Romeinen 2 : 17 – 24

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 5. De Wet, is de Here Zelf

Bijbellezing over de brief van Paulus aan de Romeinen,
door Dato Steenhuis, 4 maart 2007
Romeinen 2 vers 17 – 24 en Romeinen 3 vers 1 – 8
We willen voor vanavond graag iets lezen uit Romeinen 2 vanaf vers 17 en we gaan door tot en met 3 vers 8.
17] Indien gij u dan Jood laat noemen, steunt op de wet, u beroemt op God, zijn wil kent,
18] weet te onderscheiden waarop het aankomt, daar gij onderricht in de wet geniet,
19] en u overtuigd houdt, dat gij een leidsman van blinden zijt, een licht voor hen, die in duisternis zijn,
20] een opvoeder van onverstandigen en een leermeester van onmondigen, daar gij in de wet de belichaming der kennis en der waarheid bezit, –
21] hoe nu, gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet? Gij, die predikt, dat men niet stelen mag, steelt gij?
22] Die overspel verbiedt, doet gij overspel? Die gruwt van de afgoden, pleegt gij tempelroof?
23] Die u op de wet beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de wet?
24] Want de naam Gods wordt om u gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven staat.
25] Want besneden te zijn heeft wel betekenis, indien gij de wet volbrengt, maar indien gij een overtreder van de wet zijt, is uw besnijdenis tot onbesnedenheid geworden.
26] Zal dan, indien de onbesnedene de eisen der wet in acht neemt, zijn onbesnedenheid niet voor besnijdenis gelden?
27] Dan zal de van nature onbesnedene, doordat hij de wet volbrengt, u oordelen, die, hoewel in het bezit van letter en besnijdenis, een overtreder van de wet zijt.
28] Want niet híj is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dát is besnijdenis, wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt,
29] maar híj is een Jood, die het in het verborgen is, en de (ware) besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God
Dan zou je de vraag kunnen stellen:
1] Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? Velerlei in elk opzicht.
2] In de eerste plaats [toch] dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd.
3] Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen?
4] Volstrekt niet! Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden en overwint in uw rechtsgedingen.
5] Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen? Is God, die zijn toorn doet voelen – ik spreek op menselijke wijze – soms onrechtvaardig? Volstrekt niet!
6] Hoe zal God anders de wereld oordelen?
7] Maar, indien de waarachtigheid Gods door mijn leugen des te overvloediger is gebleken tot zijn heerlijkheid, waarom word ik dan nog als zondaar geoordeeld?
8] Het is toch niet, zoals men van ons lastert en sommigen ons laten zeggen: Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkome/tevoorschijn kome ? Het oordeel over deze is welverdiend.
Hele makkelijke zinnen. Op het eerste gezicht goed te begrijpen. Best zwaar. Ik bedoel eigenlijk: het is best pittig. Een hele bekende brief in onze bijbel, in het Nieuwe Testament, horend bij die speciale bediening die de apostel Paulus heeft. Namelijk om het geheimenis van Gods hart te openbaren, het Evangelie van God aangaande Zijn Zoon te schilderen. En juist die brief is zo moeilijk om te lezen. Als je het zo leest is het best moeilijk. Tenminste voor de eerste keer, en misschien ook wel als je het de tweede of de derde keer gaat lezen. Toch hoop ik dat we met Gods hulp er uit komen. En u weet nog dat we een bepaalde reden hebben om deze brief in deze avonden stuk voor stuk, stukje voor stukje, te bespreken. Het gaat erom dat er een brief ooit geschreven is aan een gemeente in het Romeinse Rijk. Toen was het echt een gemeente in Rome. Rome was – dat zult u snappen – het centrum van het Romeinse Rijk. Wij leven nu weer in die tijd. Het herstel van Europa heeft z’n gevolgen. We hebben allerlei Europese wetgevingen en invloeden en Europese verdedigingswerken. We hebben van alles, in politiek en in militair opzicht in Europa. Dat Romeinse Rijk, dat er ooit geweest is, en er een hele tijd niet was, en nu weer is, is vandaag rondom ons zichtbaar. Daar kun je niet omheen. De bijbel had het ook voorzegt, maar nu is het zover. En in die tijd is er een gemeente. Een gemeente dus, in het Romeinse Rijk. Een Gemeente in – misschien mag ik het zo zeggen – hét grote machtsgebeuren van de toekomst. Uiteindelijk vergeleken met een verschrikkelijk beest. En op de rug van dat beest zit een vrouw, de grote hoer; het religieuze leven. En nu voelt u het al aankomen: deze brief is heel speciaal bedoeld voor óns vandaag, om te waarschuwen en om ons te helpen, om ons te motiveren en om ons niet in dezelfde valkuilen te laten lopen. Het is behoorlijk pittig begonnen, met allerlei verkeerds in deze samenleving. We hebben dat al gehad. Dat ga ik niet herhalen, want u kunt het ook beluisteren, u kunt het allemaal downloaden. U kunt het, als u dat wilt, inderdaad nog terugroepen. Maar nu gaat het dan ineens over Joden. Want Joden kun je toch niet gelijkstellen met al die andere mensen? Het is toch een heel speciaal volk? Ze hebben toch een speciale toekomst? En u wilt toch niet zeggen dat we de Joden gewoon even wegschuiven? Nou, dat is zeker niet het geval. Alhoewel die brief gericht is aan een gemeente in de heidense sferen (Rome), waren daar ook veel Joden. Dat blijkt uit Handelingen 28. Er waren veel Joden bij, in die gemeente. En die Joden zouden kunnen zeggen: “Ja maar, ho, ho, je kunt het wel over de Romeinen hebben, over die soldaten hebben, en over die veroveraars hebben, en over die ja, nare lui hebben, maar je kunt ons toch niet vereenzelvigen met al die gewone Romeinse mensen?” “Nee”, zegt Paulus, “dat doe ik ook niet. Maar ik wil wel helder hebben wat jullie positie is.” Uit Romeinen 9 en 10 en 11 – dat duurt nog heel lang – blijkt dat Paulus wel terdege gevoel (ik zeg het heel voorzichtig) heeft voor de Joden. Hij zegt: “Ik wil mij zelfs wel zelf iets missen, als ik maar één van mijn verwanten naar het vlees” (ook Joden dus) “als ik maar één van die mensen zou kunnen redden! Ik wil mijzelf wel opofferen om hén te helpen, om hen te dienen! Je moet dus niet zeggen dat ik een Jodenhater ben! Het omgekeerde! Ik wil mijn leven geven voor die lui!” Je mag Paulus nooit in de schoenen schuiven dat hij een hekel had aan de Joden, hij was het zelf geweest. Hij had de gemeente van God vervolgd, maar hij was in zijn fanatieke houding zó fanatiek dat hij heel ver ging en met brieven uit Jeruzalem in Damascus ging arresteren. Dat werd zijn bekering, maar toch. Paulus. Joden. Nou daarover is vandaag ook veel te doen, in deze samenstelling van vandaag. De huidige situatie. Het Romeinse Rijk is er, er is een Gemeente in het Romeinse Rijk (was er al voordat het Romeinse Rijk weer terugkwam, maar dat laat ik nu even los) en Israël dan? Is Israël niet het grote teken van de eindtijd? Ja, amen. Moeten we niet letten op de vijgenboom? Jazeker. Je kunt je voorstellen dat ook de vraag in de Gemeente vandaag weerklinkt: “Hoe ga je daar mee om?” Nou, ik kan niet alles in één avond behandelen, dat gaat gewoon niet, maar er staat heel veel over dit onderwerp – hoe ga je vandaag om met Israël, hoe kijk je aan tegen Israël – in deze brief. Ik wilde zo graag de profetische lijn vanuit de brief aan de Romeinen laten zien, zodat het niet alleen past in de situatie van vandaag, maar zelfs behoorlijk wat kapstokken geeft voor vandaag. Dat is de achtergrond van deze serie. Joden. Joden die op de wet steunden. Zich beroemen op God, Zijn wil kennen en weten te onderscheiden waarop het aankomt. Onderricht in de wet hebben zij genoten. Ze houden zichzelf overtuigt dat ze een leidsman van blinden zijn, een licht voor hen die in de duisternis zijn, een opvoeder van onverstandigen en een leermeester van onmondigen. Daar gij in de wet de belichaming van de kennis van de waarheid bezit. Die Joden hadden de wet! En daar zitten we gelijk in een enorm stukje knelpunt. De wet is nooit gegeven – ik hoop niet dat u mij kwalijk neemt dat ik een klein beetje kort door de bocht ben – maar de wet is nooit gegeven om in de hemel te komen. Het is niet zo dat je door het houden van de wet in de hemel kunt komen. Er is maar één mogelijkheid om in de hemel te komen, en dat is door het geloof in de Here Jezus. Dat is heel essentieel. Vanaf het moment dat wij zouden zeggen dat wij door het houden van de wet in de hemel zouden kunnen komen, dan heb je het werk van de Here Jezus niet meer nodig; of hooguit – wat ook bepaalde stromingen zeggen: “Dan hebben we dat opstapje van het Nieuwe Testament nog nodig, en nu, door de Geest die in ons is, kunnen we het ook!” Dat zijn de heiligingbewegingen, die zullen altijd propageren dat je door het houden van de wet de heerlijkheid bereikt. En dat kan niet. Alleen door het geloof in de Here Jezus. Dat zal duidelijk worden. Wij dan, gerechtvaardigd op grond van gelóóf, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, Romeinen 5; duurt nog even. En het wordt een soort conclusie: Alleen door het geloof. Niet door werken, niet door inspanningen, niet omdat ik een Jood ben, niet omdat ik een Christen ben, niet omdat ik een christelijke opvoeding heb gehad, niet omdat er bij ons thuis gebeden werd, niet…ga maar even door. Níét daarom! Niet omdat we vandaag diensten bezoeken, alleen op grond van geloof. Op grond van geloof hebben we vrede met God, door onze Here Jezus Christus. Nou, u snapt de vraag: Hebt u dat? Ja… eh, moet ik daar nu een antwoord op geven? Nou, misschien moeten we toch een uurtje inruimen om te zeggen: Laat iedereen nu eens zeggen wat hij daarvan vindt. En hoever we daarin staan. Wat met het hart geloof je, maar met de mond, met de mónd belijd je. Met het hart geloof je en met je mond belijd je, of omgekeerd, in elk geval, mag het er een keer uitkomen! Je mag toch een keer zeggen: “Here Jezus, dank U wel voor dat wat U voor mij hebt gedaan. Dank U wel dat U voor mij aan het kruis gestorven bent.” We leven in de tijd die naar Pasen kijkt. Lijdenstijd heet dat. Allerlei formules worden er voor bedacht; er zijn zelfs schriftlezingen aan gekoppeld. Een heel kerkelijk programma. Nu, ik hou daar zelf niet zo van, maar het is wel gebeurd natuurlijk; het is wel in de richting van Pasen waarin we nu staan. Dus we mogen ons best afvragen: “Here Jezus, waarom? Waarom deed U dat?” Om Gods wil te doen; om Gods hart te openbaren; om Gods liefde te tonen; om Gods genade te tonen en om mensen die in de duisternis zaten/zitten Licht te brengen. Geloven in de Here Jezus. De wet, broeders en zusters, is ook niet gegeven aan een volk dat nog verlost moest worden, maar de wet is gegeven aan een verlost volk. De Israëlieten hadden al geschuild achter het Paaslam, het bloed het Paaslam. Hadden al van dat Paaslam gegeten in Egypte. Waren uit Egypte gekomen, waren op adelaarsvleugelen gedragen en tot God gebracht, tot God gebracht bij de berg Horeb, bij de berg Sinaï, en daar – volk van God, uitgekotst bijna uit de wereld – dáár heeft God Zijn wet gegeven! Niet om volk van God te wórden, dat wáren ze al! En die wet is gegeven om aan te geven wie de Here Zelf is! En dat is de moeilijkste, moeilijkste invalshoek van het bestuderen van de wet. Ik ben er diep van overtuigd dat de Tien Woorden, de wet van de Here – het gaat me nu even om de wet, alhoewel de wet ook soms veel breder ingezet wordt als vijf boeken van Mozes, of soms nóg iets anders, maar in elk geval, je kunt niet altijd precies zeggen: het is altijd hetzelfde als de Tien Geboden, soms is het ook de Thora in z’n algemene zin van de vijf boeken van Mozes – maar de wet is gegeven om de Here, om Jahweh, de HERE met hoofdletters, de HERE met hoofdletters, Jahweh te leren kennen. En Hij zegt: “Hoe zal Ik jullie nu optimaal laten genieten van Mijn zegeningen?” De Here God had gezegd: “Kijk daar is een land, overvloeiend van melk en honig, daar breng Ik jullie, daar zet Ik jullie neer.” “Daar zet Ik je neer in de meest optimale situatie”, zouden wij kunnen zeggen. “Maar hóé blijf je nu genieten van die optimale situatie? Hoe red je dat? De Heer zegt: “Ik zal je de spelregels laten geven. Ik zal je laten zien wie Ik Zelf ben, want je ontmoet Mij daar, Ik woon daar. Het is Mijn land. Nog steeds is het Zijn land. Niet het land van de Palestijnen en zelfs niet het land van de Israëlieten. Het is het land van de HERE. En de Here zegt: “Het is Mijn land en Ik geef dat land aan wie Ik wil.” Dat is de discussie. Die wordt niet zo gevoerd vandaag, maar dat is wel de eerlijke invalshoek; het is de bijbelse invalshoek. Het Land is van de Here. En de Here zegt: “Ik woon daar. Ik wil daar wonen. Ik wil daar een plek hebben in het midden daarvan.” Er zijn heel, heel veel teksten die geven de indruk, die geven de uitleg van: de Here wil daar wonen, Hij zal daar zijn, Zijn Glorie is daar, Jeruzalem is van Hem en de tempel daar is Zijn woonplaats, het Huis van de Vader. Ze hebben dat Huis van de Vader tot een rovershol gemaakt; dat is mislukt, het was wel Gods plan. De Here zegt: “Hoe kunnen jullie nu bij Mij wonen, als jullie niet weten wie Ik ben? Ik zal je laten zien wie Ik ben. Ik zal openbaar maken wie Ik ben, Jahweh.” En weet u hele merkwaardige opmerkingen in de vijf boeken van Mozes over wie de Here is. En de Tien Woorden, de Tien Geboden, zijn als het ware een soort verkleining, versmalling, als het ware een soort samenvatting van al die andere woorden. De wet. Door de wet is er een belichaming voor de kennis van de Waarheid. Als je écht de wet – dat wat God gezegd heeft, waarin Hij Zichzelf openbaart, waarin Hij laat zien wie Hij is, waarin Hij Zijn wezen toont, ten diepste laat zien: zo en zo zit Ik in elkaar – als je die wet hebt, heb je de belichaming van de Waarheid en van de Kennis! Daarom is het Spreukenwoord waar: de Vreze des Heren (eerbied hebben voor de Here, ontzag hebben voor de Here) dat is het begin van Kennis en van Wijsheid. Nu lopen evangelische christenen gigantische gevaren vandaag. Die zeggen: “De wet? Die is voorbij, dat hebben we gehad. Christus is het einde van de wet voor wie gelooft. Punt. Lezen we niet meer voor op zondag, houden we ons ook niet meer aan. We doen gewoon wat we zelf misschien goed vinden. De wet is voorbij.” En die evangelische christenen kijken een beetje meewarig naar die reformatorische christenen die elke zondag nog de wet horen voorlezen en vinden dat maar niets. Want ze komen nooit tot bevrijding, ze komen ook nooit tot danken, ze komen niet tot een soort juichtoon. Wees voorzichtig, Evangelicalen. Ik hoor er zelf bij hoor, bij die club. Maar ik kom uit die reformatorische hoek, waar elke zondag de wet werd voorgelezen. Moet het dan zo, zoals het daar gebeurde? Nou, dat ga ik nu ook niet zeggen. Maar ik ga u wel zeggen dat u er niet omheen kunt. Als de Here Jezus het heeft over de wet, dan zegt Hij: “Geen klein leestekentje, niets van die wet, kan weggaan. Want het is Gods Woord. En de wet is heilig, de wet is goed.” Zegt Paulus: “Blijf er met je vingers af.” Zo is het bijna. Je voelt het aankomen. Het is best een spannend onderwerp. Hoe gaan we vandaag om met de wet? En ik weet dat hier, in deze zaal, mensen zitten die eigenlijk elke zondag nog de wet horen voorlezen, en zich daarin welbevinden. Maar er zitten ook mensen die evangelisch zijn en zeggen: “Ja, dat wíllen we helemaal niet! We willen niet terug naar vroeger! We hebben de Here Jezus leren kennen!” Alsof de wet dan voorbij is. Zelfs als Christus het einde van de wet is, wordt het dan niet tijd dat jij je gaat realiseren waarom je vrede met God hebt? En wat de Here Jezus dan gedaan heeft en hoe Hij dat werk tot stand gebracht heeft, en wie Hij ten diepste is, óm die wet in die zin, te vervullen? Alles wat van de wet in de bijbel staat en in de Schriften is te vinden is, in de Here Jezus terug te vinden. Alleen al daarom zou je de wet kunnen bestuderen, om er achter te komen wie de Here Jezus is. En dat vergeten we. “Nee dat is voorbij. Nee, we leven in de tijd van de genade.” Het is me veel, en veel te gemakkelijk. Joden. Joden die protesteerden ook toen zo’n brief kwam: “Ja, dat u die Romeinen, die veroveraars, dat u die aan de schandpaal nagelt Paulus, amen, amen, daar gaan we wel in mee. Maar dat u ons, Joden aanspreekt? Nee, wij zijn toch anders. Wij zijn het volk van God. God heeft Zijn beloften, Zijn toezeggingen, aan ons gegeven. Wij hebben van alles. Wij hebben geweldige zegeningen. U kunt ons niet op één lijn stellen met al die heidenen.” En Paulus doet het wél. Waarom? Omdat hij ze onder één noemer vat: mensen die onder de wet gezondigd hebben zullen door diezelfde wet bekeken, beoordeeld worden. En de mensen die zonder de wet gezondigd hebben, zullen zonder de wet beoordeeld worden. En die wet, die is veel en veel belangrijker en veel meer dan wij vermoeden. Weet u wat het erge is van vandaag? Dat er een christendom ontstaat zonder wet. Ik heb het net over Evangelicalen gehad, die ergens zoiets hebben van: “Wij leven nu in de tijd van Gods genade! Halleluja! Ik ben een kind van God!” Amen, ik ga mee; ben ik ook. Niet zo ver dat je zegt: “De wet is gewoon voorbij, daar moet je niet meer over praten, dat is van vroeger. Of dat was van de Joden.” Dat klopt niet. Maar er zijn ook hele, hele volksstammen vandaag, die zich christelijk noemen en die denken dat ze alle Wijsheid in hun binnenzak hebben maar die er ook niet naar leven; die er gewoon helemaal niets mee doen! En die het niet hebben over de Here Jezus, maar over zichzelf. Die alleen maar voordragen – is een beetje te kort door de bocht misschien – uit eigen werk. Dat is een gigantisch probleem. Ik weet niet of u dat weet. Natuurlijk weet u het, eigenlijk weet iedereen het. Op weg naar Houten vanmorgen (we reden in de auto) een meditatie van waarschijnlijk een soort theoloog uit Groningen. Er komt uit Groningen ook allerlei raar volk. Maar goed, die was voor de radio, voor de NCRV – Woord op Zondag, als ik dat programma goed onthouden heb. Heeft hele mooie zinnen gebruikt. Mooie dingen gezegd, maar hij heeft het niet over de Here Jezus gehad. Hij legt uit op een manier van: nou, zo is het! Terwijl het niet meer om de Here gaat, het gaat er om hoe jij omgaat met de buurvrouw of met je broer, zus of vul maar in. Horizontaal dus. Is dat geen goede boodschap? Is dat ook niet nodig zo nu en dan? Nodig. Wis en waarachtig. Heel, heel concreet. Maar de andere kant van de medaille is, is dat je niet omhoog kan worden getrokken wordt. Zij, de Joden, zeiden: “Ja, maar wij zijn een apart volk! Kom, kom, kom! Wij zijn heel wat meer dan die heidenen! Wij hebben de wet en door die wet zijn we leraren geworden, zijn we licht in de duisternis geworden! We hebben ik weet niet wat aan bagage bij ons! We hebben geweldige dingen bij ons!” “Ja”, zegt Paulus, “maar door jullie wordt de naam van God gelasterd. Jullie doen er helemaal niets mee!” Je voelt hem aankomen. De parallel is mes en messcherp. Wat is er nog over van het getuigenis van God op aarde? Wat is er nog over van het feit dat het Woord van God – Sola Scriptura, alleen de Schrift; u weet het nog wel he, van Luther en van Calvijn en een aantal lieden na hen – Sola Scriptura! Alleen geloof ook, Sola Fide. Natuurlijk ook Sola Gracia, alleen genade. Ze hebben al die dingen gehad. Maar wat is er nog van over? Want om ons, wordt de naam van God gelasterd! Als ik hoor in het Haagse jargon van vandaag de dag: “Ja, dat is nog een calvinistisch trekje!”, nou, dat is hartstikke negatief. Daar schaam ik mij voor aan de ene kant – áls het negatief is. Aan de andere kant, dan schaam ik mij helemaal niet voor het feit dat ik in die calvinistische kring ben opgevoed, want daar heb ik respect voor het Woord van God leren vinden, leren horen; heb ik ze horen zeggen, en heb ik ook overgenomen. Ik heb vele, vele dingen daar gehoord, gelezen en het bestuderen van de Schrift was daar heel gewoon. En als men dan zegt: “Ja, dat is nog een calvinistisch trekje”, dan betekent dit, dat van de kerk in feite nog een soort kleurtje van vroeger over is, maar ze kunnen daar helemaal niets meer mee. En door het gedrag van christenen die elkaar in de haren vliegen, elkaar afkatten, elkaar bekampen, bevechten en bestrijden, zegt men: “En dat dan?” Wat is er dan nog over van dat hooggeroemde christelijke moraal? Niets meer. Op de wet steunen. Weten waarop het aankomt. Onderricht gehad. Leidsman van blinden. Licht in duisternis. Opvoeders. En leermeesters. “Jullie hebben Gods wet”, zei Paulus. Maar dat betekent, dat de verantwoordelijkheid des te groter is. En dat is ook voor ons wel terdege een les. Je kunt niet zeggen: “Het doet er niet toe”. En je kunt ook niet zeggen: “Geloven doe je op zondag.” Of: “Geloven doe je in de kerk.” Dat gaat niet. We zullen moeten erkennen dat wij, die zoveel hebben toevertrouwd gekregen, ook verantwoordelijkheid hebben gekregen op hetzelfde moment. En ik wil ook graag dat het helder is. De Joden, die even protesteerden, die krijgen van Paulus te horen: “Ja, ja, ja. Oké, oké, zeker, het is waar. Jullie hebben een buitengewone positie, want aan jullie is het Woord van God toevertrouwd. De Woorden van God zijn aan jullie toevertrouwd! Dat wat God te zeggen had, ging via het volk Israël. En uiteindelijk zal dat blijken. God maakt dat ook waar. Want als dat nieuwe Jeruzalem van God uit de hemel neerdaalt… de fundamenten van de muur: de 12 apostelen van het Lam… de fundamenten van de 12 poorten ook, maar op die poorten staan namen van de 12 stammen van Israël. Met andere woorden: in de toekomst, in de eeuwigheid, zal zichtbaar worden: het is door de Joden gebeurd, het is door hén! Want aan hen zijn de Woorden van God toevertrouwd en uit hen is de Christus (wat het vlees betreft) gekomen. Het ís ook uniek! Het is een heel bijzonder volk! Maar ze hebben er niet naar gehandeld. Ze hebben het af laten weten. En ze hebben de Here God verlaten. En dat is ten hoogste zichtbaar geworden toen ze massaal “Nee!” zeiden tegen de Here Jezus! Ze hebben Jahweh Zelf verkwanseld. Ze hebben Hem aan de handen van de Romeinen. En als de Joden zich nu gaan beroemen van “Ha, ha, wij zijn gelovig, wij zijn religieus, wij zijn godsdienstig van het begin af en we hebben de oudste papieren, we hebben de oudste rechten” (alsof het een erfenis is), dan zegt Paulus: “Ho, ho, maar zó zit het niet! Jullie zijn, heel, heel ver weg gezakt. Want door jullie wordt het Woord, wordt de Naam van de Here God, gelasterd.” Dat is heel scherp, en dat is heel moeilijk. Ik heb iedere keer ook even teruggekoppeld aan ons, omdat ook aan ons zoveel toevertrouwd. Jullie hebben een bijbel! En jullie zijn op de hoogte van deze dingen. Wat doen jullie daar dan mee? Gaat dat gewoon mee, naar de volgende zondag? Of… krijgt het een invulling op maandag tot en met zaterdag? Waarom leef je er niet naar? Als je dan zulke geweldige voorrechten hebt, waarom leef je daar dan niet naar? En Gods naam wordt gelasterd. En dan word het, ja, dan krijgt het gesprek een tweede laag. Ja maar, nou even los van de wet, even los van het feit dat we Joden zijn, wij zijn ook nog besneden! We horen bij het volk van God! We zijn er lijfelijk –als het ware – ingebracht! Inderdaad, God heeft de besnijdenis gegeven als teken en zegel van Zijn verbond. Hij heeft tegen Abraham gezegd: “Dit land is van jou. Ik geef het je. Ik geef het je nazaten. Ik geef het echt, onvoorwaardelijk. Ik geef het jou. En als teken: de besnijdenis.” Jongetjes werden besneden. Alleen jongetjes. Ik ga niet katten over kinderdoop en volwassendoop, hoort u mij niet over. Ik ga alleen zeggen: zo lag het toen. Niet de meisjes, alleen de jongetjes. Waarom? Omdat zij het zaad hadden, om het zo te zeggen: de verwekkers waren, de doorgaande lijn konden realiseren. En God zegt: “Juist, daar waar de doorgaande lijn gerealiseerd wordt”, ik zal het zo voorzichtig mogelijk zeggen, “juist daar, wil Ik besef bijbrengen dat Ik er ook in betrokken ben, dat het een heel bijzonder iets is.” Besnijdenis. Het had net zo goed bij een oor gekund. Begrijpt u wat ik bedoel? Maar dat is niet zo geweest. Het is op een heel andere plek geweest, om iets duidelijk te maken. En zij zeiden: “Ja maar, wij zijn besneden, wij horen bij het volk van God! En wij, wij verwekken het volk van God! Wij gaan door, ónze kinderen, ja, die vormen weer het volk van God.” “Ja”, zegt Paulus, “maar dan moet je ook de wet houden; en dat doe je niet. En dus kijk ik naar die onbesnedenen, ik kijk naar die heidenen, die de wet niet hebben en die de besnijdenis niet hebben maar die in hun hart dingen doen die jullie hadden moeten doen!” Ik weet niet of Paulus gedacht heeft aan Pilatus. Het is een wat slap figuur, dat weet u, maar hij heeft toch zeven keer gezegd: “Ik vind geen schuld in Hem.” Zou dat tellen? Zou dat misschien meetellen? Ja, dat telt ja… Wie zei daar bij het kruis: “Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon!”, wie zei dat? Nou, een Romeinse soldaat, of overste, of kapitein ofzo, in elk geval een militair van die club. Waar vond het evangelie van God gehoor? Toen Paulus deze brief schreef, toen was er al een gemeente in Rome. Waarschijnlijk ontstaan uit – de eerste avond gezegd – door Cornelius en zijn Italiaanse bende, in Handelingen 10. Cornelius, weet je wel, in Ceasarea; van daaruit zijn die lui naar Rome gegaan en hebben daar verteld wie de Here Jezus is en er is een gemeente ontstaan. Heidenen, onbesnedenen, die doen wat God wil! Ik zeg niet dat Pilatus een gelovige geworden is. Ik zeg niet dat die hoofdman daar bij het kruis een gelovige werd. Maar ik ga wel zeggen dat hij erkende: dat is Gods Zoon. En u weet misschien, hele kleine, hele kleine opmerkingen tellen heel zwaar, in de Schrift, heel vaak. Heidenen, niet besnedenen, doen wat de wet zegt. En jullie, besnedenen, met de wet in de hand, doen het niet. Hun onbesnedenheid – wordt niet gezegd: die moeten alsnog besneden worden, dat staat nergens, wees voorzichtig, dat staat hier ook niet – maar hun onbesnedenheid, geldt voor God als besnedenheid. Dát is Mijn volk! Dát bedoel Ik nou! En die van nature onbesneden, worden door God gezien als besnedenen: Besnijdenis van het hart. Zij hebben nooit in de lijfelijke zin een besnijdenis ondergaan; ze hebben wel een hele grote ommekeer meegemaakt. Dát is de insteek, daarover heeft Paulus het. Hij zegt dus: “Ik kijk niet naar de uiterlijke vorm, want die uiterlijke vorm die hebben jullie nog.” En misschien bestond – in de dagen dat hij deze brief schrijft – bestond de Tempel nog in Jeruzalem. Die is pas in het jaar 70 verwoest. Het zou best kunnen dat, ja, dat het er nog helemaal was en dat de hele dienst nog intact was en dat er nog elke dag een offer gebracht werd, dat er nog van alles gebeurde en dat de synagogen nog vol zaten met mensen die onderricht kregen en die ook nog het idee hadden: en wíj zijn beter dan al die anderen! Ik had er de vorige keer al over die moralisten – mensen die altijd iets beter weten dan anderen. Maar nu gaat het om de Joden, die denken: “Ja, het gaat niet om een gewoon gevoel van “ik weet het beter” want we zíjn ook anders, wij zijn heel anders, wij zijn Joden, wij hebben de besnijdenis, wij hebben de wet; wij hebben het Woord van God! De belichaming van de Kennis, van de Wijsheid is bij ons.” Joden, besneden zijn heeft geen zin. Als je de wet niet volbrengt, zegt het niets. Besnijdenis heeft alleen maar zin als je ook de wet volbrengt. En onbesnijdenis is een besnijdenis als de wet volbracht wordt, een besnijdenis van het hart. Dat zijn wat moeilijke woorden, maar lees nu eens gewoon dat stukje tekst nog een keer door – misschien vanavond misschien morgenvroeg – en dan zul je ontdekken dat de redeneertrant, de manier waarop hij het zegt, niet zo moeilijk is; het valt wel mee, het is best te begrijpen. In elk geval. Want wat is dan het voorrecht van de Jood, hoofdstuk 3 vers 1? Nou ja, veel. De woorden van God zijn hun toevertrouwd, dat citeerde ik al. Ze hebben een heel bijzondere plek in Gods plan. En voor het geval u nu bedenkt van: “Ja, Dato schrijft de Joden áf, en die zegt gewoon: “ze hebben het gewoon helemaal verknald dus het is over en uit”, dat is níét zo. Want juist in het kleine stukje van hoofdstuk 3 vers 1 tot en met 8 worden hele belangrijke dingen gezegd. Dingen die we al eerder aan de orde hebben gehad hier. Namelijk dat hun ontrouw, hun verkeerd gedrag, zelfs het feit dat door hun gedrag de Naam van God gelasterd wordt, dat dit nooit betekent dat Gods gedachten omtrent het Joodse volk voorbij zouden zijn; dat betekent het nooit. We hebben dat in ander verband meermalen hier gehad. Voorbeeld was altijd Adam en Eva, die hebben het op een bepaald moment helemaal laten afweten. Heeft God toen gezegd: “Ja, Ik heb jullie willen zegenen, maar nu kan Ik er ook niets meer aan doen! Eigen schuld, nu zit je ermee.”? Is dat zo? Was dat einde verhaal? Zat God dan met de rug tegen de muur? Nee. God is nooit gekoppeld aan onze ontrouw. Hij is altijd gekoppeld aan Zijn eigen trouw. Niet onze ontrouw bepaald de route, maar Zijn trouw bepaald de route! Dat is heel, héél essentieel. Ook als je hier zit als gelovige, en misschien ontrouw wordt op een bepaalde dag, tijdelijk of een langere tijd, zou dat betekenen dat God zegt: “Ja, nou kan Ik er ook niets aan doen. Ik had je in de hemel willen tillen, maar ja, Ik heb je niet helemaal in de hand.” Is dat zo? Daar zitten heel wat mensen mee hoor! Die zitten zich danig af te vragen van: ben ik wel een kind van God want ik heb het helemaal verknoeid; ik heb het niet goed gedaan: die dingen waren fout en die dingen waren fout. Misschien zitten er hier, vanavond in deze zaal, wel heel veel mensen die zeggen: “Ja maar… poe… als ik aan m’n eigen leven denk, aan alle puin denk die in mijn leven te vinden is… ja…oei!” Zal onze ontrouw Gods trouw teniet doen? Een eerlijke vraag, beantwoorden. Mijn antwoord is: dat kan nooit! Want Zichzelf verloochenen kán Hij niet! Dit is een geweldige troost, weet je dat? Als God tegen jou zegt: “Je zonden zijn vergeven, je schuld is weg.” Komt Hij daar dan op terug? Dat is een moeilijke he? Want u zegt: “Ja, ja, broeder, maar eh, vanmorgen voor de NCRV radio zei dominee huppeldepup uit Groningen, eh, moet je eens luisteren, “als jij de ander de zonde niet vergeeft, dan trekt God Zijn vergeving in”, letterlijk geciteerd, dat heb ik goed onthouden. Met andere woorden: als ik het niet goed doe, dan trekt God zijn vergeving in. Dit is een hot-item vandaag. Hoe weet ik nu zeker dat Gods vergeving eeuwig is? Omdat God Zelf eeuwig is. Omdat Hij, de Here Zelf is, die zegt: “Ik zie jou in Christus. Ik zie je in Mijn Zoon. Ik zie je in de Geliefde. Ik zie je als aangenaam in Hem. Je bent voor Mij een schitterende bloem. Je hoort voor Mij en van Mij en door Mij, in Mijn Huis, Ik wil je daar ook hebben!” Is dat gekoppeld aan míjn, mijn succes, mijn volharding, míjn geloofstrouw? Nee! Het is gekoppeld aan Zijn plan. Ja maar, die teksten dan? Het Onze Vader. Ja, dat wordt een hele moeilijke, dat kan ik u vanavond niet in één avond uitleggen. Ik kan u alleen vertellen: als het om onze praktijk gaat, onze praktische levenshouding vandaag, dan moet u het Onze Vader daarin plaatsen. Er is een heel groot verschil in de Schrift tussen de positie die je hebt in Christus – aangenaam in Hem, in Hem eeuwig leven, wie de Zoon heeft, hééft het leven, komt niet in het oordeel, zo is er geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn; het is in alles schitterend in Hem, het is magistraal in Hem, alles, álles, álles, álles, je positie in Christus… subliem! Maar nu wordt gevraagd hoe jij in de praktijk hier inhoudt aan geeft. En dan wordt gezegd: “Moet je eens luisteren, als jij je broer niet vergeeft, dan kan Ik je ook niet gebruiken.” Betekent dit dat ik van mijn positie geplukt word, gerukt wordt; dat ik die positie dan ineens kwijt ben? Nee! Dat betekent dat je voor God, hier op aarde niet meer bruikbaar bent! Precies zo met Israël! Gods positie van Israël is heel helder. En Gods plan met Israël gaat door, hoe dan ook. Toch… ze worden op dit moment schaakmat gezet, want ze geloven niet meer dat Hij dat zal doen. Dat gebeurt wel, want Gods plan met het oude volk gaat gewoon door. Daar is geen twijfel aan, wat God gezegd heeft, gaat gebeuren. Maar ze kunnen door hun ontrouw Gods trouw niet teniet doen. Maar hun ontrouw bewerkt wél dat ze onder de toorn van God vallen, dat ze – zal ik maar zeggen – tijdelijk, tíjdelijk aan de kant gezet zijn. Dat is de taal van deze brief, daar kom ik op terug. Daar komt een moment dat ze terugkomen. Heel duidelijk. Het zou kunnen zijn dat je in je eigen leven een periode hebt, dat je tijdelijk niet meer als getuige van de Here Jezus, als spreekbuis van God kunt fungeren, omdat er van allerlei dingen niet goed zijn. Maar dat wil niet zeggen dat je afgeschreven bent voor God! Dat is een héél belangrijk punt. Ik hoop dat het helder is, dat je door het geloof in de Here Jezus een nieuwe schepping bent. Niet een nieuwe schepping bent áls je daarna goed je best doet, geen fouten meer maakt. Je bént een nieuwe schepping, het oude ís voorbij, het nieuwe ís gekomen. Je hebt eeuwig leven, leven uit God. Dat nieuwe, dat eeuwige leven kán ook niet zondigen; wat uit God geboren is kán niet zondigen. Geweldige zegen. Je hébt dat. En toch kan door jouw ontrouw, jouw getuigenis te grabbel gegooid worden, of wég zijn, niet meer overkomen; niet meer bruikbaar voor de Here. Dat is de taal. We moeten dat héél scherp houden. En het Onze Vader hoort bij ons getuigenis op aarde, bij dat Koninkrijk. Niet bij het feit dat we in het Lichaam van Christus zijn, want dat is super, Hij het Hoofd, wij de leden. Maar dat wij hier op aarde een Koninkrijk vormen waarvan Hij het Hoofd is, de Here is, de Koning is, en daar strijden we. En er kunnen soldaten vallen aan het front en er worden anderen in hun plaats gezet. Dat wil niet zeggen dat die, die gevallen zijn, omkomen, niet meer in de hemel komen; ze komen in de hemel omdat ze geloven in de Here Jezus. Ik hoop niet dat dit te moeilijk is, maar het is wel heel belangrijk dat je dit onderscheidt hebt. Dat je iedere keer opnieuw blijft zien: wie ik in Christus ben, dat is super, geweldig, prachtig! “Here Jezus daar wil ik U voor danken!” En dat is een extra motief om je ook in de praktijk van elke dag te wijden aan Hem, te geven aan Hem, te gaan voor Hem! De Joden moesten hier horen dat vanwege hun gedrag, vanwege hun houding, de Naam van God gelasterd werd; dat zij niet fungeerden en dat zij aan de kant gezet zijn. Tijdelijk, zegt Romeinen 9. Daar kom ik dus later op terug, heel concreet, want Israël heeft een prachtige toekomst. Ze zijn niet definitief van de kaart geveegd. Dat is niet het einde van dat volk. Dat is niet het einde van hun toekomst. Het is nadrukkelijk zo dat ze een bijzondere toekomst hebben. Maar het ontrouwe van Israël, kan nooit Gods trouw teniet doen. En God móét wel ingrijpen bij Israël, God móét hen wel in de kraag vatten. En God móét wel zeggen: “Wat je nu doet is fout! Ik kan je zo niet gebruiken!”, want anders zou God – een beetje raar geredeneerd – ook geen been hebben om de heidenen tot de orde te roepen. Dat is een beetje rare opmerking misschien, maar dat is wel de inhoud van wat hier staat. De Here God is rechtvaardig: Zo is, wie in Christus is, een nieuwe schepping; Wij dan gerechtvaardigd op grond van geloof. Ik ellendig mens, als het aan mij ligt kom ik er nooit, maar ik dank God door Christus Jezus onze Here. Israël, Gods volk, komt terug, omdat Hij het Zelf wilt, omdat Hij het Zelf doet, heeft een prachtige toekomst. En wij, die vandaag hier op aarde zijn, en een taak hebben om in dit Romeinse Rijk van vandaag, te getuigen, we moeten ons ook eens leren realiseren wie we zijn. Met alle respect voor wat er aan wetenschap is, wat er aan kennis is, wat er aan knowhow is, in de wet vinden we de belichaming van de Kennis en van de Wijsheid. En als het Woord van God, als de wet des Heren, niet meer gelezen wordt, gehanteerd wordt, bestudeerd wordt, welke Kennis is er dan? Welke Wijsheid is er dan? Dan is er geen Wijsheid. We moeten terug. In deze tijd, waarin alle, alle aanvallen bijna tegelijk komen op het Huis van God, op de Gemeente, en bijna alles onderuit geschoffeld wordt op alle mogelijke manieren, moeten we terug, terug naar het oude fundament, het oude fundament. De Here zegt: “Ik heb Mijzelf laten zien toen Ik de wet gaf; toen Ik Mijn Tien Woorden uitsprak; toen ik Mozes die wet, die Thora liet schrijven, heb Ik Mijzelf laten zien. Je kunt Mij leren kennen. En dat is nu precies wat de Here Jezus overneemt in het Nieuwe Testament. En Hij ís de Jahweh, de HERE van het Oude Testament, maar nu in het Nieuwe. En Hem te kennen is álles. Hem te hebben als je Heiland en als je Verlosser, is álles. Hem te volgen is Wijsheid. Hem te vertonen is Licht. Hem, Hem uit te dragen is Kennis. Daar snákt deze wereld naar. Of ze het horen willen? Dat weet ik niet, want er zullen op hetzelfde moment andere stemmen, andere geluiden zijn die op alle mogelijke manieren proberen om ons die kant op te duwen. En we moeten terug naar het geweldige, mooie, en schitterende van de Here Jezus. Zou je Romeinen 2 en de eerste verzen van 3 vanavond nog een keer willen lezen? Misschien snap je het. Misschien snap je de draad, ik denk het wel. En zo niet, luister dan nog een keer naar dit. En probeer het je eigen te maken, maar probeer ook te zeggen: “Here Jezus ik wil U danken, dat U Uzelf liet zien. En ik wil U leren kennen Here Jezus. Ik wil er achter komen wie U bent. En ik wil zo graag groeien in mijn geloof. In deze tijd, het Romeinse Rijk van vandaag, willen wij graag die Gemeente zijn, die overeind blijft en die de aanvallen van de tegenstander kan weerstaan.” Zo willen we elkaar aan de Here opdragen. Amen.
“Onze God, onze Vader, we willen U danken voor wie U bent. En we willen U danken dat U Uzelf liet zien in de wet. De belichaming van de Kennis en van de Wijsheid. We willen U danken Vader, dat U liet zien hoe Uw hart klopt voor Uw volk. En dat U ze zo graag zegent. Dat U ze zo graag dichtbij Uzelf hebt. Dat U ze in optimale zin wilt laten genieten van Uw eigen heerlijkheid en glorie. En Uw volk, het oude volk Israël, liet het afweten. En nu komt er een brief. En dat oude volk zegt nog steeds dat ze een stukje voorsprong hebben, wat voorrechten hebben, wat anders in deze situatie staan. Paulus maakt duidelijk dat dit niet zo is. We willen U danken dat de lijn van dit onderwijs verder gaat. Maar we danken U ook dat U ons wilt aanspreken op diezelfde punten. Daar staat een toepassing, een soort profetische toepassing, voor ons, vandaag de dag. Wij die zoveel ontvangen hebben, die zoveel oudvaders hebben, die zoveel hervorming hebben, of reformatieachtige dingen hebben. We hebben zoveel lectuur, we hebben zoveel preken (vastgelegd of niet vastgelegd). We hebben zoveel informatie. En wat doen we ermee? Is het alleen maar kennis? Zijn het de studeerkamers die volstaan met boeken of is het een stukje praktijk? Daarom willen we bidden of wij, in deze donkere tijd, een Licht zullen zijn voor mensen die in de duisternis zijn; een Leermeester zullen zijn voor onmondigen en onkundigen. Dat we echt uitdragen wat echte Kennis en echte Wijsheid is. O Vader, wilt U zo Uw Woord zegenen van vanavond. Een hele bijzondere zegen geven, ook in het nadenken daarover. We bidden voor elkaar. We willen elkaar aan U opdragen en U hartelijk danken Vader dat U ons héél dicht bij Uzelf wilt hebben; dat U ons in Uw eigen Vaderhuis wilt hebben; dat U ons rondom de Here Jezus plaatst. En dat is niet gekoppeld aan onze trouw, we kwamen er nóóit. Dat is gekoppeld aan Uw trouw. Onze positie in Christus is zeker, is vast, is veilig, is absoluut. We willen U ook bidden of onze praktijk écht zódanig is, dat U ons kunt blijven gebruiken tot glorie voor U. Zo willen we elkaar aan U opdragen. En ook samen bidden voor broeder — in Ede, in het ziekenhuis. We hebben er van gehoord. We hebben gehoord van zijn longontsteking, van zijn hartprobleem, van andere dingen; we willen U bidden dat hij tot herstel mag komen. Wilt U de medicatie zegenen, het onderzoek zegenen. We hebben ook gehoord van broeder — uit Ede die nu in De Meent verzorging ondervindt, revalidatie krijgt. Het gaat goed met hem. We danken U dat hij steun vindt in dat geweldige geloof in de Here Jezus. We bidden U ook voor hem om verder herstel. We bidden ook voor —-. U weet hoe ze is en wat er gaande is. We dragen haar aan U op en bidden Uw zegen voor haar. We bidden U ook zo voor elkaar. Velen hebben een lijst. We zitten in geweldige nood. In huwelijksnood, in gezinsnood, in kerkelijke nood, in maatschappelijk nood, financiële dingen, zakelijke dingen. Vader, we zien ook een enorme nood om ons heen vanwege de enorme verschillen die er zijn in kerkelijk Nederland. En hoe de één de ander bestookt, er allerlei gebeurt. We bidden om vrede, om rust, maar om een hele concrete visie op Uzelf Vader en visie op de Here Jezus. Wilt U zo deze dienst gebruiken tot glorie van Uzelf en tot eer voor de Here Jezus en tot zegen voor ons. We mogen U dat écht vragen in de Naam van de Here Jezus. Amen.”