Romeinen 8 : 31 – 39

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 13. God is voor ons

Bijbellezing over de brief van Paulus aan de Romeinen,
door Dato Steenhuis, 28 oktober 2007

Romeinen 8 vers 31 – 39

31] Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?
32] Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?
33] Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen?
34] God is het die rechtvaardigt; wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.
35] Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard?
36] Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen.
37] Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.
38] Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden nog toekomst,
39] noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.

Prachtige woorden aan het eind van het grote deel van de brief aan de Romeinen. Met hoofdstuk 9 begint een nieuw stuk. We mochten samen overwegen dat er vrije toegang is tot de troon van de genade. Wie wil mocht of mag komen! God heeft een genadetroon. God heeft een plaats gegeven waar iedereen die zonder God en zonder Christus in deze wereld is, terechtkan. Dat is op zich al geweldig. Niemand redt het op eigen kracht. Allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God. Niemand kan door eigen inspanning, door eigen kunnen, die geweldige zegen van God bereiken. Niemand. En omdat niemand dat kan, heeft God in Zijn genade een uitweg gegeven. En dat gaat veel verder dan wij vermoeden. Ik probeerde vanmorgen in een dienst duidelijk te maken, dat God mij heeft uitverkoren van voor de grondlegging van de wereld. Ik wil geen etiketje opplakken van “de grote jongen”, maar dat is echt de taal van de Schrift. En wij, die uitverkoren zijn van voor de grondlegging van de wereld, wij hebben in Adam alles verknoeid. Alles in onze handen is tot op heden stuk gegaan. Alles in de handen van de mensen is verknoeid geraakt. En God heeft toch, hoe dan ook, Zijn wil doorgezet. Door die wil is de Here Jezus hier op aarde gekomen. “Zie, Ik ben gekomen om Uw wil te doen, o God.” Door die wil zijn wij gereinigd, geheiligd. Het is zó geweldig dat God, die wist dat dit zou komen, Zijn eigen Zoon heeft gegeven! En het is zó geweldig dat die eigen Zoon, de Here Jezus, al voor de grondlegging van de wereld heeft gezegd: “Stuurt U Mij maar.” Het Lam, voorgekend vóór de grondlegging van de wereld. Toen al hebben ze heel goed begrepen in dat Goddelijk overleg voor de grondlegging van de wereld, dat er een Lam zou moeten komen. En de Here Jezus heeft gezegd: “Hier ben Ik”. En dat is nog geldig. Voor wie wil. Nu is uitverkiezing niet persé gekoppeld aan behoudenis. Dat probeerde ik uit te leggen. Dat heb ik ook willen uitleggen. Ik wil je nu vanavond uitnodigen om heel, heel zeker te zijn van: “Ik ben gered door het bloed van de Here Jezus.” Ik kan dat niet schenken. Kon ik het, dan stond ik daarstraks echt bij de deur. Ik hou er niet van om aan het eind van de dienst bij de deur te staan, maar dan stond ik er wel. Als het kon met een enorme pot met genade en ik zou uw mond opentrekken en ik zou binnenscheppen dat wat u naar binnen kon krijgen. Ik zou u zoveel mogelijk laten doorslikken. Ik kan het niet. Uit genade ben ik behouden! Niet uit mijzelf, het is een geschenk van God. Het is niet ons werk, het is Zijn werk. Wie wil, mag komen. Als je nog niet de Here Jezus kent als je Heiland en als je Verlosser, kom dan! Kom dan! En neem dat aanbod van Gods genade aan! Er is een genadetroon. Nou, in deze brief aan de Romeinen waar we ons mee bezighouden, staat op een bepaald moment: “Wij dan gerechtvaardigd op grond van geloof..” Gelovig aanvaarden. Aannemen op grond van geloof. “hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus.” Komt er dan geen twijfel meer? Ja, wij zagen het – Romeinen 6 en Romeinen 7: Wat ik wel wil dat doe ik niet en wat ik niet wil dat doe ik wel. Enfin. Ik ellendig mens. Maar toch: ik dank God door Christus Jezus onze Heer! Er is een uitweg! Er is geweldig veel genade! En er is een gigantische oplossing. Ik hoop dat je hier zit als een gelovige, als een kind van God. Niet van een bepaalde club, want daar gaat het ons nooit om. Het gaat er wel om dat je de Here Jezus kent als je Heiland en als je Verlosser en dat je heel zeker weet: mijn schuld is weg, mijn zonden zijn vergeven. Misschien standaardzinnen uit elke preek, het zij zo. Hier sta ik, ik kan niet anders. Ik heb het de Here beloofd om daar altijd, altijd over te spreken. Als je de Here Jezus nog niet kent, vanavond kan het. Je kunt Hem leren kennen. Het hoeft niet te laat te zijn. Maar gelovigen die hier zitten – en daar richt ik mij vanavond opnieuw toe – die gelovigen, die hebben de Heilige Geest van God gekregen nadat ze aanvaard hebben dat de Here Jezus voor hun schuld is gestorven en is begraven en is opgewekt, opgestaan en is gaan zitten van de majesteit in de hoge. Gelovigen hebben de Heilige Geest ontvangen. De Heilige Geest was al werkzaam om je in die richting te brengen. De Heilige Geest overtuigd immers van zonde en van gerechtigheid en van oordeel. Maar diezelfde Heilige Geest woont nu in de gelovigen en maakt de gelovigen tot een tempel van de Here Zelf. Een tempel, een heilige woonplaats van God in de Geest. Een geweldige zegen! Subliem! Maar diezelfde Heilige Geest heeft ons aan elkaar gevoegd. Daar heb ik het over gehad. En dat is zó uniek om te bedenken dat God jou kende ver van tevoren, voor de grondlegging van de wereld, dat Hij jou bestemde. Dus nu even niet gaan redeneren van: “Ja, is dat nu voor mij?” Je bent gekomen of je bent niet gekomen tot die troon van genade. Je bent gegaan om genade te bekomen ter gelegener tijd, om op tijd genade te krijgen. Als je dat wél gedaan hebt, dan mag ik je zeggen in naam van de Here en op grond van de Schrift dat God je heeft bestemd, uitverkoren, bestemd om aan het beeld van de Here Jezus gelijkvormig te zijn. Dat heb ik niet bedacht! Dat heeft een bepaalde club niet bedacht! Dat heeft de Bijbel zo gezegd, dat allen die de Here Jezus hebben leren kennen, en de Heilige Geest ontvingen, bestemd zijn om aan het beeld van Gods Zoon gelijkvormig te zijn. Opdat Hij de Eerstgeborenen zou zijn onder vele broederen. En die Hij zo bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen. Dat betekent dat in de tijd, in de jaren, een moment gekomen is, dat de roepstem ook klonk. Twee. Die heeft Hij ook gerechtvaardigd. Rechtensvrij van zonde gemaakt. Zo is er dan geen veroordeling meer, rechtensvrij van de zonde. En die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt. Die heeft Hij bedoeld om daar bij de Here Jezus te zijn. Lieve mensen, broeders en zusters: allen die de Here Jezus kennen en de Heilige Geest ontvingen, die horen bij elkaar. Dat heb ik niet bedacht. Dat zit hem niet in onze leerstellingen die precies sporen. Misschien zitten we heel verschillend in ons velletje. Dat zou allemaal nog kunnen. Maar het gaat er wel om dat je gelooft in de Here Jezus en dat de Heilige Geest ons aaneen smeedt: door de Geest tot één Lichaam gedoopt. Aaneen gesmeed door de Geest, de Heilige Geest. Dat Lichaam van Christus, dat is de Gemeente. En u hoort daarbij, als u de Here Jezus kent. En als u Hem niet kent, dan hoort u daar niet bij. Het gaat dus niet om onze boekhoudingen, om onze kerkelijke registers. Het gaat om Leven, Leven uit God! Leven door het geloof in de Zoon van God die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven. En als u daarbij hoort, hoort u bij de Gemeente. Die Gemeente is uniek. Niet vanwege onze leerstellingen. Opnieuw. Niet vanwege onze goede praktijken. Nee, dit is uniek omdat God u en mij bestemd heeft om aan het beeld van de Here Jezus gelijkvormig te zijn. Hij heeft ons bedoeld om daar te zijn waar de Here Jezus is. Hij heeft ons echt uitverkoren om, om Hem heen te zijn. En dat volk van God, die Gemeente die zo’n hoge positie heeft, die zo’n geweldige toekomst heeft, die is nu op aarde. Die blijft hier niet, die gaat hier vandaan. Dat komt nog in deze brief. Maar is nu op aarde en heeft het misschien zwaar. Voelt of hoort het zuchten van de schepping. Voelt de pijn en het kraken van de botten of … nou ja, vul maar wat in. Dat is echt zo. Maar dat gezelschap hoort niet hier. Is bedoelt voor bij Hem te zijn! Maar nu op aarde kan het wel eens heel moeilijk zijn. Er kan van alles tegen zijn. Verdrukking, benauwdheid, vervolging, druk. Allerlei van buitenaf komend onheil. Dwaasheid van mensen, bewuste rebellie tegen ons, tegen christenen, tegen de Gemeente en tegen de Here Jezus, want daar gaat het dan om. Maar het kan ook iets van jezelf zijn, iets uit onszelf, in onszelf. Het zuchten van de schepping. Nou, dat voel je ook. En er zijn genoeg voorbeelden, hier, vanavond in deze zaal, van zuchten in de schepping. Maar alle dingen zullen medewerken ten goede. Ja, dat was die goedkope tekst waar ik het de vorige keer over had, waar je al de plooien mee kunt gladstrijken, zegt men dan. Ik heb het geprobeerd. Wilde ik al de plooien glad strijken? Neen. Ik wilde alleen maar zeggen: God is voor u. En zo begint onze tekst. God is voor ons. Hebt u zich dat ooit gerealiseerd dat God vóór je is? Als er verkiezingen zijn in Nederland loopt er een hele horde mensen met borden en spandoeken en met leuzen erop. Je moet voor die zijn. Nou ja, je kunt kiezen: voor Mark, of voor Rita. Ik noem er maar een paar van de huidige tijd. Ik ben voor het milieu, of voor de dieren of voor … vul maar in. Maar de mensen die roepen: “God is voor mij!” die kom ik bijna niet tegen! Is dat een nieuwe politieke groepering? Nou, misschien wel. Misschien hadden we heel concreet naar buiten moeten treden en hadden we moeten zeggen: “God is voor ons!” Ja…ja…en dan beginnen ze gelijk over ziekte situatie, een ongeval, een enorme ontsporing in gezinnen of door mensen aangericht leed, agressie. En wij maar roepen: “God is voor ons!” Nou ja… zegt men bij het zien van al dat onheil… “Die God? Die doet niets! Kijk maar, het lijkt nergens op! Het kraakt nog steeds en het zucht nog steeds. De hele schepping is in barensnood tot nu toe! Er komt eigenlijk niets uit.” En toch zouden wij met elkaar moeten roepen: “God is voor ons!” Waarom is God voor ons? Waarom laat God alle dingen medewerken ten goede? Omdat Hij alles gegeven heeft! Hij kan niet verder gaan! Hoe zou Hij, die Zijn eigen Zoon niet spaarde, ons met Hem, met de Here Jezus, met de Zoon, niet alle dingen schenken? Alles! Alles is geschonken! Ik ben er ook van overtuigd geraakt dat je misschien wel eens anders moet gaan bidden. Ik wil geen kritiek hebben op bidden. Daar moet je heel voorzichtig mee zijn, want bidden is net zo goed A B C naar de Here sturen en dan maar zeggen: “Here, maak er alstublieft woordjes van, want ik weet niet wat ik zeggen moet.” Ik laat dat echt los. Maar zou u eens willen overwegen of u al die termen van “wilt U ons vandaag nabij zijn Here?” of u niet eens een klein beetje wilt ombuigen en misschien wel eens anders wilt formuleren: “Here, U wilt ons nabij zijn.” Want de Here Jezus heeft gezegd: “Ik ben met je, al de dagen, tot de voleinding van deze wereld.” En als de Here Jezus nou zegt: “Ik ben bij je, Ik ben met je. Al de dagen” Waarom vraagt u dan: “Wilt U dat alstublieft?” Gelooft u het niet? Ja maar, het is claimerig! In bepaalde kringen hebben ze dat altijd he, daar claimen ze gelijk God! Die drukken ze gelijk op een stoel in onze kerk, in onze gemeente, in ons huis of in ons leven. En ja, die moet het dan gaan doen. Ja, we zijn wat voorzichtiger opgevoed. En wilt U alstublieft…. Nu, als u alleen maar uit voorzichtigheid deze woorden gebruikt, amen, ga ermee door. Maar op hetzelfde moment mag iedereen die hier is, zich gaan afvragen: Is dit eigenlijk wel juist? Hij wil ons zegenen. “Wilt U ons vanavond een mooie avond geven Here?” Dat bidden we daar, achter die schuifdeur. We noemen dat heel plechtig de consistorie hierzo, maar het is gewoon een keuken en een paar krukken en verder niets. Een koffiezetapparaat. “Wilt U ons?” Ik heb daar, en de broeders die daar mee zijn bij het bidden dan gaan we altijd nog een klein poosje bidden in dat hokje. Die weten dat ik dit heel vaak citeer: “Here, U wilt ons een mooie avond geven.” Maar wat moeten we dan bidden? Hoeven we dan helemaal niet meer te bidden? Ja, ik bid wel. Maar wat bid je dan? Nou, ik bid: “Here, laat mij dan alstublieft geen verhindering zijn in Uw zegen. Ik mag iets zeggen.” Ik zei vanavond tegen broeder Johan: “Sommige dingen zijn zo mooi, die kun je alleen maar verknoeien.” Het is net een prachtige plant weet je wel, waar je van genieten kunt, dat zo schitterend is. En elke vinger van ons aan zo’n plant vertroebelt het alleen maar een beetje. Verknoeid het alleen maar een beetje. De Here wil ons zegenen, vanavond! Hij wil met Zijn zegen bij binnenkomen. De vraag is: sta je daar voor open. Moet ik zeggen: “Wílt U zegenen…” Nee: “Is er bij mij een verhindering Heer? Is er bij ons een verhindering? Is er hier ergens een drempel, een muur, een scherm, waardoor die zegen van U niet doorkomt?” Dat kan wel. Dat is bij onszelf. Bij mij ligt dan de verhindering. Niet bij de Here. De Here wil je zegenen. Dat staat voor mij vast. Is dat dan een nieuw soort bidden? Is dat dan wat men in charismatische kringen met bidden bedoelt? Nou, dat mag u dan zeggen… Het kan me eigenlijk niet schelen welke termen u daarbij gebruikt. Ik wil alleen maar zeggen: God is voor je! Hoor je het goed? En Hij wil je zegenen! En Hij heeft álles, álles wat Hij had gegeven! Hij heeft Zijn hemel leeggegeven. Hij heeft Zijn enige, Zijn Uitverkorene, die Hij lief had, Zijn welbehagen, Zijn enige, Zijn lachen – als ik dat eens met de taal van Izaäk mag zeggen – Zijn vreugde, Zijn lachen, Zijn vreugde… heeft Hij gegeven. En Hij wil ons met Hem alle dingen schenken. “Aha, dus ben ik van mijn problemen af, want Hij wil mij alle dingen schenken.” Is dat het? Nee, we hadden eerst – de vorige keer – dat alle dingen soms meewerken ten goede. Soms? Altijd meewerken ten goede, hen die God liefhebben. Is dan elk plooitje glad gestreken? Is elk probleem voorbij? Zijn alle rimpels over? Geen stormpjes meer in onze waterplassen? Nee. Dat is het niet. Maar Hij zorgt voor je. En Hij zegt: “Ik heb je bedoeld om bij Mij in het Huis van de Vader te komen.” En hou er nu rekening mee dat niets of niemand dit plan kan verijdelen! Niets! Wij worden gelijk een beetje angstig als we tegenslag krijgen. En dat snap ik. Mag je daar dan niet voor bidden? Jawel, ga in gebed! Zeg: “Here alstublieft…!” Paulus bad drie keer, Mozes bad drie keer, de Here Jezus bad drie keer. En misschien moet je ook drie keer bidden. Ik weet niet hoe vaak ik al voor mijn eigen probleem gebeden heb. Vaker dan drie keer. Dat kan ik je zeggen. Ik bedoel, ik kom er ook niet helemaal los van. Ik ga niet boven jullie zweven. Dan was ik nu misschien in New York geweest als een soort toeristische trekpleister ofzo. Ik wil zo graag naast je zitten en tegen je zeggen: “God is voor je!” God is voor ons. Ben je bang voor God? Hoeft niet, God is voor je. Durf je morgen eigenlijk niet binnen te stappen – de volgende dag? God is voor je. En Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor jou overgegeven. Als God het allermooiste van Hem, het allerliefste van Hem, over had voor jou, voor jouw schuld, voor jouw probleem, voor jouw ongerechtigheid… zou je dan niet durven zeggen: “Vader, dan móét U van mij houden! Dat kán niet anders! Dat kan niet anders! Zo bént U! U bent voor ons!” God is voor ons. Hij zal ons ook met de Here Jezus alle dingen schenken. En wie zal dan uitverkorenen van God beschuldigen? Ja! Daar gaat het weer. Want dan beginnen we gelijk over de theorie van de uitverkiezing. En we hebben daar boeken over – dat zei ik de vorige keer ook al. Dat ga ik niet herhalen, dat staat op het cd-tje van de vorige keer als u het zou willen luisteren, dan kan dat, het is er gewoon. U bent uitverkoren! U bent gekend en bestemd om aan het beeld van Gods Zoon gelijkvormig te zijn! Daar heeft God u voor uitgekozen. Maar wie kan dit gezelschap dan aantasten? Wie kan beschuldigingen inbrengen tegen uitverkorenen van God? Wie? Ja, maar wij zitten altijd met de huidige situatie. Met de lekke band van vandaag of met het tentamen van morgen – maar dat is misschien onze eigen schuld als we daar zenuwachtigheid over hebben. Maar we zitten ook met onze lichamelijke problemen of met de spanningen in onze families die we niet zelf in de hand hadden en waar we eigenlijk niets mee konden. En gedoe in de gemeente… Kortom, er is zoveel! En bovendien, we worden steeds vaker belaagd. We worden door allerlei situaties besprongen en we weten niet eens hoe we daar goed en wel uit moeten komen. Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen van God? Als u een klein voorbeeldje daarvan wilt, moet u het boek Zacharia lezen – vannacht nog als u moeite hebt. Zacharia hoofdstuk 3. Daar ziet u de hogepriester Jozua met vuile kleren voor de Engel des Heren staan. En daar is een satan die aanklaagt. En het merkwaardige is dat in het Nieuwe Testament – in het boek Openbaring hoofdstuk 12 – diezelfde satan nog steeds aanklaagt. Dag en nacht! De aanklager der broederen. Dag en nacht klaagt hij aan. Hij heeft het over jou! Hij zegt tegen de Here God: “Moet je eens kijken! Die Dato! Ja, mooi verhaal op zondagavond op een krukje daar in Veenendaal, maar maandagmorgen…” Of hij heeft het over jou en dan heeft hij weer een ander voorbeeld. Altijd wat aan te klagen. Iedere keer maar wat zeggen. Maar in die prachtige geschiedenis in Zacharia 3 waar de hogepriester Jozua met vuile kleren bekleed voor Gods aangezicht stond, daar zegt die satan, die aanklager: “Kijk maar eens die vuile plekken! Nou, nou, nou! Hij had een prachtig hogepriesterlijk gewaad moeten hebben, maar dat ziet er helemaal niet zo fijn en zo mooi en zo rein en zo zuiver uit! Het is helemaal foute boel!” En wat gebeurd daar? “Doet uit hem die vuile kleren! De Here bestraffe u satan, de Here bestraffe u! Hij is een uitverkoren vat! Uit het vuur gerukt! Blijf er met je vingers af!” Dat is daar. Het Oude Testament. Maar dat prachtige voorbeeld uit het Oude Testament. Wie zal uitverkorenen van God beschuldigen? Wie zal vandaag kunnen zeggen: “Ja, maar…ze zeggen het wel, maar het klopt toch van geen kant…” Wie dan? Ja, de satan klaagt aan. En hij is niet eens misschien buiten zijn boekje gegaan in die zin van: hij is kleurenblind ofzo. Dat was niet zo. Er waren vlekken in die kleren van de hogepriester toen in die tijd. Maar u hoort die aanklacht heel anders. Ik zal u twee noemen die je vandaag die je vandaag kunt horen. Een stemmetje van buiten die tegen u gaat zeggen: “Het klopt met jou helemaal niet. We hebben wel gezien wat je deed! Of we hebben wel gehoord van wat je geschreven hebt en wat we lazen en wat we hoorden uit je eigen mond! En bovendien, dat kán helemaal niet, want onze oudvaders hebben ons verteld dát…” en dan komt er een verhaal. En je word onderuit geschoffeld. Althans dat probeert men. Heel vaak. Een aanklacht. Wie zal uitverkorenen van God beschuldigen? Dat staat hier. Ja, misschien je tante wel. Misschien je broer wel, misschien familie. Misschien wel de gemeente…Vanmorgen in onze dienst zat een jonge broeder. Gaat naar een bepaalde gemeente ergens in Nederland. Die gemeente die noemt zich – ik zal maar geen naam noemen – maar die gemeente zegt in elk geval: als je niet bij hun in de gemeente bent, dan kom je niet in de hemel. Hij heeft de moed gehad om wat kritiek te hebben op die gemeente. Hij is uitgekotst. Weggestuurd. Mag ook niet meer komen. En nu krijgt hij mailtje op mailtje van: en nu ga je naar de hel. Nou, dan kun je duizend keer zeggen: “Nou, daar moet je gewoon niet naar kijken! Die mailtjes die moet je gewoon verwijderen! Weg ermee! In de prullenbak!” Maar hij zit er wel mee. Want het waren wel zijn broeders en zusters met wie hij fijne banden had en contacten had. Waar hij heel veel mooie jaren mee heeft meegemaakt. Dat is niet zo makkelijk. Beschuldigingen inbrengen tegen uitverkorenen van God. Komt dat voor? Ja. Komt dat in Veenendaal voor? Ja. Komt dat in de omgeving van Veenendaal voor? Ook. Op alle mogelijke manieren komen de beschuldigingen naar je toe. God is voor je… Maar er is een tweede bron. Ik zei – er kunnen beschuldigingen komen van de kant van mensen om ons heen, maar er komen soms ook beschuldigingen uit je eigen hart. Ja, ik roep dat wel… ik zei “Halleluja!” ja, maar… vanmorgen een beetje down door iets en ik zit onderin…Ja… ik durf het niet meer te zeggen en bovendien de Here God heeft betere mensen dan ik en Hij had beter die of die kunnen nemen.” Dan komen de beschuldigingen niet van buitenaf, die beschuldigingen die komen van binnenuit. Wie doet dat dan? De tegenstander! Die fluistert in: “Jij met je vrome zang van zondagavond! Ja, ik heb het wel gezien! Je zei dat je een hert was dat verlangt naar water. Maandagmorgen verlang je als een hert naar carrière, naar je eigen welzijn, naar een goede baan, naar meer salaris. Je bent helemaal niet zo vroom! Ja, zondagavond was je wel vroom, maar maandagmorgen was je niet zo vroom. Wie werkt dat? Moet je nu zeggen: “Here, wilt U mij bewaren voor… Wilt U…wilt U…” Nee! “U wílt in mij een muur neerzetten zodat die aantijgingen mij niet meer bereiken. Want ik lees: Wie zal uitverkorenen van God beschuldigen! Als God mij rechtvaardigt, als God mij van schuld en van ongerechtigheid vrijspreekt, wie kan dan nog wat zeggen? We hebben daar soms moeite mee. Mensen vrijgesproken worden hier door gebrek aan bewijs ofzo, soms ook nog door een bestuursfout. Weet je wel, dan gaat er iets mis met de rechter die niet aangesteld zou zijn of geen erkenning zou hebben. Er kan van alles gebeuren waardoor ineens iets ongeldig is. Nou, daar loopt hij weer, die schurk! Daar loopt hij weer! Ja, hij had natuurlijk de cel verdiend, maar… daar heb je het. Zo praten wij. Maar God, de Rechter der ganse aarde, spreekt mij vrij. Hij spreekt mij vrij. Hij zegt niet alleen “Ik heb geen bewijs genoeg” dat had Hij. Of: “De procedure lag niet helemaal kosjer, er ging iets mis met ofwel de rechter die niet bevoegd zou zijn ofwel een overjarig geval”. Nee, niets van die dingen! God heeft de volle laag van mij, alle prut van mij, al de ongerechtigheid van mij op Zijn Zoon gelegd! Hoe kan Hij, die zelfs Zijn eigen Zoon niet spaarde maar Hem voor mij overgaf… Alle prut van Dato, alle ongerechtigheid van mij is op Hem geladen! En Hij is als de zondebok – nu zeg ik het even met Leviticus 16 waar een zondebok beladen werd met al de ongerechtigheid; die zondebok werd weggestuurd en die kwam nooit meer terug – zó is mijn ongerechtigheid weg. En wie ook wát zegt… Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het die rechtvaardigt! Wie zal oordelen? Stel nu eens dat je dit in je hart sloot! En dat je vanaf nu elke dag gaat zeggen: “Here God U ziet mij in Uw Zoon aan en U spreekt mij vrij! Ik ben vrij door het bloed van de Here Jezus, omdat Hij al mijn ongerechtigheid verzoend heeft, omdat Hij daarvoor de volle prijs heeft betaald! En nu ben ik vrij! Voor eeuwig vrij!” En dat innerlijke stemmetje: kan niet, want ik ben vrij, ik ben een nieuwe schepping! Dat stemmetje van buiten? Van mijn familie, van mijn kerk, van een club, van een mening… elke beschuldiging, het doet er niet meer toe! De stem die boven de satan die aanklaagt, die elke dag aanklaagt en die continue aanklaagt en zegt: “Die Dato… mooie verhalen, maar…” “Hou je mond! Het is een brandhout uit het vuur gerukt. Het is over, het is weg, het is helemaal weg. Alles is vereffend. Alles is over. Ik ben een kind van God. Stel nu eens dat dit je hart ging vullen, dat dit je gedachten ging vullen. Dat je dit de komende dagen, continue, elke dag begint met te zeggen: “Wie kan beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorene?” Stel dat je dat gaat zeggen, elke morgen opnieuw. Zou je daar niet blij van worden? Ik denk het wel. Ik denk dat je dol en dolgelukkig bent. Dat je echt gaat zeggen: “Here Jezus, dank U wel, dat hebt U gedaan.” En bovendien, de Here Jezus is daar nu. En Hij pleit voor mij! Wat doet Hij dan? Wat is dan het pleiten van de Here Jezus daar? Dat is dat wat ik zonet zei uit de geschiedenis van Jozua uit Zacharia 3. Hij is daar en zegt: “Hou je mond satan! Hou je mond! Ik heb voor Dato betaald! Blijf ervan met je vingers! Je zegt wel dat hij vuil is, maar hij is niet vuil, want Ik heb het vereffend! De prijs is helemaal vereffend! Alle schuld is weg, alle zonden zijn vergeven.” En dat weet je niet eens. Je weet wel dat die satan aanklaagt en dat het stemmetje in jou een soort aanklager is en dat de reacties van buiten aanklagende reacties zijn, maar dat Hij daar is…Dat Hij pleit voor mij, dat Hij, de grote, de tussenbeidetreder is daar in de hemel… Dat staat hier! Je bent zo onnoemelijk rijk! Je bent zó onnoemelijk gezegend! Je bent iemand waarvan hier staat: “God is voor je!” En als God voor je is, wie is er dan nog tegen? Wie of wat? Ook al zijn we hier misschien wel slachtschapen – dat betekent dus gewoon concreet dat we het moeilijk kunnen hebben en dat we misschien wel vervolging of druk zouden kunnen verduren. Dat kan voorkomen. En dat kan ook héél moeilijk zijn. Citaat uit Psalm 143: slachtschapen. Dat betekent dat we misschien wel opgeofferd worden. Nou, er zijn tijden geweest dat de gelovigen op de brandstapel kwamen. Er zijn tijden geweest dat ze inderdaad op de een of andere manier verguisd werden, gemarteld werden. En er zijn tijden geweest…Die zijn er nog! Als ik denk aan Noord-Korea, als ik denk aan Soedan, als ik denk aan China voor bepaalde stukken. Ja natuurlijk niet in Peking voor en tijdens de Olympische Spelen, dan valt het nog wel mee. Maar al die afgelegen contreien waar de plaatselijke burgemeester gewoon de baas is en doet wat hij zelf wil, ja, daar wordt het moeilijk. Daar ligt het gevaar. Slachtschapen. Maar we zijn méér dan overwinnaars, door Hem die ons heeft liefgehad. Want ik ben verzekerd… Ze bellen je om de haverklap: “Bent u wel verzekerd voor die dingen of die dingen? Is uw begrafenisverzekering wel hoog genoeg? Moet u die niet wat opkrikken? Moet je niet over de dood heen, wat zorg besteden aan je geliefden?” Weet je wel, zo gaat dat ongeveer. We worden plat gebombardeerd. En als er wat uitgekeerd moet worden, dan heb je eindeloze processen want, ja, dan is er net weer een klein lettertje tegen je. Nou, die verzekering mag je wat mij betref afsluiten. Ik voel het best aan als verantwoordelijkheid. Sommige dingen moet je afsluiten, kun je niet onderuit. Maar zou je deze verzekering eens willen gaan lezen? Geen kleine letters! Ja, misschien moet je een grotere Bijbel kopen, of een andere bril, dat zou kunnen. Maar geen kleine lettertjes! Niets van dat alles. De Here wil dat jij en ik, nu gaan zeggen: “Here Jezus, ik ben verzekerd! Dat nog dood nog leven, wie dan ook, wat dan ook. Wat het dan ook allemaal te zien geeft, ik ben verzekerd! Het is helemaal geordend!” Stel nu dat dit een beetje over komt. Dat het laatste stukje van Romeinen 8 werkelijk landt in ons hart en dat we durven zeggen: “God is voor ons.” Dat betekent dat je op hetzelfde moment weet: dit is een heel uniek gezelschap. Een gezelschap waarvan God zegt: “Ik ben voor jullie, want Ik wil jullie bij Mijn Zoon hebben.” Waarvan de Here Jezus zegt: “Vader, Ik ga ze halen!” Hij is daar nu om plaats te bereiden. Maar als Hij terugkomt, dan gaat Hij ons brengen daar waar Hijzelf is. Dit gezelschap blijft hier niet. Echt niet. We gaan in onze auto’s weer terug naar huis misschien, maar ik weet niet of we thuis aankomen. Misschien komen we onderweg wel een moment tegen dat de Here zegt: “Ga nu maar naar Huis. Kom maar!” We blijven hier niet. We worden weggehaald. Het plan van God in deze brief aan de Romeinen is gigantisch. Hij wil dat jij en ik bij Hem zullen zijn, bij de Here Jezus zullen zijn. Want daarna gaat de draad met Israël weer verder – Romeinen 9. Dat komt, dat is de volgende keer. Dan gaat het ineens over Israël. Dat is niet afgeschreven. Dat is niet voorbij. Dat is geen afgesproken hoofdstuk. We zijn niet in de plaats van gekomen, helemaal niet. We zijn helemaal nieuw! Volstrekt nieuw! Dit wat wij beleven, wat we hebben, dat is nooit te zien geweest, nooit openbaar gemaakt. Het is altijd verborgen gebleven! Nooit is het zichtbaar gebleven, het was een geheimenis, het was een verborgenheid, al de eeuwen door! Dit geheimenis is gedateerd vóór de grondlegging van de wereld. Jij en ik zijn een heel bijzonder gezelschap. Nu op aarde… En we voelen het zuchten van de schepping. We voelen de dreiging. We voelen de spanning. En we voelen in ons eigen lijf soms de spanning. Het is soms niet om uit te houden! Maar Hij zegt: “Ik kom je halen! Houdt moed! Wees ervan overtuigd! Niemand kan je uit Mijn hand rukken!” “Niemand zal ze rukken uit de hand van Mijn Vader!” Hoor je het goed? God is voor je! De God die zo heilig is dat Hij de zonde niet door de vingers ziet, is voor jou! De God die Zijn eigen Zoon niet spaarde maar Hem voor jou overgaf is voor jou. De God die er voor zorgt dat jij tot het einde hier op aarde overeind blijft, is voor jou. De God die de Here Jezus gaat sturen van: “Haal ze maar!” – die is voor jou! God is voor ons. Dit is zó rijk! Dit is zó geweldig! Dit is zó blijmakend. Dat er een God vóór mij is en niet meer tegen mij. Want wie zou oog in oog kunnen staan met een toornende en heilige God? Wie zou in Gods tegenwoordigheid kunnen zijn als van Hem staat dat Hij een Verterend Vuur is, dat God zo heilig is dat Hij de zonde nooit door de vingers kan zien? Wie zou durven naderen? Wie zou kunnen naderen voor die Majesteit? Wie dan? Niemand. Alleen Christus. En in Christus is ons alles geschonken. Die zekerheid mag je meenemen. Je mag bovendien beseffen dat dit, wat hier omschreven is als een heel bijzonder gezelschap – door God gekend, door God bestemd, door God ook geroepen, door God gerechtvaardigd, door God verheerlijkt. Dat waren die vijf dingen. Dat dit bijzondere gezelschap van hier vertrekt en bij de Here Jezus zal zijn. Dat is onze hoop. Dat is onze toekomst. We zullen bij Hem zijn. Opgenomen, weggenomen. Nou, dat noemen we dan de Maranathaboodschap. De boodschap van de komst van de Here Jezus. Nu, dat ís de Maranathaboodschap! We hebben geen andere boodschap! Hij komt ons halen. We horen hier niet! We zijn wel in de wereld, maar we horen niet bij deze wereld. We zijn hier vreemdelingen. We horen hier helemaal niet. We mogen opweg gaan naar… Want als wij weggaan – zegt Romeinen 9,10 en 11 – nou, dan gaat het met Israël ook weer verder. Nu, dat zal blijken in de volgende studies. Maar dat is wat nog komt. Maar nu is het genoeg om te durven zeggen, om te mogen zeggen, misschien wel te moeten zeggen: “U bent voor ons, Here God. Wie is er dan nog tegen?” Nou, ik weet niet wat je agenda allemaal gaat geven de komende dagen. Maar stel nu eens dat jij in je eigen agenda schrijft: “God is voor mij” uitroepteken, nog een uitroepteken. En dat alle afspraken eigenlijk gekleurd worden door: “God is voor mij” Wie is er dan tegen? Ja, maar als men dan agressief wordt? God is voor mij. En als men dan beschuldigt? God is voor mij. Als het dan zwaar is? God is voor mij. Als het dan lichamelijk zwaar wordt? God is voor mij. Ik wil met alle schroom naast u gaan zitten. God is voor mij. Wie is er dan nog tegen? Hij, die zelfs Zijn eigen Zoon niet spaarde, is voor mij. Die God, die hemel en aarde gemaakt heeft, die God die alles draagt door het Woord van Zijn kracht, die God om wie en door wie en tot wie alle dingen zijn, die de hele schepping niet alleen gaf, schiep, maar die ook draagt en die ook tot dat geweldige eindpunt blijft en Dezelfde is… die God is voor mij. Met die zekerheid in je hart mag je verder gaan. Beseffend ook dat wij dat unieke gezelschap vormen. Niet een paar van ons. Niet een bepaalde kleur. Niet een bepaalde kerkelijke richting of alleen maar de Maranathagelovigen. Het zijn de gelovigen die de Heilige Geest hebben ontvangen. Daarin ben ik heel duidelijk geweest aan het begin van deze avond. Alleen zij, die de Heilige Geest hebben ontvangen horen bij de Gemeente. Daarom zegt Paulus hier in deze brief: “Als je de Heilige Geest niet hebt” – dat is Romeinen 8 ook – “dan behoor je Hem niet toe.” Dat is het verschil. Heb je dit? Stel dat je zegt: “Ik twijfel.” Niet weggaan. Hier blijven. Praten. Bidden. Naar God gaan. Vanaf het moment dat de Heilige Geest in je gaat wonen, hoor je daar bij, bij dit gezelschap. Hier op aarde. Nu hier zittend in deze zaal, maar morgen in de harde werkelijkheid – misschien vanavond al wel – met het enorme besef: God is voor mij… wie is er dan nog tegen je? Hennie en ik moesten oppassen vroeger. Dat heette zo, op kindertjes passen van een broeder en zuster. En die hadden een grammofoon. Ik had zo’n ding nooit gezien en wist ook niet hoe zo’n ding werkte. Ja, ik, de oude man spreekt nu hoor. Hij is nu weer te koop, heb ik net gelezen in krant de afgelopen dagen. En die hadden een plaatje van “De Zingende Zusjes”. Ik weet nu niet meer of het nu 78 toeren was of 33 of 45, ik weet het echt niet meer. Maar één van die liedjes die toen grijs gedraaid werd, was “God is immers voor ons, wie is er dan nog tegen?” Het drong niet tot me door. Maar toen ik deze week dacht, op mijn knieën bijna – want ik ging niet zo goed en niet zo makkelijk door mijn knieën vanwege mijn handicap – maar zittend in mijn bureaustoel: “God is voor mij”, toen hoorde ik dat plaatje opnieuw. Het was net alsof de song van toen nu pas, nu pas binnendrong. Het is een hele oude. Hij is waarschijnlijk niet meer te krijgen. Maar daar gaat het ook niet om. Maar het liedje zei genoeg. “Want ik ben verzekerd dat dood noch leven mij ooit scheiden kan” Ineens hoorde ik dat héle plaatje weer terug. Inclusief wat melodietjes. Het is zo geweldig dat je durft te zeggen en misschien wel durft te zingen: “God is voor me!” Dat is ook in de bundel Opwekking een lied van soortgelijke strekking. Prachtige woorden. Zou je het durven? Zou je vanavond durven zeggen: “Here God, mijn Vader, ik dank U dat U voor mij bent! Voor mij!” Als op het schoolplein groepjes gevormd worden – ben je voor hem of ben je voor haar – weet wel. Voor die club of voor die club. God zegt: “Ik ben voor jou! Je hoeft niet te zoeken naar een club. Je mag naar Mij gaan.” Die zekerheid geeft zoveel kracht, zoveel genade, zoveel blijdschap dat je met een blij hart de week kunt ingaan en dat je kunt zeggen: “En dit gezelschap Here, hoort ook niet hier, dat begrijp ik. Nu begrijp ik het een beetje dat U dit een uniek gezelschap vindt en dat U dit unieke gezelschap bij Uzelf wilt brengen, bij de Here Jezus wilt brengen. Maranatha, Here Jezus kom spoedig!” We gaan naar Hem. En dan gaat de draad in ditzelfde bijbelboek verder met over Israël te praten. Wat gaat er dan met Israël gebeuren? Hoe moet je Israël dan zien? Hoe moet je dat allemaal gaan plaatsen? Nou, dat komt. Maar dit is voor ons, vanavond een zegen, een zegen, een zegen. Amen.

“Onze God, onze Vader, ik wil U danken dat U onze Vader bent. Ik wil U danken dat U met Uw zegen komt. Ik wil U danken dat U ons gezegend hebt met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten. Alle geestelijke zegeningen. U bent voor ons. Wie is er dan tegen? Al die dingen die genoemd worden in dit kleine stukje tekst: verdrukking, benauwdheid, honger, zwaard, naaktheid, gevaar. Wie of wat kan ons scheiden van de liefde van God welke is in Christus Jezus onze Here? Wie dan? Wie kan uitverkorenen van God beschuldigen? God is het die rechtvaardigt! Wie klaagt aan? We willen U danken Vader voor die geweldige zekerheid! Ik ben verzekerd! Wat een prachtig slot van het eerste deel van deze brief. Ik wil U danken Vader, voor geweldige heilsfeiten die U opsomt. ’t Wordt bijna op elkaar gestapeld. Het wordt alleen maar mooier, alleen maar groter. En U gaat ons ook nog verder vertellen wat U met Uw volk Israël van plan bent. We willen U danken dat we nu al mogen zeggen: “Heerlijk is Uw naam!” Schitterend is het, geweldig is het. Groot bent U! Te prijzen bent U! Vader, dank U wel voor Uw Zoon, de Enige die telt. We danken U voor de Heilige Geest die gekomen is. Die ons overtuigde van zonde en van gerechtigheid en van oordeel. De Heilige Geest wil dat ook vanavond doen. Maar de Heilige Geest die ook in ons ging wonen en ons aaneen voegde, verbonden met Hem die het Hoofd is: Christus. Dank U wel voor al die zegeningen. We prijzen Uw grote Naam. Amen.”