Romeinen 9 : 6 – 33

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 15. De gerechtigheid uit het geloof

Bijbellezing over de brief van Paulus aan de Romeinen,
door Dato Steenhuis, 25 november 2007
Romeinen 9 vers 6 – 33 en Romeinen 10
Er staat van alles in de krant, iedere week opnieuw. Ik begrijp ook niet hoe ze die bladen helemaal kunnen vol krijgen elke dag. Maar één van die opmerkingen – hoorde ik vanmorgen in een dienst pas – dat het Land van Ooit failliet was. En al die aandeelhouders die hebben de aanduidingen niet goed genoeg gelezen, dat in het verleden behaalde resultaten geen garantie bieden voor de toekomst. Het vloog me een beetje naar m’n keel. Het Land van Ooit… is niet failliet! U en ik hebben een geweldige toekomst als je gelooft in de Here Jezus! En in het verleden behaalde resultaat – het kruis van Golgotha – is garantie voor de toekomst! Dus die berichten mag u met een behoorlijke schep zout gaan lezen. Romeinen 9. We zijn heel schoorvoetend in Romeinen 9 begonnen met de 1e vijf verzen, we gaan nu bij vers 6 beginnen.
Romeinen 9 vers 6:
6] Maar het is niet mogelijk, dat het woord Gods zou vervallen zijn. Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël,
7] en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken.
8] Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht.
9] Want er ligt een belofte in dit woord: omstreeks deze tijd zal Ik komen en Sara zal een zoon hebben.
10] Maar dit niet alleen; daar is ook Rebekka, bevrucht van één man, onze vader Isaak.
11] Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan – opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep, – werd tot haar gezegd
12] De oudste zal de jongste dienstbaar zijn, gelijk geschreven staat:
13] Jakob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat.
14] Wat zullen wij dan zeggen: Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Volstrekt niet!
15] Want Hij zegt tot Mozes: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn.
16] Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt.
17] Want het schriftwoord zegt tot Faraö: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn kracht zou tonen en mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde.
18] Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.
19] Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil?
20] Maar gij, o mens! Wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt?
21] Of heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik?
22] En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft –
23] juist om de rijkdom zijn heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid?
24] En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden,
25] maar ook uit de heidenen.
30] Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit het geloof is;
31] doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen.
32] Waarom niet? Om het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots, gelijk geschreven staat:
33] Zie Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.
1] Broeders, de begeerte mijn harten en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit.
2] Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand.
3] Want onbekend met God gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen.
4] Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.
8] Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken.
9] Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden;
10] want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis.
11] Immers het schriftwoord zegt: Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.
12] Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, één en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen;
13] want: al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden.
14] Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben? Hoe geloven in Hem, van wie zij niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker?
15] En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn? Gelijk geschreven staat: Hoe liefelijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen.
Elke keer vooraf aan deze diensten is er een kort moment van gebed. Wij noemen dat de consistorie, anderen noemen dat gewoon de keuken. Daar is het namelijk. En daar hebben we gezegd: “Dit is een heel moeilijk stukje vanavond.” Nu zijn de mooie dingen van de Here altijd moeilijk. Dat kan ik ook niet veranderen, want de Here is zo groot, zo overweldigend, zo majesteitelijk, dat je onmogelijk met je eigen gewone intelligentie de dingen van de Here zou kunnen pakken. En tóch wil de Here ons ook vanavond hele bijzondere dingen zeggen. Die zijn niet zo makkelijk. Want we hebben net al een paar teksten gelezen dat je: “Ach… ja… na ja…. ” “Jakob heb ik liefgehad en Ezau heb ik gehaat”, nou dan zit je daar nu mooi mee. Als God je dan gehaat heeft, dan kun je springen wat je wilt, dan kun je je best doen tot aan het oneindige maar je komt er tóch niet, want ja, de Here heeft je gehaat, dat is bij voorbaat al eventjes geregeld.” Dit soort conclusies worden hieruit getrokken. En de uitverkiezing? “Nou, ja, dat zie je maar weer he, je weet het maar nooit!” En als je dan zegt: “Ik heb de Here Jezus aangenomen!”, “Ja, maar, als God je gehaat heeft en jij hebt de Here Jezus aangenomen dan heb je iets voor jezelf gepakt wat helemaal niet voor jou was! Je hebt een gestolen Jezus!” Taal die je misschien kent, die in elk geval gebruikt wordt. We zitten midden in ons probleem. Dit is niet het makkelijkste stukje van de brief aan de Romeinen. En dit wordt dan wel eens de makkelijkste brief van Paulus genoemd! Nou ja, hoe het dan met die andere brieven moet? Dat is misschien helemaal een vraag. Maar dit is helemaal niet de makkelijkste brief van Paulus. Het is een van de allermoeilijkste brieven van Paulus. In elk geval begint ons stukje met de tekst – in vers 6 – “maar het is niet mogelijk dat het woord van God vervallen zou zijn”. Geen faillissement. Geen enkele inperking. Niets. In het verleden behaalde resultaat is garantie voor de toekomst. Houdt dat vast! Daar kun je rustig in beleggen. Er gebeurt je niets! Die belegging is namelijk beleggen in de Here Jezus. En in ons stukje van vanavond stond dat nadrukkelijk “Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen!” en iets verderop: “Al wie de naam de Heren aanroept, zal behouden worden!”. Het woord van God kan dus niet verbroken worden, het woord van God blijft overeind. En een ieder die in Hem gelooft, die op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd worden! Als je daarin investeert, zul je niet beschaamd uitkomen! En als je de naam van de Here aanroept zul je behouden worden. U gaat dan zeggen: “Ja, maar ho ho, Jakob heeft Hij liefgehad en Ezau heeft Hij gehaat. En als de Here God mij haat dan kan ik dit wel claimen, kan ik dit wel zeggen en springen en hossen en misschien wel belijden en misschien wel uitjubelen vanavond, maar dan heb ik het toch niet! Want de Here heeft kennelijk een heel ander plan met mij! Die wil mij misschien wel verharden! Die wil mij misschien wel verloren laten gaan.” De Bijbel zegt dat God niet wil dat er één van jullie, hier zittend, verloren gaat! Dat mag ik echt in de naam van de Here Jezus prediken. Niet één van ons hoeft verloren te gaan. Niemand! De teksten die we hier zo moeilijk vinden in Romeinen 9 en 10, hebben wel terdege betekenis. En die zijn niet onbelangrijk, maar u mag ze nooit verbinden met uw eeuwig heil. Uw eeuwig heil hangt samen met het geloof in de Here Jezus. En de enige, de enige mogelijkheid om bij God in de hemel te komen is de Here Jezus. Al wie op Hem zijn geloof bouwt zal niet beschaamd uitkomen. Hoor je het goed? Zou je dat nu durven? Zou je nu durven zeggen: “Ik wil niet naar bank A, B, C of D, of ze wel of niet gefuseerd gaan worden dat interesseert mij eerlijk helemaal niets, ik wil álles investeren op Hem. Ik wil op Hem mijn geloof bouwen. Dat is mijn vastigheid. Dat is een vast fundament. En dat Land van Ooit gaat nooit failliet!” 1 Petrus 1. In de hemelen bewaard is die erfenis, daar kan geen mot in doorvreten, geen roest iets aantasten. De enige, enige echte zekerheid is de Here Jezus. Hij is onze zekerheid. Hij is onze vastigheid. Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. Wie de naam van de Here aanroept zal behouden worden. Stel nu eens dat je al die andere teksten nog niet kende – die moeilijke teksten – dan zou je dus nu, vanavond kunnen zeggen: “Zo, al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden. Daar leg ik mijn hand op.” Wij zijn zo ingewikkeld geworden. Jaren terug kreeg ik een verzoek om in het ziekenhuis van Arnhem te komen. Daar lag een meneer op een bepaalde afdeling en die lag naast nog een meneer. En die meneer naast de patiënt die had een koptelefoon op en die had een bandje opstaan over een preek van Dato. En dat sloeg kennelijk in. Dat was nogal raak. En die man was daar zo geweldig blij mee. En die andere meneer, zegt: “Zo, word je daar vrolijk van? Word je daar blij van?” “Ja! Moet je eens luisteren!” Enfin, die man ging ook luisteren. En die zegt: “Dat wil ik ook wel!” Of Dato maar even naar het ziekenhuis in Arnhem wilde komen om eventjes een preek te houden. Ik kon niet. Ik had het willen doen hoor, maar ik kon onmogelijk. Maar ik had een vriend daar vlakbij wonen. En ik zei: “Jan, zou je even naar het ziekenhuis willen gaan, naar kamer zo en zo en zou je die meneer even willen opzoeken? En zou je hem willen vertellen dat alleen door het geloof in de Here Jezus er redding en heil is?” Nou, dat deed Jan en die ging er naartoe en las Johannes 3 vers 16 voor. Hij heeft aan de hand van Johannes 3 vers 16 “Al zo lief heeft God de wereld gehad…” hem het Evangelie uitgelegd. Hij bekeerde zich. “Heb je wel een Bijbel?” “Nee, heb ik niet. Nooit gehad.” “Ik breng je morgen een Bijbel” zei Jan. De volgende dag ging Jan er weer naartoe, met een bijbel onder de arm. Hij had Johannes 3 vers 16 onderstreept en zo opnieuw datzelfde stukje tekst gelezen. En opnieuw de blijdschap, opnieuw gedankt, opnieuw gesproken over de Here Jezus leren kennen als je Heiland en als je Verlosser. Die man, die kreeg die Bijbel – Johannes 3 vers 16 was onderstreept – legde daar zijn vinger bij en die kwam er niet meer weg. Toen wou Jan afscheid nemen, en wou een hand geven, maar dat kon niet. Het is niet gelukt. Jan staat voor het raam, zwaaide nog. Hij zwaaide ook, met zijn andere hand. Jan loopt een eind die gang in en loopt weer terug, de patiënt zat nog steeds met zijn vinger bij de tekst in zijn Bijbel te staren. Dat zag hij. Die meneer is een paar dagen later overleden. Daar staat het…. En ik leg mijn vinger erbij en ik haal mijn vinger daar niet meer van vandaan. U vindt het een verhaaltje van een scheurkalender. Nou, misschien komt het daar nog een keertje op, maar het is echt een keer gebeurd. Maar heb je het zelf gedaan? Heb je zelf ooit gezegd: “De naam des Heren aanroepen: “Here Jezus! En ik zal niet beschaamd worden en ik zal behouden worden.” Al wie op Hem zijn geloof bouwt zal niet beschaamd uitkomen. Zal behouden zijn. Dat betekent heel eenvoudig dat je de Here Jezus mag leren kennen als je Heiland en als je Verlosser. Moet je doen! Die hand van Dato bij de deur – ik sta daar toch niet trouwens – die doet er dan niet meer toe. De hand van de Here, uitgestoken naar jou in de Here Jezus, is veel en veel belangrijker. Hij steekt Zijn hand uit en zegt: “Als je in Mij gelooft, zul je niet verloren gaan; heb je het eeuwige leven; heb je!” Opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven hebbe. Maar hoe kunnen die moeilijke teksten in Romeinen 9 terechtkomen? In Romeinen 8 – een hele tijd terug – hadden we dat prachtige, schitterende, dat God ons gekend heeft, dat Hij ons bestemd heeft om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, dat Hij ons geroepen heeft, en dat Hij ons gerechtvaardigd heeft – vier – en dat Hij ons verheerlijkt heeft – nummertje vijf. Dat waren die vijf kernwoorden die achter elkaar in één tekst voorkomen. En we hebben toen gezegd dat jij en ik, die geloven in de Here Jezus, een buitengewone toekomst tegemoet gaan. We zullen daar zijn waar de Here Jezus is. In het Land van Ooit! Daar zullen we zijn! We zullen bij Hem zijn, en bij Hem blijven wonen. Onze schitterende toekomst is de Here Jezus. We gaan hier vandaan! We horen hier niet eens! We zijn hier vreemdelingen en bijwoners, we horen daar waar de Here Jezus is. Nou, dat gaat komen. Dat gaat misschien heel binnenkort gebeuren. We gaan naar de Here Jezus. Uw en mijn positie in Christus is schitterend. Als je gelooft in de Here Jezus, dan ben je geweldig gezegend. Gezegend met ál de geestelijke zegening in de hemelse gewesten. Er is niets meer dan dat. Alles heb je gekregen in Hem. Schitterend is het! Geweldig is het! De Here Jezus, Hij is het! Hij is alles voor je. Maar Romeinen 9 zegt: “Maar je bent ook nog op aarde. En Israël is ook nog op aarde.” Beste mensen, het onderwerp in Romeinen 9 is ánders dan het onderwerp in de eerste acht hoofdstukken van deze brief. Na ja, dat is bijbelstudie. En het is altijd moeilijk om in een heel groot verband bijbelstudie te doen. Want misschien komt niet iedereen mee. Misschien denk je: “Ja, dat is een beetje te zwaar” of: “Dat is een beetje te moeilijk” of: “Dat is niet voor onze jongeren bedoeld”. Nou, dat is het wel, het is voor ons allemaal bedoeld! Je moet je in de eerste plaats goed realiseren dat je door het geloof in de Here Jezus een kind van God bent. En dat je door het geloof in de Here Jezus deel bent gaan uitmaken van de Gemeente! Dat die Gemeente hier niet hoort, dat die Gemeente wordt opgenomen! Dat die Gemeente hoort waar de Here Jezus plaats is gaan bereiden in het Huis van de Vader! Daar hoor je, daar zul je zijn, daar brengt Hij je! Dat hoef jij niet te doen, dat doet Hij. Daar heeft Hij plaats bereid – dat hoef jij niet te timmeren. Mijn zoon heeft zoon zo’n oud krotje gekocht in Rijssen. Nou, daar is waarschijnlijk geen balk goed. Enfin, hij moet alles afbreken en alles opnieuw beginnen. Maar goed, hij is druk doende. Maar als het om het Huis van de Vader gaat, hoef jij niets te doen! Hij, onze Here Jezus, zegt: “Ik ga plaats bereiden! Als jij komt, is alles in orde.” Je bedje is gespreid. Ik weet niet of we een bed hebben daar in de hemel, maar goed, dat denk ik. We gaan bij de Here Jezus komen! Als het om onze positie gaat, als het gaat om de vraag: “Hoe ziet God mij nu?” Alles vlekkeloos. Er is niets meer overgebleven wat nog verandering behoeft. Hij zorgt ervoor” – zegt Efeze 5 – “dat je zonder smet, zonder vlek, zonder rimpel of iets dergelijks hebbend, voor Hem zult staan!” Niet jouw werk, Zijn werk! Hij doet het! Nog steeds. En Romeinen 9 zegt: “Ja, we zijn toch ook nog een getuigenis van God op aarde.” En dat betekent dat we nogal wat vijfen en zessen zijn. En nu wordt het moeilijk. Ik probeerde duidelijk te maken in een studie niet zo heel lang geleden, dat God toezeggingen heeft gedaan aan Israël – een onvoorwaardelijk land heeft gegeven. Of ze daar nu wel of niet een overeenstemming in krijgen in dat Amerikaanse conferentieoord, dat laat ik nu maar los. Ze beginnen daar gewoon te kletsen en te leuteren en er komt nog een keer een communiqué uit. Maar God heeft toezeggingen gedaan aan Israël. Hij heeft gezegd: “Moet je eens luisteren, dat land van de Eufraat tot de Nijl en van de Nijl tot aan de Middellandse Zee, dat is van jullie.” Dat hebben ze nog nooit gehad. Salomo ook niet in zijn tijd. Een geweldig gebied. “Dat land geef Ik jullie. Abraham, geloof je dat?” Nou…. “Kun je die sterretjes tellen?” Nee, dat kon hij niet. “Kun je korreltjes zand tellen?” Ook niet. “Ik geef het je. Onvoorwaardelijk. Voor jullie.” Besnijdenis – Genesis 17 – is een teken en zegel van dát verbond; dat mochten ze voelen, dat mochten ze ervaren in hun lichamen. Mannen, die voor de voortplanting zouden zorgen – het zal een zeer talrijk geslacht worden. Korreltjes zand, sterretjes, zo talrijk. Ze zouden het voelen. Ze moesten het voelen. Dat is de route. “Ik geef het jullie”. Voorwaarden? Nee, besneden zijn. Alleen maar mensen die – laat ik maar zeggen – Jood zouden zijn? Nee, ook mensen die voor geld gekocht waren, of mensen die als een vreemdeling in hun huis geboren waren – ook die werden besneden. Maar teken en zegel van dat verbond. In Genesis blijft het daarbij. In Exodus 24 – heb ik uitgelegd toen – is er een nieuw verbond. God zei: “Moet je eens luisteren, hoe kun je nu van die zegen gaan genieten? Antwoord: Als je doet wat Ik van je vraag.” En toen is daar een verbond gesloten. Zij – de Israëlieten – hebben toen gezegd: “Wat U ook zegt Here God, wij zullen het doen!” Nou ja, ze waren net als de Hollanders, die beloven ook van alles en doen ook niets. Sorry hoor, u bent allemaal anders. Maar bij wijze van dan. We zitten zo makkelijk met onze beloften, maar om ze echt in te vullen is nog een tweede. Maar ze hebben toen gezegd – drie keer – “Here God, wat U ook zegt, wij zullen het doen!” Alsof ze al iets konden… ze konden helemaal niets! Ze hebben zich in Egypte niet kunnen verlossen, ze hebben zich toen niet door de Schelfzee kunnen dringen/zwemmen, ze konden de overwinning over Amelek niet zelf, en ze hebben het bittere water niet zoet kunnen maken… Ze hebben gewoon niets gekund! Helemaal niets! En dan zeggen ze: “U zegt het maar hoor! U zegt het maar!” Nu, dat is dan de schuldbrief die tegen hen getuigt – in Kolossenzen 2 – dat is die schuldbrief. Ze hebben toen drie keer gezegd: “Wij zullen het doen.” Hebben ze het kunnen doen? De Here God zei: “Alsjeblieft, dit zijn Mijn Woorden. Zo ben Ik! Dit is Mijn, Mijn wezen!” De Tien Woorden, het wezen van de HERE! En: “Dit zijn Mijn voorschriften, als je dat doet, zul je optimaal genieten.” Is dat gelukt? Nee. Nooit. En daarom zegt de Here in Jeremia 31: “Weet je, het is tot op heden allemaal misgegaan, maar Ik zal een nieuw verbond met jullie sluiten. Ik zal Mijn Wet in je hart schrijven. Ik zal Mijn gedachten in je hoofden brengen. Ik zal het Zelf gaan doen. Ik doe het. Jullie deden het niet, jullie konden het niet. Jullie konden het gisteren niet en jullie kunnen het morgen ook niet! En Ik ga een nieuw verbond met jullie aan.” Jeremia 31. Gebaseerd op? Bloed van het nieuwe verbond… De Here Jezus. Hoort u het Hem zeggen? “Dit is het Bloed van het nieuwe verbond…” En nu moeten die mensen, al die Israëlieten, die moeten met Nikodemus leren uit de mond van de Here Jezus: “Nikodemus, als je niet opnieuw geboren wordt, kun je dat Koninkrijk van God niet binnengaan! Je kunt het zelfs niet eens zien!” En dat was dé leraar van Israël notabene! Dat was een van de kopstukken van de universiteit van Jeruzalem. De leraar van Israël wist niet hoe hij dit moest uitleggen… Hoort u Hem het zeggen? “Als je niet opnieuw geboren wordt Nikodemus, kun je dat Koninkrijk van God niet binnengaan en kun je dat Koninkrijk van God ook niet zien!” Tussen al die duizenden Israëlieten in de dagen van Nikodemus, waren er maar een paar – en ik denk de discipelen plus Nikodemus en Jozef van Arimatea en misschien nog een aantal – die hebben inderdaad begrepen: we moeten opnieuw geboren worden, er moet nieuw leven komen want in de oude situatie redden we dit nooit, zullen we dat Koninkrijk, dat getuigenis van God op aarde, nooit binnen kunnen gaan, zullen we nooit kunnen genieten van de zegen die God gaat geven. Er is altijd een tweedeling geweest. Daar gaat het hier over. En die tweedeling zegt de Schrift, die begon al bij Jacob en bij Ezau, nog voor ze geboren waren. Want Ezau zou in eigen kracht proberen het zo goed mogelijk te doen. Nu kunt u zeggen: “Ja, maar er staat er toch maar bij dat de Here Ezau haatte.” Maar weet u waar die tekst staat? In Maleachi, in het allerlaatste Bijbelboek van het Oude Testament! Waaruit deze conclusie getrokken kan worden, dat God dit zegt omdat ze in de praktijk volledig anti-Here waren, anti-Jahweh waren, heeft de Here gezegd: “Dit haat Ik.” En dan nóg gaat het niet om eeuwig verloren gaan, maar gaat het er om: de zegen van de Here, die kun je niet genieten. Daar kun je niet in staan. De zegen van de Here mis je helemaal…. Niemand kan zeggen dat dús al die mensen verloren zijn. Wees daar heel voorzichtig mee. Ik zeg niet dat ze allemaal behouden zijn, dat kan ik ook niet zeggen. Maar we kunnen niet “één plus één is twee” zeggen. De Here zegt eigenlijk dit: “Er zijn altijd twee soorten geweest. Naar het vlees en naar de geest.” Het Israël van het moment van Paulus zijn schrijven was: ze willen wel, ze hebben wel ijver, maar niet met verstand. Ze doen van alles. Ze sloven zich uit. Man, man, man, ze gaan elk stukje kruis en munt gaan ze wegen en elk kannetje en elk schoteltje wordt gewassen en je mag niet verder lopen dan zoveel meter. Je mag dit en je mag dat niet. Je mag niet op de liftknop drukken. Je mag niet… Je mag helemaal niets! Ze hebben wel ijver, maar niet met verstand. Zal ik het anders zeggen? Het Bloed van het nieuwe verbond ontbreekt…. En daarover gaat het hier. En daarom is dit hoofdstuk zo moeilijk. Wat Paulus probeert duidelijk te maken is dat er op aarde altijd een getuigenis van onze Here zal zijn. Of dat een groot getuigenis zal zijn, of het een opwekking zal gaan geven of niet, laat dat maar los. Maar in elk geval, in jouw hart, kan er vanavond een opwekking beginnen! Dat kan in elk geval. Of dat zich helemaal gaat uitbreiden over heel Veenendaal, of over heel de provincie Utrecht, dat weet ik niet. Maar dat die opwekking in mijn hart kan beginnen, dat staat voor mij als een paal boven water. En de vraag is: Hoe dan Here? Nou, het antwoord is: Alleen door de Here Jezus! Alleen door het Bloed van het nieuwe verbond! Ik weet dat dit misschien voor de één moeilijker ligt dan voor de ander te begrijpen is. Maar in Paulus zijn bewoordingen zegt hij: Er is altijd al een soort categorie, een hele groep mensen die zegt: “Here God, wij doen ons best hoor! We doen ons best!” Maar het breekt ze steeds bij de handen af. Er is niemand die dit kan! Er is niemand die God kan behagen! Ze missen de heerlijkheid van God, ze komen daaraan tekort! Niemand kan in eigen kracht, niemand kan door eigen inspanning de geweldige zegen van de Here gaan genieten! Dat kan niet! De enige optie is de Here Jezus. En het merkwaardige is dat in dit hoofdstuk ineens gezegd wordt: Weet je, geweldig is het dat er een prediking is! En dat die prediking inderdaad komt door het gehoor – ja natuurlijk, die prediker die preekt – maar dat dit dan te maken heeft met “hoe liefelijk zijn de voeten van hen die een goede boodschap brengen.” Ik wil u geen huiswerk meegeven. Dat doe ik niet zo graag, want dan moet je ook overhoren enzo. Dan moet ik ook een proefwerk gaan houden de volgende keer. Dat wil ik wel, maar ik heb geen rode potloden meer. Die heb ik al zovaak gebruikt in mijn eigen leven dat ze helemaal op zijn, zo vaak gebruikt. De tekst – zou je die willen opslaan – in Jesaja 52. En dan kom ik bij de kern van mijn betoog:
Jesaja 52.
Eigenlijk zou ik het hele hoofdstuk willen lezen.
4] Want zo zegt de Here HERE: Eertijds trok mijn volk naar Egypte om daar als vreemdeling te vertoeven, en Assur heeft het zonder reden onderdrukt.
5] Thans echter, wat vind Ik hier? Luidt het woord des HEREN. Want om niet is mijn volk weggevoerd, zijn overheersers maken getier, luidt het woord des HEREN, en voortdurend, de gehele dag, wordt mijn naam gelasterd.
6] Daarom zal mijn volk te dien dage mijn naam kennen – er komt een tijd, zegt de Here, dat ze Mijn naam zullen kennen – dat Ik het ben, die spreek: Zie, hier ben Ik.
7] Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, daar heb je diezelfde tekst, die tekst van Romeinen 10: Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschapt brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning.
8] Hoor, uw wachters verheffen de stem, zij jubelen tezamen, want met eigen ogen zien zij, hoe de HERE naar Sion wederkeert.
9] Breekt uit in gejuich, jubelt eenparig, puinhopen van Jeruzalem, want de HERE heeft zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost.
10] De HERE heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle einden der aarde zullen zien het heil van onze God.
11] Vertrekt, vertrekt, gaat uit vandaar; Zorg dat je niet in die oorden van goddeloosheid blijft raakt het onreine niet aan, gaat weg uit haar midden, reinigt u, gij die de vaten des HEREN draagt.
12] Want niet overhaast zult gij uittrekken en niet in vlucht heengaan: de HERE immers gaat voor u heen en uw achterhoede is de God van Israël.
13] Zie mijn knecht zal voorspoedig zijn.
Wie gelooft – zegt hoofdstuk 53 – wat wij gehoord hebben?
4] Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen;
Nu stop ik, want u mag het zelf lezen. De Here zegt: Er is altijd een tweedeling geweest! Er is altijd een categorie geweest die denkt in eigen kracht, door eigen inspanning, door eigen initiatief, de zegen van de Here te bereiken! En het breekt bij de handen af! De mensen die in de dagen van de Here Jezus de straten van Jeruzalem bevolkten, waren super vroom! Het droop eraf! Maar ze hadden de Here Jezus niet! Ze hadden Hem weggestuurd, want ze wilden het zelf! En er zijn vandaag horden mensen die vandaag proberen om zelf de zegen van de Here God te bereiken! Vroom leven, ander pak aan, andere hoed op, andere auto misschien – zwarte alstublieft – sorry hoor, het ontvalt mij. Maar er is iets. En we zijn bezig. We zijn maar bezig. “Nee!” zegt de Here, “Stop nu eens!” Je moet eens luisteren! En je moet uit die sferen komen van dit moet, van: raakt niet en smaakt niet en roer niet aan! Is dat een prediking van losbandigheid? Maak lol, doe waar je zin hebt, maakt niet uit wat je doet! Ga overal naartoe, waar je nooit mocht komen! Is dat zo? Nee, want je wilt de Here Jezus dienen, je wilt Hem zo graag dienen! Maar je moet er van overtuigt raken, dat je het niet kunt. Dat er niets in ons is, in staat om Hem te behagen, om die zegen van de Here te krijgen. Niets, geen millimeter in jou kan die zegen van de Here bereiken. Niks. Ezau dacht dat. Nee dus. Ismaël dacht dat. Nee dus. Altijd is er zo’n categorie die alles op alles zet om dit bereiken via eigen inspanning. Gij zijt rijk en verrijkt, hebt aan geen ding gebrek, maar de Heer is er niet. Of – wat mij betreft – Sardus: gij hebt de naam dat gij leeft, maar gij zijt dood. De orthodoxie druipt eraf, maar het Leven is er niet! En waarom is het Leven er niet? Omdat je zelf bezig bent! Stop nu eens met zélf te doen! Ik zou bijna een anti-campagne tegen Gamma en Praxis gaan houden: Hou op met dat “doe het zelf” gedoe! Maar ja, dat past niet. U moet morgen dat deurtje afmaken misschien. Maar je begrijpt het toch? Stop dan eens! Stop! En zeg: “Here Jezus, ik kan het niet! Maar U hebt het Bloed van het nieuwe verbond gegeven! En het nieuwe verbond is niet dat ik wat moet doen, het nieuwe verbond is, dat U het gedaan hebt! Dat U alles volbracht hebt! Dat U tot op de bodem gegaan bent en dat dit Land van Ooit bereikbaar is en dat het nooit failliet gaat! Dat we daar zullen komen waar U bent, dat is niet mijn verdienste, dat is Uw verdienste! Here Jezus, dank U wel. Dank U voor de prediking! Paulus zegt: “Zo predik ik, dat is mijn Evangelie”. Dank U voor die Blijde Boodschap! Dank U voor die vreugde olie. Hoe liefelijk zijn de boodschappers…” En als u morgen weer een boodschap hoort van: “Je moet dit en je moet dat”. Dan moet je eigenlijk eens zeggen: “Stop daarmee.” Eigenlijk moet je zeggen: “Ik moet helemaal niets, alles ís volbracht.” Betekent dit een vrijbrief voor een losbandig leven? Ik weet, dat krijg je altijd om je oren geslingerd. Dat heb ik duizend keer gehoord: “Dato zegt dat je alles mag, het maakt niet uit wat je doet!” Het maakt wél wat uit wat je doet. Want je hart is anders. Je zegt: “Here Jezus, ik wil zo graag zijn waar U bent! En als U niet daar bent, dan wil ik daar ook niet zijn! Niet omdat ik daar niet mág komen, maar omdat U daar niet bent!” Dat is een hele andere insteek. Dat is écht een andere insteek. Dit is geen lijstje! Voor de één kan de computer een gevaar zijn en voor de ander is het een zegen. Dat is toch zo? De boekdrukkunst uitgevonden. Dat is een gewéldige zegen vroeger! Man, wat hebben we de Here gedankt dat er Bijbels waren die werden gedrukt in onze taal! De uitvinding van de boekdrukkunst, geweldig! Dé uitvinding van toen! En of dat nu Laurens Janszoon Koster is geweest of iemand anders, ik weet het niet, maar we hebben ook een Nederlander die dát gedaan heeft. Maar in Duitsland hebben ze iemand anders. Maar het is toch een zegen? En toen dacht de duivel: Nou, dan kan ik ook porno laten drukken. Zie je wel? Het prachtige waar we dankbaar gebruik van maken is onmiddellijk een werktuig in de handen van de duivel. Is een cd-tje niet een geweldig iets? Ja, als je het voor de Here gebruikt wel. En een DVD-tje? En een filmpje? En een computer? Alles. U mag invullen. Maar we moeten ermee ophouden. En we moeten elkaar nu eens gaan zeggen: “Het is alleen door het geloof in de Here Jezus dat we gaan genieten. Hoe kun je nu vandaag getuigenis van God op aarde zijn? Door je uiterste, uiterste inspanning te tonen? Ik kén die heiligingsbewegingen! Ik heb me er middenin gewurmd. En ik weet wat ze zeggen, zondag aan zondag. Niet voor de raampjes van C&A gaan staan en denken: “Dat jurkje zou ik ook wel willen hebben”, dat is zonde, foute boel! Echt hoor, dit soort voorbeelden staan in hun analen. En een ander zegt: “Ja, die auto, nee, geen nieuwe auto kopen, gewoon een tweedehands. ” Wel zo duur mogelijk natuurlijk, maar dat mag. Altijd bezig zijn met: Nee… nee… nee… En ze zeggen elkaar dan ook: “Je bent zo’n heerlijke broeder, heerlijke zuster” Dat is taal uit hun kring. Je mag elkaar niet een aai over de bol geven, maar je mag elkaar wel drie taarten brengen op zaterdag. Doen ze. Nou, dat leek me ideaal, en ik wilde daar wel graag aan meedoen. Ik bedoel… ontvangen. En ze konden elkaar de auto wassen. Maar dat lost ook niets op, want je moet de andere auto ook wassen dus dat heeft ook geen zin. Maar waarom zeg ik dit? Even iets gas terugnemen. Ze zijn bezig, ze zijn bezig! Ze hebben een ijver, maar niet met verstand. Daar is de Here niet. Dat probleem snijdt Paulus aan. Daarom haakt Israël af. Daarom zijn er maar een paar. En die paar die horen samen bij die, die de Here Jezus hebben aangenomen en die nu bij de Gemeente horen. Als getuigenis van God op aarde, horen ze nu bij elkaar. Ik zeg niet dat ze niet hetzelfde zijn – dat is de moeilijkheid van deze brief – maar ze horen als getuigenis bij elkaar. Daarom kan Paulus samen met Silas verder. Daarom kan Paulus samen met Timotheüs verder. Daarom kan Paulus samen met Gallatië – een heidense provincie – verder. Daarom. En wat zeggen ze? Het is alleen door die vreugde, vreugdebode. Die vreugdebode, dat kan natuurlijk iemand zijn van ons. We kunnen als een vreugdebode hier in de omgeving van Veenendaal en omstreken weggestuurd worden. Jesaja 52 maakt dat heel mooi hoor. Die zegt: “Geweldig he, die vreugdebode! Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode die vreugde aankondigt.” En in Jesaja 53 is dat Het Lam Gods. Dat gaat in één adem door. En ineens is dat de Here Jezus! Dat loopt zo door! Wie is dan die vreugdebode? Wie is dan degene die vrede aankondigt? Ja, dat is die Knecht des Heren die naar de slachtbank gaat. En dan hoort u de Here Jezus zeggen: “Dit is het bloed van het nieuwe verbond. Dit is nu precies wat Ik geef.” Een hele nieuwe basis. Niet jullie werk, maar Mijn werk. Dit is zo’n zegen mijn broeder en zuster! Dis is zo’n rust in je hart! Dat je niet meer hóéft. Hèhè, eindelijk! Allemaal een luxe stoel, het liefst met een uitklapbaar voetenbankje. Ja, u krijgt hem in de hemel, maakt u zich niet ongerust, dat komt vast goed. Betekent dit gewoon niets doen? Nou, als het om ons behoud gaan, niets doen, want Hij heeft het gedaan. Als het om echt werk voor Hem gaat, Hij heeft het gedaan. Ik heb nog niets zoveel geleerd van allerlei probleempjes in je lijf, misschien moet dat nog komen. Maar één ding is al duidelijk: Niet jouw kracht Dato, maar Ik doe het. Dat moest Paulus leren: Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. En Zacharia moest dat leren, is ook uiteindelijk omgekomen tussen het altaar en het tempelhuis. Niet door kracht niet door geweld, maar door Mijn Geest, spreekt de Here. Zouden wij vanavond nou zover kunnen komen en kunnen zeggen: “We stoppen eens met alles wat wij zouden moeten doen.” Ik móét stille tijd houden.” Nou, dat klinkt de één als muziek in de oren, dat hoeft dus niet meer. Nee, ik móét dat niet meer, ik hoef dat niet meer. Om een kind van God te zijn, hoef je niets te verrichten, alles is volbracht. Geloof je dat? Nou even heel eerlijk: geloof je dat? Hou vast! En om een getuige voor de Here Jezus te zijn, zou je dat dan wel kunnen? Zou je dat dan na je bekering wel kunnen? Ook niet. En daar worden we eindeloos op afgerekend, iedere keer opnieuw. Wat zou het geweldig zijn, als je nu, vanavond zou zeggen: “Dank U wel, Here Jezus, dat hebt U tegen mij willen zeggen: “Wees maar blij met Mij en blijf maar heel dicht bij Mij”.” Is dat dan een losbandig leven? Nee – dat probeerde ik al aan te geven – want Hij is niet losbandig. En als je heel dicht bij Hem bent, ben je niet in een losbandig leven verzeilt. Dat kan niet, dat bestaat niet. Dat bestaat echt niet. Als je dat verlangt, is het leven in jou waarschijnlijk van jezelf nog steeds. Maar als daar het leven van God is, is dat niet zo. Ik zeg niet dat het makkelijke stukjes zijn. Dat zijn het niet. Maar ik ga u wel zeggen dat het zo geweldig gaaf en zo bijzonder is, dat de Here je nu bij Zich wil hebben. En samen met jou hier op aarde een getuigenis wil zijn. En niet jouw werk, maar Zijn werk. De discipelen moesten dat leren, konden niet die schare zegenen en van spijze voorzien. Konden ze dat niet? “Wat hebben jullie?” “Ja, vijf broodjes, maar ja, dat stelt natuurlijk niets voor, voor zoveel mensen.” In de handen van Hem is het een wonder. Maar wat zouden die drie teksten van jou kunnen zijn, of die vier uur die jij kunt besteden, of die vijf dagen misschien die jij overhebt per jaar, wat zou dat dan voor de Here, voor jou kunnen betekenen? Wat is dan zoiets kleins voor zovelen. In onze handen inderdaad niets. Maar in de handen van de Here is het een wonder, wordt het een wonder. Gaat de Here er iets mee doen. Zie je hoe mooi dit is? Dit is niet een kwestie van: God schrijft af! God wil niet dat er één verloren gaat. God zegt: “Ik ben lankmoedig geweest.” En in het boek Job staat dat de Here dat altijd tweemaal, driemaal met ieder mens doet: zijn ziel van de groeve te redden. Tweemaal, driemaal. Niemand kan zeggen: “Ik heb geen kans gehad. God heeft mij gehaat bij voorbaat.” Dat is niet waar. Dat is absoluut niet waar. Maar als jij denkt in eigen kracht en naar eigen inspanning God te behagen, dan breekt het je bij de handen af. Daarvan zegt de Here God: “Daar kan Ik niet in meegaan.” Ben je niet blij met de Here Jezus? Ben je niet blij met die Vreugdebode die Vrede aankondigt? Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode die Goede Boodschap brengt, die Heil verkondigt! Die tot Sion spreekt: “Uw God is Koning, hoor!” Geweldige toekomst! Dát zal in de toekomst precies de basis zijn. Dan komt de Here Jezus. En dan zeggen zij: “Here God, we hebben niets gedaan. We kunnen ook niets doen. En in de toekomst hoeven we ook niets te doen, want U bent er.” De Here Jezus, de Here Jezus. Hij is alles voor me, alles voor jou. Dat is de zegen, dat is de geweldige blijdschap. En die blijdschap mag je meenemen, mag je de hele week laten resoneren in je hart en in je denken. Dan zeg je: “Here Jezus, ik hoef helemaal niets.” “Hij, in wie God Zelf kan rusten” – zegt een lied in Johannes de Heer – “is het rustpunt ook voor mij.” Als God in Zijn werk kan rusten, dan kan ik er ook rusten. Daar vind ik rust. Daar vind ik stilte. Dat is de kracht. Dank U wel Here Jezus. Dank U wel dat U zó dichtbij komt en zó Uzelf wilt openbaren. Amen.
“Onze God, onze Vader, we willen U hartelijk danken dat we Romeinen 9 en 10 mochten bekijken. En ook al zitten er moeilijke stukken in, we willen U danken dat de Heilige Geest in ons is, die ons ook die moeilijke stukken wil duidelijk maken. Maar we willen U ook danken dat de totale lijn duidelijk is. Dat U, ja dat U mensen die in eigen kracht, in het vlees of door het vlees U trachten te behagen, dat U ze afwijst. Dat U er niets mee kunt. Nog sterker, dat U dat zelfs haat. Mensen die categorisch “nee” zeggen krijgen misschien een stuk verharding zoals dat bij Faraö is gebeurd. Die alleen maar “nee” zei, “nee” zei, “nee” zei, en voor de zoveelste keer, weer “nee” zei. Zijn hart is verhard geworden. Maar als we hier zitten met vragen maar ook met een diep verlangen om die Vrede van U, ook die Goede Boodschap, ook het Heil van de Here Jezus te genieten, dit ook uit te dragen… We willen stoppen met wat we zelf kunnen. Wat wij zouden moeten. En we willen aan Uw voeten zitten Here, en we willen tegen U zeggen: “Here Jezus, ik kan het niet. Ik heb het misschien duizend keer geprobeerd om het te veranderen, om misschien tot zegen te zijn voor de buurman en het brak me bij de handen af. Ik kan het niet. Maar U wilt het doen. En U gaat het doen. Want U bent de Vreugdebode, U bent die Heilbrenger, U bent degene die Heil en Genade brengt en U bent die echte Knecht des Heren die naar de slachtbank ging, die naar het kruis ging om Uzelf te geven, Here Jezus. Ik wil U danken voor wie U bent. Ik wil U danken voor Uw Woord. Ik wil U danken voor Uw Heilige Geest. Ik wil U danken voor wat U vanavond in onze harten wilt leggen. Glorie voor Uzelf. Amen.”