Romeinen 3 : 9-13

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 6. Rechtvaardigheid Gods door het geloof in Jezus Christus

Bijbellezing over de brief van Paulus aan de Romeinen,
door Dato Steenhuis, 25 maart 2007
Romeinen 3 vers 9 – 30
We gaan verder met de lezing uit de brief aan de Romeinen, hoofdstuk 3 vers 9 tot en met vers 30. Romeinen 3 vers 9 tot en met vers 30. Ik lees het voor uit de NBG vertaling.
9] Wat dan? Worden anderen boven ons gesteld? In geen enkel opzicht; wij hebben immers tevoren Joden zowel als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn,
10] gelijk geschreven staat: Niemand is rechtvaardig, ook niet één,
11] er is niemand, die verstandig is,
12] niemand, die God ernstig zoekt; allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één.
13] Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen;
14] hun mond is van vloek en bitterheid vol;
15] snel zijn hun voeten om bloed te vergieten,
16] verwoesting en ellende zijn op hun wegen,
17] en de weg des vredes kennen zij niet.
18] De vreze Gods staat hun niet voor ogen.
19] Nu weten wij, dat de wet, bij al wat zij zegt, tot hén spreekt, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld strafwaardig worde voor God,
20] daarom, dat uit de werken der wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worden, want wet doet zonde kennen.
21] Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen,
22] en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; andere vertalingen hebben: “tot allen” en “over allen die geloven” want er is geen onderscheid.
23] Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods,
24] en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.
25] Hem heeft God voorgesteld als een zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden – om zijn rechtvaardigheid te tonen,
26] in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is.
27] Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten. Door welke wet? Der werken? Neen, maar door de wet van geloof.
28] Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardig wordt, zonder werken der wet.
29] Of is God alleen de God der Joden? Niet ook der heidenen?
30] Zeker, ook der heidenen. Indien er namelijk één God is, die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof.
Best moeilijke zinnen. Beetje ingewikkeld misschien. Toch, als je het nog een keer leest, en misschien voor de derde keer nog een keer leest, dan komt er wel grip op dit stukje tekst. In de vorige avonden hadden we al gezegd dat de heidenen, de volkeren, mensen zoals u en ik in deze contreien, die geen wet hadden, nooit hadden gehoord van dit soort dingen, wel een geweten van God hebben gekregen. Jij en ik hebben dat. Een soort ingebakken, ingebakken wet. Zo wordt het voorgesteld. Niet de wet van de Geboden, niet de Thora, niet dat wat Mozes allemaal geschreven heeft, maar er zit wel iets in ons waardoor we heel zeker weten wat wel en wat niet goed is. En de bijbel zei – ons stukje tekst, Romeinen 1 en 2 – dat we zelfs elkaar daarop aanscherpen, daar elkaar op bevragen. Van: “Vind je het eigenlijk wel goed dat je zo doet? Is het eigenlijk wel logisch dat je dit doet?” Niet omdat er een wet is, maar omdat dat er iets in ons is, dat misschien van God Zelf is, en verwant is met dat wat God, de Schepper in ons gelegd heeft. Ik denk dat het laatste, zo is; dat God de Schepper in ons iets heeft gestopt van: er gaat wel een alarmbel rinkelen als het niet goed is met je. Anderen – de Joden – , die hadden de wet. En de wet maakte duidelijk wie de Here is. Wie Jahweh is. Een openbaring van de HERE Zelf. En zij moesten daar naar leven. En die hadden, behalve dat geweten, ook nog een andere alarmbel en dat is namelijk de wet. Maar de conclusie is, dat de zowel de mensen die geen wet hadden – de onbesnedenen – en de mensen die wél een wet hadden – de besnedenen – dat ze allemaal voor dezelfde God staan en dat niemand van hen een been heeft om op te staan. Dat is een beetje pijnlijk. Dat past ook niet meer in onze huidige tijd. Vandaag zijn we allemaal mondig en we zijn nog niet helemaal god, maar toch wel een beetje op weg naar…. We zijn goed, we doen het goed, we maken alles in orde. New Age die zegt: “God is in jou en jij bent zelf god.” Al die dingen worden écht helemaal gelogenstraft door deze tekst van vanavond. Als hier staat dat er niemand is die God ernstig zoekt, niemand is die rechtvaardig is, ook niemand die verstandig is, ja…vertel dat maar eens morgenochtend! Stel, je komt op kantoor, daar zit de baas: “Niemand is hier verstandig!” Nou, dat komt goed over, je hebt gelijk problemen waarschijnlijk. Ze vragen of je misschien naar een psychiatrische kliniek moet gaan, want dit moet een beetje recht gezet worden. Ik wil daarmee zeggen: Als je dit, wat hier staat, gewoon uitbazuint, gewoon uitroept morgenochtend, dan heb je allerlei vraagtekens om je heen, een hele rij. Niemand pikt dit meer. En als je dan zegt: “Hun keel is een open graf en met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen, hun mond is van vloek en bitterheid vol.” Nou ja, dan kun je net zo goed zeggen:” Je deugd van geen kant, het is helemaal mis met je!” Dat is ongeveer de conclusie. En dat is ook de bedoeling van Paulus geweest. Nog een keer: dat past niet meer zo in onze huidige tijd, want wij vinden dat de mensen toch wel heel bijzonder zijn: Ja, een paar kleine steekjes hebben we later vallen, maar die kunnen we nog wel pakken. De bijbel zegt dat niemand goed is, ook niet in Veenendaal. Er is niet één die God zoekt, ook niet in Veenendaal. Nu, nu zijn er kerken die elke zondag vertellen dat dit, wat hier staat, dat dit echt waar is, dat er niet één goed is, zelfs niet tot één toe! Nou, als je de bijbel gelooft, dan hoef je dat maar één keer te horen, dan weet je het ook. Maar het is net alsof het niet helemaal doordringt. Mensen van vandaag zijn een beetje boven hun kunnen getild. Ze zijn eigenwijs geworden, hoogmoedig geworden. De bijbel brengt hen helemaal terug. En ik probeer elke avond – zolang we over die Romeinenbrief spreken – te zeggen dat dit een brief is, geschreven aan een gemeente in het Romeinse Rijk. Nou dat is vandaag. Het Romeinse Rijk is vandaag in Berlijn bijeen geweest en ze hebben weer opnieuw gepraat over een Europese Grondwet. Balkenende zegt natuurlijk dat dit niet kan en dat ze het hier afgestemd hebben; nou dat moet een soort, er moet een soort gedragscode komen, maar een grondwet kan niet meer gebruikt worden dat woord, we moeten even een andere route kiezen. Ik wil daarmee zeggen broeders en zusters, beste broeders en zusters en aanwezigen: het is vandaag bar! En als je vandaag durft te zeggen dat er niet één goed is, nou dan ben je een zwartkijker. Want we hebben onze Milieubeweging en we hebben grote mannen die het goede zoeken en we hebben een overleg in Berlijn van vandaag dan volkomen genegeerd; we hebben het echt aan onze laarzen gelapt. Zou je de bijbel willen geloven? Als de bijbel nu tegen jou zegt dat er van jou eigenlijk geen draad deugd… zou je dat willen slikken? Zou je dat willen aannemen? Zou je willen geloven dat God hier heel precies zegt wie jij bent? Is dat een diskwalificatie? Nou ja, in zekere zin wel. Is dit afschrijven, die hele hap; wegsturen, niets mee te beginnen, waardeloos? Is dat zo? Nee, nee, dat staat hier niet. Maar hier staat wél hoe God jou ziet! En ik wilde daar ook niet aan. Voeten snel om bloed te vergieten… Ik denk: ik heb nog nooit iemand eh, eh ja, omgelegd, heet dat geloof ik in bepaalde taal. Ja, daar zit ik in, dat heb. Nee, dat heb ik nooit gedaan, ik heb nooit iemand vermoord. Totdat ik mijn broer toebeet: Val dood om mij vent. En ineens wist ik het. Dat zit wel in mij! Ik heb het niet gedaan – hij leeft nog – maar ik kan het wel, iets in mij. Dit is zó schérp geformuleerd, dat we er vandaag niet aanwillen, maar God wil duidelijk maken dat het met ons zo is. Nou, dat is niet leuk. Dat je eindelijk jezelf ziet, helemaal zoals God je ziet. En dat er eigenlijk niets aan goeds voor handen is. Zegt God dat tegen de Joden? Nee, dat zegt Hij tegen alle mensen. En waar halen we deze teksten vandaan? Nou, uit de bijbel. Een hele rij citaten, ze komen uit de Psalmen, ze komen uit de Profeten voor een stukje; maar ze komen echt uit de boeken die de Here God heeft laten optekenen. Wat moet je met dat spul? Hoe ga je daar nu mee om? Jood en heiden; de besnedenen – ze hadden immers de besnijdenis als teken en zegel van het verbond – en de onbesnedenen – die dat niet hadden, die stonden allemaal ver en ver weg – allemaal hetzelfde spul. Niet één goed. En ze derven allemaal de heerlijkheid van God, of ze komen tekort aan de heerlijkheid van God, of ze missen de heerlijkheid van God. Ze zullen het doel van het echt kennen van God totaal gaan missen. Niet één rechtvaardig, zelfs niet tot één toe. En dan begint er een geweldig stukje in deze brief. En ik heb de hele dag al gedacht: hoe zal ik dat gaan zeggen vanavond? Toen de Here God een tabernakel liet bouwen door Mozes, toen heeft Hij precies aangegeven hoe die tabernakel in elkaar stak, tot in de kleinste details. Er was een omheining, er was een voorhof. In de voorhof stond een altaar en een wasvat. Iets verder naar binnen lag het eigenlijke vertrek van de Here God, dat was het Heilige. In het Heilige stonden drie voorwerpen: een kandelaar, een tafel met toonbroden en een reukofferaltaar. Dan was er nog een gordijn, een voorhang. En dat voorhang scheidde het Heilige van het Heilige der Heiligen, dat lag helemaal achterin. En in het Heilige der Heiligen stond de Ark van het Verbond met de cherubs. In die kist de twee stenen tafelen en bovenop die kist een deksel, het Verzoendeksel, zo heette dat. De cherubijnen keken naar beneden en op dat Verzoendeksel bracht de Hogepriester op Grote Verzoendag het bloed. Zo staat dit er. De Hogepriester ging niet elke dag in het Heilige der Heiligen. Dat even los van Mozes enzo, voor zover ik weet is Mozes er heel, heel, heel dikwijls geweest. Maar Aäron, de Hogepriester, kwam daar één keer per jaar; op de Grote Verzoendag. En dan nam hij bloed mee. Als je het rustig leest in Leviticus 16, dan staat er dat Aäron drie keer op die Grote Verzoendag, naar binnen ging. Eerst met een soort pan met reukwerk, schoof het gordijn aan de kant, schoof die kan met reukwerk naar binnen zodat het achterste vertrek helemaal vervuld zou zijn met heerlijk ruikende stoffen, geuren. Dan ging hij weer terug. Dan ging hij een stier voor zich en voor zijn huis slachten, en dan ging hij naar binnen en sprenkelde voor het Verzoendeksel zeven keer, op het Verzoendeksel één keer. Dan ging hij weer terug. Dan stonden daar twee bokken, die stonden klaar. Die ene bok werd geslacht en met het bloed van die ene bok ging Aäron voor de derde keer naar binnen. En hij deed met het bloed van de bok wat hij ook deed met het bloed van de stier: sprenkelde voor het Verzoendeksel zeven keer met een kwastje van vul maar in, en op het Verzoendeksel één keer. Daarna ging hij weer naar buiten en dan stond nog steeds die levende bok daar. Er waren immers twee bokken, één was geslacht, de ander leefde nog. Toen ging hij met zijn handen boven de kop van die levende bok staan en hij beleed al de ongerechtigheid, al de overtreding, al de zonden van het volk van God en legde dat symbolisch op de kop van die bok. Daarna werd die bok weggevoerd, buiten hun camping en werd ergens ver weg, losgelaten. Ik kan niet kijken in het gedachteleven van een bok, maar als ik bok geweest was, dacht ik: daar kom ik nooit meer. Dat is ook wat het wil uitdrukken. Dat wat er op die kop van die bok is geladen, is wég, voor ééuwig weg, komt nooit terug. Daarna ging de Hogepriester zich wassen en dan ging hij zich omkleden, want de Hogepriester was op die dag anders gekleed dan de normale dagen. Hij heeft altijd een prachtig kleurrijk gewaad, alleen op die dag droeg hij een andere outfit – zou zouden wij dat misschien zeggen – zag hij er heel anders uit. We staan vlak voor Goede Vrijdag. We staan vlak voor Grote Verzoendag. Niet in onze kalender, en in de Joodse kalender, maar om het nu maar wat dichter bij huis te brengen. Zie je de Here Jezus? Zie je Hem gaan? Ja, Hij heeft niet dat kleurrijke, dat schitterende, dat spetterende kleed van altijd. Altijd was de Here Jezus glorie. Altijd was Hij heerlijkheid. Het sprong eraf, bij wijze van spreken. In de glorie van de hemel, schitterend was Hij! Geweldig om te zien! Kleurrijk om te zien. Met niemand te vergelijken. Alleen toen, nee, toen zag Hij er niet uit…. Toen had Hij een hele andere outfit. Alleen al Zijn komen hier op deze aarde geeft aan dat Hij de heerlijkheid van de hemel, de glorie van de hemel, had losgelaten. Niet dat het wég was, maar Hij liet het niet zien. En Hij liet hier, op aarde, als Éen van ons: Hij kwam bij ons, heel gewoon, de Zoon van God als Mensenzoon. Zie je Hem in Gethsemané? Zie je Hem voor Kajafas, voor Pilatus? Zie je Hem door de straten van Jeruzalem gaan; de Via Dolorosa (de lijdensweg)? Zie je Hem daar bij dat kruis iets buiten Jeruzalem? Zie je Hem aan het kruis? Hij had gedaante, nog heerlijkheid, dat wij Hem begeerd zouden hebben. ’t Is allemaal armoe. Grote Verzoendag. Onze Hogepriester. En wat doet Hij dan? De bijbel zegt in Hebreeën 9, dat Hij met Zijn eigen bloed, als onze Hogepriester, is ingegaan; niet in een met handen gemaakt gebouw – niet in de tabernakel die hier ergens op aarde stond – maar in de hemel zélf! Onze Here Jezus. Waarom zeg ik dit vanavond? Nu, omdat dit in onze tekst staat. Je moet iets verder lezen dan je misschien op het eerste gezicht ziet. Ik ga het nog een keer met je lezen.
Vers 21: Er is buiten de wet om – en de wet en de profeten getuigen daarvan – gerechtigheid van God, door het geloof in de Here Jezus, openbaar geworden.
Ik heb zopas nog een beetje corrigerend gelezen: “tot allen”, en “over allen” die geloven. Daar kom ik nog op terug.
Want er is geen onderscheidt, we hebben allen gezondigd en missen de heerlijkheid van God – of komen tekort aan de heerlijkheid van God – en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade – door Gods genade – door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld als Zoenmiddel, door het geloof.
Dat is een beetje zwak vertaald. Het woord zoenmiddel is hetzelfde als het woord “genadetroon”. En het woord “genadetroon” is hetzelfde als het woord “verzoendeksel”. En dan ineens ligt de link er wél. Heel concreet. De verbinding met het Oude Testament, met de Grote Verzoendag, het bloed gesprenkeld op het Verzoendeksel. In de kist in de Ark zaten de twee stenen tafelen. Op die kist lag een gouden plaat. Aan die plaat vast, zaten cherubijnen, uitgebeeld door een kunstenaar. En die keken naar beneden. En onder de vleugels van die cherubim werd het bloed van een bok gesprenkeld. De wet is niet zichtbaar. Tussen wet en bloed zit een deksel. “Genadetroon” wordt dat genoemd, Verzoendeksel. Ik kan alleen maar janken van blijdschap als ik denk aan de Here Jezus. Als ik Hem zie, en besef wat Hij heeft gedaan daar op dat kruis, dan kun je alleen maar knielen en roepen: “Here Jezus, wat bent u geweldig! Wat bent U groot!” De Here Jezus is voor mij met Zijn eigen bloed, niet met het bloed van een bok of van een stier, maar met Zijn eigen bloed is de Here Jezus in het Heilige der Heiligen, in de plek gegaan waar de Troon van God is. In de hemel zelf, zegt de bijbel. Alleen in het Oude Testament werd het uitgebeeld in die tabernakel, zodat je het een beetje kon gaan pakken. Misschien een beetje kon gaan begrijpen, dat de Here Jezus is met Zijn eigen bloed, ingegaan de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God, voor ons! Als de Hogepriester klaar was in de oude dag met dat verzoenwerk, dan ging hij naar buiten en nog een keer, dan ging hij boven die nog levende bok zijn handen leggen. Daar vind je eigenlijk de twee gedachten die ik aan jullie allemaal wil doorgeven. Naar binnen toe is vol allen! Voor wie wil. Er is genade, en genade, en genade, genoeg. Wie wil, kan komen. Daar, naar buiten, is het alleen voor hen die tot het volk van God behoren. Dus voor allen, of tot allen; maar het komt over allen die geloven. Daar zit verschil. Het is dus niet zo’n soort – ja, laat ik het maar zo zeggen: – algemene verzoening, of nog verder, alverzoening. Het is niet zo dat de Here Jezus het voor de hele wereld in orde heeft gemaakt. Het is genoeg voor de hele wereld; iedereen die wil, kan komen! Niemand hoeft buiten te blijven! En als je komt, dan hoef je niet te komen omdat je de wet houdt; nee, níét uit de werken van de wet! Alleen maar geloof; geloof dat de Here Jezus met Zijn bloed, álle schuld, álle zonden heeft vereffend, eens en voor altijd. En het komt óver wie gelóóft! En dan zie je dat die bok wegdraagt, alle zonde van het volk van God; die zijn weg. Voor mensen die niet geloven is die bok niet weggegaan – als ik dat zo eens mag formuleren – is die zonde niet weggedragen. Die zonde hangt er nog. Als je niet gelooft, de toorn van God blíjft op zo iemand. Je kunt niet zeggen dat er alleen maar verzoening is, voor Jan en alleman. Ja, het is bereikbaar, het is genoegzaam, voor wie wil komen! Maar het is alleen voor wie geloofd in de Here Jezus. En daarom is het zo belangrijk dat we oproepen om te gaan geloven in de Here Jezus. Daarom kun je niet zeggen: “Laat maar. Stort het maar uit. De genade van God en de Liefde van God zijn magistraal, komt geen einde aan.” Waar, maar het voor wie gelooft. Is dat nu zo moeilijk? Als je nu weet wie je zelf bent; als je nu ziet hoe God je ziet… helemaal uitgetekend, van top tot teen: één en al prut. Als je dat nu ziet en je wordt uitgenodigd om te geloven in dat wat de Here Jezus gedaan heeft, omdat God Hém, de Here Jezus, tot het Zoenmiddel, hét Zoenmiddel gesteld heeft, de Genadetroon is daar. Je moet alleen wel komen. Moet ik dan rennend naar de tabernakel? Nou, die is er niet meer. Je mag hier, zittend op je stoel, zeggen: “Here Jezus, dank U wel, dat U op dé Grote Verzoendag, voor míj, voor míj Uw leven, voor míj Uw bloed hebt gegeven! U hebt het gedaan, Here Jezus.” Als u denkt dat u het nog kunt redden door uw leven nog wat te verbeteren, nog wat op te poetsen… en stel nu eens dat je van dat probleem afkwam dat jouw voeten snel zijn om bloed te vergieten. Stel dat je dat zou kunnen overwinnen, dat ene element. Kom je er dan? Nou, er blijven er nog een paar hangen. Je komt er niet. Je redt het niet. Niemand redt het. Er is niet één goed, zelfs niet tot één toe. En állen komen tekort om de heerlijkheid, om de geweldige, gewéldige kenmerkende dingen van de Here God te zien, te proeven, te genieten. Ze komen allemaal tekort, maar ze worden ook om niet gerechtvaardigd. Zomaar. Je mag komen! Je hoeft niet eens inspanning te doen om jezelf nog wat te verbeteren, je redt het toch niet, daar kom je ook achter. Misschien wel een week, misschien wel een jaar, maar dan val je misschien weer terug. Alléén door het gelóóf in de Here Jezus. Alleen door het geloof in de Here Jezus is er een oplossing, een gewéldige oplossing! Zoenmiddel, Genadetroon. Verzoendeksel. En haal dat beeld er dan maar bij in gedachten: in die kist zitten dan de eisen van God, de wet van de HERE en ze worden bedekt. Er is niets dat tussen God en jou in staat. Zou je dat nu, vanavond, op je stoel zittend, willen zeggen aan de Here. Zou je willen zeggen: “Here Jezus, dank U wel dat U op die Grote Verzoendag, met Uw eigen bloed bent ingegaan en nu is er een Genadetroon! Nu is er genade! Genade van God, eindeloos! Vrij en rijkmakend.” Nu is er uiteindelijk léven uit God, voor wie gelooft. En dat geloven is dan kennelijk zo moeilijk. Voor wie? Die dat niet heeft aanvaard misschien. Als je het wel hebt aanvaardt, dan zeg je: “Uit genade ben ik behouden. Niet uit mijzelf, het is een geschenk van God.” Dat is waar. Ik heb niet eens bedacht. Niet opgezocht. Heeft God in mijn leven gegeven. Vanaf het moment dat jij jezelf ziet als verloren en schuldig, als getekend door God Zelf – weet je wel, helemaal uitgetekend, van boven tot beneden – en je ziet dat wat de Here Jezus heeft gedaan, dan kun je niet anders dan geweldige dankbaarheid uiten. Daarom is het belangrijk om Goede Vrijdag te vieren, om het Avondmaal te gedenken, om te zeggen: “Here Jezus: Dank U, dank U, dank U, dank U, dank U.” Wat kun je anders? Duizend, duizend maal o Heer, zij U daarvoor dank en eer. “Here Jezus, ik wil U prijzen. Ik wil voor U vallen. Ik wil aan Uw voeten neerknielen. En ik wil U aanbidden. Here Jezus, Heer, U hebt het gedaan.” Dat staat hier, in ons stukje tekst. Naast die enorme schets van wie ik ben van huis uit, hoe ik eruit zie, misschien heb ik niet alles gezien, nou dat kan. Maar toch, genoeg om te stellen dat er van geen kant iets deugd met mij en in mij. En dan wil de Here je gewoon vertellen dat God van Zijn kant, voor dit soort mensen, voor deze mensen met een dergelijke situatie, dat Hij daar Zijn eigen Zoon voor heeft gegeven. Dat staat hier. En dat maakt me geweldig blij. Dat God, in Zijn genade, gezegd heeft: “Niet door werken van de wet.” Stel dat dit gebeurd zou zijn, dan had jij vanavond waarschijnlijk nog je best gedaan om nog een paar punten te scoren. Ja, ergens moet je iets bereiken, daar moet je mee aan de slag; dan moet je toch weer een ander gezicht zetten, niet zo somber; je mag een ander natuurlijk niet benadelen; je mag een ander ook niet bedroeven. Dat moet je allemaal weer! En maar weer bezig zijn. En dan dat gevoel krijgen dat je uiteindelijk toch wel beter bent dan al die anderen mensen die daar niet zo mee bezig zijn…. Nou, foute boel. Je zit weer in een soort cirkel van: “Ik moet het doen, ik doe het.” Nee, laat nu eens los. Laat nu eens álles los wat je zou moeten doen. Alles. Je hoeft níks. Om niet, gratis, wordt het je gegeven. Zomaar. Het kost niets eens iets. Het enige wat je gevraagd wordt is: geloof je dat? En hoe drukte men in de oude tijd uit, dat men het geloofde? Door op het offer een hand te leggen. Iemand die een offer bracht – een schuldoffer of een zondoffer – ging zijn hand leggen op de kop van dat dier. En daarmee maakte jij je één met dat dier, alsof het jezelf betrof. Éen maken met, geloven, naar je toe halen. Is dat nu moeilijk? Eindelijk zeggen: “Here Jezus, ik leg mijn hand op Uw offer. Ik neem het aan, Here Jezus. Het is Uw genade dat U mij liet zien wie ik zelf ben en dat U laat zien wie U bent en wie de Here God is: genadig en liefdevol!” En de Enige oplossing: het bloed van een onberispelijk en een vlekkeloos Offerlam. Dat is de énige oplossing! Is dat nu moeilijk? Nou, soms denk ik: Hoe krijg ik dit ooit – bijvoorbeeld in mijn eigen woonplaats Rijssen – in de straten? Ik hoef het niet eens op maandag te proberen, dan loopt iedereen toch naar de markt. Iedereen is bezig met stoffen en met fruit en weet ik veel. Maar Zondags dan? Hoe krijg ik dit over? Níét door werken van de wet, niets is er! Helemaal niets! Wat dan wel? Geloven in de Here Jezus. Dit is zó simpel, dat het afgewezen wordt omdat het zo simpel is. Dit is te makkelijk. We willen er zelfs iets voor doen. Nou ja, je auto doet het niet, van geen kant; er klopt helemaal niets meer van die hele motor en de carrosserie. En je gaat naar de garage en je vraagt of je alsjeblieft eventjes een vakman kunt inhuren voor een behoorlijk bedrag van de huur. Nou, die kijkt er naar, en dan denk je: Maar ik wil zelf ook wat doen, ik hou de knalpot vast. Hou maar, doe maar. Als die man die auto uiteindelijk gaat starten en je blijft die knalpot vasthouden, dan krijg je in elk geval een verbrande hand. Dan zit je daar mee. Heb je in ieder geval nog iets gedaan. Wat heeft het je opgeleverd? Ja, schade. Je had er al geen verstand van, nou, blijf er dan met je vingers af! En de Here God zegt: “Niets hoef jij te doen! Helemaal niets. Dat doe Ik. Ik vraag alleen van jou: geloof.
Door het geloof in Zijn bloed.” Zo eenvoudig is het. En kennelijk zo moeilijk. Want we zeggen allemaal: “Ja, nou, zou dat kleine beetje bloed van de Here Jezus, dan álle zonden hebben kunnen wegwassen?” Nou, en de professoren van Kampen die hebben vandaag al gezegd: “Nou dat offer, dat is allemaal van vroeger, flauwekul geworden. Dat telt toch niet meer. Die dierlijke offers die hoeven niet meer. En denk je dan echt dat iemand anders voor jou zal moeten sterven? Nou dan moet je toch zelf doen? Je bent een kerel en dat regel je dan toch zelf?” Nou, daar gaat ’t ie. Ik ga niet schoppen, ik wíl niet schoppen. Ik wil alleen zeggen hier vanavond, dat het uitsluitend en alleen is door het geloof in de Here Jezus. Geen andere weg. Geen andere mogelijkheid. Voor besnedenen – Israël – en voor onbesnedenen – mensen uit Nederland. Allemaal gelijk, ze komen allemaal tekort. Ze zullen nooit de kenmerkende dingen – dat is de heerlijkheid van God – bereiken. Ze zullen nóóit dat hele unieke van God leren kennen. Ze zullen nooit dat hele bijzondere van Jahweh, de HERE onze God, leren zien. Dat kan niet, je komt altijd tekort, dat red je niet. Alleen als je gelooft in de Here Jezus, kom je er, zul je zien wie Hij is, kom je erachter hoe geweldig Hij is. Missen de heerlijkheid van God, maar worden om niet gerechtvaardigd. Alle zonden die tevoren, voor de Here Jezus er was, onder de verdraagzaamheid Gods hebben plaatsgevonden… dat betekent dat de Here God inderdaad verdraagzaam is geweest. Hij heeft ja, geduld. Hij heeft gezegd: “Er komt een offer, een geweldig offer, en Ik laat het even zo. Onder de verdraagzaamheid van God is van alles gebeurd. En ook de zonden die nadat de Here Jezus gestorven is, zijn gebeurd, God heeft het allemaal onder dezelfde noemer geplaatst. Zodat niemand, niemand uitgesloten wordt. En daarom snap ik soms niet dat mensen zeggen: “Ik wil dat niet!” of “Ik hoef dat niet!” of “Dat kan niet, dat is niet zo!”. Nou, wat is het dan? Hoe moet ik dan Romeinen 3 vers 22 en verder, uitleggen? Ik kán het niet anders uitleggen! Níét op grond van werken van de wet. Op grond van werken van de wet wordt niemand gerechtvaardigd, niemand! Hoe je ook je best doet, je redt het niet. Daar kom je achter in je eigen leven hoor, dat je het echt niet redt. Alleen door het geloof in de Here Jezus. Zou dat een boodschap moeten zijn voor vandaag? Ja. Is dat een boodschap in het Romeinse Rijk van nu? Ja! Want de mensen die vinden zichzelf heel knap! En die vinden zichzelf super: ze kunnen dit regelen, ze kunnen dit afspreken, ze kunnen van alles. En bijna niets is ondenkbaar. Als ik denk aan de torenbouw van Babel, dan zegt de Here God: “Als ze nog even doorgaan, dan zal niets hun onmogelijk zijn.” Zo van, áls ze dat willen. Ik heb al vaker geroepen – dat was in de Shelter – dat de toren van Babel nu in Straatsburg staat, het hoofdkantoor van de Europese Gemeenschap; daar, de vorm van de toren van Babel. En in Brussel staat nog een hoofdkantoor, dat weet u ook, vrouw op het beest; staat ervoor als kunstwerk. Het is om te huilen! En de troon van Satan die ooit in Pergamum was, staat nu in Berlijn in het museum, in het Pergamum museum. Het is onvoorstelbaar dat dit vandaag gebeurt. Dit is Europa! En u betaalt zich blauw aan deze zelfde Europese eenheid. En ze worden steeds machtiger, steeds groter. Steeds verhevener. Ze vinden zichzelf geweldig. Nou – dat blijkt uit de bijbel – dat gaat nog een grotere dimensie krijgen ook. Niets kunnen ze. Als ze je nu roept: “Voeten zijn snel om bloed te vergieten!”, dan zeggen zij: “Helemaal niet, we schieten niemand dood. We doen helemaal niet mee aan oorlog. Helemaal niet, we zijn voor de vrede!” Nou, ga er maar aan staan. We voelen allemaal aan dat het dubbel klinkt. Maar de bijbel is niet dubbel. De bijbel zegt: “Dit is de mens, en dit is God in Zijn genade.” Er is voor zover ik weet nérgens een stukje in de bijbel te vinden, waar de contrasten zo scherp zijn: dit is de mens van kop tot teen en dit is God, Jahweh in Zijn genade en Zijn liefde. Hij zegt: “Jij mag bij Mij komen. Jij mag Mij leren kennen. Je mag Mijn hart zien. Je mag Mijn hemel zien. Jij mag alles van Me hebben. Er is maar één oplossing: geloof in het bloed van de Here Jezus.” Geen andere pleitgrond hebben wij, niets maakt naast Hem ons vrij. Het is genoeg dat Jezus stierf, Hij stierf voor jou en mij. Alleen maar dat. Zou je het willen? Ga je dan niet ook verlangen naar de Here Jezus? Als je dan Goede Vrijdag ingaat, dan denk je: Here Jezus, ik zou U wel willen zien. In de hemel – daar zullen we binnenkort allemaal zijn; niet omdat we allemaal sterven maar omdat we allemaal veranderd worden in een ogenblik en we gaan naar de Here Jezus, dat geloven we – in de hemel zullen we Hem zien, zoals Hij ís. Wat zien we dan? Lam, staande als geslacht. Waar kom je dan uit? Grote Verzoendag. Echt waar hoor. Ineens maken we in de hemel Grote Verzoendag mee! Het Lam! Alsof het net gebeurd is. Alsof je er bij stond. Daar, in de hemel, staat de Here Jezus. Juist zoals Hij stierf. Juist zoals Hij op dé Grote Verzoendag, Zijn eigen leven gaf en met Zijn eigen bloed inging in de hemel zelf. Dat ga je daar, in de hemel ontdekken. En dan? Ga je dan zeggen: “Zie je wel, ja, nou, nee hoor, dat is te licht.” Zijn die daar? Niemand is daar met dit soort opmerkingen. Die zijn inmiddels weg. Maar wat blijft dan over? Laten we Hem prijzen! Een nieuw lied voor de Here. Een lofzang voor onze God. Een schitterende aubade voor Hem. Dát blijft over. Maar wat zou Goede Vrijdag betekenen? Een aubade voor Hem. Wat is nu ons leven? Lofzingen voor Hem. Eer brengen aan de Here Jezus. Grootmaken Hem, die het allemaal volbracht heeft. Dat is niet moeilijk. Het moeilijkste zit waarschijnlijk in het ontdekken van jezelf. Want daar wil je niet aan. En als je denkt dat je nog voor driekwart goed bent, dan denk je: “Nou, ik red het zelf wel. Ja, als ik helemáál zo zou zijn als Romeinen 3 schetst, ja dán…ja, zo beroerd is het met mij nog niet.” Dus stel je het uit, schuif je het weg. Wat is het moeilijk he, om een mens een spiegel voor te houden en om te laten zien wie hij is. Maar wat is het mooi om te laten zien wie de Here Jezus is. Denk maar aan Goede Vrijdag, denk maar aan Grote Verzoendag, en je komt er helemaal uit. Het is genoeg voor jou en voor mij. Genoeg voor allen. Maar dat komt pas over je, het is pas je deel, als je het gelovig hebt aangenomen. Zovelen Hem aangenomen hebben, hebben het recht zich een kind van God te noemen, hen die in Zijn Naam geloven. Je moet het wel aannemen. Als ik het kon uitdelen…dan stond ik daar echt bij de deur. Ik ga niet zo snel bij de deur staan om iedereen een hand te geven – ik hou daar persoonlijk niet van, andere predikers doen dat wel, maar ik laat dat zo – maar dan zou ik daar echt gaan staan en dan zou ik zeggen: “Stop de koffie, stop de thee! Stop alles! Ik zal ze eerst dit uitdelen. Ik zal die injectie geven.” Hadden we allemaal maar een hele kist met spuiten, dan… hoop ik nog een keer. Ik hoop dat de Heer ze uit de hemel stuurt. Nou, je krijgt me daar een jaap! En je word er niet drie dagen ziek van hoor, echt niet hoor! Geen bloeduitstorting, niets. Het komt echt goed. Maar ik kan dat niet. En de Here heeft die injectiespuitjes ook niet gegeven. Wat Hij wel gegeven heeft is: geloof je dat? Mag ik je dat vragen? Gaan nu niet zeggen: “Ja, maar…” Dat is al duizend keer gezegd. Begin nu eens te zeggen: “Ja! [uitroepteken] Dank U Heer!” Is dat zo moeilijk? Dat is niet moeilijk. En je wordt er zo geweldig blij van! Dát maakt rijk. Niet op grond van werken der wet. Niet omdat je besneden bent of nog onbesneden zou zijn. Allemaal hetzelfde. Allemaal dezelfde oplossing nodig. Maar wel omdat de Here Jezus Genadetroon van God is, Zoendeksel is, Verzoening is, door het geloof in Zijn bloed. Ik wil daarvoor graag danken en bidden.
“Onze God, onze Vader, we willen U hartelijk danken dat U zo Úw Woord hebt toevertrouwt aan ons. We kunnen het allemaal lezen. Vanavond nog een keer en morgen wéér. Iedere keer kunnen we lezen, wie we zelf zijn, maar ook wie U bent. Dat U niet wilt dat er één van ons verloren gaat. En U wilt dat we omhoog zien en verlangen krijgen om de Here Jezus te zien in het Heilige der Heiligen. In het Heiligdom is de Here Jezus nu, in de hemel en daar zullen we Hem zien als het Lam dat geslacht is. Daar zullen we Grote Verzoendag beleven zoals we het nog nooit op aarde beleefd hebben. Daar zullen we Goede Vrijdag terughalen, zoals we het nog nooit, nooit hebben gekund. Dank U wel Vader, voor Uw Zoon. Voor het offer. Dank U wel voor het feit dat de Here Jezus Zijn leven gaf; Zijn bloed stortte en met dat kostbare bloed inging in de hemel zelf om nu, voor ons, daar te verschijnen. Dank U wel voor die zekerheid, voor die geweldige, geweldige vreugde. Ik wil U bidden voor iedereen die hier is. Of misschien voor iedereen die later luistert naar een opname van deze dienst. Dat iedereen echt gaat zien wie hij of zij is, en ook gaat zien wie U bent voor zulke mensen die het van kop tot teen verknoeit hebben. We willen U hartelijk danken Vader voor het offer van onze Here Jezus. We danken U voor het genadeaanbod van Uw kant: wie wil neme het Water des Levens om niet. Dit wordt om niet, zomaar aangeboden. Niet gekoppeld aan: dan moet je dit nog en dat nog. Geen werken van de wet. Alleen door geloof. Dank U wel dat U zo helder wilt spreken vanuit Uw Woord, vanuit dit stukje uit Romeinen 3. We prijzen Uw Naam. En we dragen ons aan U op, in alles. We prijzen U. Amen.”