Romeinen 8 : 1 – 30

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 12. De vrijheid door de Geest

Bijbellezing over de brief van Paulus aan de Romeinen,
door Dato Steenhuis, 7 oktober 2007
Romeinen 8 vers 1 – 30
1] Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn.
2] Want de wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods.
3] Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees – God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees,
4] opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest.
5] Want zij, die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, die naar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest.
9] Gij daarentegen zijt niet in he vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe.
10] Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid.
11] En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont.
12] Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet naar het vlees, om naar het vlees te leven.
13] Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven.
14] Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods.
15] Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap door welke wij roepen: Abba, Vader.
16] Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn.
17] Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.
18] Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden.
19] Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods.
20] Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft,
21] in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods.
22] Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is.
23] En niet alleen zij, maar ook wij zelf, [wij] die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam.
24] Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet?
25] Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding.
26] En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.
27] En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit.
28] Wij weten nu, dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn.
29] Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen;
30] en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
Het is best een heel stuk. Toch wilde ik graag dit complete stuk met u delen vanavond. Niet om een stuk over te slaan bij voorbaat, maar om het verband tussen deze bijzondere stukjes in Romeinen 8, vast te houden. We hadden de vorige keer gezien, dat wij soms iets willen. Wij willen het goede, maar dan blijkt dat het niet-goede, het verkeerde bij ons voor handen is. Wat we wel willen dat doen we niet en wat we niet willen dat doen we wel. Dat is een soort voortdurend conflict – voortdurend conflict – wel eens voorgesteld als twee honden die aan het vechten zijn, een zwarte en een witte. Die zijn maar aan het vechten. En één van die honden gaat het een keer winnen. Welke? Ja, die witte natuurlijk, maar dat is uw kleur misschien. Maar het antwoord is: de hond die je het meeste te eten geeft. We voelen aan dat dit conflict er echt is. Dat is het vlees tegen de geest. Die twee staan tegenover elkaar. Een conflict. En nu moet je door de Geest de werkingen van het lichaam doden. Nou, dat is een gigantische opgave. Want je komt jezelf iedere keer tegen. Er is – zoals hier staat in Romeinen 8 – een wetmatigheid. Want de wetmatigheid van de geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt van de wetmatigheid van de wetmatigheid van de zonde en de dood. Zonde leidt tot de dood. Dat is een wetmatigheid. Net zo goed, dat als je nu een steen omhoog gooit, dan valt die naar beneden. Dat is de wet van de zwaartekracht, dat ding valt naar beneden. Iedere keer hetzelfde. Gaat echt gebeuren. De wetmatigheid van ‘de zonde leidt tot de dood’ dat kan niet missen, dat is niet te onderbreken. Maar er is ook een wetmatigheid van ‘de geest van het leven’. Als de Heilige Geest in je komt, heb je leven uit God. En die Heilige Geest komt als je gelooft in het volbrachte werk van de Here Jezus. Niet eerder maar ook gelukkig niet later. Het is zó geweldig dat je met je schuld en met je zonde, met alles wat verkeerd is, naar God mag gaan. Dat je die verkeerdheid aan de Here God mag belijden, dat je dat mag erkennen en dat je dan mag gaan geloven in de Here Jezus! Daarover schrijft Paulus in deze bijzonder brief. Over het offer van de Here Jezus. Over het feit dat de Here Jezus hier, naar de aarde is gekomen, vlees en bloed heeft aangenomen, hier, in het vlees, de eisen van God heeft willen vervullen. En Hij heeft het gedaan. Het is volbracht. Het is tot het einde toe voleindigd geworden. En dat geldt alleen voor wie gelooft. Dat is de enige beperking. Voor wie gelooft. En de vraag moet dus opnieuw gesteld worden: Geloof je dat? En “Halleluja!” roept iedereen. Nu, ik heb niets gehoord, maar dat hoor ik vanavond misschien nog, als we nog een lied zingen waar het woord Halleluja in voorkomt. Het is toch geweldig dat je kunt zeggen: “Here Jezus, dank U wel dat U vlees en bloed heeft aangenomen! Dat U hier mens wilde worden om de eisen van God in datzelfde vlees te voldoen!” Voor ons, die nu niet meer in het vlees zijn. Die nu in de geest zijn, omdat de Geest van Christus in ons woont. Weet je, we hadden al in Romeinen 6, dat wij, die hier op aarde waren, en hier leefden in de zonde, met Christus gekruisigd zijn. Met Christus gestorven zijn. Met Christus begraven zijn. We zijn er niet meer! U bent helemaal weg! Nou, soms denk je: bleef dat maar zo, bleef dat maar zo! Dat kan niet he? En die lugubere mopjes zijn allemaal al verteld bij de doop, dat hoef ik hier niet nog een keer te zeggen. Maar waar het om gaat is, dat God iedereen die gelooft in het volbrachte werk van de Here Jezus, ziet in Christus! En dat de eisen van God, voor ons, in Hem een beslag gekregen hebben. En door Hem volkomen, volkomen zijn ingelost. En de wetmatigheid van de zonde leidend tot de dood, blijft staan voor een ieder die niet gelooft. Dat is ook een wetmatigheid. Van allen die geloven in de Here Jezus en de Heilige Geest ontvangen, die worden nu tot die categorie gerekend waar het gaat over de Geest des Levens heeft hen vrijgemaakt in Christus Jezus. En de hamvraag is dus heel simpel: Bij welke club hoor je? Niet de kerk één of kerk honderdentwaalf. Daar komen we misschien nooit uit in deze situatie. Maar wel: Hoor je bij die mensen die nog in het vlees zijn? Die nog steeds zó voor God staan, zoals wij vroeger voor God stonden? Of hoor je bij de categorie die met schuld en met zonden tot God gerend zijn, die tot God gegaan zijn en die gezegd hebben: “O God, wees mij zondaar, genadig!” En allen die dat gedaan hebben, krijgen vergeving van hun zonden. Worden gerechtvaardigd. Zomaar. Gepardonneerd. Volledig gerechtvaardig in Christus. Wij dan, gerechtvaardigd door het geloof, hebben vrede met God, door onze Here Jezus Christus. Een geweldige felicitatie waard en ik hoop ook dat je daarvan geniet. Dan gaat de Heilige Geest in je wonen. Dan hoor je bij de nieuwe categorie. De categorie die hier aangeduid wordt als de categorie met de Geest des Levens. In Christus Jezus vrijgemaakt. En als de Geest niet in je woont, dan behoor je Hem niet toe. Dat is hier heel fel, heel direct. Als je de Heilige Geest niet hebt, dan sta je erbuiten. En ik weet wel dat dit dan een beetje Pinksterachtig klinkt. En dat je dan een beetje gaat denken aan een bepaalde club van een bepaalde kleur ofzo. Daar gaat het hier helemaal niet om. Het gaat helemaal niet om – trouwens die kleuren bestonden helemaal niet in die tijd! Er was maar één kleur! En dat was de kleur van het Bloed, als ik dat nou zo-eens een kleur mag noemen. Die kleur is: geloven in de Here Jezus. En deze mensen, die hebben een volkomen nieuw perspectief. Want, deze mensen, die worden door de Here God heel bijzonder aangeduid. Die worden dus nu, door Dezelfde Heilige Geest geleidt, gestuurd. Ja, als dit nu écht zo was…Er zijn prachtige inleidingen te houden over het werk van de Heilige Geest. Kun je helemaal indelen, helemaal schijfjes van maken. Alsof het een soort röntgenapparaat is. En je kunt een hele avond praten over de leiding van de Heilige Geest. Ik heb een keer een conferentie meegemaakt. En daar waren mensen die hadden dertig jaar geleden dit en dit ervaren en dat was geweldig! De leiding van de Heilige Geest. Super. De volgende getuige was ongeveer vijfentwintig jaar geleden iets overkomen. Ook geweldig. Toen kwam er één, die had vijftien ook iets bijzonders meegemaakt. En toen schoot me dat in het verkeerde keelgat. Een beetje eigenwijs. En ik vroeg me af, en dat heb ik ook openlijk geroepen, of dat vandaag ook nog voorkwam. Je kunt wel over vijfentwintig, vijftien, tien jaar terug praten, maar wat is het dan vandaag? Als het alleen maar, ergens, iets geweest is in het leven van een godsman of een godsvrouw, in de oude dag, wat doet de Heilige Geest vandaag dan? Zou de Heilige Geest ons vandaag ook willen leiden? Zou die Geest van Christus, die in ons is, de Heilige Geest, God de Geest in mij, niet een soort explosie willen bewerken? Zodat ik ervaar dat Hij er is, dat Hij mij leidt, dat Hij me stuurt, dat Hij me verder brengt? Of is het alleen maar tam? “Ja, als je maar je handen over elkaar houdt, je mond dicht, niet al te veel roept…Halleluja mag je roepen, maar dan alleen tijdens het gezang en niet daarbuiten.” Sorry hoor, dat ik het zo een beetje formuleer. Maar wat doet de Heilige Geest nou vandaag? Kan de Heilige Geest nog iets doen met ons? Vanmorgen sprak ik over Openbaring 1 en daar gaat het over Johannes die in vervoering des Geestes kwam, op de dag des Heren. Heel simpel gezegd, de Heilige Geest kon hem meenemen, kon hem vervoeren, kon hem mee tillen, mee heffen, verder leiden, verder brengen. Zou de Heilige Geest dat vandaag, vanavond, hier in deze zaal, ook willen doen? Amen, dat wil Hij doen. Dan hebt u geluk, want het is het Trefpunt. Dat treft. Hij treft u. En Hij wil u meenemen. En Hij wil u leiden. De Heilige Geest wil u vullen. En daar moet je zelf iets voor doen. Nou, dat is best aardig. Want zegt u maar even het lijstje, dan zullen wij de boodschappen gaan halen. Zo zitten wij in elkaar, tenminste ik. Dan krijg ik een lijstje van Hennie en dan moet ik naar Albert Heyn of een andere supermarkt. Wij willen eigenlijk wel een lijstje. Here God, zegt U het maar, moet ik nu links in de zaal gaan zitten of rechts? Wordt vervuld! Weest vervuld! Dat is een opdracht! Een ieder van u zie toe hoe hij wandelt. Dat betekent dat wij verantwoordelijkheid hebben. Dat wij ons de vraag moeten stellen hoe we wandelen, hoe we staan, hoe we gaan, wat we doen. Wat we ook niet doen. De Heilige Geest, Hij wil ons vullen. De Heilige Geest in ons, wil een bron van zegen zijn, wil een enorme explosie veroorzaken van kracht en van genade. Nou, daar zitten de mensen op te wachten. Zijn dat de samenkomsten waarover we soms iets lezen? Nou dat kan. Dat kan daar ook. Dat kan hier ook. Echt waar. Ik ga niet bagatelliseren. Ik ga niet het ene verkleinen of het andere opkrikken. Ik ga alleen zeggen dat de Heilige Geest ook vandaag, met ons, iets bijzonders wil gaan doen. En dat bijzondere hier in Romeinen 8 is, is dat je in de tijd waarin je het heel moeilijk kan hebben omdat je jezelf nogal tegenkomt – weet je wel: wat je wel wil, dat doe je niet en wat je niet wil dat doe je wel. Maar los nog van wat je bij jezelf ontdekt, er is nog allerlei toestand om je heen. Jan Faber is ziek. Ik noem maar even een actueel iets. Of zelf heb je problemen met je linkerbeen. Of er is iets in je familie. Of er is iets in de gemeente. Of er is spanning in je eigen familie, ik bedoel in je gezinnetjes van je eigen familie misschien. Er is zoveel zorg dat je soms huilend bij de Here komt en niet weet waar je het zoeken moet. Dat is echt zo. En hoe moet je dat dan plaatsen? Nu zegt de Bijbel hier, dat de mensen die de Heilige Geest hebben ontvangen, ook daarbij, daarin, daardoor, de Geest van zoonschap hebben gekregen door welke ze roepen Abba, Vader. Dat betekent dat ze in een hele speciale betrekking tot God de Vader zijn gebracht. Dat is nieuw. Als je in het joodse leven – onlangs waren we daar – en je hoort het ze zeggen: “Abba! Abba!” Dat zegt een klein kindje tegen z’n pa en hij geeft hem een por tussen z’n ribben. Nou ja, ik durf het niet al te ver door te drammen, maar bij wijze van he… Maar je hoort het wel! Dat zeggen ze wel! Wat onze kinderen ook zeiden! Heel dichtbij! Helemaal geen plichtplegingen, helemaal niet van: “Mag ik alstublieft iets vragen, mag ik…” een briefje in drievoud indienen: “Moet ik persé drie keer naar de kerk” ofzo. Niets van dat alles! Helemaal, páts. In een keer. Direct. Vragen. Dat wil de Heilige Geest bewerken. Geest van zoonschap. De Heilige Geest geef je de overtuiging dat God niet meer de strenge God is die jouw zonde niet door de vingers kan zien – dat klopt wel, dat kon Hij ook niet. Maar die zonde bestaat niet meer! Die zijn weg, omdat de Here Jezus in het vlees de eis van Gods Wet in Zijn vlees voor jou heeft weggedaan! Dat betekent dat je vrij bent! Voor altijd vrij bent. Geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn! Hou vast! Hou vol! Geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn! Geen enkele veroordeling! Niets is er! En nu: Geest van zoonschap door welke wij roepen: “Abba, Vader!” Heel dichtbij gekomen. In die vertrouwelijke situatie met God de Vader gebracht. Maar niet alleen in de zoonschap-situatie terechtgekomen, want als we zonen zijn, dan zijn we ook erfgenamen! Erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus Jezus. Hoort u dat goed? U, die arme zondaar, u die altijd, altijd maar uzelf zag. Iedere keer weer naar jezelf kijken en: “Och, och, och… het is deze week wéér beroerder dan de vorige week! Oh… het is zó slecht met me!” Is dat het werk van Gods Geest? De Heilige Geest overtuigt van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. Absoluut. Dat doet de Heilige Geest. Maar bedoelt de Bijbel dat we steeds dieper in het moeras moeten zakken? Steeds meer moeten zien van onze ellende, van onze zonde en van onze schuld? Ja, ook dat. Genade van God wordt per week groter, dat denk ik wel. Maar hier staat dat er geen veroordeling is voor hen die in Christus Jezus zijn. Als u gelooft in de Here Jezus, als u gelooft dat het werk van de Here Jezus voor u gedaan is, dan moet je ook een keer durven zeggen: “Dank U wel Here God, dat U nu mijn Vader bent. Dat ik nu leven uit U heb; Geest van zoonschap, Geest van Leven, in mij.” Maar ben ik zoon, dan ben ik ook erfgenaam. Is dat een soort brutale claim? Is dat iets van: “Nou, als ik nu zoon ben, dan moet ik ook erfgenaam zijn!”? Is dat ongeveer die taal? Nee, dat is het niet. Dat zou je bijna denken, maar dat is niet zo. Maar God zegt in Zijn geweldige liefde en genade dat u, doordat u zoon bent – overigens ook dochter, die term wordt ook gebruikt in 2 Korinthe 6 als u het zoeken wilt – dat u als u die plaats hebt, die bijzondere plaats hebt aan het hart van God de Vader, dat u ook erfgenaam bent. Zo, dus ik ben erfgenaam. Mede-erfgenaam van Christus. Van ons zijn alle dingen. Nou, dan zitten we dus echt gebeiteld. Nee, zegt de Bijbel hier in Romeinen 8, het kan nog heel erg moeilijk zijn. Want om je heen hoor je het zuchten van de schepping. Alles kraakt. Alles staat bijna op instorten. Het is helemaal niet zo glad. En dat weten we. Eén dag ziekenhuis is genoeg om het idee te geven: nou, alle mensen zijn geloof ik ziek. Dat idee heb je dan, als je daar bent. Eén dag pastoraal werk en: oh, oh, oh, wát een nood in de gemeente. Eén dag pastorale gesprekken met mensen die – laat ik maar zeggen – getrouwd zijn en wat moeilijkheden hebben: alle huwelijken schijnen op instorten te staan. Dat is natuurlijk overdreven wat ik nu zeg, maar zo komt het naar ons toe. Er hoeft niet zoveel te gebeuren of je hebt het idee: alles kraakt en alles zucht en het is allemaal kommer en kwel. Er is eigenlijk niet meer over van die geweldige bloeitijd! Geweldig is het! De Here Jezus…. We komen onszelf tegen, we komen moeilijkheden tegen. We voelen dat, we ruiken dat. En we krijgen berichten over haar en over hem. Het zuchten van de schepping. En we weten er geen raad mee. En nu zegt de Bijbel hier in Romeinen 8 – hetzelfde Romeinen 8, weet u nog: geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn! – dát hoofdstuk zegt dat de hele schepping wacht op het openbaar worden van de zonen Gods. Wanneer is dat? U en ik, geest van zoonschap. We lazen dat net. Omdat we zonen zijn, ook erfgenamen. U en ik, geest van zoonschap, door welke wij roepen: “Abba, Vader!” En wij, zonen Gods, worden een keer openbaar. Is dat nu? Nou, nee. Het was in die tijd al heel moeilijk om voor het geloof uit te komen en de meeste zaten misschien wel in de gevangenis. Johannes was op Patmos, Paulus zat in het gevang, Petrus is in het gevang geweest. En in Jeruzalem was nood. En de Gemeente werd vervolgd en werd van de ene plek naar de andere gedrongen. Er was helemaal geen vrolijkheid! Helemaal geen openbaar worden van de zonen Gods. Maar de hele schepping zucht en wacht tot het openbaar worden van de zonen Gods. Wanneer is het moment dan daar? Nou, zegt de Bijbel heel concreet: als de Here Jezus terugkomt, als de Zoon Gods zichtbaar wordt. Als Hij Zijn voeten zal stellen op de Olijfberg. Als Hij komt en wij met Hem komen. Als Hij, de Erfgenaam van alle dingen, de Koning der koningen, Here der heren is, de Baas is, de Bezitter is, de Erfgenaam van alle dingen is, wij met Hem! En u nu maar rommelen en een beetje rollebollen over: U wilt een grotere kavel dan Dato. Nou, u krijgt het. Wat mij betreft gaat u er dan een huisje op bouwen. Sorry dat ik het nu zo plat mogelijk zeg. Maar is dát de insteek? Neen! Dat voelen we aan. Openbaar worden van de zonen Gods. Dat betekent als de Here Jezus zichtbaar wordt, als Hij, onze Here Jezus hier op aarde de Erfgenaam van alle dingen ineens alle eer krijgt. Als men vol verbazing zegt: “O wat een stomme, stómme dingen hebben we gedaan toen u geboren werd in Bethlehem! Toen hebben we alle hotels voor onszelf gehouden en we hebben U, de Erfgenaam van alle dingen buiten gesloten! O, wat zijn we dom geweest!” Dat zullen ze dan zeggen. En vele, vele soortgelijke dingen. Ze hebben hem weggestuurd, ze hebben Hem weggehoond, ze hebben Hem op alle mogelijke manieren aan het kruis gewenst. Ze hebben met Hem gedaan wat ze wilden. Hij, de Erfgenaam van alle dingen, de Zoon Gods. Er was geen plaats voor Hem. Hij had geen plaats waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen. Vossen hadden nog een hol en vogels hadden nog een nest, maar de Here Jezus had niets. Dat was Zijn situatie. Maar het openbaar worden van de zonen Gods, het openbaar worden van deze dingen is subliem. Dat komt. Maar dan komt de Here Jezus niet alleen, maar wij komen met Hem! Jij, jij die hier bent en de Here Jezus kent als je Heiland en als je Verlosser. Die weet dat om jouw uit die poel van vlees en van die wetmatigheid van zonde tot de dood, om je daarvan te bevrijden, om je daaruit los te maken, jij bent door de Geest die in je is, de Heilige Geest die in je is gaan wonen, tot het zoonschap van God Zelf bedoeld. Jij. Jij, hier op je stoel zittend: “Dank U wel Here Jezus. Dank U wel onze God, onze Vader voor zulke geweldige dingen.” Toch is het zuchten ook bij onszelf aanwezig. Dat zegt ons hoofdstuk, ik heb dat met je gelezen. Dat zuchten, dat is er. We voelen het, we horen het, we merken het. Soms sterker dan andere momenten. Ik praat een beetje uit gevoelens van nu. En je schreeuwt tot God en je vraagt: “Here God, is dit de route? Moet het zo verder? Of hebt U een andere route?” Natuurlijk kan ik zeggen: “Daar wil ik af, dat hoeft niet. Een gelovige hoeft niet ziek te zijn.” Een gelovige heeft dan een uitweg. Die zoekt dan een geneesheer ergens in Swalderburen of waar dan ook, ik roep maar geen namen verder. We gaan op stap. We gaan net zo lang zoeken totdat we zo’n man vinden. En we gaan echt zoeken. Ook de gelovigen zuchten. Zijn er dan geen genezingen? Ja, er zijn heel spontane genezingen. Ik hoorde net dat er een genezing is hier in Veenendaal van iemand die heel lang ziek geweest is. Niet in een samenkomst, niet ergens geweest, maar gewoon thuis en pats ineens. Kan de Here dat? Ja. Zal de Here dat willen doen? Ook nog. Ik twijfel daar geen seconde aan. Maar de vraag is of wij, nu, durven zeggen: “Here Jezus, hier zijn we! We wachten. We zuchten en we wachten ook op de openbaring van de zonen Gods. Want dán, ja dan is alles anders. Dan is het lichaam van de zonde er ook niet meer. Dan is dat broze, vergankelijke ook verdwenen. Dan is alles schitterend. Dan gaat het om U Here Jezus, en dan gaat het om Uw glorie. En dan gaat het om alles wat U aan het doen bent.” In dat verband, beste mensen, komt er een hele moeilijke zin. Nu, bij jullie die de Heilige Geest hebben, bij jullie werken alle dingen mee ten goede. Maar dat is een moeilijke! Aha, dus die en die heeft toen en toen mijn huis in brand gestoken; en u wilt dus zeggen dat de Here God zei dat hij dat maar even moest doen; die heeft dus door Gods Geest geleidt dat gedaan. Dat heb ik niet gezegd. Ik ken al die geschiedenissen al. Misschien hebt u nog een actueel verhaal, dat zou best kunnen, maar die komt dan overeen met een geschiedenis die we al gehad hebben. Van die dronken bestuurder die een kind aanreed, tot álles wat er is misgegaan. Zou u durven zeggen: “Here, hier ben ik. Dank U wel dat ik, die hopeloos verloren was en die gegarandeerd de dood zou hebben ontvangen – uiteindelijk de zonde tot de dood; uiteindelijk vér van God zou eindigen, zonder God zou eindigen, dat ik nu een kind van God ben. Dat ik nu zoon ben. Dat ik nu erfgenaam ben van alle dingen. Nu bestemd ben, om samen met U, Here Jezus, geopenbaard te worden.” Zou u nu ook durven zeggen: “Here, hier ben ik.”? Dit is zó moeilijk. Ik weet niet of ik dit gezegd heb. We waren in Israël onlangs met een groep en een paar daarvan zitten hier. En we hebben een bijbelstudie gehouden over de zegen van Jacob over de zonen van Jozef. Dat is misschien al een keer eerder aan de orde geweest. Over die gekruiste handen. De oude Jacob, bijna blind, wilde de zonen van Jozef zegenen. Jozef regelt dat, zet z’n oudste zoon natuurlijk bij de rechterhand van zijn vader en zijn jongste zoon bij zijn linkerhand – hoeft die man zich ook niet zo te bukken. En dan komt het zover en dan kruist die oude Jacob zijn handen. Legt dus zijn rechterhand op de jongste zoon en zijn linkerhand op de oudste zoon. En Jozef zegt: “Zo niet mijn vader, zo niet!” En de oude Jacob zegt: “Ik weet het mijn zoon, ik weet het.” Weet je, die oudste zoon, die heette “moeite vergeten”. Die jongste zoon, die heette: “vruchtbaar in de ellende”. Dat staat gewoon in Genesis. Dat staat gewoon in de tekst. Dat heb ik niet bedacht. Geen woordenboekje, maar tekst. Het is alsof de Here God zegt: “Weet je, eerst komt “vruchtbaar in de ellende” en dan komt “moeite vergeten”. Echt zo. Eerst vruchtbaar in de ellende. Dan moeite vergeten. De Here Jezus vroeg: “Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbij gaan. Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiedde.” Eerst vruchtbaar in de ellende, dan moeite vergeten. Paulus. Vruchtbaar in de ellende “Daarom roem ik in zwakheid” dan, moeite vergeten. Petrus. Johannes op Patmos. Eerst vruchtbaar in de ellende en dan moeite vergeten. Alle dingen zullen medewerken ten goede. Dat is moeilijk. Een van mijn kinderen had het behoorlijk benauwd gisteren. Ik bedoel niet met z’n luchtwegen, maar gewoon door spanningen in het gezin. De dienst van vanmorgen, het gesprek na de dienst. Het is zó moeilijk om te durven zeggen: “Here, U laat dit toe. U doet dit in mijn leven.” Dat willen we wel, als het ons nog maar een beetje uitkomt. Maar als het ons niet meer uitkomt, als wij denken: “Ja, maar ik wil wel van mijn probleem van mijn linkerbovenbeen af. Daar wil ik vanaf. En als ik een weg weet om er van af te komen, dan laat ik het niet! Desnoods een third opinion, of een fourth opinion, maar er moet een nieuwe opinie komen, er moet een nieuw onderzoek komen, want ik wíl er van af!” Ik snap dat! En ik ga je niet veroordelen, maar ik ga naast je zitten, want ik voel dat! Maar zou u vanavond durven zeggen dat alle dingen zullen meewerken ten goede voor hen die God liefhebben? Alle dingen!? Niet alleen de dingen die ú tot alle dingen gaat rekenen, maar alle dingen! Incluis die ene kwestie waar u nu al jaren mee worstelt met God. Zou u het durven? Dit is zó moeilijk, want dit past niet meer in ons klimaat! We worden aan de ene kant bestookt met: “als je een beetje gelovige bent, dan gaat alles je voor de wind; dat gaat het je zakelijk goed, dan gaat het in je familie goed en in de straat gaat het goed”, gewoon een soort welvaartsevangelie. En een andere stroom is van: “Moet je eens luisteren, als je problemen hebt, dan moet je naar Nigeria; dat lossen ze daar wel op!” We zijn jaren, misschien wel eeuwen vergeten die lui daar, maar daar lossen ze het op. Ik ga een beetje fel, misschien wel te fel uit mijn hart spreken. Maar om nu te zeggen: “Here, hier ben ik. Here, hier zijn we! We zijn tot het zoonschap voor Uzelf bedoeld! En U hebt ons mede-erfgenamen gemaakt!” Want de hele schepping zucht! En ook wij, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wij zuchten mee! We voelen dit, we merken dit, we ervaren dit! We zitten er middenin! En ook wij zuchten mee! We wachten op het geweldige moment waarop de Here Jezus komt. Dát is hoop die hier bedoeld is. Daarover gaat het! En de Geest komt je zwakheden te hulp. Want jij weet niet meer wat je bidden moet dan. Dat staat hier. In dat verband staat hier: we weten niet wat we bidden moeten zoals het behoort. Gaat het dan om de formuleringen? Gaat het dan om de juiste woordkeus? Nee het gaat om je hart, het gaat erom dat er mensen zijn die dan niet meer weten hoe ze het zoeken moeten, maar de Geest is aan het bidden. Daarom staat het hier! En daar wordt bovendien gezegd: “Luister nu eens goed. Waarom is het nu waar dat alle dingen zullen medewerken ten goede voor hen die God liefhebben? Waarom is dat nu waar?” Want, God heeft jou gekend voor je Hem kende, dat staat hier. Hij kende jou. Reeds lang tevoren. Voor de grondlegging van de wereld, kende Hij jou. Uitverkoren van voor de grondlegging der wereld. Om behouden te worden? Nee, heb ik al uitgelegd. Nooit om behouden te worden. Hij kende jou, omdat Hij iets bijzonders met jou van plan was. Waarom mag ik dat zeggen? Omdat de Geest van onze Here Jezus, de Geest van God in jou woont. Daarom mag ik dat zeggen. Dat is heel uniek! Dat is nog nooit gebeurd! De Heilige Geest permanent inwonend, eeuwig inwonend in een gelovige! Dat is helemaal nieuw. Jij hebt dat gekregen. Jij, hier, die gelooft. En God zegt: “Ik kende je al, en Ik had je al bestemd voordat je überhaupt al van Mij had gehoord, voordat je er was zelfs; Ik had je bestemd om aan het beeld van Mijn Zoon gelijkvormig te zijn! Ik wilde dat Dato aan Hem gelijk zou zijn! Ik wilde dat het hele gezelschap hier in het Trefpunt in Veenendaal aan Hem gelijk zou zijn! Aan Hem gelijk! Zijn heerlijkheid, Zijn grootheid, Zijn schittering is niet te omschrijven. Hij, alles, alles te bovengaand, in alle heerlijkheid. Aan Hém gelijkvormig. Jij!” Opdat Hij, de Here Jezus, de Eerstgeborene zou zijn in dat gezelschap. Het gaat niet eens primair om jou, het gaat om onze Here Jezus. Vervolgens. En die Hij gekend heeft en bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen! Dat staat hier, Romeinen 8. Hij riep jou. Tien jaar terug, vijftien jaar terug, één jaar terug, gisteren. Hij riep. Misschien roept Hij je vanavond nog. Vanavond kun je komen. Vanavond, als je wilt, kun je komen. Je kunt komen, Hij roept! En die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd. Rechtensvrij van zonde gemaakt. Wij dan gerechtvaardigd op grond van geloof hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus. En die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt. Aha. Dat betekent dat jij en ik, nu, in die enorme hoge positie van erfgenaam, van verheerlijkten, van mensen zonder smet zonder rimpel zonder vlek of iets dergelijks hebben, dat wij een geweldige plaats hebben bij de Here Jezus, rondom de Here Jezus. Ja en we zitten nog in Veenendaal. En ik heb nog steeds last van mijn linkerbeen…Ik wil het expres zo zeggen. Niet om een loopje met u te nemen. Ik ga niet klein denken over wat Jan Faber nu overkomt op dit moment. We willen voor hem bidden en dat hebben wij ook gedaan. Begrijp me goed. Het gaat niet om iets te bagatelliseren. Want dat is niet zo. Want het is een last. Het is een hele grote moeite. Iedereen die een geliefde heeft moeten missen, die weet dat het enorm ingrijpend is; dat het enorme, enorme wonden heeft geslagen. Dat er heel veel nood is. De hele schepping zucht en is in barensnood tot nu toe. En wij, de gelovigen, wij die de Heilige Geest hebben, wij zuchten mee. We voelen dat. We merken dat. Het ís zo. We gaan het niet verkleinen. We gaan het niet bagatelliseren. Maar we gaan wel zeggen: het plan van U, dat staat vast Here; of die dokter nu wel of niet komt. Of het nu wel of niet A of B gaat, het plan van U dat staat vast. Waarom kan de Bijbel nu zeggen dat alle dingen zullen meewerken ten goede voor hen die God liefhebben? Waarom staat dat er? Omdat God zegt: “Ik hou van je! Ik heb je gekend! Ik heb je bestemd! Ik heb je geroepen! Ik heb je gerechtvaardigd! En ik heb je verheerlijkt!” Jij bent een heel bijzonder man! Heel bijzonder! Nou, begin dan maar eens met dat liedje “Tel je zegeningen” Tel ze dan maar eens één voor één. Je zult verbaasd staan over de geweldige rijkdommen die God in Zijn genade over ons heeft uitgestort. Maar de consequentie is dat wij hier op aarde, temidden van het zuchten van de schepping – en ook wij zuchten en voelen dat – dat wij juichen. Omdat we in de brandnetels liggend toch halleluja roepen? Omdat wij zo sterk zijn en die prikkelende dingetjes niet meer voelen? Onzin natuurlijk. Dat voelen wij ook. Maar omdat we de Here Jezus kennen. Omdat we Hem kennen als onze Heiland en als onze Verlosser. Omdat we weten dat Hij hier op aarde is gekomen om mij uit de narigheid, om mij uit de prut te trekken, om mij aan Hemzelf gelijkvormig te laten zijn. Daar word ik blij van. Daar word ik echt gelukkig van. Daardoor komt er vrede van God in je hart. Dit gaat echt een enorme rol spelen in je denken. Je hele bestaan. Dit gaat jullie en mij als zonen Gods verder brengen. Allen die door de Geest van God geleidt worden. Waar zou de Heilige Geest van God ons dan willen brengen? Nou, bij Hem. Bij dit. Ik weet dat je er nu weer iets uit kunt pikken en kunt zeggen: “Ja, maar dit is er ook nog!” Er blijven nog wel vragen over. Maar dit is de lijn hier. En die totale lijn, die boog die hier te vinden is, is heel essentieel vandaag. Want de onrust neemt toe. Het zuchten van de schepping neemt niet af, maar de onrust neemt wel toe. We komen steeds vaker in debat met God, in gesprek met God. En we weten eigenlijk niet hoe we het doen moeten. Het was donderdagavond, toen ik het volgende hoorde, ik heb het verteld in Tiel vrijdagavond. Het trof me. Een Joodse rabbi was in gesprek met God. “Here God, ik weet niet wat ik doen moet!” “Wat is er dan gebeurd?” “Mijn zoon is christen geworden! Moet ik hem nu onterven? Moet ik hem nu de deur uitzetten? Moet ik hem nu wegjagen? Mijn zoon is christen geworden.” God sprak: “Mijn Zoon is ook christen geworden.” De rabbi verbaast: “Maar, wat hebt U gedaan?” “Ik heb een Nieuw Testament geschreven.” Neem die maar mee. Het Nieuwe Testament heb ik u voorgehouden. Openbaring van de zonen Gods. Duizend vragen hebben we. U kunt vragen over van alles en nog wat. Dit is zó, zo essentieel. Zo belangrijk. Dat je de vraag stelt: “Here Jezus dank U wel.” Wij dan gerechtvaardigd op grond van het geloof. Zo is er dan geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn. De Geest des Levens heeft ons vrijgemaakt in Christus Jezus, onze Here. In het vlees? Ik red het niet, ik kan het niet, ik red het nooit. Morgen niet, overmorgen niet. Het zuchten van de schepping? Ja, ja! Ik voel het wel. Het vlees is er nog. Ik voel het. Ik ervaar het, ervaar het echt. Maar… maar er is een hoop voor de zonen Gods! Wie waren dat, die zonen Gods? De Geest van Zoonschap in jou, door welke wij roepen: Abba Vader! Amen.
“Onze God, onze Vader, ik durf soms niet het woord “Abba” te gebruiken omdat ik U niet naar beneden wil halen. U bent vele, vele, vele malen hoger dan ik kan bevroeden. Ik wil U danken dat U zo dichtbij kwam in Uw Zoon. Dat U zo bukte in de Here Jezus. Dat U Hem in het vlees liet komen. Om in dat vlees mijn schuld, mijn zonde te oordelen. Dat heeft Hij gedaan. Nu ben ik vrij want ik geloof! Ja, ik geloof, ja ik geloof dat Jezus voor mij stierf. We willen U danken Vader, voor de Zoon, de Hoogste en de Heerlijkste van allen. We willen U danken, dat Hij hier op aarde is geweest. Dat Hij dit werk tot stand heeft gebracht. En dat we door het geloof in Hem, de Heilige Geest ontvingen als een onderpand van de toekomstige erfenis maar ook als de zekerheid als Geest van zoonschap, erfgenaam. En dat komt zover dat de zonen Gods openbaar worden. Dan houdt het zuchten van de schepping op. Dan zullen koe en berin samen weiden. Een panter en een bokje geen problemen meer maken. Een kind zal spelen bij het hol van een giftige adder. Het is allemaal anders. De ziekenhuizen zullen worden gesloopt. Het is allemaal anders. Maar dat komt pas als de Here Jezus komt. En wij die nu eerstelingen zijn, nu al kunnen genieten van dat wat gaat komen, hebben dit als een zekere hoop in ons hart en in ons denken. Dank U voor Romeinen 8 het eerste stuk. We prijzen U in de naam van de Here Jezus. Vader wat bent U geweldig. Here Jezus wat hebt U gedaan. Nu de Overwinnaar maar ook het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt. Dank U wel voor wie U bent. Amen, amen.”