Romeinen 7 : 1 – 26

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 11. De Wet, de norm van God

Bijbellezing over de brief van Paulus aan de Romeinen,
door Dato Steenhuis, 23 september 2007
Romeinen 7 vers 1 – 26
1] Of weet gij niet, broeders, – ik spreek immers tot wie de wet kennen – dat de wet heerschappij voert over de mens zolang hij leeft?
2] Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft; wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen van de wet, die haar aan die man bond.
3] Zo zal zij dan indien zij bij het leven van haar man een ander tot man neemt, echtbreekster heten; wanneer echter de man sterft, is zij vrij van de wet, zodat zij geen echtbreekster is, indien zij zich aan een andere man geeft.
4] Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen.
5] Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen;
6] maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter.
7] Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de wet; immers, ook van de begeerlijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet begeren.
8] Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder wet is de zonde dood.
9] Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven,
10] en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn;
11] want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood.
12] Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.
13] Is dan het goede mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde heeft, opdat zij zou blijken zonde te zijn, door het goede mijn dood bewerkt, opdat de zonde bij uitstek zondig zou worden door het gebod.
14] Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.
15] Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik.
16] Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is.
17] Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
18] Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet.
19] Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik.
20] Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
21] Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig;
22] want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods,
23] maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.
24] Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?
25] Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!
26] Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde.
Romeinen 7. Ik heb vroeger horen zeggen – toen ik nog nauwelijks de Here Jezus kende – : “Ja, als je maar door Romeinen 7 heen bent! Dan is de verlossing pas compleet.” Ik snap dat nu een beetje. Toen begreep ik het niet. Wat bedoelde men te zeggen? Mensen die in Romeinen 5 al riepen: “Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus! Halleluja! Halleluja! Halleluja!” – dat staat niet zo in de tekst, maar dat is natuurlijk wel zo – die zeggen in Romeinen 7: “Ja, wat ik wel wil, dat doe ik niet, en wat ik niet wil, dat doe ik wel; ik ellendig mens”. Helemaal onder in de put. Hoe kun je nu in Romeinen 5 jubelen en in Romeinen 7 zeggen: “Het is allemaal niets met mij!”? En in Romeinen 8 gaat als het ware het jubelen verder, gaat de lofuiting door. Het zijn geweldige dingen die je tegenkomt. Maar het is wel moeilijk. Men bedoelt eigenlijk te zeggen: “Daar moet je doorheen, dat is een fase in je leven. En als je dat een keer gehad hebt, dan blijf je juichen.” Nu, dat is niet zo. Het is niet zo dat je daar doorheen komt, in de zin van “En dáár ben ik vanaf! Dat heb ik eens en voor altijd afgesloten! Ik heb nooit meer last van deze dingen.” Dat staat nergens. In Romeinen 7 staat iets heel wezenlijks, namelijk dat wat je elke keer opnieuw tegenkomt. Waar je iedere keer opnieuw mee geconfronteerd wordt. De Wet. Voor de één een hele sombere gedachte waar je elke keer opnieuw een beetje bang voor wordt, somber van wordt. En voor de ander is het misschien iets van een gepasseerd station. Dat zijn twee uitersten. Ik ben opgevoed en opgegroeid in een kerkelijke sfeer, waar de Wet elke zondagmorgen werd gelezen. En elke zondagmorgen was er een soort deken, een soort vochtige deken over ons heen. En ik wist niet hoe ik daar ooit, ooit onder vandaan zou kunnen komen. Ik kan niet zeggen dat ik daarop gezocht of gefocused geweest ben, maar ik ben wel in een evangelische kring terechtgekomen. En daar zeiden ze: “Christus is het einde van de Wet voor wie geloofd.” Nou, dat klonk me als muziek in de oren. Zo van: “Dat hebben we gehad, dat hoeft niet meer.” Christus is het einde van de Wet voor wie geloofd. En dáár, in die evangelische kring, werd nooit meer de Wet voorgelezen. Ik heb het niet meer meegemaakt. Totdat er later een broeder in de gemeente kwam die zei: “Ik wil graag de Wet voorlezen.” Maar iedereen was helemaal verbaasd, dat dit überhaupt mocht en kon! Het was bijna heiligschennis, vonden zij toen, dat die Wet alsnog werd voorgelezen. Snapt u de twee uitersten? Is de Wet bedoeld als een natte deken waar je onder komt, waar je bijna onder verstikt en waar je misschien aan het eind van de week er een beetje onder vandaan komt, waarop je op zondag een verse, nieuwe deken – helemaal nat – over je heen krijgt? Is dát de bedoeling? Neen! Nooit! Persé niet. Ik heb – voor zover ik mij kan herinneren – voor de vakantie al proberen duidelijk te maken dat de Wet heilig is, dat de Wet goed is – dat staat trouwens ook in deze tekst van vanavond. Maar ook, dat de Here God, als Hij de Wet geeft, bedoeld te zeggen wie Hij is. En daarom kan er nooit een tittel of een jota, geen klein lettertekentje afgebrokkeld worden; dat bestaat niet, dat kan niet! Je kunt het nóóit zo bedenken dat de Here íéts van Zichzelf prijsgeeft! Hij is Dezelfde! Gisteren, heden, tot in eeuwigheid, er zal nooit een millimeter afkunnen! Dat bestaat niet. Daarom zei de Here Jezus – heel zorgvuldig -: “Niets, geen klein lettertekentje, kun je daar vanaf peuteren.” Ondenkbaar. De Wet is heilig! De Wet is goed! De Here God heeft als het ware Zijn visitekaart afgegeven. En Hij zei: “Zo ben Ik!” “Ik ben de Here, uw God…” En dan volgen er Tien Woorden. En die Tien Woorden die wij dan kennen als de Tien Geboden zijn allemaal kenmerkende dingen van de Here God Zelf. Stuk voor stuk. Een beetje moeilijk he? Nou, even wennen misschien, je komt er achter. “Gij zult niet begeren!”, dat is het laatste laatste. Zou de Here ooit begeren? Zou Hij iets willen hebben van mij? Hij heeft alles. Van Hem is het zilver, van Hem is het goud, van Hem zijn alle zielen. Alles is van Hem. Wat moet Hij dan begeren? Hij heeft het allemaal. Wij zullen moeten leren dat in die Tien Woorden van de Here, kenmerkende dingen van de Here Zelf te vinden zijn. En als we dat ontdekken, dan verlangen we ernaar om Hem te kennen. Die wetgeving ging gepaard met een enorme manifestatie van kracht, van glorie. U weet het – bij de berg Horeb – daar was ineens een hele zware wolk; er was donkerheid, er was bazuingeschal gaande weg sterker, daar waren aardbevingen. Alles trilde, alles beefde, alles sidderde, alles stond op z’n grondvesten te schudden. Dat was daar, toen zei de Here Wie Hij was. Altijd als de Here laat zien wie Hij is, siddert alles. Als de Here in de toekomst laat zien wie Hij is…Hij komt op de Olijfberg, uit de hemel. Hij laat zien wie Hij is. Elke tong belijdt dat Hij Here is. U voelt hem aankomen. Alles siddert. Bazuingeschal, aardbeving, alles siddert, buigt, barst bijna uit zijn voegen. Dat is dan. Als de Here laat zien wie Hij is, dan is er enorme heerlijkheid, enorme glorie. Toen de Here liet zien wie Hij was, toen was het volk echt báng. Heel erg bang. Ze stonden op afstand en ze beefden als rietjes. En ze zeiden tegen Mozes: “Mozes praat ú alstublieft met de Here God!” Normaal hadden ze ook heel veel vrijmoedigheid en wilden ze het zelf heel graag doen, maar nu mocht Mozes het wel doen in hun plaats. Want eh… “Wij durven niet dichterbij te komen…” En Mozes deed het ook. Mozes heeft het volk van God dichterbij gebracht. Uit de legerplaats heeft Mozes het volk dicht bij God mogen brengen. De definitie van iedere werker voor de Here: mensen uit de legerplaats dicht bij God brengen. Of je dat nou administratief doet, computertechnisch doet, bestuurlijk doet, voor kinderen doet, muzikaal doet, verbaal doet, het maakt niet uit, mensen dicht bij de Here brengen. Altijd. Dat deed Mozes. En toen heeft de Here gezegd: “Ook al zijn ze bang, Ik wil ze graag zegenen!” En dat doet de Here. Hij wil ze graag zegenen. Bovendien is de Wet nooit gegeven om volk van God te wórden, ze wáren al volk van God. Ze hadden de Here Jezus – sorry – in het lam, geslacht in Egypte, al leren kennen. Ze hadden al geschuild achter het Lam. En ze hebben, sommigen zeggen, drie dagen naar dat lam mogen kijken. Anderen zeggen vier dagen. En die vier dagen corresponderen dan met die vier keer duizend jaren die verstreken waren en dan kwam het Lam. Het Lam van God. Het volmaakte Lam van God. De Here Jezus. Hij ís Degene die voor ons en voor onze schuld, naar God wilde gaan. En, met onze schuld beladen, het bij God in orde wilde maken. We zijn zó geweldig gezegend! Maar de Wet is gegeven om in de optimale situatie van zegen genieten, te blijven. De Here God zei: “Ik zal je zegenen, en je land geven overvloeiend van melk en honig, maar Ik geef je Mijn, Mijn gedachten erbij, opdat je optimaal kunt blijven genieten van die zegen. Doe dit en gij zult leven. Was dat het? Doe dit en dan kom je in de hemel? Ik denk niet dat het ooit de bedoeling geweest is. Doe dit en dan lééf je in die zegen, dan stá je in die zegen, dan geniet je van die zegen. En iedere keer bleek dat ze niet deze Geboden konden hanteren. Ik wil het proberen helder te krijgen. Het is misschien een klein beetje, ja misschien niet al te helder voor u, maar ik hoop dat het je wel helder wordt. Als de Here Jezus Zijn discipelen instrueert in Mattheüs vijf, zes, zeven; de zogenaamde Bergrede, waarom zegt de Here dat daar? Om te zeggen: “Kijk eens, nu moet je worden zoals Ik ben. Het is de discipel genoeg om te worden als de Meester.” Het is de discipel – Mattheüs 10 vers 23 – het is de discipel genoeg om te worden als de Meester. Dan zegt de Here Jezus: “Zalig zijn de armen van geest.” Nou, jij moet arm van geest worden. Dat is niet verstandelijk gehandicapt hoor, dat heeft er niets mee te maken. “Zalig de vredestichters. Zalig de reinen van hart. Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.” Dat zijn allemaal kenmerken van de Here Jezus Zelf! Stuk voor stuk! Het is de discipel genoeg om te worden als de Meester. Dat zegt de Here God, nu, hier in het Oude Testament: “Dit zijn Mijn Woorden! De Tien Woorden! Nu mag je op Mijn gaan gelijken.” Daarom mag jij niet begeren. Daarom moet jij de Shabbath houden. Daarom…daarom…daarom. Dit is gelijken op. En als je dat doet, kom je in de leefsfeer van de Here God Zelf en dan ga je blijvend genieten. Blijvende vreugde is je deel. En dat gun ik je. De Wet is al heel vlug een soort – laat ik maar zeggen – een soort leefregel geworden, van: als je dat níét hebt dan kom je er niet. En zo is het ook later, in de latere eeuwen en in onze tijd gebruikt. En dat begint een beetje in Zondag 3: “Waaruit kent gij uw ellende? Uit de Wet Gods.” Klopt. Is echt waar, het staat hier. Geen woord, geen woord Frans bij, zouden we zeggen. En tóch, is de Wet nooit bedoeld van: “Als je nu dáár aan voldoet, dan kom je er.” Er is wél gezegd: “Weet je wie in de hemel komen? Mensen die deelgenoot zijn van de Goddelijke natuur.” Dat betekent dus, dat je al in Hem moet zijn, met Hem moet zijn, bij Hem moet zijn. Nu, dat wordt duidelijk. Nu blijkt dat mensen die de Here Jezus hebben leren en weten mijn schuld is weg en mijn zonden zijn vergeven, tóch te maken hebben met die Wet. Ja maar, kan ik die Wet dan houden? Nee, je bent met Christus gekruisigd, met Christus gestorven, met Christus begraven en met Christus opgewekt om in nieuwheid des levens te wandelen. Dat is Romeinen 6. Dat proces is geweest! En nu wordt hier gezegd: “Weet je, de Wet is God Zelf! De Ik Ben.” Wezenskenmerken van de Here. Kenmerkende eigenschappen van Hem. Dat is de Wet. En wat doet die Wet dan? Nou, die Wet, die maakt het duidelijk wie God is – dat zei ik net. Maar er komt nog iets anders uit te voorschijn. Een simpel voorbeeldje. Ik dacht vroeger dat ik heel goed was in gymnastiek. Niemand had mij ooit gezegd dat ik zo stijf was als een plank – hetgeen later bleek, maar goed. Maar aanvankelijk dacht ik dat ik het aardig deed. Weet je wel? Ik kon behoorlijk lopen en ik kon een beetje rennen en een klein beetje over een slootje springen enzo. Dat ging allemaal aardig. Totdat de lat zo hoog lag, dat ik dacht: daar kom ik niet meer overheen met hoogspringen. En anderen? Met gemak! Ze vlogen er overheen. Ik herinner mij ook nog – toen was ik al een beetje ouder, een jaar over achttien of negentien – in militaire dienst, ik kon ook zwemmen. Zwemmen als de beste. Dat had ik mijzelf geleerd in het Veenkanaal in Slochteren. Ik weet niet of u dat kanaal kent, maar als je daar over kon, dan had je ongeveer het A en B en C diploma in één keer. ’t Was maar een smal slootje, maar goed. Maar ik dacht dat ik het heel goed deed. En toen kwam ik in militaire dienst en toen werd er gevraagd bij sport: “Willen de nietgeoefenden bij het zwemmen daar gaan staan, en de halfgeoefenden daar…” En de echtgeoefenden die moesten dan daar staan. Nou ik dacht: ik zou niet eigenwijs zijn, ik zal bij de halfgeoefenden gaan staan. Beetje in het midden. En toen vloog er iemand in het water, die kon écht zwemmen. En toen was ik aan de beurt… Nou ik had nog geen drie slagen gedaan of… FRRTTT – zo’n fluitje van de instructeur: “Waardeloos! Leek nergens op!” Nou, ik zei natuurlijk dat ik het in het Veenkanaal had geleerd, maar dat werd dan gelijk de “Slochterenslag” genoemd want dat paste niet in hun boekje. Ik ga geen verhaaltjes vertellen, maar ik bedoel iets duidelijk te maken. Je kunt van jezelf denken dat je het aardig doet, maar als God de lat neerlegt, dan ineens blijkt dat je niet aan die norm voldoet. Of dat nu over het hoogspringen gaat of over het zwemmen gaat of over begeerte gaat, of over Shabbath gaat, of over…vult u in. Waar blijkt nu dat je een onvoldoende krijgt? Nou, als je de norm van God ziet. Als je die lat van de Here God neergelegd krijgt. Dan ineens denk je: Ik kán niet eens zo heel veel! Ik dénk het wel, maar het kan helemaal niet! Ik kán helemaal niet hoogspringen! Ik bén helemaal niet lenig! Zo’n stijf als een hark. Daar kom je achter. Wanneer kom je erachter? Als God Zijn norm legt. Ik kwam er ook achter toen de norm van de gymvereniging neergelegd werden en de norm van het zwemmen in militaire dienst neergelegd werden. Daar kom je achter. Maar dat zijn lessen die je allemaal moet leren. Wat zegt de Bijbel nu hier? De Wet doet zonde kennen. Ineens kom je erachter dat de lat van de Here God toevallig wat hoger ligt dan jouw norm. Dan ontdek je wie je zelf bent. Ik hoop dat dit een beetje overkomt. Dat is de taal van Romeinen 7. Als de Here God Zijn norm aangeeft blijkt ineens hoe slecht wij zijn in… Vult u maar in… hoogspringen, zwemmen, niet begeren, andere dingen. Dát is wat hier bedoeld wordt. En Wet doet dus inderdaad zonde kennen. Doordat die Wet daar ligt, die norm van God daar neerligt, kom je er ineens achter dat je een onvoldoende krijgt. Je wás misschien al wat bescheiden. Andere voorbeeldjes? Als je het gevoel hebt dat je zonder achterlicht hier in Veenendaal te rijden, eigenlijk wel rijden kunt, en er is geen wet, dan krijg je ook geen bekeuring. Maar het kan zelfs zo zijn dat je het gevoel hebt, van het is beter dat ik ’s avonds met een achterlichtje op mijn fiets door de plaats ga rijden, dat is beter, want dan kunnen ze me misschien beter zien. Maar er is geen wet, dus het hoeft niet. Maar stel nu, dat de politieverordeningen wél aanwezig zijn en die leggen de lat nog wat hoger. Dus behalve het feit dat je een achterlicht moet hebben, moet je ook nog een reflector hebben of je moet op je band ook nog een soort cirkel hebben zodat het licht erop schijnt. Dan ineens blijkt dat de lat nog hoger. Wie valt dan door de mand? Jij en ik. Altijd is het hetzelfde: als de Wet neergelegd wordt dan is de kennis van de zonde en het wordt alleen maar erger. Er komt nóg een punt bij. We hebben dat allang uitgeprobeerd. Je vraagt een paar op te passen want je gaat zelf weg en je zegt – doos bonbons zet je daar neer – “Je mag overal aankomen, er staat gebak in de koelkast er staat frisdrank in de koelkast, je mag dit gebruiken en dat …” En je zegt: “Nou, alleen van die doos moet je afblijven.” U weet allang wat er gebeurd. Iedereen tuint erin. Nou, er zitten dus veren in en ook bonbons natuurlijk, maar ook een hele zooi veren. Dus als je terugkomt… overal liggen veren. Ze krijgen die veren nooit meer in het doosje. Een soort fles waar de geest uit is en je krijgt het er nooit meer in. Waarom nou? Waarom nou niet zeggen? Die koelkast staat vol, het gebak staat klaar! Waarom nou niet die bonbons die in dat doosje zitten waar je net niet bij mocht! Romeinen 7. Het is precies de taal van Romeinen 7. Helemaal uitgetekend. Wat is de Wet? Wezen van God. Wat doet de Wet? Maakt duidelijk hoe hoog de lat ligt, wat Gods normen zijn. En dat betekent dat wij leren zien hoe God over de zonde denkt. En we beseffen op hetzelfde moment: dat willen we communiceren met God, omgang hebben met God! De Bijbel noemt dat: gemeenschap hebben met God de Vader, met God de Zoon. Omgang hebben met. Willen we die communicatie hebben met onze Here en Heiland en met onze God en onze Vader, dan zullen we deze norm moeten hanteren. Om in de hemel te komen? We waren er al achter dat dát niet klopt. En voor wie is die Wet dan? De derde vraag. Nou, in principe voor iedereen. Gods norm is universeel. Is niet voor bepaalde lieden, die is voor iedereen. Maar áls je de Wet hanteert om bij God te komen, dan zegt de Bijbel: Dat redt je niet. Dat was al zo in Romeinen 6 en dat wordt nog sterker in Romeinen 7. Dat redt je van je levensdagen niet. Want hoe meer je naar de Wet kijkt en hoe meer je naar de norm van God kijkt, hoe beroerder het wordt voor jezelf. Maar je komt er alleen maar achter: Weer de norm niet gehaald. Als je mensen naar de Olympische Spelen ziet afgevaardigd worden, dan moet er een bepaalde norm gehaald worden. Nou, die halen ze dan niet, nou, foute boel. Proberen ze een wild-card te krijgen ofzo, ze proberen er onderuit te wurmen. Maar meestal lukt dat niet, het kan niet meer. Nu zegt de Bijbel het volgende, en dat is een volgende stap in onderwijs in Romeinen 7, en die is heel belangrijk. Ik zal het zo zeggen – vaker gebruikt dit voorbeeld. Ik heb ingebroken – bij mijn weten nooit gedaan, maar dat nemen we maar even mee. Ik zit thuis, politie aan de deur. Ze zijn erachter gekomen, hadden mijn nummertje genoteerd. En ze bellen aan. We willen Dato arresteren. En op hetzelfde moment sterf ik. Wat doen ze dan? Lijk meenemen? In het politiebusje? Celletje open? Doen ze dat? Antwoord: neen. Nee, ze zeggen: Ja, ja… nee, we zijn geen begrafenisonderneming en we hebben ook geen opbaarkamer. Ik wil het niet raar zeggen, maar ze nemen mij niet mee. Want lijken, ja, die worden niet meegenomen, die worden niet gearresteerd. Wat wil de Bijbel daarmee zeggen? Als je gestorven bent is de Wet er niet meer. Welke wet? Die politieverordening? Welke bekeuring ook, je kunt nooit veroordeeld worden. Nu zegt de Bijbel dat de gelovigen gestorven zijn. Hoor je het goed? Dat was al in Romeinen 6 zo: als je de Here Jezus hebt leren kennen als je Heiland en als je Verlosser! Je hebt natuurlijk gepoogd om op eigen kracht in de hemel te komen. Je hebt je uiterste best willen doen. Je hebt misschien wel alles aan de kant gezet om dat doel te bereiken en je bent heel actief geweest en je bent buitengewoon bezig om in de hemel te komen! Misschien wel om te zeggen: “Here God, er zijn nooit mensen geweest die het hebben gered, maar nu is er een categorie hier op aarde, nu is er een stelletje in Veenendaal, en die kunnen het! Want die zijn vroom, die hebben Bijbelkennis en die hebben Bijbelonderricht gekregen en die, ja die redden het Here! U mag wel dankbaar zijn dat dit soort mensen nog bestaan!” En daar ga je. Maar het lukt niet…. Alleen door het geloof in de Here Jezus! Wat dacht u? Wat God gezegd zou hebben als er één op grond van werken van werken van de wet in de hemel zou zijn gekomen? Nou dan was het onzin geweest – sorry, een beetje te cru, een beetje te kort door de bocht – dat de Here Jezus zou komen. Dan had God gezegd: “Nou, dan had je naar Jansen in Pieterburen moeten kijken, want die heeft het gered. Ga daar naar toe met z’n allen!” Bus huren, naar Jansen in Pieterburen! Hoe deed je dat? Maar ja, er zal nog wel een Jansen in Pieterburen wonen, maar die heeft het ook niet gered. Het was niet nodig geweest dat de Here Jezus kwam, want het kon dus anders ook! Maar er wás geen andere weg! Er was géén andere mogelijkheid! En toen heeft God Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgeleverd. Geloof je dat? Nou, niemand zegt “Ja!” Geloof je dat? Hé gelukkig. Het is zó geweldig om te zeggen: “Here Jezus, dank U wel dat U dat deed!” Want door het geloof in de Here Jezus ben jij een kind van God! En als je de Here Jezus aanneemt als je Heiland en als je Verlosser, dan snap je dat Hij voor jóú dat probleem oploste. Want je was nooit bij de Here God in de hemel gekomen! Je had er nooit in gekund. En het was absoluut ondoenlijk en onmogelijk geweest om met God omgang te hebben. Geen enkele vorm van omgang met de Here was mogelijk geweest. Onze schuld, onze zonde stonden dat niet toe. Toen heeft de Here Jezus dat gedaan. En nu zegt de Bijbel dat je op dát moment met Christus gekruisigd bent. God ziet je alsof je toen, aan het kruis van Golgotha meegekruisigd bent! Alsof je toen gestorven bent! Met Christus gekruisigd, met Christus gestorven, met Christus begraven. Alsof je toen volledig weg was. Maar met Christus ook opgestaan, om in nieuwheid des levens te wandelen. Vanaf dat moment besta je niet meer zelf, maar je bent een nieuwe schepping! Je bent wederom geboren. Niet nog een keer geboren, dat lost niets op. Wederom geboren, op een nieuwe wijze geboren. Van God uit geboren. En nu, een nieuwe schepping om de Here te dienen. Om de levende God te dienen. En om Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, zegt een tekst,1 Thessalonicenzen. Gestorven. De zonde leefde ook. Want iedere keer als ik meer van Gods norm zie, wordt mijn schuld alleen maar groter. Dat kan niet anders. Als je meer ontdekt van de heiligheid van God, van het wezen van de Here, die de Heilige is, die een verterend Vuur ís. Hoe meer je ziet van Hem, hoe meer je ontdekt van Hem, hoe duidelijker de schuld wordt. Hoe hoger de rekening, zouden we zeggen. Maar ík stierf. Dat betekent niet dat de Wet nu niet meer geldig is voor mij. Dat de Wet nu gewoon vergeten kan worden. Dát hoort u mij niet zeggen. Maar de éísen die de Wet zou stellen aan leven, die zijn in Christus ingevuld geworden. Daarom ben ik zo blij met de Here Jezus, die voor mij de eisen van de Wet vervulde. Daarom is Christus het einde van de Wet, voor wie geloven. Betekent dit dat de Bijbel nu zegt: “Nu kun je de Wet uit de Bijbel scheuren? Nu is dat hele probleem weg, dat is weg, dat hoeft niet meer?” Dat staat nergens. En dat is ook niet zo. Je kunt de normen van God nooit uit de Bijbel scheuren, dat zou betekenen dat je iets van God Zelf afscheurt. Dat kan niet. Dat kan nooit. Hij is Dezelfde, gisteren, heden en tot in eeuwigheid. Maar als middel om bij God te komen? Ondenkbaar. Dat is altijd al ondenkbaar geweest, maar dat moet nu nog een keer gezegd worden. Want hoeveel mensen zuchten niet: “Ja, maar ik heb weer een verkeerde beslissing genomen!” Of: Ik heb weer gezondigd tegen het tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, en tiende gebod. En je zit altijd onderin. En dan wordt inderdaad de Wet een soort natte deken waaronder je terechtkomt en waar je nooit, nooit meer onder vandaan komt. Christus is het einde van de Wet voor wie geloofd. Nou, gelukkig. Heb je het? Maar dat betekent dus niet dat de Wet aan de kant gezet is. Nog sterker: Jij bent aan de kant gezet, niet de Wet! Niet de Wet is veranderd, jij bent veranderd. De Wet is nog steeds dezelfde. Daar is geen millimeter af gegaan, niets. Jij bent gestorven. Aan het kruis, met Christus. Gestorven! Begraven, ondergegaan. En nu, in nieuwheid des levens opgestaan, om voor Hem te leven. Dat is de taal van Romeinen 7. Vind je dat niet prachtig? Is dat niet schitterend? Is dat niet een zekerheid van de bovenste plank? Dat je nu mag zeggen: “Het is geweldig Here Jezus, dat hebben we allemaal aan U te danken. Allemaal aan U te danken, aan niemand anders!” Zing het maar: Niemand anders dan Jezus, niemand anders dan Hij… Niemand anders, alleen de Here Jezus. En voor God sta jij er nu helemaal nieuw voor. Niet meer naar de oude staat van de letter, maar naar de nieuwe staat des Geestes. Nu heb je de vrucht van de Heilige Geest omdat je opnieuw geboren bent, uit de Geest geboren bent, wederom geboren bent. En nu heb je de vrucht die te maken heeft met dat nieuwe leven. Nou dat is dan aardig. Nu zitten we hier dus als nieuwe scheppingen, opnieuw geboren – laten we aannemen dat dit voor iedereen geldt, ik hoop dat ook, ik bid dat ook, dat iedereen hier de Here Jezus kent en weet: mijn schuld is weg en mijn zonden zijn vergeven en ik hoef het nooit meer zelf op te lossen dat ís gebeurd, de Here Jezus heeft het gedaan – Amen Halleluja! En nu, ja nu zijn we nieuwe schepping en nu kan oom agent fluiten wat hij wilt, maar ik ben een nieuwe schepping. Dus ik heb niets meer met oom agent te maken, ik heb niets meer met de wet te maken, ik heb niets meer met de voorschriften te maken. Ik doe wat ik zelf wil, want ik ben een nieuwe schepping. Nou die houding die kom je tegen, dat hebben mensen ook tegen mij gezegd. Een mevrouw die schold echt haar man voor rotte vis uit – dat is te lief uitgedrukt, maar dat is echt gebeurd – en ze zei: “Ik heb door de Geest gesproken, ik ben een nieuwe schepping.” Nou, dat klonk heel aardig. Ze was er mooi af. En die man bleef zitten met een kater en zei met een Halleluja gevoel, want ze had door de Geest gesproken. Ook echt is gebeurd – een heel oud verhaal – dat iemand voor de rechter stond. De rechter zei, dat en dat heb jij gedaan. Toen zei hij: “Nee, dat heeft mijn oude mens gedaan, dat heb ik niet gedaan, dat heeft mijn oude mens gedaan.” Maar de rechter was ook niet van gisteren, die zei: “Nou, dan zullen we de oude mens nu veroordelen tot drie jaar gevangenschap.” Met andere woorden: we kunnen in onze praktijk wel terdege dingen doen die helemaal niet kloppen; die van geen kant deugen. Verkeerde dingen zeggen, verkeerde dingen bedenken. Nog sterker: Ik wil het goede zo graag doen, maar iedereen keer is die kwade er ook weer bij. U voelt het aankomen he? Het staat gewoon in de tekst. Als ik het goede wil doen, dan doe ik soms…. Ik wil de Here dienen, prijzen, loven, groot maken! We beginnen gelijk! Halleluja! Maandagochtend. Het is nog geen 9.00 uur en de buren die staan op de stoep. Je hebt bonje want je auto staat niet goed geparkeerd. Onzindingen, maar er moet maar dát gebeuren of je bent helemaal van je apropos. En je wou het zo goed. En het lukte niet. Ik denk dat de meesten hier zeggen: “Nou, dat overkomt mij niet één keer per dag, soms wel vaker dan één keer per dag.” Het gaat ook wel eens een paar dagen goed hoor, echt waar. Komt vanzelf. Maar dan moet je wel mild worden, voorzichtig. En dat komt omdat je een heel slecht geheugen krijgt op den duur. Dat je het niet meer weet. Dan is het er soms nog wel, maar dan weet je niet meer wat je gezegd hebt. Dat kan ook. In elk geval: de Bijbel veronderstelt dat wij die oude prut nog bij ons hebben. Die oude mens er nog is, en dat die oude mens ook nog de kop op steekt en handelt en dingen zegt die we nooit hadden willen zeggen – toch komen ze over onze lippen. En daar zit je mee. Weet je wat je doen moet? Terug naar het begin. Waar was het ook weer? Gestorven met Christus. Iedere keer bedenk ik: “Here Jezus, Ú deed het voor mij.” En als gelovigen zondigen, dan genieten ze ook niet meer van de zegen. Ik heb het ik weet niet hoe vaak uitgelegd en willen zeggen: Lieve broeder en zuster, als je gezondigd hebt als gelovige, dan ben je de vreugde van de Vader te kennen, kwijt. Niet definitief, je hoeft niet nog een keer bekeerd te worden. Maar je moet die prut wel opruimen. Je moet wel wegdoen wat er niet goed is en wat tussen God en jou is ingekomen. Het moet beleden worden, het moet erkend worden. En als je dat erkent, God is getrouw en rechtvaardig om je die zonde ook te vergeven. Hij vergeeft zo graag, maar Hij wil zo graag omgang met jou hebben. Genieten, samen met jou. Dat noemt de Bijbel: gemeenschap hebben met. En in relatie daarmee zegt Johannes: Onze gemeenschap is met de Vader. Deze dingen schrijf ik u op dat uw blijdschap volkomen zij. Maar als er nu iemand zegt: “Ik zondig niet!”, dan lieg je! Maar als wij gezondigd hebben, we hebben een Voorspraak bij de Vader. Niet bij God. Een Hogepriester bij God. Een Voorspraak bij de Váder. En dan kun je weer genieten. Wat moet je dan doen als je zondigt? Als je verkeerde dingen zegt? “Sorry Vader!” En soms moet je dat ook nog tegen anderen zeggen. Ik hoef dat natuurlijk nooit tegen Hennie te zeggen, want ik doe het altijd goed. Ik heb het allemaal goed gedaan. Maar u snapt het. Weet je, mensen die het dichts bij staan, krijgen het eerst de reactie. “Sorry, dat had ik niet moeten zeggen. Vader, sorry, dat had ik niet tegen Hennie moeten zeggen.” En vanaf dan is het net alsof het weer beter is dan dat het was. Als of het nog mooier is dan wat het was. Dat is echt zo. Dat is het geheim. En ik wil je daar een voorbeeld van geven. Een heel gek voorbeeld misschien en dat komt uit Deuteronomium 10. Wil je dat met mij opslaan? Deuteronomium 10. Ik ga daar heel, heel even doorheen; een heel klein beetje. In hoofdstuk 9 zegt Mozes – bijvoorbeeld vers 15:
Deuteronomium 9:
15] Daarop keerde ik mij om en daalde de berg af, die stond in een brand van vuur (teken van de heiligheid van God) en de twee tafelen van het verbond waren in mijn beide handen.
16] Toen zag ik, en zie, gij hadt gezondigd tegen de HERE, uw God; gij hadt u een gegoten kalf gemaakt, gij hadt u gehaast om af te wijken van de weg, die de HERE u geboden had;
17] toen greep ik de twee tafelen, wierp ze met beide handen weg en verbrijzelde ze voor uw ogen.
18] Daarop wierp ik mij voor de HERE neer… toen was Mozes ook zelf verbrijzeld….
De Wet. Dan gaat het in hoofdstuk 10 verder:
Deuteronomium 10:
1] Toen zeide de HERE tot mij: Houw u twee stenen tafelen gelijk de eerste, klim tot Mij op de berg, en maak u een houten ark;
2] dan zal Ik op de tafelen de woorden schrijven, die stonden op de eerste tafelen, welke gij verbrijzeld hebt, en gij zult ze in de ark leggen.
Dat doet Mozes. Hij maakte een ark van acaciahout. En u weet misschien: dat is de ark van het verbond. Toen is Mozes naar boven gegaan, en heeft de twee stenen tafelen de HERE hetzelfde schrift laten schrijven als het eerste stel. En wat gebeurde er toen? Toen Mozes terugkwam, wat heeft hij gedaan? Hij heeft die twee stenen tafelen met gróte spoed – dat is mijn vertaling – in die kist gelegd. Stél je voor dat ze wéér iets hadden gedaan! Dan had je hetzelfde gehad. In de kist. En toen? Deksel erop. En dat deksel heet – Romeinen 3 hadden we dat – Genadetroon, Verzoendeksel. Daar bracht de Hogepriester op de Grote Verzoendag het bloed. En nu staat in hoofdstuk 10 – daar wou ik u graag op wijzen en daar ook mee afsluiten:
Deuteronomium 10
8] Toen zonderde de HERE de stam der Levieten af om de ark van het verbond des HEREN de dragen, vóór de HERE te staan om Hem te dienen, en in zijn naam te zegenen tot op deze dag.
Weet je? De Israëlieten hebben veertig jaar (vrijwel) met de ark op hun schouders door de woestijn gelopen. Die ark was het centrum van de dienst aan de Here God. Daar draaide alles om. En wat stelde die ark voor? Daar was de Wet. Die Tien Woorden. Tien Woorden die dezelfde woorden zijn nog steeds. Die lagen in die ark en daar was een deksel op de ark gelegd. En op dat deksel was het bloed van het lam. Offerbloed. Cherubs keken neer. Er lag uiteindelijk een blauw kleed over aan de buitenkant, en zo liepen ze door de woestijn. Weet je wat jij moet doen? De ark van het verbond des HEREN op je schouders nemen. En zeggen: “Uw heilige eisen Here, die zijn inderdaad vervuld in Christus. Maar U bent nog steeds Dezelfde, Here. U bent nog steeds de Heilige. En U bent nog steeds een Verterend Vuur. U bent ook een genadig God die niet wil dat ik in die kist hoef te kijken.” Als dat wél gebeurde, als ze wél in die kist keken – en dat is gebeurd – dan stierven ze. Er lag een deksel over. Een Verzoendeksel. Genadetroon. Daar is het bloed van het offer. Het Bloed van de Here Jezus, zo mag je dat écht zeggen met het Nieuwe Testament in je hand. Wat een geweldige rijkdom! En díé kist draag je. Dat is het einde van Romeinen 7. Ik dank God door Christus Jezus onze Heer! Ik hef Hem op! Ik neem Hem op mijn schouders! Ik draag Hem! En ik wil van Hem getuigen! Want Hij is de oplossing! Dát is de oplossing, natuurlijk! De Wet is nog dezelfde, maar in Hem en voorzien van een Verzoendeksel, een Genadetroon en op dat deksel het Bloed van het Offerlam, dát is het geheim! En zo dragen we dat geweldige, kostbare werk van de Here Jezus door deze wereld. Dát is ons getuigenis! Niet: Ohh… het is allemaal zo moeilijk en zo zwaar…. En er zijn allemaal liederen over – ik ken er een hele rij – over hoe zwaar en moeilijk is de weg “hoe ver lijkt mij het eind”, ik kom er niet uit, ik zak iedere keer weer weg… Dat klópt! Maar er is één die niet verandert, dat is de Here Jezus. Neem Hem op de schouders! Vanaf het moment dat je Hem op de schouders neemt – met alle eerbied – als jij je kracht die je inzet, daaraan geeft… Want dat is het: wij zeggen “we moeten onze schouders eronder zetten”, bedoelen we dat. Vanaf het moment dat Hij op onze schouders is, zeggen we: “Here Jezus, U bent het!” En dat is precies ons getuigenis. Want als ze ons afrekenen op onze houding als het om de Wet gaat, dan zeggen ze: “Nou, dat zuchten en dat steunen en dat zwaarmoedige? Nee, nee, nee….” In de Achterhoek zeggen ze dan ook nog: “Ja… ja…” Maar dan bedoelen ze ook “nee”. Maar als u de Here Jezus op uw schouders neemt en zegt: “Dáár is de oplossing! Dát is de oplossing! Hij is de oplossing! Christus!” Ik dank God, door Christus Jezus onze Heer! Dat is een jubeltoon aan het eind van hoofdstuk 7. En alle, alle dingen die vermeldt zijn eindigen in een jubeltoon omdat de Here Jezus de oplossing is. En met die Here Jezus ben ik geweldig blij. Ik ben er zó gelukkig mee dat Hij voor mij aan het kruis Zijn leven heeft willen geven. En stel dat je niet zekerheid hebt daarover, ga dan niet naar huis en probeer dan maar iemand aan de jas te trekken. Laten we maar gaan praten, laten we maar gaan bidden: “AlstUblieft Here Jezus, we willen U graag leren kennen!” Want als we naar ons zelf kijken? Ik ellendig mens. Als ik naar Hem kijk? Wat een blijdschap! En beide dingen staan. Want we leven nog met dit vlees van de zonde om ons heen. En we worden bestookt door de pijlen die op ons afkomen. De infiltraties van ik weet niet welke kant allemaal. We worden op alle mogelijke manieren besprongen. Maar het is de Here Jezus. Ze hebben toen, met Hem op de schouders, een tocht door de woestijn gemaakt. En die tocht die gaat vandaag ook nog steeds verder. Ik wens u daarbij heel veel zegen en heel veel blijdschap. Amen.
Ik wil graag met u danken:
“Onze God, onze Vader, wij willen U hartelijk danken dat U onze Vader bent. We willen U danken dat U, in de Here Jezus, zó dichtbij komt. En dat U dé oplossing aan de hand hebt gedaan, om mensen die vertwijfeld zijn als ze naar zichzelf kijken, om die mensen te bemoedigen, om hen te versterken. Vader, U wilt ook vanavond, in deze dienst, Uw wonder opnieuw verrichten. En ik wil U bidden, dat dit echt, écht mag gebeuren door de kracht van Uw Heilige Geest en vanuit Uw Woord. Amen.”
Tot slot: Eén van de wonderen die de Here Jezus deed, was dat een mevrouw die helemaal krom was – u kent het he? – geheel krom… U moet u zich eens afvragen, wie zij zag, normaal. Zichzelf. Wat deed de Here Jezus? Rechtop! Wie zag ze toen? Alsjeblieft.