, dat moet je maar zeggen in Zuid Afrika. Ze hebben de apartheid net achter zich en dan komen ze weer aan. Heb je ze weer. En het gedoe tussen blank en zwart in Amerika heeft zulke gigantische wonden geslagen. Want ja, het was toch wel een apart volk, die blanken. Dat hebben mensen gedaan. En tóch wil de Here een apart gebied. Uw vrucht tot heiliging. Heiliging betekent in de taal van de Bijbel altijd: apart gezet, afgezonderd, verbijzonderd. Op een heel bijzonder gebied terechtgekomen, heel uniek. Jij en ik. Een nieuwe schepping. Het oude is voorbij! En vrucht tot heiliging. Dat betekent dat we nu laten zien dat we apart zijn. Níét om hoogmoedig te zijn. Alstublieft! Níét om nu de wereld in te trekken van zie je wel hoe flink ik ben. Alstublieft niet. Niet om vandaag op de een of andere manier iets over onszelf te promoten. Maar om werkelijk het prachtige van de Here Jezus, het schitterende van het Kruis, het mooie van Hem, om dát uit te dragen, om dat te etaleren. Zó willen we hier zijn. We staan op een ondergrond, door Hém gecreëerd. Omdat we in Hem zijn, heeft het oordeel geen macht meer over ons – koperen ondergrond. En van boven: we zijn betaald met het kostbare bloed van een onberispelijk en vlekkeloos Lam. Daarom. Niet iets van ons. En wij zitten daartussen. Maar het is allemaal geweldig, het is allemaal in Christus. En dat willen we tonen. Lieve mensen, broeders en zusters, de Gemeente van vandaag zal een heilig volk moeten zijn, een heilige natie. En oproep tot heiliging is niet alleen: “En nu moet het volk van God nog meer zonder zonde leven!” Dat staat hier helemaal niet en uit Romeinen 7 blijkt dat dit ook niet lukt. Maar hier staat dat wij hier op aarde zijn om dat bijzondere terrein te etaleren: dáár woont de Here! Daar heeft Hij gezag. Waar heeft de Here Jezus vandaag gezag in deze wereld? In mij als het goed is, een heel klein gebiedje. Eén vierkante meter ofzo. In de Gemeente. Dat is al wat groter terrein. En waar nog meer? Nergens. Ook de overste van deze wereld heeft nog steeds zijn troon hier in deze wereld. Het enige terrein waar de Here Jezus gezag heeft is de Gemeente. En daar sta je dan. Voor paal. Precies. Je staat daar. En je dient het doek op te houden. Wat voor soort doek was dat? Linnen, fijn wit linnen. En wat betekent fijn wit linnen? Nou de Bijbel zegt het: als de bruiloft van Het Lam gekomen is en de bruid heeft zich gereed gemaakt en is gekleed in schitterend wit linnen bruiloftskleed. En daar staat de betekenis bij: dit zijn de rechtvaardige daden van de heiligen! Gerechtigheden, rechtvaardige daden van de heiligen! Ik heb het vaker gezegd. Ik was aan het zoeken naar God. Ik kwam in aanraking met het Evangelie en ik vond het eigenlijk maar niets. Ik ging naar mijn eigen dominee en zei hem dat ik zo en zo een ontmoeting had gehad. Wat vind u daarvan? Nou, ik dacht, die man die zegt natuurlijk: “Dato kom daar nóóit meer, want dit is zó waardeloos, dit is zo…” En wat zei hij tot mijn stomme verbazing? “Dat is de room van de melk.” Ik vergeet het nooit meer. En ik vroeg natuurlijk: “Waarom? Waarom is dat dan de room van de melk?” En dan kwam er een verhaal. En het verhaal heb ik vaker verteld, en ik wil het tóch zeggen. In Slochteren, waar ik opgroeide – één van de grote steden daar in Groningen – daar waren twee kruideniers. Je moet je voorstellen: je had geen brommer, je had geen auto, je had van alles niets. Je kon niet even naar een buurtsuper gaan in stadje A of B, dat kwam gewoon niet voor. Je was of bij de één of bij de ander klant. Toch? Zo ging het, dat was echt zo. De boodschappen werden voor een deel thuis gebracht of je ging ze halen. Twee kruideniers. De één was van onze kerk – de beste – en die andere… ja, dat was wat vaag. Bij onze kruidenier brak TB uit. Hij had zes kinderen denk ik , maar het kunnen er ook wel zeven zijn, maar zoiets. Een behoorlijk gezin. Een ook van die kinderen werden besmet. En de één kwam in Appelscha terecht in het sanatorium en de ander kwam daar terecht, enfin. En hijzelf – voor zover ik weet – hij kwam in zo’n soort tentje, zo’n draaibare houten gevalletje, zo’n soort blokhut maar dan op een soort draaischijf. Die kon je dan naar de zon richten. Je werd dan zo verpleegd. Je moest er dan een jaar gaan liggen in zo’n hokje. Het was een haard, een soort broeihaard van TB. Tuberculose. Geen hond meer in de winkel. Ja, je zult maar besmet raken daar. Soms werden er zelfs brieven aan de boom of aan de deur geplakt: “Tuberculose. Besmet.” Ja, en die mensen dan? Ja, die gingen naar die andere kruidenier natuurlijk, die moesten wel hun stroop en suiker halen. Die andere kruidenier had het goed. Dubbel, dubbel goed. Hij heeft keurig bijgehouden wat hij verdiende aan de klanten van zijn collega. En elke zaterdag heeft hij het geld in een envelop gestopt en is daarheen gefietst, heeft dat onder de deur geschoven, heeft niets gezegd. De brutowinst werd zo op de deurmat gelegd. De dominee komt op bezoek: “Hoe gaat het?” Waarschijnlijk een stichtelijk vers voorgelezen, het was een oprecht kind van God hoor, ik ken hem heel goed. Heeft gevraagd: “En hoe redden jullie je nu? Hoe gaat het financieel enzo?” Toen zei hij: “Het is beter dan ooit. We hebben geen kosten en we hebben dezelfde winst.” Toen kwam ik bij die dominee, ik denk twee weken later ofzo. Het was precies alsof de Here dit zo had gepland. En de dominee zei: “Die club waar jij geweest bent? Dat is de room van de melk!” Toen bleek dat die kruidenier bij die andere club hoorde, waar ik het Evangelie hoorde. Mijn ogen gingen open van verbazing en ik luisterde. Want daarvoor had ik alleen maar kritiek. Er moet iets gebeuren voor je hart opengaat voor iets. Is dat nu een preek geweest? Nee. Is dat nu een boek geweest? Nee. Is dat een gezang geweest? Ook niet. Wat was het dan? Een pilaartje met het wikke doek: de gerechtigheden, de rechtvaardige daden van de heiligen. Dat trekt. Dat is een getuigenis. Uw vrucht tot heiliging. Vroeger? Je diende jezelf man! Het ging helemaal niet om de ander, natuurlijk niet! Laat die ander maar omkomen! Als ik het maar goed heb! En nu? De Here dienen. De Here groot maken! Hem laten zien! Betekent dat, dat ik moet gaan preken hier op straat, Dennenlaan? Openlucht houden na deze dienst? Nou misschien komen er wel drie. Misschien zeggen ze: “We hebben al drie preken gehad vandaag.” Hoe moet het dan? Hier gaat het niet om uw preek! Hier gaat het ook niet om het boek wat u nog gaat schrijven. Hier gaat het om wat u laat zien, wat u in uw omgeving laat zien: het witte doek! En waar hangt het witte doek aan? Aan zo’n pilaartje. Zie je wel? Je bent nu geroepen om het witte doek op te houden en om te tonen wie de Here Jezus is! Dát is heiliging! Niet: “Ja, nu moet ik ook nog van die internetverslaving af!” Of: “Nu moet ik ook nog van het roken van af.” Of: “Nu moet ik ook nog van…” weet ik veel wat allemaal af. Daar gaat het helemaal niet om. En als u daar af bent, is er misschien weer een hobbel waar u dan weer af moet. Dan komt dat ineens weer naar boven. Het gaat er om dat u zich realiseert wie u bent in Christus Jezus en dat u nu, hier op aarde, in deze wereld, rechtop staat, om het doek op te houden. Het witte linnen. En binnen dat terrein woont de Here. Ik knalde ook tegen dat witte doek aan van die kruidenier – dat is later een oom van mij geworden. Hij heeft zijn kinderen daar nooit over verteld. Als ik het niet van die dominee had, wist ik het helemaal niet. Dat is ook een type van het niet voor zichzelf uitbazuinen, maar het gewoon doen. Ik liep tegen dat witte doek aan, ik kwam bij de ingang terecht. Als je daar naar binnen gaat “Ik zie een poort wijd open staan” Hij is de Deur, kom maar! De Weg. Als je dan, daar binnengaat, dan staat er een levensgroot altaar in de tabernakel ongeveer 1,65 tot 1,70 meter hoog. Je kunt niet zeggen: “Dat heb ik over het hoofd gezien” dat lukt al helemaal niet. Je loopt er pardoes tegenaan. Zal ik het gewoon zeggen? Het Kruis, in al zijn omvang, in heel zijn schittering. Daar loop je tegenaan. En dan mag jij je hand leggen op het Offer. Dan mag jij je hand leggen op dat wat daar, op dat altaar is gebeurd. Dank U Here Jezus, dat deed U voor mij. Dát is zegen. En nu, ja van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht: zo gaat het hier. En dit mag je nu laten zien. Je had vroeger ook resultaat op je weg, maar dat was de dood. Nu heb je resultaat: gerechtigheid, heiliging. En het einde? Het eeuwige leven! Dat komt ook nog. Dus behalve dat wat je laat zien, dat wat je laat merken, is het ook nog zo dat je eeuwig leven hebt. Leven uit God. Eeuwig leven. Door het geloof in de Here Jezus. Nou, ik hoop dat je jezelf in de arm durft te knijpen – het klinkt allemaal heel simpeltjes een beetje van de zondagsschoolachtige kleurtjes – maar dat je durft zeggen: “Wat er met mij gebeurd is weet ik niet, maar dit is wel heel uniek, dit is wel heel bijzonder.” Nou, precies, je bent van het ene terrein in het andere terrein gekomen. Je was een acaciaboom en nu ben je een pilaar in het huis van God! Nou, dat is een groot verschil. Nu wil God je gaan gebruiken. Laat maar zien. Een heilig volk, een volk Gode ten eigendom – ik las het met je uit 1 Petrus 2 vers 9 – om de grote daden te verkondigen van Hem die je uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. Grote daden van Hem. Niet de grote daden van jou, dat valt misschien tegen – waarschijnlijk tegen. Maar de grote daden of de grote deugden van Hem. Die hele bijzondere eigenschappen van Hem. Nou, laat maar zien. Dat is genade van God. Van het ene terrein op het andere terrein gekomen. Het zou toch niet zo gek zijn he, met zo’n pilaartje lopen. Nou misschien zit er wel een hobbyist hier in de zaal die deze week zegt: “Nou ik ga een acaciaboom vellen.” Er staan er nog genoeg in Veenendaal. Niet de officiële acacia zoals die daar in de woestijn stond, die waren nog harder. Maar deze wordt dan de pseudo-acacia genoemd, hij lijkt op een acacia. Hij is even goed nog hard, want tandwielen van molens enzo, vroeger houten tandwielen, die werden van de pseudo-acacia gemaakt, ook omdat het hout zo hard was weet je wel. Dat zat heel stevig, dat zat heel goed in elkaar. Maar goed, van dat materiaal zou je zo’n pilaartje kunnen maken; koperen voetje, zilveren kopje. Eigenlijk een klein vlaggetje eraan met linnen. Even zwaaien. Eigenlijk. Het zit er niet aan, maar ik heb het verteld. De Here zegene jullie. De Here geve dat er vrucht is van heiliging, dat er vrucht is om aan te geven: “Daar woont de Here, daar heeft Hij Zijn verblijf! Daar woont Hij! Daar is alles van Hem en om Hem.” De Here zegene jullie.
“Ik wil zo graag bidden Vader, dat U Jezus, zichtbaar wordt in onze levens. Dat er mensen tegen ons aanbotsen, aanlopen en dan terechtkomen bij de Here Jezus. Als wij iets gaan zeggen dan komt het misschien niet goed over of dan is het krom. Maar als we dat gordijn ophouden, dan lopen de mensen uiteindelijk door tot ze de poort kunnen binnengaan, linksom of rechtsom. Ik wil U danken Vader, voor Uw oneindige goedheid en genade. Ik prijs Uw naam. Amen.”