Romeinen 2 : 1 – 16

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 4. De moraalridders ontmaskerd

Bijbellezing over de brief van Paulus aan de Romeinen,
door Dato Steenhuis, 25 februari 2007
Romeinen 2 vers 1 – 16
Ik hoop dat de akoestiek goed is. Vanmorgen hoorde ik als inleiding op de dienst, een opmerking over de retrevezaal waar de nieuwe ministers klaagden over de akoestiek. Daar moest echt wat aan worden gedaan want ze verstonden elkaar niet. De akoestiek in de hemel is goed. U verstaat Hem en Hij verstaat u. Bij het meer van Galilea heeft de Here Jezus gesproken; daar waren duizenden en de akoestiek was kennelijk heel, heel goed, want iedereen verstond het. Het kán zijn dat de problemen ook te maken hebben met ons ontvangststationnetje. Ik hoop dat er een soort fijnafstemming is, vanbinnen, zodat je hoort wat de Here gaat zeggen.
Romeinen 2 vers 1 – 16
1] Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt. Want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen.
2] Wij weten echter, dat het oordeel Gods onpartijdig gaat over hen, die zulke dingen bedrijven.
3] Rekent gij wellicht hierop, o mens, die oordeelt over hen, die zulke dingen bedrijven, en ze zelf doet, dat gij het oordeel Gods ontgaan zult?
4] Of veracht gij de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u toe boetvaardigheid leidt?
5] Maar in uw weerbarstigheid en onboetvaardigheid van hart hoopt gij u toorn op tegen de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods,
6] die een ieder vergelden zal naar zijn werken:
7] hun, die , in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven;
8] maar hun, die zichzelf zoeken, der waarheid ongehoorzaam en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, wacht toorn en gramschap.
9] Verdrukking en benauwdheid (zal komen) over ieder levend mens, die het kwade bewerkt, eerst de Jood en ook de Griek;
10] maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek.
11] Want er is geen aanzien des persoons bij God.
12] Want allen, die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en allen, die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden;
13] want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden.
14] Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet;
15] immers, zij tonen, dat het werk der wet in hun harten geschreven is, terwijl hun geweten medegetuigt en hun gedachten elkander onderling aanklagen of ook verontschuldigen
16] ten dage, dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn evangelie, door Christus Jezus.
Eén van de kenmerken van vandaag is misschien wel dat er een zondebok moet komen. Er is iets gebeurd en er moet gelijk een soort schuldige aangewezen worden. Er is heel weinig voor nodig om een Parlementaire Enquête te organiseren of een hoorzitting of een spoeddebat. Van allerlei komt naar ons toe. Over de kleinste, over de onbenulligste misschien ook wel over hele grote dingen. Dat is een beetje ín. En er moet iemand als schuldige worden aangewezen. Dat je zelf dezelfde fouten maakt of dezelfde dingen doet of misschien nog grotere blunders hebt gemaakt in je leven, dat doet even niet terzake. Dit moet helder worden. De moraalridders rukken op. Dat is heel typerend voor vandaag. Waar ook, altijd hetzelfde verhaal: ineens stort zich de hele massa op dat ene, ene item, terwijl ze vergeten wie ze zelf zijn en wat ze zelf hebben gedaan; er is geen enkele rem meer. Dat hoort bij onze tijd. Dat is een geest van vandaag. Daarom speelt de brief aan de Romeinen ook in de eindtijd een grote rol, denk ik. Vele dingen zullen we ontdekken, komen heel, heel concreet naar boven in onze dagen. Paulus zegt: “Moet je eens luisteren. Weet je nog hoe je tot bekering kwam? Hoe dat ging toen?” Nou voor de één is dat vandaag een getuigenis: “Ja,dat zal ik je vertellen!” en die is niet meer te stuiten. Voor een ander is dit een beetje: “Ja, ja… ja… ja, dat weet ik eigenlijk niet zo precies.”, die is ook niet te stuiten, maar je hoort ook niets. Hier staat – in dit stukje – dat de goedertierenheid en de rijkdom van Gods goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt. Hoe kwam je tot bekering? Nou, vanwege de goedertierenheid van God. Die goedertierenheid – een heel moeilijk woord, kun je nauwelijks vertalen: tieren van goedheid, komt ook niet over. Goedertieren: overlopend van goedheid. En die overlopende goedheid van God en die genade van God heeft tot bekering geleidt. Heeft tot boetvaardigheid geleidt. En boetvaardigheid betekent dat jij je schuld erkent, dat je belijdt dat je gezondigd hebt en dat je fouten hebt gemaakt; dat je bij God in het krijt staat. Dat is boetvaardigheid. Dat is boete willen doen. Met het water voor de dokter willen komen. Met je eigen hart bij God willen komen. Met een eerlijk, oprecht belijden bij de Here God willen komen: “Here God, ik heb gezondigd! O God, wees mij, de zondaar genadig!” Dat is boetvaardigheid. En Gods geweldige, geweldige goedheid, leidt tot die boetvaardigheid; brengt je tot dat besef. Weet je dat nog? Is het lang geleden? Nou voor de één al dertig jaar, en we zuchten nog steeds. Ik zeg het een beetje sarcastisch. En voor de ander is het recentelijk gebeurd en er is nog steeds vreugde. Geweldige vreugde kan er zijn, als jij je realiseert dat je door Gods bijzondere goedheid tot boetedoening kwam. En boetedoening betekent helemaal niet: een soort barrevoets tocht naar Rome ofzo, of op je knieën door Veenendaal kruipen. Boete doen betekent: voor Gods aangezicht komen en erkenning van schuld. Zeggen: “Here God, ik heb gezondigd. Ik ben geen draad, geen draad beter. En er is eigenlijk niets goeds aan mij, helemaal niets, nul.” Nu, die boetvaardigheid, dat gevoel van: “Here God ik moet belijden, ik moet erkennen”, zou heel, heel concreet in ons hart en in onze levens geschreven moeten zijn. Als dat gebeurd, ga je ontdekken dat Gods genade op dat moment, in die situatie kwam en dat je op dát moment, in die situatie toen jij zover was dat je zei: “Here God ik heb gezondigd!”, dat God zegt: “Maar er is Iemand die voor jouw zonden, voor jouw schuld aan het kruis gestorven is! Die Zijn leven heeft gegeven! En als je Hem aanneemt als je Heiland en als je Verlosser, en als je Hem kent als de Heiland voor je hart en voor je leven, dan is alle schuld vergeven, dan is alles opgelost; dan ben jij een kind van Mij. Dan mag jij je blij en gelukkig gaan begeven op de weg van de Vrede!” Ik hoop en bidt dat iedereen hier werkelijk beseft dat die goedertierenheid van God, die geweldige goedheid van God, ons tot boetvaardigheid heeft geleidt. Zal ik het anders zeggen met een tekst uit het Oude Testament (misschien spreekt dat meer aan voor sommigen): in het boek van Zacharia staat dat God een Geest uitzendt van Genade en van Gebeden. “O God, wees mij, zondaar, genadig!” Dat is een gebed: O God! God zend een Geest van Genade en van Gebed uit, in de toekomst. Heel Israël zal dan zeggen: “O God, we hebben gezondigd! We hebben geen been om op te staan! We hebben afwijking op afwijking gestapeld, zonde op zonde gestapeld! We zijn nergens! Here God, we belijden!” Goedertierenheid van God leidt tot boetvaardigheid. Brengt ze tot erkenning. Want God zendt een Geest van Genade en van Gebed in hun hart, en ze erkennen dat. Ze belijden. En ze komen tot een knieval voor God. Is dit gebeurd in ons leven? Ik hoop dat je “ja!” zegt! Nog een keer – dat is misschien wel de honderdste keer dat dit gezegd wordt – niemand kan in het hart van iemand anders kijken. Dat zouden we wel graag willen, maar dat kan niet. We kunnen alleen zeggen: “Here, dank U, dat dit in mijn leven ook gebeurd is. Dat ik écht op mijn knieën mocht gaan en die schuld en die zonde mocht belijden. Ik benadruk dit een beetje. Niet om een evangelieprediking te houden – dat ook wel, dat zit er zeker onder – maar vooral om mijn thema van dit stukje uit de verf te laten komen. Stél nu, dat we ons dit realiseren, dat Gods genade en Gods goedheid, Zijn enorme goedheid, ons tot boetvaardigheid, tot erkenning van schuld heeft gebracht en dat we mochten gaan geloven in de Here Jezus en dat we Hem als onze Heiland mochten leren kennen en mochten beleven dat al onze schuld en al onze zonden vergeven zijn. Waar haal je dan de moed vandaan om op anderen neer te zien? Alsof die lagere zondaars zijn, mindere zondaars zijn? Waar komt dat stukje hoogmoed dan vandaan? Waar komt dat moraalridder gedrag – zo heb ik dat nu even genoemd – vandaan? “Kijk eens! Nooit gedacht dat zóiets zou gebeuren! Ja, dit.. hij moet aan de schandpaal! Natuurlijk, hij moet aan de schandpaal! Want dit kan niet door de beugel!” Het hele parlement in actie, ministers aftreden, wat er ook gebeurt, maar dit kan natuurlijk niet. Zo ongeveer gaat het in Nederland. En in de hele wereld. Er hoeft niet dát te gebeuren en iedereen staat met de vinger te wijzen naar de ander. Dat is Romeinen 2. Dat is bovendien 2007. Dat is precies wat er gebeurt vandaag. Iedere keer hetzelfde verhaal. En dit is niet nieuw! De Here Jezus. Hij was hier op aarde; liep, sprak, handelde, genas en heeft geweldige zegen uitgedeeld. Er komt een horde schriftgeleerden, Farizeeën. Ja, ha! Die kenden de bijbel! Die kenden de Thora! En die kwamen met een vrouw onder hun arm – bij wijze van – die op overspel betrapt was. En ze zeggen: “Mozes heeft bevolen zulk één te stenigen!” Dus: “Wij zijn er uit, wij zijn er echt uit! En U, wat zegt U er van?” Twijfelden of ze die vrouw wel of niet zouden stenigen? Welnee, daar is nooit enige twijfel over geweest! Ze hebben alleen de Here Jezus in een valletje willen laten lopen. En wat doet de Here Jezus? Wat doet Hij met die moraalridders? Met die moralisten? Zegt Hij: “Nou, doe maar!” Maar Hij zegt: “Wie van u zonder zonde is werpende eerste steen!” Het is precies Romeinen 2. Exact Romeinen 2. “Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst de steen op haar!” Heeft de Here Jezus gezegd: “Daar praat Ik niet over, dat is allemaal acceptabel vandaag, dat moet kunnen?” Zo hoor je vandaag ook: alles moet kunnen. Heel merkwaardig, alles moet kunnen. En als er iets gebeurt dan stort de hele massa zich op dat ene punt, dan kan niets meer. Zó dubbel zit onze huidige maatschappij in elkaar. De Here Jezus. “Wie van u zonder zonde is werpe de eerste steen!” “U die oordeelt, u bedrijft dezelfde dingen!” Dat is Romeinen 2. U, die oordeelt, u bedrijft dezelfde dingen. “Als je zonder zonde bent, mag je als eerste de steen werpen” – zegt de Here Jezus – en schreef hun namen in het zand, Jeremia 17. Nou, dat zag die oudste, die droop af. Hij zag zijn eigen naam staan en dacht: “Oei, dat is Iemand die mij door heeft!”. En de tweede en de derde en ze dropen allemaal af. De één na de ander, de oudste als eerste, de jongste als laatste, op volgorde van hun namen, ze stonden daar allemaal. Toen was de Here Jezus daar alleen met die vrouw. Heeft Hij gezegd dat ze het goed gedaan had? Nee. “Je moet niet meer zondigen!” Maar die moraalridders die moesten ontmaskerd worden. Romeinen 2 is een vervolg op Johannes 8, heel precies. Nauwkeuriger kan het haast niet. En daar kijken we nu naar vanavond. En we weten eigenlijk allemaal precies te zeggen dat dit vandaag niet alleen voorkomt, maar dat dit een beetje ons lijfmotief is. Weet je nog hoe je tot bekering kwam? Was dat omdat jij zo vroom was? Omdat jij dacht bij jezelf: “Nou, laat ik eens vroom gaan doen!”? Is dat zó? Onzin! Goedertierenheid van God heeft tot boetvaardigheid geleidt. Niet jouw inspanning, maar Gods genade voor jou! Gods bijzondere gunst! God was door en in de Heilige Geest bezig om mensen te bereiken. Dat heeft God gedaan. En dan moet je niet op anderen neerkijken, die misschien dingen niet goed doen. Wees daar uiterst voorzichtig mee. Betekent dit dat in de Gemeente geen tucht kan worden uitgeoefend? Dat je geen dingen moet behandelen en dat je nooit kunt zeggen: “Dit kan niet en dit mag niet.”? Nou, dat het betekent het allerminst, dat moet wél. Maar nooit in de zin van Romeinen 2, neerkijken op anderen. Nooit in de zin van Johannes 8 zo van: en nu zullen we eens eventjes iemand aan de schandpaal spijkeren. Neen. Rechtvaardige en heilzame rechtspraak is kenmerkend voor de tijd als de Here Jezus regeert. Rechtvaardige en heilzame rechtspraak. Op genezing gerichte rechtspraak. Daar moeten we aan wennen. Herstel moet altijd de bedoeling zijn van welke vorm van tuchthandeling – moeilijk woord in de kerk: dat zijn zware termen – maar altijd moet tucht of correctie op herstel gericht zijn. Nooit op veroordeling. Nooit op iemand eruit zetten. Nooit. Het omgekeerde. Ik hoop dat dit helder wordt. Dat dit helder is uit dit stukje. Vervolgens: de Here Jezus heeft daar als de Rechter gezeten in Johannes 8 enHij heeft de mensen ontmaskerd. Totaal ontmaskerd. Ze dropen af, de één na de ander. In de toekomst zal de Here Jezus daar zitten. Dan zal die vrouw – Israël – van overspel verdacht en betrapt op overspel, staan. Ik hoop dat u het beeld pakt. Ooit een keer, lang geleden, hebben we over Johannes 8 met elkaar gesproken. En over 9 en ook over 7, dat was een heel serie. Maar Israël zal daar staan, voor de Rechter. En dan zijn er van die moraalridders die zeggen: “Kijk eens, nou! En dát volk? Je moest eens weten hoe dat volk handelt en wat ze doen en hoe ze allemaal tekeer gaan en wat ze allemaal niet goed gedaan hebben!” Nou, dat hoor ik vandaag al! En ze storten zich massaal op dat ene volk, op die ene vrouw. Want dát is me daar een zooitje daar in Jeruzalem, dat wil je niet weten! En dat wordt heerlijk uitgemeten door het Journaal vandaag. Want zeker 12 van die regeringsleiders die hebben of dit, of dat, of dat en we horen dat al een beetje. En u hebt het misschien al met foto’s en al op het Journaal gezien. Nou, daar zeg je wat! Corruptie man! Corruptie! En ze graaien allemaal in de kast, maar dat doet er niet toe, dáár ligt de fout! Weer dat zoeken naar een zondebok. Weer hetzelfde. Altijd hetzelfde proces. En ze brengen als het ware, die vrouw – Israël wordt met een vrouw vergeleken – bij de Here Jezus. Zegt de Here Jezus dat ze het goed gedaan hebben? Krijgt Olmert een pluimpje? Met alle eerbied, ik weet niet of hij ooit iets fout gedaan heeft, maar ik bedoel, zijn naam wordt nu genoemd. Maar krijgt hij dan een pluimpje? Nee, helemaal niet. Maar die moraalridders, die worden weggestuurd. Ik hoop dat u begrijpt waarom Romeinen 2 belangrijk is, als een soort profetisch vergezicht naar de eindtijd, maar we zitten daar middenin! We zitten daar nu, middenin. Het speelt zich vandaag af. Niet alleen in je eigen kerkgemeenschap – daar ook – niet alleen in je eigen, laat ik maar zeggen, provincie, of in ons eigen land – daar ook – niet alleen in Europa – ook daar – maar ook in het grote geheel van de politieke ontwikkelingen rondom Israël. Precies hetzelfde. Weet je nog hoe je tot bekering kwam? Word je dan niet wat voorzichtiger? Dat is moeilijk. Dat is moeilijk te leren. We lazen vanmorgen aan tafel een klein stukje van Johannes 21, het laatste stukje van het Evangelie van Johannes. Petrus is net weer in zijn werk hersteld. Hij mag de schapen weiden, de lammeren hoeden en weiden. Hij mag ze weer te eten geven. En hij mag de Here Jezus volgen. Hij had de Here Jezus lief. Lopen weg, 10 stappen, kijkt om, ziet Johannes: “En híj dan?!”, zegt Petrus. Nét hersteld. “Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik terugkom, wat gaat het jou aan, jij volgt Mij!” Punt. Kun je dat boven laten komen in je eigen denken? En maar naar anderen kijken. En maar kijken wat misschien anderen niet goed doen. Waar jij je heerlijk in kunt verlekkeren. Ja, dat is gesprekstof bij uitstek, bij koffie en gebak. Het wil niet alleen maar de koffie heel goed, maar bij gebak en koek ook hoor. En maar praten. En maar: “Heb je dat gehoord? Heb je dat óóit van haar gedacht? Of van hem gedacht? Of: “Hou je dit voor mogelijk?” Nu stop ik met dit soort voorbeelden, maar u hebt ze bij honderden. Weet je nog hoe je tot bekering kwam? En? De Here God zegt: “Ik zal jullie oordelen op grond van jullie werken”. En dat is een moeilijke. Romeinen 2 vers 6 en vers 7, dat is heel moeilijk. Want die mensen die anderen veroordelen – terwijl ze dezelfde dingen doen, precies hetzelfde zijn, ze zijn uit hetzelfde hout gesneden – die anderen, die oordelen. Die zitten al “ja, maar dit kan niet!” Zie je die mensen al komen bij die vrouw? Wijzend. Hoe gaat het bij jou in jouw beoordeling van zaken? Zijn we niet ontzettend vlug in een soort startblok van te vinden van: “Ja, dat kan niet he, dat moet…” En daar gaan we dan misschien wel te heet van de naald op in. En dan beginnen we dingen te zeggen die helemaal niet gezegd hadden mogen worden. Maar er komt een oordeel, staat er. Weet je niet geoordeeld zult worden op grond van je werken? Dat geldt ook voor de overtreders, maar dat geldt ook voor jou. Nu, zijn we verschillende rechtszittingen in het Nieuwe Testament. En ik wil daar een paar van noemen. Er is een rechtszitting die we kennen als de Grote Witte Troon. Helemaal aan het eind van uw bijbel vrijwel, hoofdstuk 20 van Openbaring, daar vind u de Grote Witte Troon. Wie staan daar voor die Grote Witte Troon? Ja, de doden. En die worden geoordeeld om wat er in de boeken over hun situatie staat. De boeken worden geopend. Dat is een soort eindzitting. Daarna begint de eeuwigheid. Dat is best moeilijk voor ons. Alsof we daar enig begrip van zouden hebben wat eeuwigheid is. Want eeuwigheid, zonder einde, dat is nog wát, maar zonder begin… dat is ontzettend moeilijk. Eeuwig. Wie staan daar als doden? Wie worden daar geoordeeld op grond van wat in de boeken staat? Allen die de Here Jezus niet hebben leren kennen als hun Heiland en als hun Verlosser. Ongelovigen. Als je de Here Jezus niet aanneemt als je Heiland en als je Verlosser, kom je voor de Grote Witte Troon. En er wordt op grond van wat in de boeken staat een oordeel uitgesproken. En dat is niet gunstig. Alleen van wie de namen staan in het Boek des Levens, van het Lam dat geslacht is, zullen leven. Alle anderen zullen omkomen. Hel. Tweede dood. Afwezigheid van God. Vreselijk. Toestand. Echt niet te beschrijven. Afwezigheid van God. Aanwezigheid van – ik hoorde gisteren in het Journaal zeggen, ik kijk constant naar het Journaal dat begrijpt u – maar iemand zei: “Die zat met 12 mensen in een cel en wat hij daar allemaal hoorde en wat hij daar allemaal voor zijn kiezen kreeg, dat was niet te geloven. Dat is hier op aarde al een verschrikking. Het mag niet in Nederland. Twee geloof ik mag nu, als ik het goed begrepen heb, maar 12 is natuurlijk ondenkbaar. Tussen criminelen zitten. Je wordt daar – zeker als je bepaalde dingen gedaan hebt – mishandeld, miskent, geplaagd, gesard. Hel. Maar hel is: God is er niet. En waar God niet is, daar is geen licht, daar is geen liefde, er is geen vriendelijkheid, er is geen goedheid, geen trouw. Al die dingen die met de vrucht van de Geest te maken hebben, die zijn daar niet. Nou, dat is opzich al een hel, dat is afschuwelijk. Daar komen die mensen. Voor de Grote Witte Troon, staan de doden. Is dat de enige rechtszitting? Komen wij daar ook? Krijgen wij daar een soort kaartje voor de hemel? Is dat een soort finalerechtszitting? Wel of geen toegang tot… Neen, alleen de doden. Is dat de enige rechtszitting in de bijbel? Nee, dat is niet zo. Duizend jaar eerder was er ook een rechtszitting. Dat is als de Rechter zit en de schapen worden gescheiden van de bokken. Mattheüs 25. Aha! Dan moet je maar afwachten of je een schaap bent of een bok. Ja, daar zitten we mee. Mannen hier denken: “Oei!” Heeft het zin om jezelf om te laten bouwen? Sorry dat ik het zo zeg, ik doe het express een beetje fel. Nee, want dat gaat niet over mannetje en vrouwtje. Het gaat erom dat de volkeren, vólkeren, staan voor de Here Jezus. En dan worden de volkeren geoordeeld en beoordeeld op grond van wat zij gedaan hebben met het volk Israël. En als ze dat volk Israël een bekertje koud water gegeven hebben… “Heb je het aan Mij gedaan!”, zegt de Here. Dat is de zegen van Israël verstoppen in de Tweede Wereldoorlog. Ik ga een beetje rare dingen zeggen, maar ik hoop dat ik het neer kan leggen voor jullie. Dit is écht zo. Dat is niet zomaar iets. De publieke opinie naar Israël toe is helemaal veranderd. Het anti-joodse denken is gigantisch, ik zei dat zopas al. Maar de volkeren worden bekeken op grond van wat ze gedaan hebben met het oude volk Israël. En dan zou het kunnen zijn dat Nederland bij de bokken hoort. Vroeger zou je zeggen: nou, die horen bij de schapen, gegarandeerd! Maar tegenwoordig weet je dat niet meer zo zeker. Ik laat dat los. Ik heb best vertrouwen in de nieuwe ploeg, als ik dat zo eens mag zeggen. En ja, ik wil daar ook graag voor bidden. Maar voor Israël… ik weet het niet zo precies. In elk geval zijn er landen in Europa waar geen plaats is voor Israël. Dat is Mattheüs 25, ook een rechtszitting. De Grote Witte Troon en het scheiden van de schapen en de bokken. De bokken zijn die landen, die volkeren, die niet omkeken naar Israël. Dat volk Israël besprongen, die als een bok tekeer gingen. Lees het maar eens in Ezechiël 34, hoe de bokken gingen stoten, hoe ze met hun horens kapot gingen maken; dat is de taal die daaraan gekoppeld is. Maar er is nog een derde rechtszitting, en dáár heb ik het over in Romeinen 2. Dat is het openbaar worden voor de Rechterstoel van Christus. 2 Korinthe 5: “Wij allen moeten openbaar worden voor de Rechterstoel van Christus.” En waar duidelijk wordt, wat goed was en wat niet goed was. Dat wat niet goed is, dat gaat weg. Wat wél goed was, krijgt een beloning, krijgt een kroon. Paulus verlangde ernaar en hij zegt: “Ik wil zo graag de Kroon der Gerechtigheid, die de rechtvaardige Rechter mij in die dagen gaat geven.” Wanneer is die rechtszitting? Hebben we daar een datum bij? Nou, misschien. Het hangt af van een andere datum. Als de Here Jezus vanavond zegt: “Komen jullie?” Dat betekent een bevelend roepen, een stem van een aartsengel: wij worden weggehaald, wij veranderen in een ondeelbaar ogenblik. De doden in Christus zullen eerst opstaan. Dus onze geliefden die ons voorgingen die worden ook opgewekt, komen ineens, en wij gaan met hen samen de Here tegemoet in de lucht! En we zullen bij Hem zijn en we komen in de hemel. En dan: openbaar voor de Rechterstoel van Christus. Dus dan toch nog een soort selectie van: “jij wel, jij niet. Ja, wel een vroom gezicht daar in Veenendaal, altijd vooraan gezeten maar… het valt toch tegen.” Is dat zo? Nee, dat is niet zo! Is niet zo! Alleen die leven uit God hebben, die bij Hem horen, die léven uit God hebben, worden opgewekt. Wij, allen die de Here Jezus kennen – het gaat niet zozeer om uw gedrag – wij worden opgewekt! Wij worden weggevoerd! Wij gaan de Here tegemoet in de lucht en wij zullen bij Hem zijn. En dan wordt openbaar welke kroon u krijgt. Een torenhoge kroon of misschien een heel klein kroontje. Nou ja, dat gaan we uitvinden. Dat gaan we nu alvast mee beginnen: nou, die zou wel een hoge kroon hebben! U hebt een hoge pet van die man of van die vrouw op, nou, die hoge pet die wij van iemand hebben, dat loopt niet parallel met de hoogte van de kroon. Dat kan ik u wel verzekeren. Want u en ik, wij kijken naar de buitenkant. De Here zal beoordelen. Hij kent het hart. Er komt een geweldig moment als we daar bij de Here Jezus zullen zijn. En Hij gaat… “Dato, toen en toen, toen had je een grote mond, maar dat klopte niet, dat paste je niet. Maar je hebt tegen die mensen dit of dat gezegd, maar je was zelf geen draad beter, en je hebt jezelf er niet in betrokken. Je was hoogmoedig. Je was toen ook een beetje een moraalridder. Toen, toen, toen, toen, komt dat nog vaker voor? Toen, toen, toen, toen, nóg vaker? Ja, nog vaker.” En die momenten waar ik niet meer aan dacht, toen zei de Here Jezus: “Kijk, dit bedoelde Ik nou! Toen was je echt voor Mij bezig!” O ja? Was dat zo? Ben ik kwijt Here! “Dat klopt, maar daar krijg je wel een kroon voor!” Onze werken worden openbaar, dat wat we gedaan hebben voor de Here Jezus, nadat we geloofden. Onze schuld is weg, onze zonden zijn vergeven. Dat is gelukkig in orde! U weet het nog? De goedertierenheid van God, die geweldige goedheid van God, heeft ons tot boetvaardigheid, tot bekering geleidt! Dat is gebeurd! We weten: onze schuld is weg, onze zonden zijn vergeven. Het is helemaal goed! We gaan naar de Here Jezus. We hebben leven uit God! We zullen echt daar zijn waar Hij is. Maar onze werken zijn nog hier. Dat is dat, wat we vandaag doen. Hoe jij je vandaag hebt opgesteld. Wat je morgen gaat doen. Fouten die je gisteren of twee jaar terug maakte. Ik werd nu nog net herinnerd aan iets wat ik twee of anderhalf jaar terug gezegd heb. En dat heb ik niet ingelost. Daar kan ik alleen maar van zeggen: Sorry, dat was fout, dat had niet gemoeten, had anders gemoeten; ik was het kwijt. Maar goed, als je het dan hoort, dan moet je misschien zeggen: “Sorry Heer!”, maar ook: “Sorry iemand”. Werken, dat wat we hier op aarde doen. En in dat werk en die werken, hoort ook de beoordeling van anderen. En als je nu niet geroepen bent om rechter te zijn, stop dan met de beoordeling! Betekent dit dat je nooit meer iets mag zeggen van goed of fout? Jawel, als dingen duidelijk zijn, als degenen die het betreft zegt: “Dat heb ik niet goed gedaan”, nou, dan mag je best een oordeel uitspreken; een beoordeling hebben. Maar je moet niet zomaar wat roepen. Niet dat kijken naar anderen, want je doet dezelfde dingen. Die andere, die liegt. Heb jij nooit gelogen? Die ander gaat de verkeerde kant op! Ben jij nooit de verkeerde kant op gegaan? We weten allemaal dat we dezelfde fouten maken. Romeinen 2: onze tijd. Precies deze tijd. Maar de Here beoordeeld dat! En die werken – of dat nu de verkeerde route is of de goede route is – die werken worden openbaar! Als het gelovigen betreft, laat het dan los! Daarom moeten we misschien veel, veel vaker zeggen tegen elkaar: “We laten dit los, tot de Rechterstoel van Christus. We wachten af.” Er zijn hier zoveel dingen waar je nooit achter komt. Je kunt geen gedachten lezen. Je kunt niet het hart en de motieven van een ander proeven. Motieven zijn trouwens nooit en nooit te proeven, daar moet je héél voorzichtig mee zijn. “Ja, je zei dit, maar je dacht dat!” Alsof je dat ooit zou kunnen beoordelen. Niks, nooit. Wees voorzichtig. Die werken worden openbaar voor de Rechterstoel van Christus. En dan zal er eer en heerlijkheid zijn voor mensen die het goede zoeken, die de zegen zoeken, die een heilzame rechtspraak willen beoefenen. Dan zal genade, zegen, heerlijkheid, kroon, vréde, het gevolg zijn. En de anderen, die zullen ontdekken dat al hun werken, álles wat ze gedaan hebben, daar verbrand, door vuur heen. Niet dat ze niet in de hemel komen, ze worden in de hemel gevonden. Ze zijn door het vuur heengegaan, maar alles wat ze hadden blijkt hout, hooi of stro te zijn en dat is weggebleven. En ze zijn behouden geworden door het vuur heen. Dat wel. Maar alles wat ze aan werken hadden is verbrand. En ze lijden schade aan hun ziel. Tóch? Komen ze dan toch niet op de eerste, tweede of derde rij te zitten? Schade lijden aan hun ziel, betekent dat ze het jammer vinden dat ze niet eerder deze dingen hebben opgeruimd. Hebben we dit? Dan stop je misschien vandaag met het beoordelen van anderen. Er is maar Éen die jou beoordeeld. Dat zegt Paulus ook: “Wat anderen ook van mij zeggen, dat kan me niets schelen, er is er maar Éen die mij beoordeeld.” Dat klinkt natuurlijk ontzettend arrogant! Zo van: “Nou, dat is een eigenwijze prediker, die wil niet eens gecorrigeerd worden!” Wat doen wij als een ander willen corrigeren? Gaan we die ander dan écht dienen? Of bedoelen: we zullen hem eens eventjes behoorlijk te kijk zetten! Laat die maar eens eventjes aan die schandpaal staan (laat ik dat maar gebruiken als voorbeeld). Dat bedoelen we met iemand corrigeren? Wat willen we daarmee? Dienen we elkaar dan? “Ja, maar je kunt ook niets alles laten open! Daar dien je die ander ook niet mee!” Je bedoelt: dan komt het verschil tussen jou en de ander niet zo goed tot z’n recht misschien? Ik wil niet zeggen dat je het niet moet doen, maar de vraag moet in de allereerste plaats zijn: dien ik die ander? Is dat mijn motief? Wil ik die ander dichter bij de Here Jezus brengen? Wil ik die ander laten genieten van de Here Jezus? Wil ik die ander in harmonie met de Vader houden of brengen of terugbrengen? Wil ik hem opnieuw die vreugde van die vertrouwelijke omgang met de Vader leren kennen? Wil ik… Is dat mijn motief? Of welk ander motief? “Ja, het moet maar eens een paal en perk gesteld worden!” Nou dat zijn de sterke… Ik hoop dat jullie mij begrijpen. Romeinen 2 is een beetje uit mijn hart gegrepen. En ik wil zo graag dat u dit doorkrijgt. Dat u ophoudt met het beoordelen van en dat u uzelf alleen maar ziet in: de goedertierenheid van God heeft mij tot boetvaardigheid geleidt. Dank U, dánk U, dánk U Heer! Ik kwam op mijn knieën terecht, omdat U het zei, omdat U het deed, omdat U het duidelijk maakte. Ik wil U daarvoor prijzen. En die anderen – als het ooit met die anderen gebeurd is – zult U ze ook terugbrengen; zult U ook in hun levens werken, zult U een geweldig werk gaan doen in hun hart en leven. Dat is het eerste stukje van wat we lazen. Het tweede stukje begint dan ook over de wet. Daar ga ik de volgende keer wat meer van zeggen, maar in elk geval wordt wel duidelijk dat mensen die onder de wet gezondigd hebben door die wet geoordeeld worden. Dat is een soort norm, een soort extra norm. God heeft je zelf een geweten gegeven, hier, in jou. Dat weet u. Die meneer in Maassluis – ik noem dat heel vaak als voorbeeld – die heeft zelf tegen mij gezegd. Die zei: “Ik heb een splinternieuw geweten. Ik gebruik hem nooit.” Hij bedoelde te zeggen: Phoe, daar heb ik helemaal geen boodschap aan, ik doe wat ik goed vindt. Punt. Maar God heeft een mens een geweten gegeven. Maar mensen onder de wet hebben een extra geweten: de wet. Er zijn een groot aantal daden, werken, te bekijken in het licht van de wet. Maar mensen die geen wet hebben, zijn die dan beter af? Nee, die zijn niet beter af, die worden zonder wet geoordeeld. En mensen die wél een wet hebben, die zijn ook niet beter af, die worden met de wet en door de wet geoordeeld. Dat wordt uitgelegd. Dat komt echt terug. Maar er is nu al genoeg voor je om te zeggen – kijk nu niet met allerlei ogen – “Ja, maar daar hebben ze de wet des Heren en daar lezen ze de wet des Heren niet, dan zijn ze zonder wet, ze doen net alsof er geen wet is!” Wie zegt dat? Wie zeiden dat ook al weer? Die mensen waarover wij het net hadden, vanavond. Die zeiden dat. Maar de Here Jezus is voor mensen onder en zonder de wet aan het kruis gestorven. En Hij heeft aan de eisen van Gods Wet helemaal voldaan, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. De Here Jezus. Zou u nu willen uitkomen bij Hem? Zou u nu willen zeggen: “Here Jezus dank U wel dat U in mijn leven gekomen bent.” En vanaf het moment dat Hij centraal staat in je denken en in je leven en in je handelen, vanaf dat moment is de beoordeling van anderen ook anders. Dan gaat het niet meer over wat die anderen niet doen of wel doen. Je bent hier niet aangesteld als onderrechter, of als officier van Justitie van de hemel, om aan te klagen. De aanklager der broederen, ja, die doet zijn best om aan te klagen. Want daar is Iemand in de troon, die zegt: “Doet hem uit, die vuile kleren, voor Mij is dat iemand met een statiegewaad aan. Punt. Uit. Daar blijf je af met je vingers!” Dat is de Here. Eigenlijk is Romeinen 2 heel mooi en past het precies in onze tijd, waarin deze dingen zo, zo nadrukkelijk naar boven komen. Maar laten wij nu eens durven zeggen: “Here Jezus, wij wachten op Uw rechterstoel. Maranatha! Wij wachten op Uw rechterstoel Here Jezus!” Paulus zegt: “Voor mij, weggelegd de kroon der gerechtigheid die de rechtvaardige Rechter mij in die dagen geven zal. Daar verlang ik naar. Ik verlang er naar om daar te zijn.” Ik ook. Ik heb een aantal dingen meegemaakt. Ook dingen die niet opgelost zijn, meegemaakt. Moeilijke dingen. En in mijn hart gezegd: “Here ik laat het los, totdat U uitspraak doet! Ik ga niet in hoger beroep, ik laat het los.” Ik wil niet langer beoordelen, want in het beoordelen van anderen zit altijd, altijd, iets negatiefs. En daar word je niet blij van, dan blijf je bezig met dat verkeerde of met die ander, of dat wat niet goed is, of wat je misschien zelf anders had moeten doen. Laat dat los. Geniet van de Here Jezus en erken opnieuw dat de goedertierenheid van God, dat die tot boetvaardigheid heeft geleidt. Want op het moment dat je anderen oordeelt, ben je weer onboetvaardig. Heb je weer een soort element van vroeger teruggepakt, en ben je weer bezig met iets wat vroeger bij jou ook voor handen was. Moeilijk? Romeinen is niet makkelijk maar wel heel mooi en heel erg actueel. De Here zegene u en laat u genieten van het geweldige werk van de Here Jezus. En make u blij, geve u het verlangen om voor Hem te leven en uit te zien naar het moment waarop Hij, de rechtvaardige Rechter, die dag ingaat met jou. Here Jezus laat maar weggaan wat er niet goed is aan mij, laat maar wegebben en laat maar verbranden wat er aan verkeerde elementen is. Laat maar overblijven wat voor U is, voor Uw welbehagelijk is. Wat U eer en glorie oplevert. Here Jezus, dat is mijn verlangen. Amen.
Ik wil nog graag met u danken:
“Onze God, onze Vader, we willen U danken voor dit moment. Enne, we danken ook voor Romeinen 2. Dank U voor de lessen die daaruit te trekken zijn. Die zo belangrijk zijn voor vandaag. Vader wilt U zo bijzonder werken in mij, in ons, door Uw Heilige Geest. Wilt U ons, ja, het kijken naar anderen laten stoppen. Laat het kijken naar de Here Jezus, en het zien op Hem steeds sterker worden. Laten we alstublieft beseffen, Vader, dat die geweldige genade van U, die enorme grote goedheid van U, ons tot bekering heeft geleidt. Dank U wel daarvoor. Dank U Vader, voor het werk van Uw genade. Voor het werk van de Heilige Geest in ons, die ons tot boetvaardigheid bracht, die ons tot erkenning van schuld bracht. We willen U danken en prijzen. We willen U ook danken voor elkaar. Vanavond hebben we een paar namen genoemd bij de mededelingen. Ook heb ook gehoord dat broeder —– in het ziekenhuis is geweest en dat hij geopereerd is en dat het goed met hem gaat. Van twee kanten heb ik dat bericht gekregen vanavond. Ik wil U ook danken voor zijn rust. We hebben daar meermalen met hem voor gebeden en U hebt die rust gegeven. Ik wil U ook bidden voor hem, om verder herstel. En ook voor zijn moeder. Ik wil U ook bidden voor ons, voor de komende dagen. Laat het rustig en stil moge zijn en blij moge zijn en sterk moge zijn. Krachtig in U, Here Jezus. Krachtig door de Heilige Geest. En we willen U danken en prijzen voor dit moment. We dragen elkaar aan U op en bidden om Uw zegen. In Zijn naam. Amen.”