Romeinen 1 : 8 – 23

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

2. Uit geloof tot geloof

Bijbellezing over de brief van Paulus aan de Romeinen,
door Dato Steenhuis, 28 januari 2007
Romeinen 1 vers 8 – 23
We gaan iets lezen uit de brief die Paulus ooit schreef aan een gemeente in Europa. In het Romeinse Rijk. We zijn de vorige keer schoorvoetend begonnen en zijn gekomen tot en met vers 7. We gaan nu vers 8 tot en met vers 23 lezen.
8] In de eerste plaats dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, omdat in de gehele wereld van uw geloof gesproken wordt.
9] Want God, die ik met mijn geest dien in het evangelie van zijn Zoon, is mijn getuige, hoe ik onophoudelijk te allen tijde bij mijn gebeden uwer gedenk,
10] biddende, of mij eindelijk door de wil van God eens een weg gebaand moge worden om tot u te komen.
11] Want ik verlang u te zien om u enige geestelijke gave mede te delen tot uw versterking,
12] dat is te zeggen: onder u mede bemoedigd te worden door elkanders geloof, van u zowel als van mij.
13] Doch ik stel er prijs op, broeders en zusters
(er staat natuurlijk broeders, maar dat is een woord wat broeders en zusters betekent) dat gij weet, dat ik dikwijls het voornemen heb opgevat tot u te komen – waarin ik tot nu toe verhinderd ben – om ook onder u enige vrucht te hebben, evenals onder de andere heidenen.
14] Van Grieken en niet-Grieken, van wijzen en onwetenden ben ik een schuldenaar.
15] Vandaar mijn bereidheid om ook u te Rome het evangelie te brengen.
16] Want ik schaam mij het evangelie niet; wan het is een kracht Gods
(of een andere vertaling heeft:) het is Gods kracht tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek.
17] Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven.
18] Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden,
19] daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard.
20] Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben.
21] Immers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen, en het is duister geworden in hun onverstandig hart.
22] Bewerende wijs te zijn,
23] zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door het geen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren.
Paulus schrijft dus aan een gemeente in Europa. Dat is de insteek voor deze avonden; we willen zo graag de profetische boodschap, wij die vandaag leven in Europa, in het Romeinse Rijk – als ik dat zo eens mag vertalen – dat wij vandaag gaan snappen, gaan begrijpen, welke boodschap de Here voor ons heeft. En ik denk dat dit een hele belangrijke is. Paulus zegt dat hij een bedienaar is, een dienstknecht is van Christus, die dankt voor de gelovigen die al in Rome waren. Ik zei het al de vorige keer dat dit niet gebeurd is door wat hij heeft gedaan, maar dat dit waarschijnlijk heeft te maken met wat er in het huis van Cornelius is gebeurd – Handelingen 10. Daar zijn mensen geweest van de zogenaamde Italiaanse bende; die hebben de Here Jezus leren kennen doordat Petrus daar mocht komen en daar mocht vertellen van de Here Jezus. En zij zijn weer terug gegaan, naar huis teruggekeerd na een bepaalde tijd. En zij hebben daar dit geweldige nieuws ook in Rome laten zien; en daar is een gemeente ontstaan. Die gemeente heeft zelfs een getuigenis over wat hier staat “de gehele wereld” gekregen, dat is dus het toenmalige bestuurlijke centrum, dat is verder gegaan, dat is uitgewaaierd, dat is verbreid geworden: hun geloof is daar besproken. Paulus zegt: “Ik heb heel graag al eerder willen komen, en ik wilde jullie ook heel graag het evangelie meedelen.” Evangelie is hier dus nadrukkelijk niet: dan kunnen jullie toch tot bekering komen eindelijk; dat waren ze immers al, ze geloofden al en kenden de Here Jezus al. Het evangelie is hier dus niet zozeer een evangelisatiedienst maar het is een blijde boodschap of – zoals ik de vorige keer probeerde uit te leggen – dat Evangelie van God aangaande Zijn Zoon. En dat gaat veel verder dan iemand oproepen om tot bekering te komen. Het Evangelie van God aangaande Zijn Zoon. Een “Blijde Boodschap”, want dat betekent dat woord. Evangelie, blijde boodschap van God, waarin de Here Jezus het centrum is. Niet alleen om tot bekering te komen – komt ook wel, komt ook vanavond nog terug – maar vooral dat het Gods plan is geweest om de Here Jezus de Eerstgeborene te doen zijn onder vele broederen – Romeinen 8 vers 29 en verder. Dat Evangelie van God aangaande Zijn Zoon, mocht Paulus uitdragen. Dat is die wijsheid, die bijzondere bediening, van een mysterie, van een verborgenheid waarvan hij mocht vertellen. Dat was hem geopenbaard en hij mocht het zeggen, hij mocht het doorgeven en hij deed dat ook. Dat noemde hij: “Ik wil ook jullie graag dat evangelie uitleggen.” Dus eerder bijbeluitleg, als ik dat zo zeggen mag, bijbelstudie dan een oproep tot bekering. Dat komt ook, maar vooral dat de gelovigen daar – ze waren al gelovig staat hier, “broeders en zusters” – dat die gelovigen iets meer zouden gaan snappen van het geweldige raadsbesluit van de Vader en de Zoon, om de Here Jezus het centrum, het middelpunt van die plannen van God te laten zijn. Enfin, dat krijgen we nog vele keren iets over, maar dat is dat Evangelie van God. En dat evangelie wilde hij graag in Rome gaan brengen. Maar, verhinderd. Iedere keer nog tegen gehouden, het kon niet doorgaan. Maar hij wilde hen in elk geval laten weten dat hij voor hen bad en dat hij dankbaar was voor hun getuigenis en dat hij zichzelf niet opofferde als hij bij hen kwam, maar dat hij een schuldenaar was, dat het een verplichting was, een door de Here opgelegde taak was als hij daar heen ging. Dus je hoeft je niet te verontschuldigen van: “Doe geen moeite, het is allemaal zo ver en het is zo moeilijk met de route enzo”, niets van die aard. Het omgekeerde; Paulus zegt: “Ik ben een schuldenaar, dit is een opdracht van de Here; wee mij als ik het niet doe! En ik mag ook jullie dat geweldige, blijde, dat inhoudsvolle gaan vertellen van de Here Jezus, die het centrum is van Gods plannen en van Gods gedachten.” Wij houden meestal op bij evangelieprediking: “Jij kunt omdat je schuldig bent en zondig bent, van je schuld en van je zonde verlost worden. En je kunt de Here Jezus leren kennen als je Heiland en als je Verlosser. En dan ben je vrij, heb je eeuwig leven en dan zit het goed; dan ga je naar de hemel. Super, super!” Amen, elke dag voor danken alsjeblieft, vergeet dat nooit! Maar dat is niet het evangelie waar hij het hier over heeft. Dus er zit een beetje verschil in evangelieprediking. Bovendien – en dat zei ik de vorige keer ook – zijn er in elk geval drie duidingen van het evangelie: het “Eeuwig Evangelie” (kom ik vanavond ook op terug) het “Evangelie van het Koninkrijk” en het “Evangelie van God aangaande Zijn Zoon”. Het Evangelie van het Koninkrijk is gepredikt door Johannes de Doper en zal weer worden gepredikt als de Gemeente is opgenomen, als het Evangelie van God aangaande Zijn Zoon z’n volheid, z’n compleetheid bereikt heeft en dit gezelschap (het Evangelie van God aangaande Zijn Zoon), dit gezelschap rondom de Here Jezus zal zijn, dan gaat op aarde de prediking van het evangelie verder. Hoe? Is dat hetzelfde? Nee, niet meer hetzelfde, dan zal het Evangelie van het Koninkrijk gepredikt worden: “De Koning komt! De Koning komt! Bereid je! De Koning komt!” Dat zei Johannes de Doper: “Maak je gereed om Hem te ontmoeten, zorg ervoor dat je in orde bent, dat het goed is met je!” Dat evangelie wordt ook in de toekomst weer verkondigd. Want als Hij komt, onze Here Jezus, hier op aarde, begint Zijn rijk, Zijn glorie, Zijn koningschap. De Here Jezus is daar ook het centrum. Nu ons stukje. Je voelt, dat eerste stukje van vers 8 tot en met vers 15, is een verdere inleiding op deze brief en eigenlijk begint hij in vers 16 met het feitelijke onderwerp. En dat is dat hij zich dat evangelie niet schaamt. Nou, dat is helder, want hij zegt: “Ik ben een schuldenaar, ik móét het ook doen, maar ik schaam me er ook niet voor! Ik wil het ook graag. Het is me opgelegd en ik wil zo heel graag vertellen van die rijkdommen die God voorzien heeft voor mensen.” Natuurlijk komt dan iedere keer de vraag: Heb jij zelf een keuze gemaakt voor de Here Jezus? Want we kunnen wel doorgaan met het Evangelie van God aangaande Zijn Zoon, en het hebben over wat er met de Here Jezus gaat gebeuren in de toekomst, maar als je de Here Jezus niet kent als je Heiland en als je Verlosser, dan sta je er echt helemaal buiten! We moeten dus ernst maken met de boodschap; ook met de oproep om vandaag zekerheid te hebben over de toekomst. De reclame voor beleggingen – ik heb dat vaker geventileerd – gaat altijd gepaard met een soort zin van: “In het verleden behaalde resultaat is geen garantie voor de toekomst.” Nou, ik weet inmiddels wat dat betekent. We hadden nooit geld en toen we het huis verkochten is er een beetje belegt, dat ging gelijk fout. Dus: in het verleden behaald resultaat is geen garantie voor de toekomst. Die kreet kent u, staat waarschijnlijk ook nog in alle bijsluiters; verplichte informatie. Maar in het verleden behaald resultaat, door onze Here Jezus, is wél garantie voor de toekomst! Dat is het geweldige en het blijde van het evangelie! De Here Jezus! Je moet de Here Jezus leren kennen, en als je Hem kent, héb je garantie voor de toekomst! “Wie de Zoon heeft, heeft het Leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het Leven niet.” Zo helder wordt het gezegd in de bijbel. Ik hoop van harte dat iedereen hier de Here Jezus heeft leren kennen als Heiland en als Verlosser; en dat iedereen hier weet: mijn schuld is weg, mijn zonden zijn vergeven. En door het geloof in Hem, in onze Here Jezus, heb ik Leven, Leven uit God en Leven in eeuwigheid, eeuwig leven! Nog preciezer: 1 Johannes maakt duidelijk dat de Here Jezus Zelf ons leven ís, Hij ís dat Eeuwige Leven! Hij, de Here Jezus. Je mag Hem leren kennen en je mag Hem kennen als je Heiland en als je Verlosser. Maar voor jou wordt dan gezegd dat dit evangelie een kracht Gods is, tot behoudenis voor een ieder die gelooft. Dat evangelie… in onze vertaling staat “een kracht Gods”. Ik heb zopas al tussen de regels door gezegd dat een andere vertaling het heeft over “Gods kracht”. Dus niet een kracht, maar dat het Gods kracht is, tot behoudenis. Bij een, zou je nog kunnen denken: “Dat is één van de opties, één van de mogelijkheden.” Maar dat is niet de insteek. Het is Gods kracht tot behoudenis. En ik hoop ook écht dat je dat gaat ervaren of hebt ervaren; dat het evangelie Gods kracht tot behoudenis is. Maar dat wordt uitgewerkt. Voor een ieder die gelooft. Voor de Jood, want daar is het begonnen, daar is het voor het eerst uit de doeken gedaan. Maar ook voor de Griek. En dat is de taal voor: het is voor de Jood, maar ook voor Nederlanders, voor de heiden. Sorry dat ik u nu heidenen noem, maar van origine waren wij zonder God en zonder iets in deze wereld. Heidenen, volkeren, zo worden we aangesproken. Nu, soms wordt dat met het woordje “Griek” gezegd, soms ook met “volkeren” of soms ook met “heidenen”, dat is soms heel verschillend. Maar in elk geval, dat evangelie, Gods kracht tot behoudenis voor een ieder die gelooft, was dus voor de Jood de prediking en is ook voor de Griek. En nu komt die hele moeilijke zin van vers 17: “Want gerechtigheid Gods, wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: de rechtvaardige zal uit het geloof leven.” Nu, je kent die tekst misschien uit je hoofd omdat je heel vaak de brief aan de Romeinen gelezen hebt. Maar als je elkaar zou vragen: “Wat betekent dat nu, vers 17? Hoe leg je dat nu uit?” Gerechtigheid van God. Ja, de meesten gaan direct door naar Romeinen 5 vers 1 en zeggen dan: “Wij dan, gerechtvaardigd, hebben vrede met God.” Maar dat is niet wat hier staat. Daar gaat het hier niet over. Natuurlijk is dat waar, Romeinen 5 vers 1, dat wij rechtens vrij zijn van de zonde; gerechtvaardigd zijn, betekent, niet een klein beetje vrij zijn, maar rechtens vrij zijn van de zonde! God kan niets maar dan ook niets meer tegen ons inbrengen. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? Wie kan oordelen? Wie kan er iets zeggen? We zijn rechtens vrij van de zonde! Nou ja, we kunnen misschien zeggen: “Ja, door gebrek aan bewijs, of door justitiële dwalingen, of miskleunen.” Je ziet wel eens iemand of hoort van iemand die is weer losgelaten en hij kan niet meer gepakt worden; ja, het is gebeurd, maar het is nog steeds een potentiële… nou ja, vul maar in wat hij dan uitgespookt zou hebben en dat blijft dan, dat etiket blijft erop hangen. Maar ja, het hele justitiële apparaat kan niets meer doen want hij is vrijgesproken. Maar dat is niet de insteek in de bijbel. Er is niet een gerechtelijke dwaling geweest waardoor jij ineens “he, he, daar kom ik even goed vanaf! Het is maar goed dat ze het niet allemaal doorhadden dat er gewoon een schrijffout is gemaakt of een stukje vergeten is in de aanklacht niet is meegenomen.” Het wordt duidelijk uit deze brief, dat God zo niet werkt. Nog preciezer: Gerechtigheid van God: Zijn éigen gerechtigheid. Gerechtigheid van God Zelf. Het is niet dat wij gerechtvaardigd zijn voor God, dat God: “Ja Ik had je eigenlijk wel veroordeeld willen hebben, maar Ik kan er ook niets meer aan doen, want je bent nu eenmaal vrijgesproken” Zó is het niet! Maar hier wordt gezegd dat Gods eigen gerechtigheid, dat wat typisch is voor God, wat misschien wel kenmerkend is voor Hem, die gerechtigheid, gerechtigheid van God Zelf, wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof. En het is heel belangrijk. “Uit geloof tot geloof” dat is ook al een heel moeilijke zin hoor, daar moet je misschien ook wel heel lang over nadenken. Het heeft te maken met “op grond van geloof” en het richt zich tot allen die gelooft hebben. Dus op grond van geloof, uit geloof, zich richtend tot allen die geloofd hebben. Nog een tekst, als u even omslaat: Romeinen 3 vers 21, 22: Gerechtigheid van God – vers 22 uit hoofdstuk 3, maar misschien is het goed om vers 21 erbij te lezen nu alvast:
21] Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid van God openbaar geworden,
(Dat is bijna dezelfde uitdrukking als in Romeinen 1 vers 17) waarvan de wet en de profeten getuigen,
22] en wel gerechtigheid Gods, door het geloof in de Here Jezus [Jezus] Christus, voor allen, die geloven,
Het heeft dus deze inhoud: Het is geen gerechtigheid van God op grond van werken, het is niet op grond van de wet, maar het is op grond van geloof! En voor wie geldt dat dan? Voor iedereen die gelooft. Even een moeilijke zin, maar: “uit geloof (op grond van dat geloof) tot geloof”. God bedoelt hier te zeggen dat de gerechtigheid van Hemzelf beschikbaar is voor allen die geloven; en dat kan alleen maar op grond ván geloof. Niet op grond van de teksten die u uit uw hoofd kent, ook niet op grond van uw vrome houding – dat komt allemaal nog aan de orde – niet op grond van het zwarte pak of het grijze pak. Het komt écht naar voren; in deze brief wordt gezegd: “Wij dan gerechtvaardig door het geloof hebben vrede met God”. Maar hier, heel compact: gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard, op grond van geloof. Dus niet op grond van werken, op grond van houden van de wet, op grond van inspanning; van “en nu moet ik, links lopen, rechts lopen, dan moet ik dit nog en dat nog, ik moet zó leven!” Niet te gauw zeggen: “Dat doet er allemaal niet toe”, want dat doet er wél toe! Maar dat is Romeinen 12,13,14 enz. Dat doet er wel toe. Maar de basis van dat Evangelie van God aangaande Zijn Zoon, is op grond van geloof, niet op grond van werken. En bedoeld voor iedereen die dit ook gelovig aanneemt, die dit ook gelovig accepteert. En ik hoop dat je dit laatste gedaan hebt. Op grond van geloof tot geloof. Gelijk geschreven staat: de rechtvaardige zal uit geloof leven. Die aanhaling uit het boek Habakuk – ik weet niet of u het boek Habakuk kent, waarschijnlijk wel, want u leest alle boeken. Ik wist vroeger alleen maar een grapje over Habakuk, maar goed; dat grapje zal nog wel steeds de ronde doen. Ik hoor het u zeggen, ik zie het ook gebeuren, ja, ja, nou, het is allemaal goed gekomen. Maar Habakuk heeft een enorme strijd gekend, dat weet u misschien: “Here God, hoe kúnt U, hoe kúnt U in die hemel zien dat wij hier in de narigheid zitten! Alles is onrust, alles is oorlog, alles is op z’n kop gezet, het is allemaal wanorde. Hoe kúnt U…?” Nou, hij snapt het niet. En dat is een strijd, een moeilijke strijd die we vandaag misschien ook kennen. Als je denkt aan de dingen die om ons heen gebeuren; aan de verschrikkingen links en rechts, dan denk je: “Here God, ziet U het dan niet? Bent U er nog? Kunt U daar gewoon mee uit de voeten? Is dit allemaal mogelijk vandaag?” Habakuk zat daarmee. En hij heeft uiteindelijk van de Here een plekje gekregen van: “Habakuk, ga nu eens op je wachttoren staan…” en staande op die wachttoren mag hij die wonderlijke dingen zeggen: “De rechtvaardige zal uit geloof leven.” Dat betekent daar, dat de Here door hem laat zeggen: “Ook als is een en al wanorde troef, ook al is álles gewoon één complete chaos, tóch zal de aarde vol zijn van de Kennis van de Here; er komt een moment, zoals wateren de bodem van de zee bedekken, zó zal de aarde vol zijn van de glorie van God en van de kennis van de Here.” Hij zag het niet, maar de rechtvaardige mag uit zijn geloof leven. Dit mag je geloven. Dit mag je, dit mag je aanpakken. Dit mag je gelovend belijden. Dat is een mooie tekst. Het eind van Habakuk is dan ook: “Al zou de vijgenboom niet bloeien, al zal er geen rund in de stallingen zijn, al zal de wijnstok niets doen en de vijgenboom geen vrucht geven… nochtans, ja nochtans zal ik juichen!” Zie je wel, dan is hij er doorheen, dan mag hij zeggen: “het is nog niet zo ver, Veenendaal is nog niet helemaal bekeerd, maar dat komt wel!” Zo ongeveer zou je dat mogen zeggen. Nou, het gaat misschien een beetje te ver wat ik nu zeg, maar zo ongeveer is de insteek. Je kunt je aan de chaos gaan spiegelen en aan de wanorde gaan optrekken, misschien zeg je: “Here God, dit loopt U helemaal uit de hand, dit gaat helemaal fout”. Nochtans, ja nochtans…Die tekst wordt hier gebruikt. Die tekst uit Habakuk wordt 3 keer gebruikt in het Nieuwe Testament. Één keer in Romeinen 1, één keer in Galaten 3 en één keer in Hebreeën 10. Misschien hebt u nog een bijbel waar het onder staat, dan hoef je niets op te schrijven, dan kun je het gewoon lezen. De verwijsteksten, die zijn heel belangrijk. En de insteek is wel eens wat verschillend. In Hebreeën 10, ja, dat zou die kennis des Heren, hét (weet je wel: hier staat: “hét zal komen”). Maar in Hebreeën 10 is het niet “het” – iets nog vaags – maar “Híj”! Dan krijgt dat woordje “het” ineens een naam, dan is het de Here Jezus Zelf! Hij komt! Hij komt en zoals wateren de bodem van de zee bedekken, zo zal de Here Jezus in Zijn glorie en in Zijn heerlijkheid álles vullen. Hij zal het doen. En de rechtvaardige zal uit zijn geloof leven: “Ja, Here Jezus, dit gaat gebeuren.” Nou, dat zijn geweldige dingen voor je eigen hart; dat de Here Jezus alles zal zijn, dat Hij het centrum is, dat Hij ook op aarde eerbied krijgt, dat iedereen knielt voor Hem, dat elke tong belijdt dat Hij de Here is. Hij komt! En Hij zal álles vullen. Hij, alles vullend aanwezig. Zoals wateren de bodem van de zee bedekken, zo zal de aarde vol zijn de kennis van de Here. En de rechtvaardige zal uit zijn geloof leven. Heb je dat? Goed zo. Maar hier gaat het niet over zo’n uitdrukking. Het gaat er hierom – en zo wordt de tekst in Galaten 3 gebruikt en ook in Romeinen 1 gebruikt – de gelovige zal uit zijn geloof leven. Niet uit werken, niet uit inspanning, maar geloven. Gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof. Dat wat kenmerkend is voor de Here God Zelf: gerechtigheid. Misschien te koppelen aan Jeremia 23 waar die naam JAHWEH gekoppeld wordt aan gerechtigheid: De HERE onze Gerechtigheid. Niet helemaal zeker voor mij, maar wel die kant op. Dat de kenmerkende dingen van de Here, bijzondere eigenschappen van de Here: gerechtigheid. En God ís niet te vermurwen. God ís niet om te kopen. Je kúnt de Here – laat ik maar zeggen – met een geschenk op een andere gedachte brengen, dat is ondenkbaar. De Here is gerechtigheid, récht. Hij is Dezelfde, de Onkreukbare, de absoluut Unieke. De Here, glorierijke. En die glorie van God wordt zichtbaar. Dat bijzondere kenmerk van God wordt zichtbaar. Hoe? Nou, uit geloof tot geloof. Nou, toen ik dat begreep was ik heel erg blij, want ík hoef het dus niet te doen. Dat is geen vrijbrief voor losbandig gedrag. Dat zou je dan, als je dit zegt in een wat zwaardere kring, onmiddellijk tegen je horen getuigen. “Ja, nou, mooi geloof is dat, dan mag je dus doen wat je wilt, het maakt allemaal niets uit; want uit geloof tot geloof, het is niet op grond van werken, maar op grond van geloof dan; dat is mooi, dank u wel voor die nieuwe basis, dank u wel voor dit nieuwe uitgangspunt, enne voor ieder… ja ik geloof dat ook! En daarna ga je gewoon door met je oude leven…” Nou, dat wordt ook duidelijk in dit stuk! Maar hier staat het heel compact in de aanhef nog, heel compact “uit geloof tot geloof”. Want de rechtvaardige zal uit zijn geloof leven en niet op grond van inspanning. Word je daar niet geweldig blij van dat je niets meer hoeft? Ik vond het zo geweldig toen ik dat ontdekte. Is de wet dan ineens voorbij? Nee, de wet is nooit voorbij. Zijn de Tien Woorden van de Here God ineens over? Nee, die zijn nooit over. Gods gedachten zijn eeuwig, zijn onveranderlijk, die blijven. Komt wel. Komt wel. ‘k Verwijs allemaal naar wat allemaal nog komt. Nou ja, het is een soort vorm van klantenbinding weet u wel…U moet wel terug komen. Ik bedoel het niet als een spaarkaartensysteem, want als u nu een zegeltje krijgt, wilt u graag de spaarkaart vol krijgen. Dat bedoel ik niet. Ik wil zo graag zeggen dat die brief, zo compact hier begint, maar een enorme lading heeft voor vandaag, juist voor vandaag! Er zit een hele profetische boodschap in voor de mensen van vandaag. Want die willen, vandaag, weer op grond van eigen inspanning – niet op grond van de wet want die willen ze ook niet – maar op grond van eigen inspanning, van goeddoen. Nou, als je dan met een collectebus voor het Groene Kruis loopt of je bent goed voor je buurvrouw of je neemt hen mee als een taxi, om als taxi te fungeren om haar bij het ziekenhuis af te leveren ofzo. Nou ja, jij verdient dan een beetje de hemel… Ja daar gaat ’t ie… dat is vandaag, dat is heel erg in. En de hele felle die zeggen: “Ja, maar ik wil niet een plekje waar een ander voor betaald heeft, dat wil ik zelf doen, dat wil ik zelf regelen; ik wil mijn eigen plaats gaan verdienen; ik wil m’n eigen inspanning geven. Ik wil niet van genadebrood leven, ik wil het zelf doen.” Heel sterk vandaag. Let maar eens op. Iedereen blaast hoog van de toren en iedereen vindt zichzelf de geweldigste, de sterkste, de mooiste en de beste. Zo is het vandaag. Op grond van geloof, níét van inspanning. Je hoeft niets te doen. En stél nu eens dat je dit vanavond zou meenemen: “Ik hoef niets meer te doen!”. Romeinen 3 zegt: “Door het geloof…” Ja, in de Here Jezus Christus! Ja, dat komt héél helder naar boven, door het geloof, door het geloof. Dat moet je geloven en dat is bedoeld voor wie gelooft! Door het geloof. Daarom is het een kracht Gods tot behoudenis! Geloven, alleen maar geloven! Gelovend ga ik, eigen zwakheid voelend… zou je het durven? Zou je nu vanavond durven zeggen: “Here Jezus, dank U dat U het gedaan hebt, dat U het werk aan het kruis van Golgotha volbracht hebt en dat ik door het geloof in U een kracht Gods heb tot behoudenis! Alleen maar omdat ik geloof.” Het is de weg van het geloof. Dus niet door inspanning van mij of iets van mij, maar het richt zicht tot iedereen die gelooft. Nou, daar mag u geen “kerkgenootschap” meer lezen. Als je maar bij onze club bent… Dan mag u geen formuleringen inleveren, hoe het allemaal precies moet. Nee, niets. Gewoon, hier is het. En eigenlijk is het heel eenvoudig – nog steeds compact de uitwerking komt – maar het is heel eenvoudig maar wel heel belangrijk, dat je in je eigen hart, nu durft te zeggen: “Ik leef, door het geloof.” De rechtvaardige zal op grond van zijn geloof leven. Niet omdat je iets verdient, want wat zouden we kunnen? Als je ouder wordt – ik wil niet de oude man uithangen – maar je komt er achter dat je eigenlijk niets kunt inbrengen. Niets, alleen geloof. “Want toorn van God” – zo gaat de tekst verder in ons stukje – “openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid.” Met andere woorden: Ja, God die rechtvaardig is, gerechtigheid van God, wordt openbaar. Het zal duidelijk worden dat God niet tekort doet aan Zichzelf! Dat Hij niet sjoemelt, dat Hij niet een bepaalde categorie door de vingers ziet en de anderen niet. Dat Hij niet bepaalde mensen voortrekt en de anderen wegstoot. Niets daarvan, het omgekeerde zelfs! “Gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard.” Het wordt heel helder. Maar toorn van God blijft nog steeds. God heeft niet opeens Zijn toorn ingetrokken omdat jij aan de beurt was… Toen al Zijn wetten maar eventjes aan de kant geschoven en van “Nu praat Ik maar niet meer over toorn. Toorn is er nu niet meer, want nu wonen die lui in Veenendaal en die hebben zich bekeerd tot de Here Jezus en nu praat Ik niet meer over toorn.” Dat staat hier niet. Die toorn van God is er nog steeds. Die is nooit ingetrokken. En die openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Met andere woorden: Die hele mensheid ligt onder een toorn van God. Daarom zegt de Here Jezus ook in het Johannes evangelie: “De toorn van God blijft op hen.” Die lág al op hen, maar die blijft op hen, omdat ze niet geloofden. Die toorn van God is niet aan de kant geschoven, wij zijn veranderd! Het is zo geweldig dat het wonder van ommekeer, van wedergeboorte in je leven is gekomen en dat je nu een kind van God mag zijn. Maar die toorn van God, die blijft komen over al die mensen die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. En dan komt er een hele merkwaardige opsomming. U kent het misschien, het is vaker aan de orde geweest. Ik ga dus niet zeggen dat dit nu voor het eerst uitgelegd wordt. Maar nu wordt ineens hier iets bijzonders gezegd over toorn van God, maar over iets wat álle mensen kunnen kennen. Maar je zou geneigd zijn om te zeggen: “Ja maar, die mensen die wísten helemaal niets van God!” Gerechtigheid van God. Toorn van God. Maar die mensen die konden het wel weten, want er wordt nog steeds een soort evangelie taal in de wereld gestuurd. En die evangelie taal vind u in psalm 19. U kent hem. Het is een mooi lied voor een zangkoor, maar ik ga het u voorlezen, niet omdat ik zo mooi kan zingen want dat is vandaag zeker niet zo en gisteren was het ook al moeilijk.
2] De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen;
3] de dag doet sprake toestromen aan de dag, en de nacht predikt kennis aan de nacht.
4] Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen:
(je kunt ze in die zin niet horen)
5] toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde en hun taal tot aan het einde der wereld. – Hij heeft daarin een tent opgeslagen voor de zon (dus de zon die zit ergens in een tent)
6] die als een bruidegom (die zon, die komt als een bruidegom) die uit zijn bruidsvertrek treedt (naar buiten komt), jubelend als een held om het pad te lopen.
7] Van het ene einde des hemels is haar opgang en haar omloop tot het andere einde; niets blijft verborgen voor haar gloed.
Dan gaat het over de wet des Heren, daarover nu niet. Nu alleen maar dit stukje. Dat er een verkondiging, een proclamatie is, door de schepping, door Gods wonderwerken, door wat je ziet in de natuur. En dan hoor ik vandaag prinses Irene die zegt: “Ja, ik wandel in de bossen en ik praat met de bomen, want God zit in die boom.” Nou, ik zal absoluut niet ontkennen dat daar geen stempeltje op staat van “made by God”, dat staat er op. Je moet even zoeken, maar je vind het wel! Maar is dat de weg die God wil? Nee! Uit geloof, tot geloof! Gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard, uit geloof tot geloof, op grond van geloof voor een ieder die gelooft! Maar dat doet niets af van het feit dat God in de schepping overal Zijn stempel heeft gezet. Alles heeft een stempel van Hem. En mensen gaan dit verdoezelen. Die willen de waarheid ten onder houden, die willen dat wat ze waarnemen gewoon onderdrukken! Wat dacht u waarom er zo’n hectiek is geweest over die evolutiegedachte? En nog. Ja het heet vandaag – een beetje gemodelleerd – “Intelligent Design” maar het is feitelijk hetzelfde. Er is nu alleen iets bij gekomen, een macht, een kracht ofzo. Er is een stuk intelligentie ergens geweest en die heeft dat ontwerp bedacht, die heeft dit, laat ik maar zeggen, vorm gegeven. Maar het is nog precies hetzelfde: de waarheid ten onder houden. En ze hebben God die te kennen is uit alles wat je ziet, niet gekend, niet gediend, want “wat van Hem niet gekend kan worden, Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt uit Zijn werken doorzien”. Met andere woorden, als je in de natuur bent en je zou werkelijk openstaan voor de taal die daaruit naar buiten komt, dan zou je op je knieën vallen en zeggen: “Here God wie gröss bist du” Dat zongen we voor het eerst in Zwitserland ergens, toen ik een paar bulten zag. Ik heb die dingen ook nooit gezien. Nee, ik bedoel die bergen in de majesteit van Gods schepping. Daar was je helemaal van onder de indruk. En toen begon iemand dit zo te zingen. Ik kende dat lied toen ook niet. Gereformeerd, toen zongen we dat niet, daar zongen we alleen maar psalmen. Sorry, geen ontboezeming, maar dat is dan zo. Ineens zegt iemand: “Hoe groot bent U! Hoe groot zijt Gij!” Klopt. Daar word je helemaal stil van. Compleet stil van. Als je een klein baby’tje ziet… onbegrijpelijk. Ik kan er niet bij en ik snap ook niet dat mensen dit niet vatten. Want als je in elk haartje van mij – ik heb er misschien niet zo veel meer, maar ik heb nog genoeg – in elk haartje van mij, DNA zit van mijzelf, als er ooit iets gebeurd en ze vinden één haar van mij, dan ben ik de klos. Maar zo ís het toch! Daarom staat in de bijbel dat geen haar zal vallen; dat je geen haar wit of zwart kunt maken, je kunt dat niet eens veranderen, het zit er in! Wij zullen eens een keer moeten snappen met Wie we te doen hebben. En langzaam maar zeker komt dat door, een klein beetje slijm vanuit de binnenkant van je wang of een druppeltje bloed of wat het ook is, álles, álles, alle moleculen van mij heeft een zelfde DNA “made by God” Dat is toch onvoorstelbaar! Als je dit nu weet en als je dat kleine baby’tje ziet als een wonder Gods, waarom zeg je drie dagen later: “Ja, we hebben een kindje op de wereld gezet.” Zo praten mensen. Ik wil zo graag helder hebben dat dít de insteek is van Paulus die zegt: “Toorn van God – nog steeds – openbaart zich ten volle over alle goddeloosheid” Want ze willen God niet kennen, ze willen de waarheid van Hem niet zien en ze gaan het bewust ten onder houden. Nog sterker, ze hebben dieren genomen als model. En ze hebben dus het dienen van de Here God veranderd in het dienen van dieren. En u voelt, daar is maar één groot voorbeeld van, en dat is het dansen om het gouden kalf. Daar hebben ze ineens gezegd: “Israël, dit is uw God.” Toen stond er een gouden kalf. Aäron kan wel zeggen dat hij goud in het vuur wierp en dat dit kalf eruit kwam, maar hij heeft het wél zelf gemaakt. Ik ben een beetje scherp misschien, maar ik wil u zeggen, waarom een kalf? Nou, omdat ze die in Egypte gezien hadden wat kalveren betekenen in de godsdienst van de Egyptenaren. Hier, hier vind u het. God zegt: “Daar kan Ik niets mee. Ik heb daar toorn over.” Goddeloosheid is het en de Waarheid wordt ten onder gehouden. En er is een soort vervanging. God vervangen door, ja, door een mens, een vrouw en of dat nu een Griekse godin is of een heidense Astarte – dat is bijna hetzelfde – of het nu linksom is of rechtsom is, het maakt niet uit, ze hebben gewoon iets anders. Iets anders, nou ja, dat heet dat tegenwoordig “het innerlijke” “het hogere” “het lichte”. Iets in jou en dat moet tot ontwikkeling komen. En ze gaan maar door. En ze gaan volstrekt voorbij aan ál die wonderen om hen heen. En God zegt: “Mijn prediking is nog steeds hetzelfde”. En als u dat écht wilt onderzoeken dan leest u het boek Job van A tot Z. Ja, ook tot het einde. Doorgaan, doorgaan. Even moeilijk, bijt door, tot het einde en je zult ontdekken dat de Here God geweldig is. En Job moet leren dat Zijn werken tonen Wie Hij is. En als Job dan eens keer echt klem komt en uiteindelijk zijn mond houdt, dan zegt de Here God: “Ik wil je toch eens een paar vragen stellen. Kun jij een krokodilletje vangen voor je vrouw of voor je kindertjes en je meisjes daarmee laten spelen Job?” Nou, Job zegt natuurlijk: “Nooit één keer. Ik ril al bij de idee dat ik zo’n krokodilletje aan de haak zou hebben!” “Kun je dat? Nou, als je dát nou niet kunt, en Ik, Ik heb die krokodillen gemaakt, wordt het dan niet tijd dat je op je knietjes komt voor Mij?” Dat is de taal van Job. Job komt eindelijk zo ver. Geen prediking; hij heeft geen wet, hij heeft geen Mozes, hij heeft geen Abraham. Misschien. Maar in elk geval niets is er waar Job zijn informatie kon halen, alleen maar uit de schepping. En dat noemt de bijbel: het Eeuwig Evangelie – Openbaring 16, het Eeuwig Evangelie. Het evangelie uit zon en maan en sterren. Psalm 19 het eerste stuk, ik heb het u voorgelezen. Het schitterende van het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. Het is geen taal van woorden, van mensen, maar zijn sprake wordt gehoord. Daarom is er geen mens te verontschuldigen. Daarom kan God ook niet zeggen: “Nou ja, in Veenendaal daar weten ze ervan, daar hebben ze van de wet gehoord en die hebben Mozes behoorlijk onderwezen gekregen, die hebben behoorlijk er van langs gehad, die hebben de Wet des Heren iedere keer gehoord, die hebben geen excuus. Maar die mensen in – laat ik maar zeggen – in Ethiopië, Zambia of weet ik veel waar, die hebben nooit van Mozes gehoord en van de wet gehoord, ja, voor hen geldt dat dus niet.” Nou, dat geldt voor hen ook. Die worden niet geoordeeld omdat ze de wet negeerden, maar omdat ze de schepping niet hebben bekeken. Dat is de taal. Geen mens kan zomaar zeggen: “Ik heb er niets, niets, niets verkeerds in gezien.” Niemand is te verontschuldigen. Dat wordt ook duidelijk, maar hier is het begin. ’t Gaat nog verder – maar daar ga ik aanstaande zondag over spreken – over de verwildering die we juist in Europa zo sterk tegenkomen, maar dat komt nog. Nu genoeg voor vanavond. Ik hoop dat u het snapt. Paulus zegt: “Ik heb het evangelie, het evangelie van God, waarin de Here Jezus het centrum is.” Je mag het geloven en áls je het gelooft…kracht Gods tot behoudenis, voor jou. Kracht Gods tot behoudenis. Voor wie? Voor wie gelooft. Niet meer aan werken denken? Nee. Niet op grond van werken, uit geloof tot geloof. En de rechtvaardige zal uit geloof léven. Heb je het? Je hoeft mij niet te beloven, maar dank daar de Here de eerste zeven dagen maar voor. Elke dag: “Geweldig Heer, dank U. Dank U dat U zo bent. Dank U dat U in Christus ons tegemoet kwam.” De Here Jezus. Gods kracht tot behoudenis.
Ik wil graag met u danken:
“Onze God, onze Vader, we danken U dat U zo rijk bent. Dat U zo geweldig bent. Dat U dat Evangelie van Uzelf, en dat Evangelie van God aangaande Zijn Zoon, zó wilt neerschrijven door Paulus. En dat hij het zó helder maakt, dat niemand nog een excuus heeft. Ik kom tot de conclusie: zo is er dan niemand te verontschuldigen. Niemand kan nog een excuus bedenken van “Ja, ik heb het niet geweten”. We willen U danken Vader dat U het heel helder maakt. En dat U heel duidelijk maakt – ook vanavond – dat U gerechtigheid bént. En dat de toorn over goddeloosheid gewoon is gebleven, ondanks het feit dat wij van de toorn vrij zijn. We willen U danken voor de Here Jezus, Vader. ‘k Wil U danken dat iedereen die de Here Jezus heeft leren kennen, vrij mag zijn. Zegen ons zo. Maakt U ons ook blij de komende dagen. Laat ons alstublieft doordrongen zijn van het denken over “niet op grond van werken, niet op grond van onze inspanning, uit geloof – op grond van geloof – ook voor mij, omdat ik mocht geloven. We willen U hartelijk danken. We willen U danken Vader, voor de Here Jezus, voor Zijn werk aan het kruis. Voor dat evangelie waarin Hij het centrum is. Voor dat Eeuwig Evangelie, dat zelfs voor mensen in China, of waar ze ook wonen. waar nog nooit een zendeling is geweest, dat dit evangelie ook dáár klinkt. We willen U hartelijk danken dat U niemand overslaat. En als Job zegt: “Dit doet God, tweemaal, driemaal met een mens; zijn ziel van de groeve redden en zijn hart terugbrengen”, dan is dat een taal uit de Schepping. We willen U hartelijk danken. Dat dit gebeurt met mensen die misschien nog nooit een bijbeltje hebben gehad. Maar hier zitten we met een bijbel. We lezen en we horen. En we worden onderwezen misschien om deze dingen ook te snappen. Vader, zegen iedereen die hier is héél bijzonder de komende dagen. Vakantiedagen, of werkdagen, ziektedagen of zorgdagen. Laat het alstublieft dagen mogen zijn, waarin helder wordt: de rechtvaardige zal op grond van zijn geloof leven. Dank U wel daarvoor. Amen.”