Romeinen 4 : 1 – 25

Scroll/swipe naar rechts binnen de tabel om deze volledig te bekijken.

 7. Door het geloof in Jezus Christus

Bijbellezing over de brief van Paulus aan de Romeinen,
door Dato Steenhuis, 1 april 2007
Romeinen 4 vers 1 – 25
1] Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze voorvader naar het vlees, verkregen heeft?
2] Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God.
3] Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.
4] Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting.
5] Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid,
6] gelijk ook David de mens zalig spreekt, aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken:
Dan volgt een citaat uit Psalm 32:
7] Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn.
8] Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen.
9] Geldt deze zaligspreking dan de besnedene de Jood of ook de onbesnedene de heiden? Wij zeggen immers: Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend.
10] Hoe werd het hem dan toegerekend? Was hij toen besneden of onbesneden? Niet besneden de besnijdenis kwam immers later, maar onbesneden.
11] En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun de gerechtigheid zou worden toegerekend,
12] en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dan onze vader Abraham in zijn onbesneden staat bezat.
13] Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs.
14] Want indien zij, die het van de wet verwachten, erfgenamen zijn, dan is het geloof zonder inhoud en de belofte zonder gevolg.
15] De wet immers bewerkt toorn; waar echter geen wet is, is ook geen overtreding.
16] Daarom is (alles) uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is, gelijk geschreven staat:
17] Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld – voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept.
18] En hij heeft tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn.
19] En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moederschoot was gestorven;
20] maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer,
21] in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen.
22] Daarom {ook} werd het hem gerekend tot gerechtigheid.
23] Echter niet om zijnentwil alleen werd geschreven: het werd hem toegerekend, maar ook om onzentwil,
24] wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft,
25] die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.
Ik denk dat ik alle avonden ook gezegd heb dat de taal nou niet bepaald gemakkelijk is. Je moet het misschien wel drie keer, vier keer lezen, om te begrijpen wat er staat. En misschien zeg je: “Ja maar dan heb ik ook nog wat uitleg nodig.” Nu, ik hoop dat je die uitleg vanavond krijgt. De vorige keer mochten we zeggen dat er maar één oplossing is, en dat is de Genadetroon. Het Verzoendeksel, zo vonden we in Romeinen 3 vers 25. Die prachtplaats waar destijds het bloed door de Hogepriester op de Grote Verzoendag werd gebracht, die nu bereikbaar is door het geloof in onze Here Jezus. God heeft die Genadetroon gesteld. God heeft dat Zoenoffer of dat Zoenmiddel gegeven. En dat is de Here Jezus, die voor ons en onze schuld aan het kruis Zijn leven wilde geven. Daarover kom je echt nooit helemaal uitgedacht. Ik denk niet dat we dat ooit bereiken hier op aarde. En misschien zijn er herhalingen van vorig jaar; als je denkt aan Goede Vrijdag – wat mij betreft Goede Donderdag, want sommigen zeggen: “Dat moet donderdag zijn geweest.” Nou, dat is goed, dan maken we van donderdag Goede Donderdag. Maar het is wél gebeurd! Het gaat dus niet meer om de precieze datering, het gaat erom dat we in de gaten houden en in onze harten omdragen, dat de Here Jezus echt gestorven is. Hij is de perfecte Knecht van God. Iets uit de preek van vanmorgen staat nogal helder voor mijn gedachten. En dat is: als God Zijn Tien Woorden geeft – de Tien Geboden, de wet, Exodus 20 – dan is het resultaat dat het volk angstig is en op afstand staat. Zijn ze bang voor God geworden? Nee, omdat God Zichzelf openbaart – in de wet laat God zien wie Hij is, Zijn wezen wordt zichtbaar – maar als je ziet wie God is, dan blijf je niet meer zo gewoon praten. Dan sta je op afstand, dan raak je misschien onder de indruk, voor het eerst of voor de zoveelste keer, over wie Hij is. Het volk staat op afstand en is bang. En dan zegt de Here merkwaardig genoeg in Exodus 20: “En tóch heb Ik een plaats, waar Ik kan staan en zegenen.” En dan gaat de Here iets zeggen over een altaar. Dat is héél merkwaardig in het Oude Testament. Na de wetgeving, na de enorme proclamatie van Gods glorie, van Gods heerlijkheid, van Gods majesteit – iedereen schrikt vanwege al die dingen die dan over je heen komen – dan ineens zegt de Here God: “En toch heb Ik een plaats waar Ik kan staan en zegenen.” En die plaats blijkt het altaar te zijn. De Here God zegt: “Nou moet je niet dat altaar gaan bewerken met je eigen houweel, met je eigen gereedschap, daar moet je met de vingers afblijven. Dat moet je niet gaan fatsoeneren, dat moet je niet gaan modelleren. Daar moet je echt van afblijven, dat moet je zo laten staan. Blijf eraf met je vingers.” Nou, die boodschap mag ook wel eens gebracht worden vandaag. Dat je van het kruis af moet blijven. Dat je van het altaar af moet blijven. Dat je daar niet aan moet aan frunniken, niet iets appetijtelijks voor nu, van moet gaan maken. Maar het gaat mij om het volgende: als de Here God gezegd heeft dat het altaar de plek is waar Hij kan staan en kan zegenen, zegt Hij onmiddellijk daarop dat Hij een Hebreeuwse knecht ziet. Voor ons is dat een, ja, een absoluut onbegrijpelijke overgang van het ene onderwerp naar het andere onderwerp. En toch is het niet onbegrijpelijk, want feitelijk wordt daar al gezegd: “Kijk eens, áls er een knecht is, die zijn heer, zijn vrouw, zijn kinderen, zó lief heeft, dat hij niet als vrij man wil weggaan, dan zal die knecht bij de deurpost worden gebracht; zijn oor wordt met een priem doorboord, aan de deurpost geprikt en die knecht zal eeuwig knecht blijven. Wie is die knecht? Wie is die ene die als vrij man had weg kunnen gaan? Wie is degene die hier op aarde levend, zó naar de hemel had gekund? Dat is de Here Jezus, niemand anders. We hadden dat nooit gered, niemand van ons. Maar Hij kon het. Hij had God gediend, geen zonde gedaan, geen zonde gekend. Hij had zo naar de hemel kunnen gaan. Maar Hij zei: “Ik heb Mijn God en Ik heb dat volk van God zó lief, dat Ik niet als vrij man wil weggaan.” En Hij liet Zijn oor doorboren. Dat is de taal van Jesaja 50, daar gaat het ook over de Knecht des Heren: “Gij hebt Mij geopende oren gegeven.” Dat is de Here Jezus. De Here Jezus is voor jouw en voor mijn schuld, naar het kruis gegaan. En Hij wilde daar de schuld vereffenen, Hij wilde daar ook tot zonde gemaakt worden. Hij wilde God eren. Hij wilde in alles God gelegenheid om Zijn hand in vrede uit te strekken. De Here Jezus. En mijn schuld is vereffend. Niet een klein beetje vereffend, álles is weg. De totale schuld is weg, er is niets overgebleven. De Here Jezus heeft het gedaan. Het is zó wezenlijk en zo belangrijk dat wij, gelovigen van vandaag, leren zien dat de Here Jezus álles, maar dan ook álles volbracht heeft! En dat niet alleen een soort soldatenspel er geweest is, waarin Hij geminacht werd. Of dat er een geseltoestand is geweest van jewelste, waar je de gruwelen van krijgt als je daar naar kijkt in zo’n film als de Passion of the Christ, en je ziet wat er daar is gebeurd, dan denk je: “Alsjeblieft, nee, nee toch! Dit kán toch niet! Dit bestaat toch niet!” Maar uw en mijn schuld is niet weg omdat Hij Zich liet geselen! Uw en mijn schuld is niet weg omdat Hij bespuwd werd, bespot werd, geslagen werd! Ook niet omdat spijkers door Zijn handen en door Zijn voeten geslagen werden! Ook niet omdat uitgerekt aan dat verschrikkelijke kruis hing! Professor Smalhout heeft vroeger een keer een hele verhandeling gehouden over het fysieke, het lichamelijke lijden van de kruisiging; nou, dat is een soort standaardwerk geworden, maar hoe dan ook, vreselijk is het! Geen lucht meer kunnen krijgen, uit elkaar getrokken worden…op een vreselijke manier een marteldood sterven. Maar u bent niet gered omdat de Here Jezus die pijn daar aan dat kruis had. Ik wil het niet cru zeggen, maar er zijn zoveel meer mensen met dezelfde pijn geweest. Op datzelfde moment werden er nog twee mensen gekruisigd, die hebben dezelfde pijnen gehad. Of die gegeseld waren vooraf, dat weet ik niet, maar er zijn ook anderen misschien wel gegeseld. Maar uw en mijn oplossing ligt in die drie uren van donkerheid, waar de Here Jezus tot zonde gemaakt werd, alsof het allemaal Zijn schuld was, alsof Hij de oorzaak was van al die verschrikkingen. En dáár, in die drie uren van donkerheid, heeft Hij voor jou de schuld willen betalen. Als jij je schuld nu eens stelt op honderdduizend euro – voor de één is het een fluitje, maar voor mij is het een gigantisch bedrag, maar goed, stel maar iets, je mag het ook op honderd miljoen zetten, maar schat je schuld eens in – dan heeft de Here Jezus, die schuld, daar willen vereffenen en 20% extra betaald. Ik zeg het voor de zoveelste keer, omdat ik daar zo geweldig dankbaar voor ben. Dat de Here Jezus niet heeft gezegd: “Vader, als Ik nu eens de helft bied voor Dato, is het dan in orde?” Het lijkt wel een soort gehandel met de bank. Als je failliet bent en je hebt honderdduizend euro schuld en je biedt vijftigduizend, nou ik denk dat de bank zegt: “Akkoord!” Dat denk ik, zo gaat het vandaag. Is het zo gegaan met de Here Jezus in de richting van de heilige God? Nee. Alles. Zelfs meer dan alles. Een vijfde daaraan toegevoegd, 20% daaraan toegevoegd. Adembenemend is het als je denkt aan de Here Jezus. Als je denkt aan de schuld die vereffend moest worden en vereffend is… voor wie gelooft. Is dat een addertje onder het gras? Is dat een soort clausule: “Ja, dat is niet voor allemaal! Dat is alleen maar voor die hele superlui!” Neen. Dit is bedoeld voor allemaal. Vraag is alleen: Geloof je dat? Ja, dan wordt het moeilijk. Dan beginnen we te beredeneren: “Ja, ja, ja… als ik nu mijn schuld eens wist!” Nou, of het daar dan anders van wordt, ik geloof er geen steek van, maar daar beginnen heel wat mensen over. Die willen eerst in de schuld komen. Die willen eerst een soort schuldopsomming zien te krijgen van alles, alles, van het begin tot het einde. Kom je daar nooit mee klaar, vanaf het moment dat ze klaar zijn, dan denken ze dat ze het nog niet zo slecht gedaan hebben, ja dan komt er al weer schuld bij. Met andere woorden: dan kom je nooit uit, helemaal nooit! Maar de bijbel vraagt niet om je schuld helemaal in kaart te brengen. Dat lukt trouwens nooit, want je weet niet eens hoe erg het is, je kent de koers van de hemel niet, je kent de heiligheid van God niet. Hoe zou je dan kunnen weten hoe hoog jouw schuld is? Niemand weet dat. Maar de Here Jezus weet het wél. Hij is de enige Taxateur – als ik dat zo zeggen mag – die deze schuld kon inschatten. En dat heeft Hij gedaan! Hij kende de koers. Hij kende de heiligheid van God, de heilige eisen van een God die Verterend Vuur is. Hij kende het. Hij wist het. En Hij zei: “Dato, Ik ga voor jou betalen.” En Hij vraagt mij: “Geloof je dat?” Is dat nou moeilijk? Nou, als je echt in de penarie zit en er is iemand die jouw schuld wil overnemen, dan denk je: tjonge, dat is mazzel. Ja, een beetje Jiddisch, maar goed, dat is dan hartstikke fijn. Toch? En wat moet je dan zeggen? “Ik ga je alles terugbetalen hoor!”, terwijl je weet dat je geen halve euro voor elkaar krijgt om te betalen. Want je wilt niet uit genade leven. Je wilt niet genadebrood eten. Dat ligt ons niet. Wij willen verdienen, wij willen er wat aan doen. Ik zeg dit – broeders en zusters, beste vrienden – met het oog op Romeinen 4. Gelovigen moeten weten dat hun schuld vereffent is. En dat dit alleen maar kon door het offer van onze Here Jezus Christus. Omdat Hij de schuld wilde betalen, ook de schuld kende, de hoogte kon inschatten. En Hij heeft het gedaan, onze Here Jezus. Gelovigen moeten weten dat ze dat ooit geloofd hebben. Dat ze dit als een geweldig genadeaanbod van God aangenomen hebben. En nu kan ik eromheen draaien, maar iedereen zou een keer – en dat hoeft van mij niet hardop in deze dienst – maar iedereen zou een keer moeten zeggen: “Dank U Here Jezus, dat U dat ook voor mij wilde doen.” Ja, ik geloof, ja ik geloof, dat Jezus voor mij stierf. Ja, ik geloof, ja ik geloof dat Jezus voor mij stierf. En dat Hij aan dat kruis, mijn heil, mijn behoudenis, mijn redding, verwierf. Dat is een stukje belijdenis en met de woorden van een lied. En misschien zingen we dat lied met Goede Vrijdag of Pasen. Een mooi Paaslied is het ook. Maar ga dan nu eens, vanavond, tegen de Here Jezus zeggen: “Here Jezus, dank U wel, dat U dat voor mij, voor mijn schuld, wilde doen. U hebt mijn schuld betaald. U hebt voor mij alles in orde gebracht. En ik geloof.” De kern van Romeinen 4 is, dat het niets te maken heeft met werken. Het ging erover: Hebben de Joden dan geen voorrechten? Hebben die lui dan.. die hebben toch de wet, de verbonden? Ja, uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus! Er is nog al wat voorrecht van de Jood op te sommen, als je dat op een rij zou zetten. Nou, als het om het heil gaat – bedoelt de schrijver te zeggen – hebben ze niets. Zij moeten ook geloven. De niet-besnedenen, de heidenen – de lui uit Veenendaal, laat ik dat zo maar eens formuleren – die moeten door het geloof in de Here Jezus gered worden. En de besnedenen? Ja, die moeten ook door het geloof in de Here Jezus gered worden. Als jij je gaat laten voorstaan op iets van een Joodse afkomst, dan grijp je mis. Want dat is niet zo. En dan gaat de opsomming komen, dat er maar één Zoenmiddel is, dat er maar één Oplossing is. Er is maar één Genadetroon. En vervolgens: Nou, als ik je nog een bewijs extra wil geven, dan zal ik het verhaal van Abraham vertellen, want dat is Romeinen 4. En Abraham geloofde God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Zie je wel? Abraham geloofde God. De besnijdenis, ja die kwam later. Nog een behoorlijk stuk later zelfs. En de wet, ja de wet, dat is de wet van Mozes toch, zo zeggen we dat gemakshalve, en die kwam nóg weer honderden jaren later. En als je nu dat geloof van Abraham eens gaat zien, dan is dat model voor jou, voor mij, voor de niet-besnedenen, voor die Veenendaal-lui, want Abraham geloofde God, en God rekende hem dat toe als een rechtvaardige daad! En de besnedenen, de mensen uit het Joodse leven, ja, ja die kunnen ook naar Abraham kijken. Was Abraham toen besneden? Nee, die was toen niet besneden. Had Abraham toen de wet gehouden? Nee, die moest nog komen. Met andere woorden: Abraham geloofde God, dat staat vóór de wetgeving, dat staat vóór de besnijdenis. En daarom is die Abraham in zijn geloof, model voor onbesnedenen en voor besnedenen. En dat is heel belangrijk. Want niet op grond van… ja, als het op grond ván was – zegt Romeinen 4 – dan was het een soort loon geworden. Nou, als iemand nou werkt de hele week, en hij krijgt dan loon, is dat genade? Nee. Dat had hij verdiend, dus dat is geen genade meer. Dat had je toch afgesproken? En als de wet er dan eens bijkomt? Nou, dan wordt het nog beroerder, zegt Romeinen 4, want de wet doet zonde kennen (dat was in hoofdstuk 3 al) en in hoofdstuk 4 staat dat het dan ook nog een overtreding gaat opleveren. Want behalve het feit dat je niet goed handelde, komt er nog iets bij. Dat is moeilijk voor ons. Maar stel dat je moreel zover bent dat je zegt: “Ik moet maar niet zonder licht hier, door deze straat, door deze Dennenlaan gaan fietsen vanavond als het donker is. Dat is niet goed, dat is niet goed. En voor mijn geweten kan dat niet.” Nou, dan doe je het niet. Maar stel dat oom agent daar ergens op het bureau zit, dat het niet mág, en je rijdt daar door die Dennenlaan, dan is het behalve dat geweten dat zegt: “Het klopt niet”, is het ook nog de wét die zegt: “Dat kan niet, dat mag niet!” Dat komt er dus bij, dat komt er nog overheen. Dus de wet die zonde doet kennen, maakt het niet makkelijker, maakt het in feite alleen maar moeilijker. Hier. Dat is de taal. Wanneer geloofde Abraham God? Nou, hij stond aan… De Heer heeft hem meegenomen naar het strand en gevraagd of hij die korreltjes kon tellen. Want Abraham, die was wat ongerust. Hij zegt: “Ik heb een geweldig vermogen, maar ik heb geen eigen zoon, en mijn knecht Eliëzar, die Damascener, die meneer uit Damascus, die Syriër, die krijgt dan de hele erfenis straks. Dat is een vreemdeling! Want ik heb geen kinderen, ik heb geen nazaat!” En dan zegt de Here: “Moet je eens luisteren, iemand uit jouw eigen lijf”, beetje plat maar dat staat er wel, “die zal je erfgenaam zijn! En kijk nu eens naar de sterren van de hemel! Niet te tellen bij een heldere avond. Kijk nu eens naar de korreltjes zand. Niet te tellen. Zo, zo talrijk zal jouw erfgenaam zijn. En Ik zal je dit land geven, dit gebied geven. En dat gebied, dat reikt van Middellandse Zee tot aan de Nijl en tot aan de Eufraat!” Echt, daar staat het, in Genesis 15 hoe geweldig dat gebied zal zijn voor Abraham en zijn nazaat. “Dit zal Ik je geven.” En hij geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Hij geloofde God. “Wat God zegt, dat is waar. Here God, ik geloof U!” En de Here God zei: “Dat bedoel Ik Abraham. Dit is voor Mij een rechtvaardige daad, als je dit gelooft.” En dat deed hij. En Romeinen 4 zegt: dat heeft hij volgehouden. Maar zijn er nooit dipjes geweest in dat geloof? Jawel, die zijn er misschien wel geweest. Maar in Jacobus, Jacobus 2, daar wordt diezelfde geschiedenis herhaald – weet je wel: hij geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend – maar Jacobus spreekt over wat anders. Wanneer bleek nu – zegt Jacobus – dat Abraham God geloofde? Dat bleek toen hij zijn zoon op het altaar legde. Dat is een hele andere redenatie. Een hele andere bewijsvoering. Toen bleek dat Abraham God geloofde. Hij legde zijn zoon op het altaar, overwegende dat God hem uit de doden zou gaan opwekken. Nou, dan moet je héél ver gaan. Dat geloof, dat soort geloof, tegen álles in, tegen beter weten in, tegen álle kritiek in, tegen álle schriftkritiek in, tegen alle modernistische theorieën in…dát soort geloof zou mijn hart, mijn leven moeten kenmerken. Dat geloof, God geloven, dat zou mijn leven moeten gaan beheersen. Abraham heeft dat gekend en dát geloof wordt model gezet voor jou en voor mij. In de dagen van Abraham, dus toen God hem dit zei, heeft Hij gezegd: “Abraham, neem een driejarige koe, deel hem middendoor; neem een driejarige geit, deel hem middendoor; neem een driejarige ram, deel hem middendoor; neem een tortelduif en neem een andere duif, een gewone duif. En leg ze daar neer, de delen tegenover elkaar, een soort pad ertussen.” En dat heeft Abraham gedaan. Toen de roofvogels kwamen – zegt Genesis 15 – toen joeg Abraham die roofvogels weg. Abraham viel in slaap, in een diepe slaap. Hij zag de Here God. Is kennelijk wakker geworden, want de Here God gaat dwars door die stukken; als een Vuuroven en als een Vurige Fakkel, zo trekken ze door die stukken. En Abraham geloofde God. Ik heb dit misschien vandaag wel vijf of zes keer gelezen. En ik zou je zo graag deelgenoot willen maken van mijn eigen gevoelens: Hoe dan, Heer? Hoe dan Here? Hoe maakt U waar, dat wat U gezegd hebt? Leg die dingen maar tegenover elkaar. Zoals dat ene deel van die driejarige koe bij dat andere deel hoorde, een soort eenheid vormde, zoals het ene deel van een ram en het andere deel van een ram, ene deel van de geit en andere deel van de geit, zoals die twee duiven bij elkaar hoorden; zoals het eigenlijk een eenheid had moeten zijn. Ze zijn uit elkaar geschoven. Tegenover elkaar gelegd. En nu is er een soort pad tussendoor. En de Here God verbindt Zich, en zegt: “Zó, zoals die delen aan elkaar horen, zó verbindt Ik Mij aan jou!” Zal ik het anders zeggen? Zoals het offer, want al die beesten die daar in tweeën gedeeld zijn – driejarige koe, een ram, een geit, een tortelduif en een gewone duif – ze hebben allemaal een plek in de offers van God. Zoals die dieren daar in die oude dag, de offerdieren voorstellen en de glorie van God eigenlijk willen etaleren, zo is het vandaag ook. Op grond waarvan kunnen wij zekerheid hebben? De zekerheid van het geloof. Is dat omdat we de goede kerk gevonden hebben? Neen. Ik weet niet of die te vinden is. Maar ook al honderd, honderd keer, misschien wel duizend keer gezegd: “Als je hem hebt, ga er dan alsjeblieft niet naar toe, want als jij daar komt, dan gaat het met die goede kerk weer niet goed. Want jij komt er.” Het gaat niet om de leer van de kerk. Het gaat niet om de leer van iemand. Het gaat ook niet om de leer van onze Maranathagroep beweging. Waar het wel om gaat is: dat je ontdekt dat op grond van het offer, God Zich aan ons verbindt! Toen aan Abraham verbond en een verbond sloot. “Ik zal je dát gebied geven en dit komt aan je lijfelijke erfgenamen, en ze komen talrijk uit Egypte.” Dat duurt een poosje – daar al is sprake van 400 jaar, daar al is sprake van een enorme vuuroven, maar er is ook sprake van een vurige Fakkel! Het is alsof het Licht van God Zelf daar tussendoor gaat en deze dingen aan elkaar brengt. Beetje moeilijk beeld misschien, maar je ziet het daar gebeuren. En zoals ik zopas zei: “Als het om het altaar gaat, blijf er dan met je vingers af! Ga het niet modelleren of fatsoeneren. Ga het niet bewerken.”, zo zeg ik nu van het offer: “De roofvogels die moet je wegjagen! Die moeten weg.” En die komen, vanaf het moment dat je het over de Here Jezus hebt, en over Zijn offer hebt en over Zijn werk en over die drie jaren hebt. Misschien – driejarige koe en die driejarige ram en die driejarige geit – zouden dat de drie jaren zijn van onze Here Jezus? Ik denk het. Zijn offer. Maar de roofvogels zullen altijd proberen om daar iets van weg te kapen. Jaag ze weg! Er blijft Een over, de Here God Zelf. De belofte die Abraham daar kreeg, in Genesis 15, betroffen het land. Dat is dé basisbelofte voor Israël. Als je het over de Profetie wilt hebben, dan kun je alleen maar daar beginnen. Daar heeft God toegezegd: “Dát land, dat gebied, zál Ik jullie geven. Geen voorwaarden: “Als je goed je best doet…” Niet: “Als je de wet houdt…”. Niets van: “Als jullie je allemaal keurig en op tijd laten besnijden…”. Niets daarvan. Zonder enige voorwaarden heeft God dát gebied aan Zijn volk gegeven. Punt. Is dat ooit herroepen? Nee! Is dit weggegaan omdat het volk zei: “Wij willen niet dat Hij Koning over ons is!”? Neen! God kán Zichzelf niet tegenspreken. Dat is nóg zo! Gods beloften ten aanzien van Israël, liggen dáár. En Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Maar waarom wordt dit nu in Romeinen 4 aan ons gezegd? Wij die in de volstrekte zin, geen deel hebben aan een vierkante meter grond daar ergens in het Midden Oosten. Onze zegeningen zijn van een heel ander kaliber. Zijn hemels, zijn bij de Here Jezus, zijn in het Huis van de Vader. Wij hebben niet een vierkante meter daar ergens. Onze zegeningen zijn Christus Zelf. Hij is onze zegen. Hij is onze Hoop. Hij is ons Alles. De Here Jezus is het. Maar waarom wordt dit nu gezegd aan ons? Kijk, zoals Abraham – toen ging het over aardse zegen – zó God geloofde (en God rekende het hem toe als gerechtigheid), God zei: “Dit, Abraham, is voor Mij een rechtvaardige daad van jou. Dit bedoel Ik, dit wil Ik graag.” Zó wil de Here ons vandaag, zo ver zien te krijgen, dat we zeggen: “Dat offer van de Here Jezus, dát geloof ik. Dat geloof ik. En ik neem dat gelovig aan. En de roofvogels? Weg ermee!” En het heeft te maken met het offer van onze Here Jezus Christus op het kruis van Golgotha. Dáár ligt de basis voor de zegen van Israël in de toekomst, dat blijkt ook nog een keer, maar daar ligt ook de basis voor jou en voor mij. Want de enige bron van zegen is de Here Jezus. En dat moet je geloven. Dat moet je niet gaan beproeven in de zin van: “Ik Zal mijn best doen, ‘k wil toch proberen of ik een zegen kan krijgen.” En maar ploeteren. En dan zijn mensen heel vroom bezig, continue, om te scoren. En dat lukt niet. Het breekt iedere keer weer bij de handen af. Ik ken geloofsgemeenschappen die de heiliging heel hoog in hun vaandel hebben staan, en die een soort, ja een heel soort systeem hebben bedacht dat ze uiteindelijk een soort ladder aan het beklimmen zijn en ze komen uiteindelijk in de hemel, door het vlees heen. Ze hebben in hun literatuur, in hun boekjes, mensen met naam en toenaam, die door het vlees heen zijn gekomen. Die hadden geen last meer van de zonde, hebben geen problemen meer. Die hebben al die dingen niet meer. Waarschijnlijk hebben ze ook geleefd als een kluizenaar, niemand gezien, want als je mij zag dan was het al weer mis geweest. Maar ik heb dat een keer helemaal onderzocht. Ik ben met ze in gesprek geweest. En het is me volstrekt helder geweest en geworden, dat er bij die mensen twee dingen misschien niet goed waren. Slechts twee? En dat was hun geheugen en dat was soort ijzeren plaat voor hun… als begrijpt wat ik bedoel. Het gaat niet goed. Het kán niet. Zullen we nu eens stoppen met alles, álles te doen om in de hemel te komen? Om bij God in een goed blaadje te komen? Om de wet te volbrengen uit dankbaarheid – om die te doen uit dankbaarheid? Ja, natuurlijk willen we de Here dienen. Ik ga de wet niet wegschuiven. Ik ga niet zeggen dat dit voorbij is. Ik ga dat nooit, nooit zeggen, dat is niet zo. De wet is heilig en de wet is goed, maar niet om in de hemel te komen. Wel om de Here te leren kennen. Om er achter te komen Wie Hij is. Dat wel. Maar stop nu eens met álle activiteit van jezelf. Geloof. Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid. En jij, gelooft God! Als hier staat als een conclusie, dat God Hem, Jezus, uit de doden opgewekt heeft, die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging. Geloof je dat? Ja maar… Ik weet het. Vorige keer ook gezegd. Daar zitten we zó in vastgeworteld! Iedere keer beginnen we weer met excuses. Iedere keer beginnen we weer met verhalen: “En dominee A heeft gezegd…” en: “Er is verschil in genade, en er is een voorwaardelijke…” Enfin, daar gaat ’t ie weer. Hele theorieën over soorten genade die er bestaan. Maar hier gaat het niet meer over genade, dat was hoofdstuk 3. Hier gaat het over geloof! Geloof je dat? Niet eromheen draaien! Niet zeggen: “Ja, ik zal er nog eens over nadenken.” Dat is tenminste nog wat, maar eigenlijk zal je hier op je stoel zittend, moeten zeggen: “Dank U Here Jezus, dat U dat voor mij en voor mijn schuld hebt willen doen. Dat U om mijn overtredingen gestorven bent. En dat U om mijn rechtvaardiging opgewekt bent.” Weet je dat heel onze zegen daar aan gekoppeld is? Hoe denk jij dat jij ooit opgenomen gaat worden, de Here Jezus tegemoet in de lucht? Omdat je besneden bent? Nee. Omdat je het goed gedaan hebt? Ook niet. Uit genade zijn wij behouden, níét uit onszelf, het is een geschenk van God. Gods gave. De Here heeft het gegeven. Alleen maar genade, alleen maar geschonken. En ik heb dat mogen geloven. Ik weet niet waarom Gods genade aan mij ook werd betoond. Maar ik weet – wij zongen dat vanavond – in Wie ik gelooft heb. Dit moet je inlijsten. Moet je voor jezelf houden. Dit moet je eens een keer in je hart plaatsen. Dat moet je er nooit meer uit laten wegredeneren, ook niet door allerlei roofvogels laten wegpikken. Dit is klasse! Dit is de Here Jezus. Hij! Hij is onze behoudenis. En we zijn gerechtvaardigd op grond van geloof. Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Dit geloof wordt jou tot een rechtvaardige daad gerekend. God zegt: “Dat bedoel Ik. Nu kan Ik met je praten. Nu kan Ik je in Mijn heerlijkheid brengen.” Is dit nu moeilijk, Romeinen 4? Wet brengt je daar niet, besnijdenis brengt je daar niet. Jood zijn brengt je daar niet, heiden zijn brengt je daar ook niet. De enige mogelijkheid is: Genade van God, Zoenmiddel, Genadetroon – hoofdstuk 3. En hoofdstuk 4: geloof, geloof, geloof. Anders niets dan: geloof in de Here Jezus en je zult behouden worden. Dit is zó simpel! Zo eenvoudig! Je hoeft er niets voor in de collectezak te doen, je hoeft niet in bepaalde knieval te maken voor mensen, mag alleen maar buigen voor de Here Jezus, en zeggen: “Here Jezus, dank U wel dat U zó’n groot werk daar op dat kruis tot stand gebracht hebt.” En nu kom ik weer terug bij het begin: dan je knielen bij dat kruis. Dan ga je dat kruis omvatten. Dan ga je dat ruwhouten kruis bewonderen. Niet vanwege de materiaalsoorten, maar omdat de Here Jezus, daar, voor jou en voor jouw schuld, Zijn leven wilde geven. Dát is geloven in de Here Jezus. Nou, dan kom je in Goede Vrijdag sfeer, of in Goede Donderdag sfeer, het is mij goed. En dan ga je de Here Jezus prijzen, dan ga je de Here Jezus grootmaken. Dan ga je Hem bejubelen! Dan kún je niet anders dan zeggen: “Ik wil U danken Heer, ik wil U prijzen. Here Jezus ik wil U zo mijn hart geven. Alles wat ik heb aan U geven, want U, Ú hebt dat gedaan. U bent de Enige.” Dat is Romeinen 4. Dat is een gigantische oplossing. En je kunt je dan ook voorstellen dat Romeinen 5 begint: ‘Wij dan gerechtvaardigd uit het geloof – uit het geloof, niet uit de besnijdenis, niet dit, maar uit het geloof – hebben vrede met God, door onze Here Jezus Christus. Dan gaat het verder. Maar dit wordt een soort afronding van: dit is dé weg, dit is de enige weg: de genade van God en geloven in de Here Jezus. En ik vraag me af of dit nu zo moeilijk is. Israël: genade van God en ze zullen zien op Hem die doorstoken werd. Geloven in de Here Jezus. Precies hetzelfde. En de toekomst? Precies hetzelfde. Als het Romeinse Rijk weer gezicht krijgt en daar heerst in Jeruzalem, dan staat de Here Jezus, de Geest van Genade en van Gebed wordt uitgestort over dat volk, ze zien op Hem die doorstoken werd en ze geloven. Zelfde. Het kán ook niet anders, er ís geen andere weg. Er is niets anders dan de Here Jezus. Klinkt een beetje afgezaagd misschien, maar ik bedoel het heel, heel, heel nadrukkelijk te stellen: Er is níéts anders dan de Here Jezus. En als je Hem hebt, heb je alles en als je Hem niet hebt, dan heb je niets. Wie de Zoon heeft, heeft het Leven, wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet. Zwart of wit. Wit is: Hem wél hebben. Ik wens je een hele witte week toe. De Here zegene ons. Ik wil kort afsluiten.
“Onze God onze Vader, wij willen U danken voor Uw Woord. Wij willen U danken voor Romeinen 4. Wij willen U danken voor het geloof van Abraham dat hij in zijn onbesneden staat had. Wij willen U danken dat hij U zó heeft geloofd, en zelfs tegen beter weten in, tegen álle, alle menselijke redeneringen in, geloofd heeft. Zelfs toen hij zijn eigen zoon die inmiddels geboren was, op het altaar legde, heeft hij gelooft dat U hem uit de doden kon opwekken. Dank U wel voor zo’n geloof. Here, wij willen voor elkaar bidden, dat hetzelfde soort geloof, tegen álle redenaties in, tegen beter weten in misschien, tegen alle kritiek in, ook in ons hart mag zijn, in onze levens mag zijn, zodat wij U geloven Vader. En U rekent het ons toe als gerechtigheid, alsof het een rechtvaardige daad is. De bijbel zegt van onze rechtvaardige daden, dat ze nog zijn als een wegwerpelijk kleed. Maar dit noemt U Zelf een rechtvaardige daad. Het bestaan, het blijft bestaan, het gaat niet meer weg. Dank U wel Vader, dat U ons zó wilt focussen op de Here Jezus in deze dagen, in deze week. En dat we zó ook in de richting van dat kruiswerk van onze Here Jezus mogen gaan, ook mogen beleven dat de Here Jezus niet in het graf gebleven is, maar is opgestaan. Hij leeft. Wij willen U danken voor Uw Zoon, de Heerlijkste van allen, de Liefelijkste van allen. Wij prijzen Uw heerlijke en verheven Naam. Amen.”