Romeinen 9 : 1 – 5

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 14. De verkiezing van Israël

Bijbellezing over de brief van Paulus aan de Romeinen,
door Dato Steenhuis, 4 november 2007
Romeinen 9 vers 1 – 5
1] Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door de heilige Geest:
2] ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer.
3] Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees;
4] immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften:
5] hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen.
We hebben geprobeerd in de vorige avonden, na te denken over deze hele bijzondere brief die de apostel Paulus ooit geschreven heeft aan gelovigen in Rome. En we hebben de eerste keer gezegd dat we met Rome van toen de wereld, de toenmalige wereld mogen zien. En dat we vandaag soms spreken over het herstel van het Romeinse Rijk. Een rijk met Rome als hoofdstad. Zeg maar gewoon: Het herstel van het Europese leven. En we zitten daar middenin. De Bijbel kent een aantal rijken. Het rijk van Babel (Irak) het rijk van Iran (Medië en Perzië) het rijk van Griekenland – Macedonië en het rijk van Rome. Dat zijn de vier wereldrijken die in Daniël 2 en Daniël 7 en op andere plekken naar voren komen. Nu zegt de Bijbel dat het rijk van Rome, aanwezig in de tijd van de Here Jezus, toen Hij hier op aarde was toen was immers Pilatus een gezaghebber namens Rome, en als Paulus in hoger beroep wil gaan, dan gaat hij in beroep in Rome – dat Romeinse Rijk van toen is een aantal honderden jaren gebleven en toen afgebrokkeld. De Bijbel zegt dat dit Romeinse Rijk terug komt. En het Romeinse Rijk heeft als centrum Europa en misschien wel heel specifiek Rome zelf. Wij maken dit mee vandaag de dag. We zitten er middenin. Het valt niet meer te ontkennen. Het Romeinse rijk heeft weer gezicht gekregen. Een beetje nog Brussel en Straatsburg, maar toch. En dat Europese denken krijgt vastere voeten, wordt machtsblok van betekenis. Nu, los van de politieke dingen die daarmee allemaal verbonden zijn, is de brief aan de Romeinen misschien wel een brief aan jou. Aan ons die leven in deze tijd, die te maken hebben met deze ontwikkelingen. Dat is de insteek geweest om deze brief opnieuw te bezien. Misschien is het een aantal avonden niet zo duidelijk geweest dat dit de insteek was. We willen zo graag over het profetische woord nadenken. We willen zo graag nadenken over wat er gaat gebeuren in de toekomst met ons, met Israël. Dat is inderdaad steeds de insteek geweest van alle avonden. Nog een keer: misschien is het de laatste avonden niet helemaal uit de verf gekomen in de zin van: we waren dat totaalplaatje misschien een klein beetje kwijt, maar dat was het wel. Nu hebben we in Romeinen 8 aan het eind gezien dat de Gemeente die hier is ontstaan door de bediening van de apostel Paulus, het Evangelie van God aangaande Zijn Zoon – heel bijzonder Evangelie – dat Paulus het heeft over dat geweldige raadsplan van God om jou en mij rondom de Here Jezus te plaatsten. Om ons in glorie en in heerlijkheid te brengen. Om ons te laten genieten maar ook om de Here Jezus te laten schitteren door onze aanwezigheid bij Hem. Hij heeft ons immers gekend. Hij heeft ons bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn. Hij heeft ons geroepen. Hij heeft ons gerechtvaardigd. En Hij heeft ons verheerlijkt en we zullen daar zijn waar de Here Jezus is. Dan sluit Romeinen 8. Natuurlijk hadden we te maken met die vijanden. We hadden te maken met al die krachten en machten die alles op alles zouden zetten om ons die zegen te ontnemen. Maar we hebben ook met elkaar gezegd: Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen van God? Misschien een heel klein verhaaltje. Ik las het. Je moet jezelf eens tot een piloot maken van een heel klein vliegtuigje. En in dat vliegtuigje weet je een enorme schat te vervoeren. Je zit dus eigenlijk als piloot in een klein vliegtuigje met een gigantische, kostbare lading. En je wilt die lading graag overbrengen van het ene plekje naar het andere plekje. Stel je voor dat je zo’n piloot bent. Niet zo’n heel groot vliegtuig met allerlei toeters en bellen en weet ik niet hoeveel bemanningsleden. Jijzelf, jij bent de enige. Weet je wel, zo’n eenmotorig geval. Maar met een enorme lading. Op een bepaald moment merk je tijdens het vliegen – je kijkt achterom – dat een rat zit te knabbelen aan één van de belangrijkste kabels! En je denkt: Oei, oei, oei… wat moet ik doen? Ik kan niet zeggen aan mijn tweede piloot: “Neem de stuurknuppel eens over, dan zal ik de rat even mores leren.”, dan zou het vliegtuig naar beneden gaan. Maar als je de rat laat begaan en die belangrijke kabel wordt uiteindelijk doorgevreten, dan stort je ook naar beneden. Wat moet je nu doen? Jij bent zo’n piloot. Nu, het verhaal gaat verder. De piloot, die denkt: weet je wat, ik zet mijn zuurstofmasker op. In een heel groot vliegtuig heb je dat niet; daar is alles goed geregeld met de druk enzo van buiten en vanbinnen. Maar in zo’n klein vliegtuigje – zuurstofmasker op. Opgezet. En toen heeft de piloot dat kleine vliegtuigje zo hoog mogelijk naar boven gebracht. En omhoog. En omhoog. En in die ijle lucht, in die ijle lucht waarin bijna geen zuurstof meer is… hij kijkt stiekem een keer achterom. De rat is flauwgevallen, die had geen zuurstof meer. Wat betekent dit: zuurstofmasker, lucht, leven, Geest van God. Zet Hem op! En kom zo hoog mogelijk! Dan zal het geknaag aan die allerbelangrijkste kabel vanzelf stoppen. Eigenlijk is het een heel mooi voorbeeldje. Probeer het maar eens in je hart te leggen. Dat is precies wat Paulus aan het doen is. Hij gaat je schilderen hoe schitterend het is. Maar, Romeinen 8 stond bol van: “Door de Geest” “Door de Geest” “Door de Geest”. Mag ik het anders zeggen met het kleine voorbeeldje van vanavond: “Zuurstofmasker op!” “Zuurstofmasker op!” Iedere keer opnieuw. En de tegenstander, ja, die heeft dat niet. Die stopt dan. Ik hoop dat het een heel klein voorbeeldje is om te begrijpen dat de Heilige Geest jou en mij omhoog wil voeren, in hogere sferen wil brengen en lucht wil geven, adem wil geven – adem en Geest is precies hetzelfde woord – om deze dingen ook echt te beleven. Jij en ik, door het geloof in de Here Jezus kinderen van God geworden, geen automatisme je moet wel een keer een keuze maken. God wacht op je. God nodigt. En er is ruimte. Er is plaats voor wie wil komen. Maar je moet wel komen. Er moet wel een moment zijn dat je zegt: “Here, hier ben ik.” En vanaf het moment dat je komt en gelooft in de Here Jezus, mag jij je een kind van God noemen, mag je weten dat je leven uit God hebt, mag je weten dat je bij de Here Jezus hoort en dat de Heilige Geest in je is gaan wonen en dat de Heilige Geest in jou betekent: leven tot in eeuwigheid. Want de Heilige Geest is God Zelf! Is de Eeuwige! En als Hij in je woont heb je eeuwig leven. En dat is prachtig! Dat is degrote zegen maar ook de grote zekerheid door het geloof in de Here Jezus. Bij de Gemeente horen is bovendien in die enorme maalstroom van Gods zegen terechtkomen. Dat is geen spiraal naar beneden maar dat is een spiraal naar boven. Ik weet niet hoe je dat zo precies zeggen moet, maar in elk geval: dit is zo gigantisch, zo bijzonder – dat je omhoog gevoerd mag zijn, en uiteindelijk daar zult zijn waar de Here Jezus is en daar gaat genieten. Eindeloze vreugde. Jij en ik. En we blijven hier niet. We vonden dat al. We blijven hier niet. We zijn hier wel, nog steeds. Misschien maken we de volgende zondag ook nog wel mee, zou kunnen. Maar het zou ook wel kunnen van niet. We weten niet hoe lang we hier blijven, maar we gaan wel naar de Here Jezus. Dat is helder, dat is duidelijk. We gaan naar Hem die ons heeft vrijgekocht. Dat is de taal van Romeinen 1 tot en met hoofdstuk 8. En nu zijn we bij hoofdstuk 9. En hoofdstuk 9 gaat een nieuw hoofdstuk inluiden. Een nieuw stuk uit deze zelfde brief. En dat was ook een van de redenen waarom we deze Romeinenbrief namen voor deze, specifiek voor deze bijeenkomsten. Namelijk dat we toch graag een maranathaboodschap – boodschap van de komst van de Here Jezus – vasthouden en iedere keer etaleren. Hoofdstuk 9, nieuw hoofdstuk, nieuw stuk in deze brief aan de Romeinen. En nu gaat het over Israël. Hoofdstuk 9, 10 en 11… echt, het gaat over Israël. In deze brief? Ja. Want dit zou betekenen… kijk als de heidenen, de gelovigen in Rome, dit soort dingen allemaal in hun schoot geworpen krijgen, hoe kijk je dan aan tegen dat oude volk van God? Hoe ga je daar mee om? Wat is daar nog van over? Dan komt deze brief. “Ik spreek de waarheid in Christus, mijn geweten betuigt mij dit mee”: een grote smart heeft Paulus; een voortdurend hartzeer. Want hij zou wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van zijn broeders, zijn verwanten naar het vlees. Hij zegt: “Ik heb zo’n bewogenheid met dat volk, zo’n enorm stuk hartzeer als ik denk aan dat volk, dat ik zelf alles wel kwijt zou willen zijn als ik daarmee hen zou kunnen dienen.” Dat kan niet. Dat zegt hij ook: “Dat kan niet, maar ik zou het wel willen; dat is wel mijn hart. Mijn hart is zo betrokken op dat volk, op hun situatie dat ik alles wel kwijt zou willen zijn als ik hen dan zou kunnen dienen.” Nu, de Gemeente is dan verheerlijkt en waar staat Israël dan? Hoe kijken we aan tegen Israël? Paulus heeft dus een hartzeer als het gaat om Israël. Wie heeft dat nog vandaag? Dat is toch wel een hele gewone vraag eigenlijk. Als je Romeinen 9 leest, dan denk je: zou Paulus dan de enige zijn, is dat de enige die nog een beetje belangstelling voor Israël heeft en gevoel heeft voor dat oude volk. Zijn er nog meer van dit soort lieden? Ja, ja, er zijn nog Israël-minded mensen. Gelukkig. Maar sommigen denken dan aan politiek, anderen hebben een beetje kritische houding en zeggen: “Ja, maar dat wat die meneer Olmert allemaal bedenkt daar ben ik het ook niet mee eens.” Dat is de huidige premier. Ik snap het. U bent ook nooit geroepen om de politiek van Israël te verdedigen. Ik wil het ook bewust iedere keer zeggen: Ik bent niet geroepen om de politiek van Israël te verdedigen, maar ik ben wel geroepen om de beloften aan Israël gegeven, aan Gods plan aan Israël gedaan, om dat vast te houden. Of ik zo’n hartzeer heb zoals Paulus dat had? Ja, dat geloof ik eigenlijk niet. Soms dan vraag ik me af: Is er echt nog bewogenheid, bewogenheid met dat oude volk? Bidt u daar nog voor? In deze tijd? Ja dat kost bijna al je kop als jij je nek uitsteekt voor Israël. Dan loop je het risico dat je afgeschoten wordt. Want dat is al een beetje gevaarlijk aan het worden. De hele wereld is bijna tegen. En ze moeten nu toch maar eens eventjes gaan zeggen wat ze willen, of ze moeten gaan doen wat mevrouw Rice aan het doen is, zo ongeveer gaat het. Het wordt het dus nu door de keel geduwd. En het is nu bijna slikken of stikken. Zover is de situatie gekomen. En wij zijn het daar wel een beetje mee eens. De stemming in Nederland is faliekant omgeslagen. We waren eerst pro, helemaal voor Israël. We zijn nu een beetje, na ja, een beetje neutraal – zoals ze dat zeggen. Palestijnen hebben toch ook wel iets. Nou dat is typisch Nederlands: zo grijs als 365 dagen mist. Grijs. Geen kleur meer. We zijn het kwijt. Zouden we door de preek van deze avond nog weer kleur kunnen krijgen? Zouden we nog weer opgewarmd kunnen worden? Misschien, ik wil wel mijn best doen, want Romeinen 9, 10 en11 gaan over Israël en hoe God met dat volk uiteindelijk Zijn doel gaat bereiken. Ja, we zijn misschien wel beïnvloed door… Dat kan vrij sterk zijn, die beïnvloeding, dat kan ik u verzekeren. Ik heb vrijdagavond in Tiel iets gezegd, een paar van jullie waren daar. Dat kwam omdat er de afgelopen week – een hele merkwaardige week: Allerheiligen hebben we gehad en Allerzielen hebben we gehad en Hervormingsdag, het was een bijzondere week, een feestweek. Maarten Luther heeft op 31 oktober de 95 stellingen aan de slotkapel te Wittenberg gespijkerd. Ik had een toespraak in Groningen over Israël en over de beloften van God aan Israël gedaan. Toen dacht ik in mijn onnozelheid: weet je wat, ik haal uit die 95 stellingen een klein beetje stof en dan ga ik een preek houden over die 95 stellingen. Toch hartstikke actueel, 31 oktober kan niet missen, moet overkomen. Dus ik aan het bladeren, kijken en zoeken. Nou, ik heb ze allemaal, alle 95 stellingen. Ook allemaal nog een keer gelezen. Helemaal doorgebladerd. Gekeken, wat kan ik ermee? Ik bladerde verder en ontdekte een boekje van Luther uit 1543. En in het boekje gaat het over Luther zijn visie op Israël. Toen had ik hartzeer. Ik ben daar zo ontzettend van geschrokken! Ik wist het wel, natuurlijk heb je dat gehoord, is dat wel eens gezegd. Maar wat daar in dat boekje stond is te gek voor woorden! Sorry hoor, ik bedoel nu niet een Lutheraan tegen de schenen te schoppen, want ik wil nooit iemand tegen de schenen schoppen. Maar ik ga u wel zeggen dat Luther zo ontzettend anti Israël was, dat hij zei: “Je moet al die Joden oppakken. Je moet ze in werkkampen stoppen.” En ik denk: Verdraaid, waar heeft Hitler die wijsheid vandaan om die Joden in werkkampen te stoppen? Dat heeft hij notabene bij Luther vandaan gehaald! Echt waar! En je moet de Joodse gebedshuizen, die moet je natuurlijk gelijk verbranden. En gebedsdoeken? Op de brandstapel ermee! En leraren die de nog de Joodse dingen gaan leren? Die moeten gedood worden. En de sieraden en het geld? Die moet je ze afpakken. Joden op straat? Mag niet meer, je moet ze verbieden op straat te lopen. Echt waar! Ik schrok. Ik denk: ik ga niet preken over de 95 stellingen. Die zijn op zich juist, die 95 stellingen. Want dat was de wantoestand van de toenmalige kerk. Daar heeft hij fel tegen geageerd. En terecht denk ik. Die 95 stellingen kun je best als een werk van Gods Geest zien. Maar daarna… Weet je wat er nu gebeurd als wij bepaalde dingen, als wij bepaalde Godsmannen in een gouden lijstje gaan plaatsen, dat we dit soort dingen krijgen! En het is helemaal niet verwonderlijk dat in al die streken waar het Lutherse denken is doorgedrongen, geen plaats is voor Israël. Helemaal geen plaats voor Israël. De Gemeente is in de plaats van Israël gekomen. Punt. Dat hoeft je helemaal niet te verbazen dat dit binnengeslopen is. En als dit niet helemaal afgewezen wordt, dan krijg je weer een soort grijze mix. En dat is er vandaag. Samengaan met die en met die en met die. Het is alsof er een nieuwe kookkunst is ontstaan: een snufje van dit en een snufje van dat en dat roer je dan flink en dat wordt allemaal smakeloos. Sorry dat ik dit zo zeg, maar dat is ons probleem vandaag. En ik zeg dit nu, niet om te schoppen, maar om je te vertellen dat Paulus zijn hartzeer over Israël, ons hartzeer moet worden! En dat we eens moeten leren dat God een heel bijzonder plan heeft met dat volk. En dat dit volk een heel bijzonder volk is! Zit ik hier nu om de Joden een pluim op de hoed te zetten? Nou, hoeden hebben ze zat, meestal zwart. En als ze geen hoeden hebben, dan is er nog het keppeltje, daar kun je ook nog wel een pluimpje op vastzetten als je dat wilt. Nee, het gaat me er niet om dat ik hier mensen ga verdedigen als het gaat om hun gedrag. Want hun gedrag is nou, toch wel vaak hoogmoedig geweest en hautain. Ze hebben zich boven alles geplaatst en dat merk je. Ze zijn soms ook meer, ik bedoel, dat mag je best constateren uit wetenschappelijke dingen en uit onderzoekingen en uit uitvindingen en uit ontwikkelingen enzo. Dat is ook een heel bijzonder volk. Maar daarom zitten we niet hier. Waarom we wel hier zitten? Om te bedenken dat naast dat enorme heilsplan van God met de Gemeente. Die Gemeente is – nog een keer – gekend, bestemd, geroepen, gerechtvaardigd, verheerlijkt, om aan het beeld van God gelijkvormig te zijn. De Gemeente, een heel bijzonder gezelschap. Uniek. Echt, als je denkt aan dat wat God ooit bedacht heeft… Maar dat betekent allerminst dat Israël dus afgedaan heeft. En Paulus haast zich om nu in Romeinen 9 te zeggen: Nu moet je even goed bij de les blijven; nu moet je even goed voor je stellen wat Gods plan met Israël is geweest en nog is. Nu, dat komt nog. Het meeste ervan. Alleen, Paulus zegt een aantal hele merkwaardige dingen. Wat is nu het bijzondere van dat volk Israël? Nu geeft hij 8 dingen. Ik heb ze met u alle 8 gelezen. Ik heb ze nadrukkelijk gelezen. Ik wil het nog wel een keer doen: “Hunner is de aanneming tot zonen” – begin vers 4, dat is 1 – “de heerlijkheid”, dat is 2, “de verbonden” is 3, “wetgeving” is 4, “eredienst” is 5, “de beloften” is 6, “van hun zijn de vaderen” is 7, “uit hen is uit het vlees betreft de Christus” is 8. Ik ben de tel kwijt, maar telt u maar rustig tot 8. Acht van die kleine dingetjes. En dat is terug te vinden in de Bijbel. Ik weet niet of u teksten kent als Exodus 4 “Want Ik heb u als Mijn eerstverkoren zoon…” dat laat de Here zeggen tegen Faraö: “Israël is Mijn eerstgeboren zoon.” En Hosea 11: “Uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.” Dat is ook toegepast op de Here Jezus. Maar goed, God ziet Israël als een heel bijzonder gezelschap. Als een eerstgeborene. Wij worden ook Gemeente van eerstgeborenen genoemd. God ziet Zijn volk als een heel bijzonder gezelschap. Aanneming tot zonen. Toen jij de Here Jezus leerde kennen, en je de Here Jezus zag als de Heiland, als de Redder van je leven, heeft God je aangenomen als Zijn kind. En Hij wil je zien als een zoon en als een dochter zelfs – 2 Korinthe 6: “Zonen en dochteren” Aanneming tot zonen en dochters, dat betekent: aan het hart gebracht. Niet zomaar een kind verwekt, om het nu zo maar te zeggen. Nee, zonen en dochters aan je hart. Omgang. Vertrouwelijke omgang. Aanneming tot zonen. Maar hunner is ook de heerlijkheid. De Bijbel maakt duidelijk, dat, omdat God dat volk Israël uit Egypte leidde en ze door de woestijn bewaarde en in het land bracht, heeft God Zijn glorie op dat land en volk gelegd. Hunner is heerlijkheid. Waarom hadden ze heerlijkheid? Omdat ze beter waren? Nee, omdat Gods glorie, omdat Gods eigen aanwezigheid dáár voelbaar en merkbaar was. En dat zal in de toekomst weer gebeuren. De heerlijkheid van God rust daarop. In de toekomst gaan de volkeren van jaar tot jaar naar Jeruzalem om het Loofhuttenfeest daar te vieren. Want de heerlijkheid van God is daar. Hunner is de heerlijkheid. Zij zijn als het ware dragers van die heerlijkheid, omdat de Here daar woont. Hunner zijn de verbonden. Nou, dat is ontzettend veel over te doen vandaag. En vanaf het moment dat je de hele zaak door elkaar heen haspelt, en dat je zegt: “De Gemeente is in de plaats van Israël gekomen.”, dus het verbond is voor ons, nou, dan begint de verwarring. Wat is dan het verbond? Nou, leest u dan rustig. U begint in Genesis 15, u gaat naar Genesis 17, u gaat naar Exodus 24 en u schiet al lekker op. En nu blijkt dat de Here een heel speciale band met Abraham aanging en zei: “Ik sluit Mijn verbond met je. Ik geef jou en jouw nazaten dat land.” Genesis 15, een land tot aan de grote rivier de Eufraat – een rivier in Egypte. Een land met grenzen zoals ze nog nooit gehad hebben. Compleet met Irak erbij en álles wat ertussen ligt. Grenzen: Nijl en Eufraat en Middellandse Zee. Dat is een gigantisch gebied. Dat heeft God gezegd. “Het is Mijn verbond met jou Abraham. Ik geef het jou.” Was daar enige voorwaarde aan verbonden dat zij dan op moesten passen bij wat ze zeiden of dat ze dan geen verkeerde stappen zouden mogen doen? Geen enkele voorwaarde. Onvoorwaardelijke toezeggingen. Zal de Here dat gestand doen? Ja. Hunner zijn de verbonden. Met andere woorden: God Zelf heeft Zich verplicht in een verbond, in een bondgenootschap, om dit waar te maken. En bovendien zou dat volk ook voor anderen tot zegen zijn – Genesis 17: “Abraham, in jou en met jou zullen alle volkeren der aarde gezegend worden.” En in hoofdstuk 24 van Exodus gaat het om de wetgeving. De Here God verbindt Zich. Dat is een heel ander, apart verbond. “Als jullie doen wat Ik van jullie vraag, dan zal Ik Mijn zegen over jullie uitgieten. ” Maar zijn dit nu typisch de zegeningen voor jou en voor mij? Nee! U en ik zijn gezegend met alle gééstelijke zegeningen! Niet een stukje grond, niet een vierkante meter ergens. Onze zegen is de Here Jezus! Dat wordt echt duidelijk, ook nog in deze zelfde Romeinen 9, maar goed dat wordt dus duidelijk. Hunner is de aanneming tot zonen, hunner is de heerlijkheid, van hun zijn de verbonden, hunner is de wetgeving! Dat is ook iets subliems! Iets subliems! Ik heb het al een paar keer eventjes gezegd. Op andere plaatsen zijn speciale studies over de wet. Waarom de wet? Waarom die Tien Woorden? Nou, dat is de wetgeving. Nou, de wet wordt op zeker twee manieren gebruikt in de Schrift, namelijk de vijf boeken van Mozes, de Thora – de wet, de vijf boeken, alles wat daarin staat of misschien heel specifiek de Tien Woorden, de Tien Geboden. Maar in die Tien Woorden heeft de Here God niet een soort bestraffende vinger omhoog geheven en gezegd: “Kijk uit wat je doet en wees voorzichtig met wat je zegt!” Maar in die Tien Woorden heeft God Zichzelf, heeft Jahweh Zichzelf bekend gemaakt. Hij heeft ze getoond wie Hij is. Zijn wezen. Hunner is de wetgeving. Hunner is de eredienst – dat sla ik nu even over, dat ga ik straks doen. Hunner zijn de beloften. Denkt u maar eens aan Jeremia. Jeremia die in een tijd van grote nood – we hebben dat een keer gehad in een grijs verleden hier – toen hijzelf in de gevangenis zat een stukje grond in Jeruzalem moeten kopen. Nou, als je dan toch een stukje grond moet kopen, dan doe je dat niet in een stad die op het punt staat om ingenomen te worden, bovendien zit je zelf in de gevangenis dus je kunt er helemaal niet van genieten. Dat stukje grond koop je gewoon niet. En tóch zei de Here: je moet het kopen. Waarom moest Jeremia dat stukje grond kopen? Omdat de Here zei: “Zo zal het gaan! Stráks zullen er stukjes grond verkocht worden. Ze zullen daar weer gaan wonen, ze zullen daar weer zijn in dat land.” Dat is geloof. Dat is echt een geweldige belofte! Er zijn duizenden beloften over Israël in de Schrift te vinden. Daar zullen ze zijn. Ze zullen terugkeren. De twee stammen, de tien stammen, ze zullen samen één groot volk zijn. En het is één complete lofzegging voor de Here. Ik weet niet of u daaraan gedacht hebt zopas toen we het eerste lied zongen: “Komt en verkondigt het jubeljaar, hosanna, hosanna de Koning komt!” Dat is die tijd. Beloften voor Israël. En van hen zijn de vaderen. Met andere woorden: Mozes en Aäron maar vooral Abraham, Isaäk en Jakob – de aartsvaders. Hunner zijn de vaderen. Daar liggen onze roots. Daar liggen zelfs de roots van de Bijbel. Daar. En van hen, wat het vlees betreft, is onze Here Jezus daar geboren. Met andere woorden broeder en zuster, we kunnen niet zomaar zeggen dat het er niet toe doet hoe we over Israël denken. Paulus wil dus in deze acht punten zeggen: “Het is niet zomaar een volk, het is een heel bijzonder volk!” En je kunt zo’n volk niet zomaar rangschikken van: nou ja, of je nu Israël zegt, of Palestina zegt, of Syrië zegt… dat is niet zo. Het is een heel bijzonder gezelschap. Van welk volk zou je dit allemaal kunnen zeggen? Van geen enkel volk. Daarom: u en ik horen niet bij dat volk, u en ik horen bij de Gemeente door het geloof in de Here Jezus, door het geloof in de Here Jezus, door het geloof in de Here Jezus. We horen bij de Gemeente. Die Gemeente die blijft niet hier, die Gemeente wordt opgenomen de Here tegemoet in de lucht en zal weggevoerd worden. Maar Israël wordt opnieuw Gods middelpunt. Dat staat hier. En er is zoveel te zeggen over dat herstel van dat oude volk, dat we daar heel voorzichtig mee verder willen gaan. Vanavond niet. Maar nu, dit is de eerst aanzet. En de Here Jezus is daar geboren! En de Here Jezus heeft daar gewoond! Hoe kan het dat duizenden en duizenden toeristen jaarlijks naar Israël gaan? Omdat de stad Jeruzalem mooier is dan elke andere stad? Nee. Omdat het meer van Galilea groter is dan alle andere meren? Nee. Omdat de temperatuur daar beter is dan elders? Ook niet. Omdat de mensen daar zo lief en zo aardig zijn? Nou, allerminst. Omdat je daar totaal geen risico loopt dat jij je portemonnee of je camera kwijtraakt? Dan kun je beter niet gaan want die raak je toch kwijt misschien. Maar al die dingen spelen geen rol. Maar waarom gaan ze dan wél? Hierom. Om deze reden. Omdat het een heel bijzonder volk is! Omdat God een heel bijzonder plan heeft met dat volk! En dat hele bijzonder plan van God met dat volk heeft maar één doel: Christus. En dat is nu al, in die eerste verzen van Romeinen 9 duidelijk: “uit hen is wat het vlees betreft de Christus die ís boven alles, God te prijzen in eeuwigheid. Amen!” Zo van: Om Hem gaat het! Om Hem ging het ook als het om de Gemeente ging. Het ging ook steeds om de Here Jezus Christus: opdat Hij de Eerstegeborene zou zijn onder vele broederen. Dat is als de Gemeente om Hem heen is, als de Gemeente Hem omringt en Hem glorie brengt en Hem al de eer geeft… dan ja dán krijgt de Here Jezus al de eer. Dat is Gods plan met de Here Jezus en daar heeft Hij u en mij bij nodig. En nu zegt Paulus: “Maar Israël zal ook een middel zijn van de HERE, Jahweh Zelf, om Hem, God te prijzen tot in eeuwigheid, om Hem die is boven alles, te omringen. En dat gaat gebeuren. Niet in het Huis van de Vader waar wij zijn dan, maar in Jeruzalem waar Hij is dan. Ik hoop dat dit helder wordt. Als nu de eerste stap zover is dat u kunt zeggen: “Die Gemeente, dat is echt een bijzonder apart gezet gezelschap, maar Israël is helemaal niet aan de kant geschoven. Is helemaal niet dood verklaard! En Luther zijn visie op Israël is faliekant fout!” Ik hoop niet dat u mij beticht van schoppen tegen, dat wil ik niet! U mag al de andere dingen van Luther gretig omarmen en dankbaar omarmen. Er zijn heel veel mooie dingen door hem gezegd. Maar op dit punt was hij helemaal de plank aan het misslaan. Neem me niet kwalijk, maar hij heeft ontzettend veel gezien in die hele donkere tijd. Maar nu zijn wij aan de beurt. En we zullen ons eens een keer moeten realiseren dat dit geweldige van Gods plan met ons nóóit behelst dat Gods plan met Israël dús ter ziele is! En vanaf dat moment ga je teksten heel anders zien. Echt waar hoor, dit is dé sleutel tot het verstaan van de Schrift. Dat zeg ik u. Dan ineens ga je ontdekken wat verbonden zijn en wat het betekent om opgenomen te zijn in het verbond of daarmee te maken te hebben. Dan ga je ineens zien dat de Gemeente inderdaad weggenomen kán worden, vóór er – laat ik maar zeggen – van een jongste dag sprake is. Dat ga je ineens snappen. Ineens valt dat op z’n plek. Van harte hoop ik dat dit vanavond al gaat gebeuren. Paulus bedoelt: “Kijk een aan, nu ga ik je iets vertellen over dat oude volk Israël en daar ben ik mee annex, en mijn verwanten zijn het naar het vlees en ik heb hartzeer door die lui en ik wil ze zo graag winnen; ik wil alles op alles zetten om ze te bereiken. Dat hele speciale volk heeft én in het verleden hele speciale dingen gehad maar heeft ook in de toekomst hele speciale dingen. Dát is voor vanavond genoeg. Israël heeft een geweldige toekomst. U en ik hebben een sublieme toekomst, bij de Here Jezus, met de Here Jezus. In het Huis van de Vader, samen met de Vader en de Heilige Geest en de Here Jezus. Israël, op aarde in Jeruzalem, in die stad… zo hoog gebouwd? Nee, dat is de stad uit de hemel komend. Maar Jeruzalem zal de enorme plek zijn, de stad van de grote Koning – Psalm 48. Daar zal de Here Jezus schitteren. Daar gaat de Here Jezus al de glorie krijgen. En het is heel belangrijk dat je inderdaad gaat zeggen: “Hosanna, Jezus komt! De Koning komt!” Hij komt eraan. Waar? Dáár! Waar is Hij dan Koning? Over het volk Israël. En Zijn zegenrijk strekt zich uit – de belofte aan Abraham gedaan – aan álle volkeren. Dan ineens worden al die volkeren gezegend in Hem. Dan ineens bleken die verbonden waar te worden, inhoud te krijgen. Schitterende zegen zal er zijn als de Here Jezus regeert en als de Here Jezus het centrum is in Jeruzalem. Ik weet niet waar je nu staat. Hoe je denkt, hoe je over Israël denkt. Nog een keer: Ik kan me best voorstellen dat soms wat moeilijk is als je denkt aan het gedrag van de Israëlieten. Dan kun je wel duizend vragen krijgen. Maar als je denkt aan Gods plan, dan hoop ik dat Romeinen 9 de eerste 5 verzen een soort sleutelfunctie gaan vervullen. Dank U wel Heer, U hebt een plan. Dat is ook iets bijzonders. Dat volk is ook bijzonder. Als dan bovendien de Bijbel het nog zegt dat het Gods oogappel is, nou, wees dan maar voorzichtig – Zacharia 2. Blijf er dan maar af. Als je dan zegt dat Gods oog op hen is, dat Hij ze daar zal zegenen, dat Hij ze daar op een bijzondere manier gaat terugbrengen, dan moeten wij voorzichtig zijn. Dan moeten we ons niet mee laten slepen door allerlei mensen die vandaag zeggen: “Ja, maar dat is ook maar een zooitje ongeregeld daar in Jeruzalem. Ze doen maar en ze doen maar en ze doen maar… En die arme Palestijnen…” Lees dan maar eens wat goede lectuur over deze dingen en je zult er achter komen dat er nog nooit een Palestijnse staat is geweest en al het geroep van “We zijn bezet gebied”… Ze hebben nog nooit een staat gehad! Nog nooit! Ze zijn er gewoon nog nooit geweest! Het is allemaal terminologie, het zijn allemaal kreten die nergens op slaan. En we geloven dat en het is heel gewoon. Als we het Journaal horen of zien, of de krant lezen, we hebben weer een extra hekel aan de Jood gekregen, want die doet het alleen maar fout. Dat is de publiciteit van vandaag. En wij moeten nu om! We moeten om in ons denken. Want dat volk is niet zomaar iets. Dat is Gods volk. Dat is Gods oogappel. En wie Zijn oogappel aanraakt, raakt Hem aan. Het is niet zo dat ze gewoon ter ziele zijn en dat wij die zegen krijgen en dan gemakkelijk voorbij gaan aan al de oordelen die over dat volk zullen komen. Dat is heel goedkoop. Alleen de zegen voor jezelf pikken en de rest aan hen overlaten. Dan ineens zijn ze er nog wél. Ik hoop niet dat ik te scherp ben, maar ik wil zo graag helder hebben dat in de brief aan de Romeinen deze omslag, hier op dit punt plaats vindt. Hunner zijn de beloften, hunner zijn de vaderen en uit hen is wat het vlees betreft de Christus, hunner is de wetgeving, hunner zijn de verbonden, hunner is de heerlijkheid, hunner is de aanneming tot zonen, hunner is ook eredienst.